Non-fictie

Vladimir Fedorovski

Au coeur du Kremlin
Des tsars rouges à Poutine
Vladimir Fedorovski


Dit boek begint met de “drie levens” van de auteur (1950-):
Van 1972 tot 1990 hoorde hij bij de nomenclatura als diplomaat en tolk Arabisch (plus Frans en Engels) in dienst van Brezjnev, Andropov en Gorbatsjov, goede vriend van Jakovlev, de inspirator van de perestrojka en glasnost.

In 1990 stapte hij uit de diplomatie, als protest tegen de corruptie die de markteconomie van Jeltsin met zich bracht (maar Jeltsin kwam pas in 1991 aan de macht) Fedorovski ging in de oppositie met het doel het “totalitaire regime ter dood te brengen”. Een rare uitspraak, want Gorbatsjov en Jeltsin voerden geen totalitair regime, wel een presidentieel regime, en zelfs Poetin gaat niet zo ver. Hij zegt er ook niet bij waarom hij niet in Moskou bleef wonen en naar Parijs uitweek. Hij had daar al wel gewoond in 1977 en van 1985 tot 1990.


In 1991 verzette hij zich hevig tegen de staatsgreep, hij schreef daar ook een boek over, en begon ook te werken voor Sobtsjak, wiens kabinetschef … Poetin was. 


Kort daarna begon Fedorovski aan zijn loopbaan als schrijver en in welk tempo: dit is zijn 41e boek in 28 jaar! Au coeur du Kremlin leidt ons binnen in het Kremlin, waar Fedorovski een bevoorrechte getuige was. Een hele geschiedenis van het eeuwige Rusland speelde zich daar af, ook de complotten die Stalin, Chroesjtsjov, Brezjnev, Jeltsin en Poetin aan de macht brachten.


Het boek begint met Stalin en zijn emotionele toespraak tot het volk op 3 juli 1941, 13 dagen na de Duitse inval. Zijn dood veroorzaakte in 1953 massaal verdriet bij de bevolking, hoewel elk gezin door zijn schuld wel een familielid kwijt was. In de Goelag zorgde het nieuws voor vreugde, zeker bij de ten onrechte verbannen boeren/koelakken. Ook de Joden treurden niet.


Bij de beschrijving van Beria, hoofd van de geheime dienst, beweert Fedorovski dat deze gezegd heeft: “Ik heb de tiran gedood”(p.26). Hij zou hem vergiftigd hebben tussen de nacht van zaterdag 28.02 en maandag 01.03.1953. Dat lees ik hier voor het eerst.
Dan vertelt hij hoe “de lompe boer” Chroesjtsjov besloot om kameraad Beria te liquideren. De Georgiër Beria, landgenoot van Stalin, was hervormingsgezind, voor een eengemaakt Duitsland en vooral: iedereen had schrik van hem. Op 26 juni 1953, tijdens de zitting van het Politbureau of “Presidium van het Centraal Comité”, werd hij opgepakt en op 23 december 1953 kreeg hij de kogel.


Chroesjtsjov greep de macht. Hij was het voorbeeld van een rode proletariër: van arme afkomst, slechts tot zijn 9e jaar naar school, arbeider in de Donbass, partijlid, verantwoordelijk voor massale deportaties en de georganiseerde hongersnood in Oekraïne, vanaf 1934 verantwoordelijk voor de “quota” in Moskou, die hij met trots ruimschoots overtrof, en voor de executie van meerdere honderdduizenden landgenoten. Toen hij in 1953 secretaris-generaal werd, liet hij meteen meer dan 200 pagina’s van zijn persoonlijk dossier vernietigen ( blz. 40).


Markus Wolf
, de briljante leider van de  DDR-spionage en trouwe makker van Andropov, was verbaasd dat zo’n brutaal en laaggeschoold man de grote Sovjet Unie (SU) mocht leiden. Chroesjtsjov schoof alle wandaden op Stalin en Beria en liet de nomenclatura met rust. Zijn economische politiek was een ramp. Hij “zoop en gedroeg zich als een ploert” (blz. 44). In 1957 wilde het Politbureau hem al afzetten, maar maarschalk Zjoekov, bekend sinds de 2° W.O. (en de inval in Hongarije), verzette zich daartegen. Malenkov, Molotov en Kaganovitsj daarentegen werden weggepromoveerd. Als “dank” zette Chroesjtsjov enkele maanden later, jaloers op zijn naam en faam, de machtige Zjoekov uit het Centraal Comité en uit al zijn functies en verbande hem! Brezjnev herstelde hem in ere. In 1961 veranderde Chroesjtsjov de naam Stalingrad in Volgograd en haalde hij Stalin uit het mausoleum van Lenin naar de Kremlinmuur.


Hfst. 3 gaat over sensatie: spionage via seks tijdens en op vraag van Chroesjtsjov.


Hfst. 4 beschrijft het falen van de impulsieve Chroesjtsjov in de Cubacrisis. Nooit was een nucleaire oorlog zo nabij. In 1964 wou Brezjnev zijn kameraad Chroesjtsjov eerst laten vergiftigen of verongelukken, aldus Fedorovski, maar uiteindelijk zette hij hem gewoon af. Toen hij in 1971 na 7 jaar huisarrest  stierf, kreeg hij geen nationale begrafenis en ook geen plekje in de Kremlinmuur. Hij is begraven op het Novodevitsjikerkhof. Chroetsjovs verdiensten waren: de rehabilitatie van vele slachtoffers van Stalin, meer vrijheid voor Solzjenitsyn etc. om hun boeken te publiceren, een einde aan de terreur en hij voerde menselijke werktijden in - tijdens Stalin werkten velen tot diep in de nacht -.


Brezjnev dan (1964-1982).
Fedorovski werkte voor hem als tolk Arabisch, Frans en Engels, (o.a. bij de ontvangst van Khadafi en van Yasser Arafat). Intelligent man, ingenieur, maar vooral bezig met zijn eigen imago en met vrouwen. “J’aime aimer”, zei hij tegen Fedorovski. Naast zijn echtgenote Viktoria Petrovna, nam Brezjnev ook nog Nina Korovikova in huis als maîtresse. Hij zwom veel voor zijn conditie, maar ondermijnde ze dan weer met wodka. Dissidenten zoals Sacharov en Solzjenitsyn kregen huisarrest, Solzjenitsyn verloor zelfs de Russische nationaliteit en werd verbannen.


Vanaf 1975 ontstond een ondergrondse economie, die zorgde voor de eerste rode miljonairs en ook voor de maffia, die leden van de nomenclatura en nieuwe miljonairs afperste, folterde, ontvoerde, doodde om losgeld. Corruptie was alomtegenwoordig. Galina, de dochter van Brezjnev, had een intieme relatie met Boris de Zigeuner, de baas van de maffia.


Dank zij Brezjnev mocht Fedorovski in 1977 op de ambassade in Parijs gaan werken als cultureel attaché. Hij constateerde daar dat de SU 50 à 60 jaar achterliep op het Westen (blz. 105). In 1982 werd hij teruggeroepen naar Moskou: militairen vervingen de versleten Brezjnev door Andropov. Kort daarna stierf Brezjnev.


De intelligente en werklustige Andropov, die in 1956 als ambassadeur in Boedapest het Rode Leger ter hulp had geroepen, verzette zich meteen tegen de corruptie en tegen de zwarte markt, maar hij haatte dissidenten en handhaafde de censuur.
In 1981 werd paus Johannes Paulus II bijna vermoord. Mogelijk was Andropov de opdrachtgever. Al sinds 1973 werd Karol Wojtyla als gevaarlijk beschouwd door de KGB, die allerlei desinformatie over hem verspreidde. Toen de Poolse partijleider Gierek de paus in 1979 uitnodigde om naar Polen te komen, belde Brezjnev zelf hem razend op en zette hem af, eventjes ten voordele van de Poolse politicus Kania, dan ten voordele van de 1e Poolse president  Jaruzelski. Gorbatsjov daarentegen beschouwde de paus als een bondgenoot in zijn hervormingen en zijn afwijzing van geweld in het Oostblok. Toen de Poolse vakbeweging Solidarność in augustus 1989 de Communistische Partij versloeg bij de verkiezingen, beval Gorbatsjov de communisten om te berusten in hun nederlaag. De paus had dus gewonnen.


Na de vroege dood van Andropov, dacht zijn poulain Gorbatsjov dat hij aan de beurt was, maar het werd de oude Tsjernenko, “drinkebroer van Brezjnev, bijna seniel en halfgek” (blz. 178). Na 13 maanden, waarvan een deel in het ziekenhuis, was deze voorvechter van het “marxisme-senilisme” ook dood.


Gorbatsjov trad aan op zijn 54e, met Alexander Jakovlev (1923-2005) als voornaamste inspirator en architect van de perestrojka. Het Politbureau koos hem nu unaniem. Hij was de eerste die samen met zijn vrouw Raïssa Titarenko regeerde. Voor Fedorovski was dit een glorierijke periode: hij mocht terug naar Parijs, om daar de perestrojka te promoten. De inspiratie kwam van de Chinese staatsman Deng Xiaoping, de zieke Andropov was er al mee begonnen, o.a. door de zwarte economie weg te werken. Gorbatsjov hoopte bij zijn hervormingen tevergeefs op steun van het Westen. Hij onderschatte ook de toestand van de Sovjeteconomie en de tegenstand van de KGB en het militair-industrieel complex tegen zijn perestrojka.


Hij had ook veel pech: de olieprijs halveerde, de kerncentrale in Tsjernobyl ontplofte, de bevolking verzette zich hevig tegen de antialcoholcampagne van “Secretaris-Mineraal”, die het land 100 miljard roebel kostte, de 19-jarige Mathias Rust zorgde voor onrust door 800 km ongemerkt over Russisch grondgebied te vliegen en op het Rode Plein te landen. De eenmaking van Duitsland deed de strijd losbarsten tussen de KGB (Krioetsjov en Jazov) en de hervormers (Jakovlev, Sjevardnadze). De val van de Muur werd volgens Fedorovski meer veroorzaakt door de hervormers dan door het Duitse volk. Er was ook een economische reden: het Oostblok kostte de Russen 40 miljard roebel per jaar (blz. 215), terwijl de bewoners dachten dat ze door de Russen uitgebuit werden. Bovendien wou de Duitse bondskanselier Helmut Kohl betalen voor de hereniging. De afbraak van de Muur was voor de radicale communisten onverteerbaar. De meeste Russen vinden trouwens nu nog altijd dat enkel een imbeciel de val van de SU kon veroorzaken. Gorbatsjov redde de wereld, maar verloor zijn eigen land.


Toen Gorbatsjov in 1990 voorstelde om verkiezingen te houden met algemeen stemrecht en meerdere partijen, waren de conservatieven razend. Ook de steun van Sjevardnadze aan de VSA in de Golfoorlog tegen Irak, jarenlang een trouwe bondgenoot van de SU, maakte de KGB en de ultra’s woedend en sterker. Gevolg: Sjevardnadze nam ontslag in december 1990, met de woorden: “Ik kan niet akkoord gaan met de dictatuur die eraan komt”. Het Westen en Gorbatsjov zelf hadden toen niet door dat zijn tijdperk ten einde liep. In januari 1991 namen de ultra’s steeds meer sleutelposten in, met goedkeuring van Gorbatsjov, en probeerden elite-eenheden van de KGB de regeringen van de Baltische landjes omver te werpen, met meer dan tien doden en 100 gewonden als gevolg. Pas na internationaal protest beval Gorbatsjov dat de troepen zich terugtrokken.
Gorbatsjov deed nog verdere toegevingen: patrouilles van het leger mochten de steden controleren en huiszoekingen houden, de censuur werd opnieuw ingesteld. De democratische oppositie reageerde. Er kwamen presidentsverkiezingen met algemeen stemrecht op 12 juni 1991 en Jeltsin werd gekozen. Gorbatsjov besefte dat zijn rivaal nu sterker was dan hij.


In augustus vernam Fedorovski dat er een staatsgreep op komst was. Hij gaf die info door aan Jakovlev, die waarschuwde Gorbatsjov. Deze zei hautain: “Wees niet ongerust. Het zijn middelmatige elementen”(blz. 222). Jeltsin was wel op zijn hoede. In augustus trok de familie Gorbatsjov naar hun (veel te dure) residentie in Foros op de Krim. Op 18 augustus 1991 zagen Fedorovski, Jakovlev en Sobtsjak vanuit de Alexandrovski-tuin een lange rij auto’s het Kremlin binnenrijden: de samenzweerders o.l.v. KGB-baas Krioetsjev, vicepresident Gennadi Janajev, minister van defensie Jazov. Krioetsjev had in de gevangenis genoeg cellen laten leegmaken om Gorbatsjov en de andere hervormers op te sluiten.


Dezelfde dag arriveerden gewapende coupplegers bij de datsja van Gorbatsjov. Zijn telefoon en alle toegangswegen hadden ze al afgesloten. Zij eisten dat hij zou afzien van een nieuw verdrag met de lidstaten van de USSR en de noodtoestand zou uitroepen. Gorbatsjov weigerde.


Op 19 augustus kroop Jeltsin op een tank en eiste de bevrijding van Gorbatsjov. Hij had geluk: CNN zond alles rechtstreeks uit naar heel de wereld en Fedorovski communiceerde met de Europese media. President Bush eiste meteen de vrijlating. Mitterrand daarentegen erkende de coupplegers: wat een vergissing! Op 20 augustus hoorden Jeltsin, Sjevardnadze en Fedorovski dat het leger zou aanvallen en hen zou doden. Maar die aanval kwam er niet: de minister van defensie bedacht zich en verbood te schieten. Sobtsjak kon naar Leningrad vertrekken. Op de luchthaven werd hij opgewacht door zijn medewerker … Vladimir Poetin, die met speciale troepen verhinderde dat de KGB de burgemeester zou oppakken. Jeltsin organiseerde een betoging in Moskou, Sobtsjak en Poetin deden hetzelfde in hun stad.


Op 21 augustus werden de  Gorbatsjovs bevrijd en de coupplegers aangehouden. Raïssa had een beroerte gekregen, ze had een verdwaasd gezicht en kon niet meer lopen. Ze zou nooit volledig herstellen. Moskou vierde feest. Het standbeeld van Dzerzjinski aan het KGB-gebouw werd ontmanteld. 21 augustus 1991 was een historische datum: na 70 jaar implodeerde het terreurbestuur.
Tussen Jeltsin en de Gorbatsjovs kwam het niet meer goed: Jeltsin had Gorbatsjov teveel vernederd en Raïssa verweten te leven zoals een tsarina. Ze stierf in 1999, op haar 67e, in Münster, aan leukemie, mogelijk opgedaan toen ze nog dichtbij de kernproeven in Siberië woonde ofwel toen ze Tsjernobyl te vroeg bezocht (blz. 247). Jeltsin stierf in 2007. Ze liggen allebei op het Novodevitsjikerkhof,  gelukkig ver van elkaar.


Op 25 december 1991 nam Gorbatsjov ontslag als president van de SU. Hij gaf de macht door aan Jeltsin, plus de teksten van het geheime pact van 23 augustus 1939 tussen Stalin en Hitler, plus de documenten over de moord op 25.700 Polen in Katyn 1940-1941. Tot dan waren ze geheim gebleven voor de Russische bevolking. Op 8 december hadden Jeltsin en de presidenten van Oekraïne en Wit-Rusland de SU al vervangen door het Gemenebest van Oanfhankelijke Staten (G.O.S.), een constitutionele staatsgreep dus. Op 26 december 1991 werd de rode vlag met hamer en sikkel vervangen door de wit-blauw-rode van het eeuwige Rusland.


De komst van Jeltsin zorgde voor veel hoop: hij liet niets over van de oude Sovjetstructuren, hij was gekozen met algemeen stemrecht en met veel volmachten tegenover een zwak parlement. Maar door zijn drankprobleem had hij al jaren een leverkwaal en het begin van een hersentumor. De Russen vonden hem sympathiek omdat hij dronk zoals zij: één liter wodka per dag! Om de drie maand moest hij recupereren in de banja’s (Russische badhuizen) van  Sotchi. Tijdens zijn bewind werden rode industrie- en exportbaronnen miljardair en floreerden de corruptie, de maffia en de criminaliteit. Jeltsin privatiseerde in 1992-1994 alle bedrijven: uit het niets ontstonden miljardairs. De oligarchen konden met de medeplichtigheid van Westerse banken hun fortuinen veilig overbrengen naar andere landen. In 1991, dus tijdens Gorbatsjov, was dat al 100 miljard dollar en tot 2.000, tijdens Jeltsin, was dat nog eens 20 miljard $ per jaar, uniek in de geschiedenis van de wereldeconomie (blz. 269). En dat terwijl toen 50 % van de bevolking op de rand van de armoede leefde. En het westen marginaliseerde Rusland, i.p.v. het bij Europa te betrekken, een trend die sinds 2014 helaas steeds verder gaat.


In oktober 1993 liet Jeltsin het parlement (Witte Huis) bestormen en in brand steken, omdat het zich verzette tegen zijn economische hervormingen. De leiders van de rebellie, Roetskoj en Chasboetlatov, werden gevangen gezet. Fedorovski geeft hier een rare verklaring voor het optreden van Jeltsin: hij was onder invloed van parapsychologische goeroes, wodka en antidepressiva (blz. 277), een rare cocktail voor een president! In april en oktober 1995 kreeg hij zijn eerste twee hartinfarcten.


Fedorovski beschuldigt medewerkers van Bill Clinton en Georges Soros ervan dat zij in juli 1996 zijn tussengekomen om de herverkiezing van Jeltsin mogelijk te maken om te vermijden dat de communisten weer aan de macht zouden komen, wat de opiniepeilingen voorspelden. Soros overtuigde Berezovski en 12 andere oligarchen (Chodorkovski, Goessinski e.a.) in Davos om Jeltsin met miljoenen dollars en publicitair te steunen in zijn herverkiezing. Hij werd herkozen dankzij geknoei met de uitslagen. (De Amerikanen verweten de Russen 21 jaar later dat ze zich bemoeid hadden met de verkiezing van Trump.)


Na de bekendmaking van het witwassen van miljarden door de clan van Jeltsin, haalde deze Poetin naar voor: eerst als premier, in augustus 1999, dan als president in maart 2.000. Fedorovski kent Poetin persoonlijk en noemt hem de eerste tsaar van de 21e eeuw. Hij beschrijft hem als een man met vele gezichten, ondoordringbaar, complex, een goede spion, bekwame manager, behendig, de sterke man van het Kremlin. De Russen appreciëren zijn vastberadenheid, zijn fysieke conditie, nationale trots en zijn wil om de grootsheid van Rusland te herstellen. Die vastberadenheid was welkom, want op het einde van de zomer van 1999 werd Rusland getroffen door bloedige aanslagen met in totaal bijna 300 doden en 700 gewonden. Men verdacht de Tsjetsjenen, maar waarschijnlijk was het de FSB (Federale Veiligheidsdienst van de Russische Federatie) (blz. 291-292). Zij creëerden een nationalistische psychose. Poetin kreeg de steun van de oligarchen, het leger en de FSB. Hij schakelde Berezovski meteen uit, omdat die de baas wou spelen in het Kremlin. Deze verhuisde naar Londen. Achtervolgd voor fiscale fraude, verwierf hij de Israëlische nationaliteit. In 2013 vond men hem dood, opgehangen in zijn badkamer. (Zelf)moord ? De rijkste oligarch was Chodorkovski, ook een Jood, baas van Yukos. In 2004 vloog hij in de cel voor oplichting en fiscale fraude. De oligarchen verloren hun politieke en economische macht, maar ze werden met rust gelaten als ze de ijzeren hand van Poetin niet tegenwerkten.


Tegenover het Westen begon Poetin met uitgestrekte hand. Hij belde Bush meteen op toen de WTC-torens op 11 september 2001 aangevallen werden, maar in 2007 zei hij in München dat het Westen Rusland bedrogen had en niet enkel het communisme wou uitroeien, maar ook Rusland zelf, door de uitbreiding van de NAVO tegen de afspraken in, door het antiraketschild en door de inmenging van de VSA in de ex-Sovjetrepublieken Georgië en Oekraïne. Poetin wou de Russische invloedssfeer behouden en mengde zich daarom in Oekraïne en in de Krim. En hij wil zijn land weer op de internationale scène zetten.


Trump en Poetin respecteerden elkaar in 2016, maar volgens Fedorovski vaardigde Trump zijn sancties uit op vraag van het Congres en die doen Poetin veel pijn en hebben een nieuwe Koude Oorlog uitgelokt. De auteur meent terecht dat de VSA en Europa beter de kant van Rusland zouden kiezen, want ¾e van het territorium van I.S. is bevrijd dank zij de Russen. 
In eigen land kampt Poetin met twee zorgen: de olieprijs en zijn opvolging. Fedorovski ziet iets in Alexeï Dioemin, 46 jaar, viceminister van defensie. We wachten af of hij het wordt.
Het boek eindigt met een nuttige chronologie van 1905 tot 2018. Een index ontbreekt.


Fedorovski schrijft heel boeiend en vooral met veel kennis van zaken. Behalve voor Chroesjtsjov en Tsjernenko, is hij mild in zijn oordeel over de bazen van het Kremlin. Bij Gorbatsjov had hij de biografie van Taubman mogen vermelden, bij Poetin die van Steven Lee Myers. Hier en daar staat een drukfoutje: p. 14 : ses palais orange: + -s; p. 27 : bleue: +-s; p. 122: onze: dat moet 21 zijn. Soms staat er een uur zonder de dag of een dag zonder het jaartal. Op p. 215 zegt hij dat de Oostbloklanden 40 miljard roebel kostten aan de Sovjet-Unie, maar hij zegt er niet bij per jaar en ook niet dat zij de indruk hadden dat de SU winst maakte op hun kosten. Op p. 295 zegt hij dat Poetin als principe had: “Nooit zoals de Russische revolutie, Nooit zoals Gorbatsjov, Nooit zoals Jeltsin”, maar in zijn “Poutine de A à Z” was dat laatste: “Nooit zoals tsaar Nicolaas II”. Maar dat zijn details. Fedorovski hanteert ook een zeer rijke taal: het lijkt wel alsof hij een geboren Fransman is. We hebben ook dit boek met veel plezier en aandacht gelezen! Het is zijn prijs ruimschoots waard.


ISBN 9782234085022 | 321 pagina's | Franstalig | Uitgeverij Stock | februari 2018

© Jef Abbeel, april 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER