Nieuwe recensies Non-fictie

Het vervallen huis van de islam
Over de crisis van de islamitische wereld
Ruud Koopmans


De schrijver wil met dit boek het sterk gepolariseerde debat over de Islam doorbreken. De polarisatie gaat tussen mensen die zeggen dat terrorisme en geweld niets met de Islam hebben te maken en daar tegenover mensen die stellen dat de Islam zich niet zal en kan hervormen en dat de Koran verboden zou moeten worden. Het middenstandpunt is dan dat de Islam van binnenuit zich van fundamentalisme moet bevrijden en dat dit in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van moslims zelf is.


Koopmans vraagt zich af waarom democratisering aan de Islamitische wereld is voorbijgegaan en wat de religieuze wortels van onvrijheid zijn. Hij beschrijft de godsdienstoorlogen in de wereld van de Islam, de economische stagnatie van Islamitische landen, de falende integratie van moslimimmigranten en tot slot de vraag of de Islam zich van het fundamentalisme kan ontdoen.
Ik geef enkele hoofdlijnen uit dit rijke en veelomvattende boek weer.


Koopmans definieert fundamentalisme als de poging om de eigen geloofsopvatting tot de enig ware en toelaatbare te maken die vervolgens aan anderen opgelegd wordt. Fundamentalisme komt dan ook in elke religie voor. Maar wat in Islamitische landen funest is, is het wegvallen van het onderscheid tussen kerk en staat. Andersdenkenden worden vijandig behandeld en de shariawetgeving wordt ingevoerd. Deze wetgeving is op veel punten in strijd met elementaire mensenrechten. Denk daarbij aan de behandeling van minderheden, de achtergestelde positie van vrouwen en de vervolging van homoseksuelen. Naarmate een land langer en dieper onder invloed van de Islam heeft gestaan, zijn de problemen groter. Dat geldt in het bijzonder voor het Arabisch schiereiland.


Democratie en Islam gaan maar moeilijk samen. Indonesië ging tot voor kort nog door voor een democratie, maar glijdt af naar autocratie en fundamentalisme. Turkije leek lang op de goede weg te zijn, maar onder Erdogan is het tij gekeerd.


Het is te gemakkelijk om de problemen te wijten aan het Westerse kolonialisme. Islamitische landen hebben namelijk veel minder met kolonialisme te maken gehad dan de rest van de niet-westerse wereld. Slavernij en slavenhandel zijn geen Westerse uitvindingen, maar zo oud en wijdverbreid als de wereld zelf. Nadat de slavenhandel in het Westen was afgeschaft, bleef in grote delen van Afrika de inheemse traditie van slavernij bestaan.


Het is volgens Koopmans ook te gemakkelijk om critici te verwijten dat ze lijden aan ‘islamofobie’. Het is nu eenmaal een feit dat religieuze discriminatie en geweld tegen minderheden wijdverbreid is in de Islamitische wereld. Het bevolkingsaandeel van christenen is de laatste decennia in het Midden-Oosten afgenomen van 14 naar 4 procent. Maar ook veel moslims die tot een minderheidsgroep behoren vluchten naar Europa. En wie als moslim wordt geboren, maar dit geloof opgeeft, kan de doodstraf krijgen.


Evenmin deugt het argument van de cultuurrelativisten dat ook in het Westen en in Nederland discriminatie en onderdrukking zijn te vinden. In zijn woorden (blz. 104):


“Zulk cultuurrelativisme komt neer op de ontkenning van het lijden van tientallen miljoenen gewone vrouwen en meisjes.


Het cultuurrelativisme is een slag in het gezicht van leden van religieuze minderheden die hun culturen zien uitsterven.


Wie als vrouw in Nederland vindt dat het niet aan ons is om kritiek te uiten en dat er in Nederland ook nog veel verbeterd moet worden aan de positie van vrouwen, heeft het hart niet op de goede plaats zitten.


Wie als christen uit angst om moslims te stigmatiseren de ogen sluit voor de vervolging van christenen, heeft meer gemeen met de schijnheilige farizeeër dan met de boodschap van het evangelie.”


De schrijver vindt het ‘absurd’ om te beweren dat terrorisme niets met de Islam heeft te maken. Dat de daders zichzelf op de Koran baseren, dat ze luidkeels Alluha Akbar hebben geroepen en Koranteksten citeren, dat alles doet kennelijk niet ter zake.


Zo prikt hij ook de stelling door dat immigranten nodig zijn om in een vergrijzend Europa de economie aan de gang te houden. Het aantal mensen dat van dezelfde economische koek moet leven, neemt alleen maar toe. Veel immigranten zitten vaak jarenlang in een uitkering. En moslims uit Islamitische landen zijn hekkensluiters op het gebied van integratie. Het is echter moeilijk om op dit gebied precieze cijfers te achterhalen. Want politie en andere overheidsinstanties verzamelen geen gegevens over de afkomst van daders van geweldincidenten en criminaliteit in het algemeen. “Liever blijft men onwetend dan dat men iets te weten zou komen dat niet in de voorgeschreven denkschema’s past.” (blz. 206).


Tot zover een weergave van de inhoud van dit boek. Ik wil graag nog een paar kanttekeningen plaatsen bij een aantal opmerkingen van Koopmans.


De observatie van de schrijver dat christenen in het Romeinse rijk de wereldlijke macht van de keizer erkenden om te overleven (blz. 91 en 153) is niet juist. Immers, ondanks die erkenning werden ze toch scherp vervolgd, onder meer door keizer Diocletianus (284-305). De oproep aan christenen om het gezag van de overheid te gehoorzamen staat los van de aard van het regime. Het was geen berekening om aan vervolging te ontkomen.


De schrijver pleit er voor de Koran niet letterlijk te lezen, maar te zien in het kader van die tijd en te vertalen naar deze tijd en te herinterpreteren naar de omstandigheden van nu (blz. 91 en 233). Als het geloof steeds aangepast moet worden aan de tijdgeest, waar staan gelovigen dan nog wel voor? Moslims zien dat die herinterpretatie in de christelijke wereld de deur naar secularisatie heeft opengezet en daar passen ze voor.


Het beslissende verschil tussen de Christelijke en Islamitische leer is volgens Koopmans niet van morele, maar van praktische aard (blz. 154). Er is echter ook een essentieel moreel verschil en dat is het begrip naastenliefde. Voor christenen is die naastenliefde universeel, voor moslims is ze beperkt tot geloofsgenoten, en dan nog moeten ze behoren tot dezelfde geloofsrichting.


Emancipatie van de vrouw hangt de schrijver eenzijdig op aan de mate waarin ze actief participeren op de arbeidsmarkt (blz. 178). Vrouwen die ervoor kiezen om zich te richten op hun gezin kunnen net zo goed geëmancipeerd zijn en met hun keuze ook een waardevolle sociaaleconomische bijdrage leveren aan de samenleving.


Koopmans keert zich tegen populisten (blz. 214 en 215). Maar wat is het verschil tussen zijn observaties en feitenmateriaal en de problemen die populisten signaleren?


Koopmans pleit voor een realistische benadering van de Islam en keert zich tegen ‘wensdenken’ (blz. 216 en 233). Hij schrijft dat een breed gedragen hervormingsbeweging van binnenuit nodig is, die de misstanden in eigen kring onder ogen ziet en er afstand van neemt. Ook het idee dat de Koran het letterlijke woord van Allah is, zou verlaten moeten worden. Ik help het hem hopen, maar de vraag is of zo’n verreikend ideaal niet ook onder wensdenken valt.


Naar mijn mening schreef Ruud Koopmans een belangwekkend boek. Koopmans heeft een indrukwekkende hoeveelheid feitenmateriaal verzameld en die in zijn boek verwerkt. Tal van grafieken maken de feiten inzichtelijk. Een meer realistische benadering van de Islam, gebaseerd op feiten, is inderdaad noodzakelijk.


ISBN 9789044634099 | Paperback | Uitgeverij Prometheus | Omvang 279 blz. | februari 2019

© Henk Hofman, 15 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER.

 

De ijssalon van meneer Mebrat
Gebre Zemichael & Gerda Crouset


In mijn vorige woonplaats kreeg ik een nieuwe buurman, een vluchteling. Hij was afkomstig uit Eritrea en was tien jaar onderweg geweest om uiteindelijk, tot zijn grote vreugde, een woning toegewezen te krijgen. Eindelijk had hij een eigen plek! Al snel kregen we contact, en langzamerhand kwamen de verhalen los. Heel voorzichtig vertelde hij wat hij onderweg allemaal gezien en meegemaakt had. Hij was bang om het ons te vertellen want hij wilde ons niet van streek maken! Maar wat hij zo mondjesmaat vertelde was onvoorstelbaar. Vooral wat mensen elkaar kunnen aandoen uit winstbejag is ronduit schokkend.

In dit boek vertelt Gebre, een zestienjarige jongen, over zijn aangrijpende vlucht naar Europa die hij samen met zijn dertienjarig neefje Hayat ondernam. Hij had namelijk de gevreesde brief gehad, waarin de oproep stond om in dienst van het Eritreese leger te treden. Dat in dienst gaan, betekende hetzelfde als levenslang. Als je geluk had was je een paar jaar in dienst maar voor het merendeel kwam je nooit meer uit dat leger. Weg vrijheid, weg eigen dromen, weg eigen mening, weg eigen inbreng. Weg eigen leven. Er is daar geen leven...


Jarenlang zou ik in staatsdienst blijven. Misschien wel voor het leven. Over het salaris bestond geen misverstand. Een mager soldijtje of in het ergste geval helemaal niks. De overheid ging me inzetten voor alles wat noodzakelijk was om de veiligheid van ons land en de jarenlange heropbouw te garanderen. En elke Eritreeër wist dat op dienstweigering of desertie maar één antwoord mogelijk was.


Met bloedend hart vertrekken de twee jongens lopend uit Asamara, ze hopen dat ze ooit hun ouders, broers en zussen, opa's en oma's weer zullen zien. Maar eerst moeten ze veilig in Europa moeten zien te komen en dat is al een heel gevaarlijke onderneming. Maar alles is beter dan blijven en overgeleverd te zijn aan de grillen van de leidinggevenden in het leger.


Als eerste moeten ze de ongezien over de grens weten te komen. We kunnen hun schokkende reis volgen op het bijgevoegde landenkaartje en zien dan gelijk hoe ver en zwaar die tocht is. De reis loopt vanaf Eritrea, dwars door Soedan, via Libië naar Lampedusa en uiteindelijk Reggio in Italië.


De voettocht die je jongens ondernemen loopt van Asmara naar de grens van Soedan. Ze slapen in de buitenlucht, een enkele keer geholpen door goedwillende Eritreese mannen en vrouwen die hun van water en voedsel voorzien. Het is slapen - lopen - slapen - lopen. Uiteindelijk belanden ze in Teseney, de stad aan de grens van Soedan en Eritrea. Als het ze lukt ongezien de grens over te gaan, kunnen ze naar vluchtelingenkamp Shagarab.
En het lukt ze, op het nippertje! Ze kijken reikhalzend naar het kamp uit, eindelijk douchen en goed eten en drinken!

Maar dat was wel een heel rooskleurig voorstelling. Een van de eerste dingen die ze moeten doen, is om geld vragen aan hun ouders om de vluchtelingenstatus aan te vragen... En dat geld vragen zal als een rode draad door hun vlucht heen lopen. Iedereen wil geld verdienen aan de vluchtelingen. Inmiddels bereikt Gebre ook het nieuws dat zijn vader opgepakt is, vanwege de vlucht van de twee jongens én Kifle, de oudere broer van Gebre. Hij is via Egypte gevlucht en zit nu in Tel Aviv.


Het is ook Kifle die zorgt voor het geld en na 5 maanden kamp,  waarin vooral Gebre op hardhandige wijze geconfronteerd werd met het gezag, kunnen de jongens verder naar Khartoem. En daar werken ze keihard om het geld bij elkaar te sprokkelen voor de oversteek naar Europa. Met financiële hulp van hun broer redden ze het allemaal net.


We werkten als bordenwasser in restaurantkeukens, maakten kantoorpanden schoon, of vouwden kartonnen dozen in sombere fabrieksruimtes. De baantjes waren weggelegd voor illegalen, bij weinigen in trek, leverden niet veel op, maar wij waren er blij mee. Niemand schold ons uit, niemand mishandelde en treiterde ons, niemand dwong ons dingen te doen die we niet wilden.


Ondertussen voelt Gebre zich enorm schuldig, wat doet hij zijn ouders aan? Het snijdt hem door zijn ziel dat zijn vader nog steeds opgepakt is. Redt zijn moeder het wel zo alleen? De heimwee, het verdriet is af en toe bijna gekmakend. Op de meest onverwachte momenten ziet hij zijn zusje of ouders voor zich en het gemis snijdt door hem heen.

Uiteindelijk is het enorme bedrag (8000 euro) voor de oversteek bij elkaar geschraapt, met veel hulp van Gebre's broer. En dan begint de meest verschrikkelijke tocht die de twee jongens voor altijd bij zal blijven. Ze moeten in een met zeildoek overdekte vrachtwagen dwars door de Sahara naar Tripoli. Op die bloedhete reis gebeuren dingen die te vreselijk zijn om mee te maken. Dit had ik ook gehoord van mijn buurman en de verhalen in dit boek bevestigen welke afschuwelijke dingen de vluchtelingen moeten zien en ondergaan voordat zij in een vrij land kunnen leven. Het erge voor de twee jongens is dat ze niet in Tripoli  zijn beland maar naar Ajdabija zijn gebracht. Om naar Tripoli te kunnen om daar de oversteek naar Europa te maken, willen de mensensmokkelaars wéér geld zien, geld voor de overtocht die al betaald was...

Het is misselijkmakend om te lezen hoe de begeleiders van de vluchtelingen zich onderweg gedragen. Niet alleen naar de vluchtelingen toe qua taal en gedrag, maar ook qua voedsel en drinken zijn ze afschuwelijk. Een hart lijken ze niet te hebben, alles draait om geld. Voor jou, tien anderen.

Dat het verhaal verteld wordt bewijst dat de jongens - na zes jaar - Europa gehaald hebben. Maar voor ze in Amsterdam belanden gaat er ook nog een heel heftig verhaal aan vooraf. Je hoopt tijdens het lezen heel erg dat de jongens er zonder kleerscheuren vanaf zullen komen en uiteindelijk hebben ze hun doel ook bereikt, maar de inwendige littekens zullen blijvend zijn...

Vrijheid is voor velen een woord. Ik zie vrijheid als energie die ik met anderen deel en waarbinnen ik mijzelf kan zijn. Voor die vrijheid heb ik mijn leven willen riskeren.

Dit verhaal zou iedereen moeten lezen, vooral de mensen die liever geen vluchtelingen in Europa willen zien...


ISBN 9789061004813 | Paperback | 220 pagina's | Uitgeverij Ad. Donker | januari 2020

© Dettie, 12 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De kunst van het ongelukkig zijn
Dirk De Wachter


"Alles draait om obsessief streven naar geluk." Dit zijn de woorden van de schrijver van dit boek, psychiater-psychotherapeut Dirk De Wachter. Hij haalt eveneens de woorden aan van de Duitse filisoof Wilhelm Schmid: "Geluk is een plicht geworden".


Een lastig leven mag je niet benoemen. Het 'niet goed gaan' is ongewenst. Ben je niet gelukkig, dan heb je dat aan jezelf te danken. Pech hebben, is je eigen schuld. Ongeluk is een hinderlijk en ongewenst obstakel. Daar moet je gauw vanaf. Mensen praten niet met je over ongeluk of de gesprekken daarover gaan heel  moeilijk. Je moet maar naar een therapeut.
"Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is daarom ook een ziekte van deze tijd."
"Het gezeur over ongeluk bederft voor de ander de pret." (blz 24)


Ook verdriet moet worden weggeduwd, aandacht voor verdriet wordt niet aangemoedigd, ongelukkig zijn is niet gewenst dus sluiten we het op in onszelf. We trekken ons terug, het verdriet wordt ingeslikt. Maar van verdriet dat niet naar buiten kan, kun je ziek worden.


Deze woorden van Dirk De Wachter geven weer wat er in onze huidige maatschappij gebeurt. Mensen kunnen hun verdriet of lastige gevoelens niet meer delen, je moet je aanpassen aan een maatschappij die geen plaats meer heeft voor 'ongeluk'. Vroeger was er nog de kerk waardoor je een saamhorigheidsgevoel had. Maar ook die is nagenoeg verdwenen waardoor veel mensen zich extra eenzaam of verdrietig voelen. Het frappante is, zo stelt Dirk De Wachter is 'dat je op gelukkige momenten de ander eigenlijk niet zo nodig hebt, op slechte momenten juist wél.' Verdriet en tegenslag kan zelfs heel verbindend werken.


De Wachter vindt ook dat de maatschappij teveel doorgeslagen is in het zoeken naar geluk. Hij stelt: "Je bent niet ziek als je ongelukkig bent. Ongelukkig zijn, is een deel van het leven en ermee omgaan is wezenlijk." Verdriet wordt gespychiatiseerd omdat mensen niet meer naar elkaar luisteren, dus uiten ze hun gevoelens bij de psycholoog of psychiater.


Regelmatig wordt verdriet en ongeluk onderdrukt met een pilletje. Ondanks dat een pilletje soms een oplossing kan zijn, is het niet wenselijk, stelt Dirk De Wachter, mensen moeten meer geduld hebben, moeten leren wachten, verdriet heeft tijd nodig. Verdriet heeft geen tijdslimiet. Maar nu is het zo dat je na 6 maanden toch wel over je verdriet heen moet zijn, anders ben je een probleemgeval. Maar verdriet mag er zijn. Verdriet moet niet verdrongen worden maar omzwachteld zodat het niet meer zo steekt. (blz 57) Je hoeft niet te genezen van verdriet, maar je kunt wel leren woorden te geven aan verdriet.


Ook de dood wordt bij mensen weggehouden. 'Dood hoort niet bij een succesvol leven van een dynamische mens.' (blz 62). Zelfs van de dood wordt een 'feestje' gemaakt met wijn erbij. De dood is commercie geworden. Maar rouwen is niet gewenst, terwijl dát zo belangrijk is.


Dirk De wachter pleit als het ware om naast gelukkig zijn, zich ongelukkig voelen ook omarmd moet worden. 'Tegengestelde zaken vormen samen een evenwicht, zo ook gelukkig versus ongelukkig zijn.'


Hij spreekt over het gelukkig zijn ten koste van anderen, ook dat werkt niet, daar word je niet écht gelukkig van. Verder noemt hij de hooggevoelige mensen die last hebben van teveel prikkels, die mensen worden bijna gediagnosticeerd als hebbende een aandoening, ze hebben een gebruiksaanwijzing en dat is lastig, dat zijn dus moeilijke mensen. Maar, zo stelt, De Wachter, zij hebben oog voor anderen, zijn kwetsbaar al hebben een gebruiksaanwijzing. Maar is het niet zo dat laaggevoeligen een groter probleem vormen? 'De ongevoeligheid in de samenleving is angstwekkend.'


Zonder kwetsbaarheid en gevoeligheid maakt onze samenleving geen schijn van kans. Gevoeligheid stelt ons in staat de ander te zien en goed voor hem te zorgen. Zijn we zelf kwetsbaar, dan mogen we hopen dat gevoelige zielen ons omringen. Het is ook uit gevoleigheid en kwetsbaarheid dat creativiteit kan ontstaan.


En zo stelt Dirk De Wachter allerlei zaken aan de kaak die onderbouwen waarom ongelukkig zijn niet zo erg is, normaal is. Ook meldt hij in het laatste deel van dit boek, getiteld Zin ..., wat vervulling geeft aan iemands leven. 'Streven naar geluk als levensdoel is een vergissing. Streven naar zin en betekenis, daarentegen, is waar het leven om draait.' en ook daar schrijft hij wijze woorden over.


Wat Dirk de Wachter schrijft in dit boek, is me recht uit het hart gegrepen. Om me heen zie ik mensen worstelen (en soms ikzelf ook) met dingen waar liever niet over gesproken wordt. Verdriet, eenzaamheid, dood, dit alles is bijna een taboe aan het worden, met alle gevolgen van dien. Het enige wat mag, is blij zijn en juichen en springen van plezier. Dat is akelig en maakt dat afstand gekweekt wordt en normale gevoelens, abnormaal gemaakt worden. Ik ben dus erg blij met dit boek van Dirk De Wachter. Het is bovendien een erg vlot leesbaar boek, dat in toegankelijke taal open en eerlijk aangeeft waarom ongelukkig zijn helemaal niet zo erg is.


ISBN 9789401463584 | Paperback | 105 pagina's | Lannoo Campus | oktober 2019

© Dettie, 8 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Gastvrijheid is geen kunstje
Marieke van Bezeij


Voor wie plannen heeft om een B&B, een chambres d’hôtes, gîte, of wat voor overnachtingsgelegenheid dan ook uit te gaan baten in het buitenland, die heeft veel aan dit boekje. Marieke van Bezij beschrijft er haar wederwaardigheden in. Hoe ze er toe gekomen is om in Frankrijk – Italië was ook leuk geweest, maar toch te ver van Nederland verwijderd – een chambres d’hôtes te beginnen. Samen met haar echtgenoot.


Eerst moest er een plek gevonden worden. Je kan niet zomaar ergens een willekeurig huis kopen; als je toeristen ontvangt, is het wel prettig als er in de buurt wat te beleven valt. Maar midden in een stad, dat was ook niets.
Dan moet er verbouwd worden, waarbij Marieke duidelijk aangeeft dat je niet moet bezuinigen op materiaal:  goedkoop is duurkoop!
Goede bedden en geïsoleerde kamers, en natuurlijk een goed geoutilleerde keuken.


Marieke van Bezeij had voor ze haar droom kon verwezenlijken diverse scholingen gehad, al of niet terwijl ze werkte. Een jaartje hotelschool, een bedrijfskunde-opleiding, en banen waarbij communicatie, en organiseren belangrijk was. Maar het is vast wel een voordeel als je het een beetje in je vingers hebt. Koken bijvoorbeeld: Marieke deed het zelf, en dat was meer een uit de hand gelopen hobby dan dat ze een koksopleiding had gehad. Maar het werkte. De basis is respect en vertrouwen, zegt ze verschillende keren als ze het verhaal vertelt over hoe hun eerste vakantieverblijf een succes werd. Het lukte zo goed dat ze geen reclame hoefden te maken. Het was hard werken, maar ze had liever niet dat haar gasten daar iets van merkten.
Na het waarom en hoe volgen er diverse verhalen over hun belevenissen, ook over een enkele misser.


‘Rozengeur en maneschijn? Of transpiratie en schone schijn?
Twee kanten van dezelfde medaille, het één gaat niet zonder het andere. Sprookjes bestaan, maar dat wil niet zeggen dat je er niets voor hoeft te doen.’


Het boekje is vooral bedoeld als handleiding voor mensen die ook zo’n droom hebben, maar het leest ook lekker weg voor hen die dat niet zo nodig hoeven. Het geeft een kijkje achter de schermen. Na de verhalen volgen nog een heleboel recepten.
Tot slot vertelt Marieke wat er na dit avontuur volgde. Waarom het voorbij ging vertelt ze niet, maar ze bleef in Frankrijk, voor nieuwe avonturen.


Marieke van Bezeij (1969) vertrok op haar 31e naar Frankrijk om haar droom, een chambres d’hôtes, werkelijkheid te laten worden. Het werd een groot succes. Op dit moment begeleidt ze andere mensen in het realiseren van hun droom om naar Frankrijk te vertrekken en/of een gastenverblijf te beginnen met haar bedrijf MariekeVerthuist.


ISBN 9789492844705 | Hardcover | 200 pagina's | Droomvallei Uitgeverij | april 2020

© Marjo, 4 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Meer
Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt
Hidde Boersma, Ralf Bodelier, Maarten Boudry e.a.


Dit boek bevat zestien hoofdstukken, geschreven door elf auteurs, waarvan er drie op de titelpagina worden genoemd.
De hoofdstukken zijn gegroepeerd rond vier thema’s: Milieu en duurzaamheid; Groei en ontwikkeling; Landbouw en natuur; Leven en vrijheid. Precies in het midden staat een Intermezzo van de hand van Jaffe Vink over het rapport van de Club van Rome uit 1972.


De wetenschappers die in 1972 het Rapport Grenzen aan de groei opstelden, waarschuwden dat de mensheid de draagkracht van de aarde aantastte. Het rapport veroorzaakte een schokgolf, ondermijnde het heersende vooruitgangsgeloof, en stimuleerde een totaal andere manier van denken. De mens moest minder consumeren, kiezen voor welzijn in plaats van welvaart, en op zoek gaan naar alternatieven voor fossiele brandstof wilde ze overleven.
De meeste voorspellingen uit het Rapport zijn niet uitgekomen. Maar de invloed van het Rapport is nog bij lange na niet verdwenen. Er is een warnet aan actiegroepen ontstaan die natuur, milieu en dier beschermen tegen de gevolgen van economische groei en toegenomen consumentisme.


De actiegroepen hebben wetgeving afgedwongen die politiek beleid, wetenschappelijk onderzoek en economisch handelen sterk aan banden heeft gelegd. Het ‘voorzorgsprincipe’ is niet alleen in tal van landen in wetgeving verankerd, het is ook de leidraad voor de Verenigde Naties. Dit principe houdt in dat nieuwe activiteiten pas ontwikkeld mogen worden als we zeker weten dat er geen schadelijke effecten zullen zijn. Dat klinkt goed, maar het is fnuikend voor innovatie en creativiteit. De definitie leidt ertoe dat we in de praktijk nooit aan iets nieuws kunnen beginnen. Als deze definitie ook in het verleden was toegepast zouden er geen kinderen worden ingeënt, zou er geen röntgenapparaat bestaan of een MRI-scan zijn ingevoerd. Niemand kan vooraf met zekerheid zeggen dat een noviteit zonder negatieve bijeffecten is.


Het voorzorgsprincipe belast de discussie over natuurbeleid en landschapsinrichting, kernenergie en synthetische voedselproductie. De alternatieven die nu worden uitgeprobeerd, zoals de productie van biomassa voor energie, het aanleggen van windmolenparken en het installeren van zonnepanelen zijn volstrekt onvoldoende om aan de vraag naar energie te voldoen. De discussie hierover wordt volgens dit boek veel te veel bepaald door ‘de kletsende klasse’ aan de talkshowtafels. Het is een gevaarlijk naïeve discussie die je ook tegenkomt in krantenkolommen en in de wandelgangen van politiek en beleid.


Een citaat uit dit boek: “De grootste hindernis voor een daadkrachtig klimaatbeleid zijn niet langer de klimaatsceptici die hardnekkig ontkennen dat er een probleem is, maar de activisten die alleen oplossingen aanvaarden die binnen hun eigen ‘minder, minder’-ideologie passen.” (blz. 26).


Dat is duidelijke taal en we komen die duidelijkheid in heel het boek tegen. Zo lezen we dat de uitbraak van corona voor rekening komt van de Chinese overheid die twintig dagen lang het bestaan van het virus onder de pet heeft gehouden. Drie cruciale weken waarin het coronavirus zich ongehinderd wist te verspreiden, waardoor de hele wereld in een ongekende crisis werd gestort.” (blz. 179).


De opvallende conclusie van het boek is dat wij geen andere levenswijze nodig hebben, maar een andere en betere vorm van technologie. Daar worden ook voorstellen voor gedaan. Genetische modificatie kan gewassen resistent maken tegen droogte en vermindert het gebruik van pesticiden. Kerncentrales leveren constante, CO-2-vrije energie, zonder luchtvervuiling. Ze zijn duur en de bouw kost veel tijd, maar kerncentrales zijn het best in staat om te voorzien in een snelgroeiende energievraag. Precisiefermentatie brengt voedingsstoffen in de juiste hoeveelheid op de juiste plek. Drones kunnen akkers onderzoeken op insecten en schimmels. Voor landbouw en natuur is het veel beter dat die twee niet met elkaar verweven zijn, maar gescheiden van elkaar worden gehouden. Dat kan door een bufferzone tussen landbouw en natuur in te bouwen met een bescheiden vorm van landbouw in de bufferzone.


In de geschiedenis van de mensheid hebben zich vaker crises en catastrofes voorgedaan. Met doemdenken en apocalyptische visioenen overwin je geen enkele crisis. Dit boek laat zien dat ‘groei’ niet het probleem is, maar de oplossing (blz. 51). De centrale en verbindende boodschap van Meer is  juist dat meer technologie, meer overheidssturing en meer economische groei problemen oplost. De auteurs doen dat op een overtuigende en goed onderbouwde manier. Alle bijdragen zijn van een goed niveau en helder geschreven.


Wat mij betreft is dit een mooi, boeiend en steekhoudend boek. Het zou goed zijn als dit boek gelezen wordt op het ministerie van Economische Zaken en van Landbouw.


ISBN 9789046826959 | Paperback | Omvang 256 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | augustus 2020

© Henk Hofman, 31 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wanneer het water breekt
Chris de Stoop


Vietnam, een land dat bijna alleen overheersing kent. Meer dan een eeuw was het Noorden een vazalstaat van China, het zuiden werd overheerst door naburige koninkrijken. In de tiende eeuw werd het noorden onafhankelijk en breidde zich uit ten koste van die koninkrijken.
Toen na Marco Polo het oosten in kaart gebracht werd, kwamen de Europeanen aanzetten, hetgeen er op uitdraaide dat in 1887 Frankrijk zijn invloed begon te laten gelden: De Unie van Indochina bestond uit het huidige Vietnam, Laos en Cambodja.


Na de Tweede Wereldoorlog wilden ook de Vietnamezen hun onafhankelijkheid. Eind 1946 ontstond er oorlog tussen de Franse Union Française en de Vietminh. Dat kostte 400.000 mensen het leven, onder wie zo’n 75.000 Fransen. De Slag bij Điện Biên Phủ in 1954 luidde het vertrek van de Fransen in.


Helaas werd er in Genève besloten dat het land opnieuw verdeeld zou worden. Tijdelijk, dat was de bedoeling: een communistisch noordelijk deel en een aanvankelijk door het Westen (Amerika) gesteund anticommunistisch zuidelijk deel. In het zuiden ontstond opnieuw strijd: de Vietnamoorlog (vanaf 1955 tot 1975), die leidde tot miljoenen doden aan beide zijden. Deze oorlog, in feite een strijd van de kapitalisten versus de communisten, bleek Amerika niet te kunnen winnen. Ook het inzetten van giftige chemische ontbladeringsmiddelen als Agent Orange en zware fosfor- en clusterbombardementen en later napalm op dichtbevolkte gebieden in Noord- en Zuid-Vietnam leidden niet tot een overwinning.


Jammer genoeg voor de Vietnamese bevolking was hun ellende niet voorbij. Hun regering besloot om na het verdwijnen van de Amerikanen zelf Cambodja binnen te vallen. China werd bezorgd voor communistische overheersing en viel op zijn beurt Noord Vietnam binnen in 1979. Ze trokken zich onverrichter zake weer terug, maar het leed van de Vietnamese bevolking was niet te overzien.
Onder het communistisch regime werden mensen al snel bestempeld tot staatsvijand, waardoor ze alles kwijtraakten, en sancties opgelegd kregen. Corruptie heerste en er ontstond hongersnood. In deze tijd kwamen de stromen bootvluchtelingen op gang. In nauwelijks zeevaardige bootjes volgepropt met mensen verlieten de Vietnamezen hun land met onbekende bestemming.
Uiteindelijk ontvluchten drie miljoen Vietnamezen hun land, waarvan twee miljoen in Amerika terechtkwamen. Honderdduizenden haalden het echter niet. Ze verdronken, kwamen om van honger en dorst, werden overvallen door piraten, overvaren door grote schepen.


Chris de Stoop interviewde de overlevenden van een zo’n bootje. Op 5 augustus 1981 vertrokken ze om daarna met 63 mensen – waarvan veertig nog kinderen! - rond te dobberen, zonder voldoende water of voedsel, negen dagen lang. De motor was kapot, en er stak een storm op. Waar andere bootjes ten onder gingen, hadden zij het geluk opgepikt te worden door een Belgische cargo en dus asiel kregen in Vlaanderen. 
Het bootje was van de visser Hung, die vrouw en kinderen achterliet in het stadje Qui Nhon. Later kon hij hen in het kader van gezinshereniging laten over komen.


De Stoop concentreert zich vooral op Hung en dochter Quyen, die in Wichelen terecht kwamen, een dorp tussen Gent en Brussel, maar hij probeert alle opvarenden te vinden om de antwoorden te krijgen op de volgende vragen: Wat weten ze nog van de reis? Hoe verliep het afscheid van hun dorp? Hoe verging het hen op hun nieuwe woonplek? Hoe werden ze opgevangen? Waren ze welkom? En: zijn ze gebleven, of was de heimwee te groot? En hoe gaat het nu, na meer dan veertig jaar met hen?


Een vaak schokkend relaas over ontheemden. De ene persoon kan zijn draai prima vinden, de ander blijft altijd twijfelen of deze beslissing de juiste was. Deze mensen gingen terug – als dat kon qua financiën en visa, maar konden zij nog aarden in het intussen ook veranderde land?
Hung organiseert nog steeds ieder jaar een reünie voor de opvarenden van zijn bootje.


Het verhaal over het vertrek, en de vreselijke tocht op zee doet de lezer denken aan de hedendaagse bootjes die de Middellandse Zee en het Kanaal over proberen te steken. In 1981 waren bootvluchtelingen evenwel welkom. Mensen verdrongen zich om hen hulp te bieden, en op te vangen.
Hoe anders is het nu…


Chris De Stoop (Sint-Gillis-Waas, 1958) is een Vlaams auteur en journalist bij het weekblad Knack. In 2004 ontving De Stoop voor Zij kwamen uit het Oosten, het vervolg op zijn eerste boek, de Gouden Uil Publieksprijs. Hij was ook in 2008 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs met Het complot van België. Voor Dit is mijn hof (2015) ontving hij in 2016 de eerste Confituur Boekhandelsprijs en de Zeeuwse Boekenprijs.


ISBN 9789403119809 | hardcover | 288 pagina's | Uitgeverij De Bezige Bij | september 2018

© Marjo, 16 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wat zit je haar goed!
69 vragen over liegen en leugens
Annemiek van Kessel


‘M'n wekker was stuk en de brug stond open…’


‘Katrineke, kom, kom
Je bent te laat, maar waarom’


Dit bekende liedje van Kinderen voor Kinderen geeft precies weer hoe dat gaat in het dagelijks leven.
En we liegen allemaal.
Maar wat is liegen dan precies? Onwaarheid vertellen. Maar het is niet altijd zo dat iemand glashard en bewust liegt, er zijn meer vormen. Je kan dingen verzinnen of juist iets niet vertellen, zonder dat het een ander schaadt, leugentjes om bestwil. Gemiddeld liegen we twee keer per dag, mannen iets vaker dan vrouwen – maar vrouwen zijn er beter in.


Wanneer is liegen schadelijk? ‘Wat zit je haar goed’, dat benadeelt niemand, maar wat er bijvoorbeeld in dopingaffaires gebeurt, of dat foto’s gemanipuleerd worden, dat is wel degelijk fout. Net als frauderen, vervalsen of sjoemelen, allemaal vormen van liegen. Mensen liegen ook tegen zichzelf, en kunnen er van overtuigd zijn dat de leugens die ze vertellen waar zijn. Als je iets maar vaak genoeg vertelt lukt dat wel.
In de reclame wordt gelogen, schrijvers liegen - want fictie is liegen, ook bij literaire non-fictie. En wat te denken van autobiografische werken? Over het algemeen weten lezers dat wel.


Anders is het in de journalistiek (nepnieuws!) of in de politiek: daar wordt volop en expres gelogen: Donald Trump liegt elke dag wel vijftien keer.
Mensen die pathologisch liegen doen dat om een positiever zelfbeeld te krijgen. Narcisten bijvoorbeeld. Er zijn therapeutische behandelingen voor.
Er zijn zelfs cursussen in liegen, ‘leer liegen’, of ’manipuleren kun je leren’. Bij zo’n cursus leer je natuurlijk ook leugens herkennen, maar dat is nog niet zo makkelijk, vertelt Kessels.
Er zijn bedrijven die valse papieren verkopen, ook een vorm van liegen.


‘Of liegen geoorloofd is, hangt nauw samen met morele, persoonlijke en maatschappelijke opvattingen of met geloofsovertuiging. Voor christenen geldt nog steeds het negende gebod, maar ook zij liegen weleens om ene dierbare in bescherming te nemen. Moslims mogen volgens de Koran ook niet liegen, maar het is wel toegestaan om onder bijzondere omstandigheden een ‘leugentje om bestwil’ te vertellen. Volgens sommige moslims is liegen geoorloofd als degene tegen wie gelogen wordt geen moslim is.’


Liegen is zelfs per cultuur verschillend waardoor het handig is om dat voor je op reis gaat te onderzoeken. In Italië bijvoorbeeld is complimentjes geven haast een verplichting. Het is daar belangrijk om een goed figuur te slaan en of iets goed of slecht is, doet er niet toe.


Aan de hand van 69 vragen vertelt de schrijfster allerlei dingen over het fenomeen liegen. Ontluisterend soms, grappig ook, vaak een eyeopener. Het is een prettig leesbaar boek, waarbij we er maar op moeten vertrouwen dat van Kessel ons niet voorliegt!
Achterin het boek zijn verwijzingen naar geraadpleegde bronnen, boeken, artikelen, websites en onderzoeken opgenomen.


Annemiek van Kessel (1955) studeerde Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en in 1995 startte ze een adviesbureau voor personeelszaken.

Luister naar een interview met Annemiek van Kessel


ISBN 9789462971677 | paperback | 436 pagina's | Uitgeverij De Kring | juni 2020

© Marjo, 12 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wild thing
(over het leven van Jimi Hendrix)
Philip Norman


De Britse auteur Philip Norman maakte al naam met zijn biografieën en boeken over Buddy Holly, Elton John, Mick Jagger, Paul McCartney en Eric Clapton. Zijn formule is simpel. Hij beschrijft het leven van de hoofdpersoon en zijn muziekcarrière. Hij voert geliefden op. Daaromheen weeft hij anekdotes rond de randfiguren, die de sterren omringden. En last but not least, claimt hij een onthulling voor de lezer in petto te hebben. Dat verkoopt natuurlijk.


Bij Hendrix valt die onthulling wat tegen. Norman claimt dat de dood van Hendrix in 1970 in raadselen is gehuld. Dat klopt wel, maar er is erg veel over geschreven er zijn documentaires over gemaakt en een heuse speelfilm. Bovendien is de dood van veel andere popartiesten ook in nevelen verpakt. Ik som er even wat op: Sid Vicious, Jim Morrison, Kurt Cobain, Brian Jones om er maar een paar te noemen. Van deze popartiesten weten we ook niet precies hoe ze aan hun einde kwamen. Waren het drugs? Was het bij Cobain het doorgeladen pistool, dat expres op onveilig was gezet. Verdronk Brian Jones na te lang onder water te zijn geduwd in zijn zwembad?
Een andere ‘onthulling’ waarop Norman ons trakteert, is het feit dat Hendrix met Noel Redding, de bassist van zijn band, sex zou hebben gehad. Interesseert ons dat echt?


James Marshall Hendrix werd geboren in Seattle in een gemengd afro-Amerikaans en indiaans gezin. Zijn vader was in het leger en doopte hem  Marshall, zijn moeder was 17 toen ze Jimi kreeg en Cherokee. Ze overleed aan de gevolgen van alcoholverslaving. Al vroeg speelde Jimi in bandjes. Uiteindelijk bij Little Richard (Tutti Frutti) waar hij discipline kreeg. Toen The Animals van Eric Burdon door Amerika toerden ontdekte Chas Chandler de goed spelende Hendrix. Hij haalde hem naar Engeland.


Hendrix wilde een band zoals The Cream. Een drieman formatie, bas, drums, sologitaar. Met Noel Redding en Mitch Mitchell vormde Hendrix The Jimi Hendrix Experience. En de band had al snel een nummer één hit met Hey Joe. Na de beschrijving van dit succes begint ook het boek te kolken en te zwalpen. Hendrix raakt in een roller coaster van drank, sex en drugs verzeild, maar houdt zich nog redelijk staande. Eén van zijn vriendinnen moet de aanvoer van groupies regelen, een roadmanager zorgt voor de drugs. Hendrix wordt een aantal keren gearresteerd voor drugsbezit.
Hij kent veel popmusici van dat moment en ze bewonderen hem allemaal.


Nog meer hits komen uit zijn gitaar en hij neemt lp’s op, die goed verkopen. Het geld stroomt binnen. Hendrix staat naast de bacchanalen die hij aanricht ook bekend als verlegen en teruggetrokken. Vreemd dat dit altijd wordt gezegd van lieden, die de boel uit de hand laten lopen. En dat laat Hendrix. Vrouwen raken zwanger, want Hendrix deed het liever zonder. Hijzelf krijgt een aantal malen een soa. Net alsof het allemaal niet erg genoeg is raakt hij aan de heroïne, een gevaarlijk middel. Het concert dat later bekend zal staan als The Band of Gypsies, komt niet uit de verf omdat de heroïne-aanvoer stokt.


Zijn monumentale lp Electric Ladyland wordt aanvankelijk te experimenteel gevonden, maar geldt later als een unicum in de popgeschiedenis. Hendrix speelt nu op grote festivals. Het bekende Woodstock-festival waar hij sluitstuk is in de modder, eindigt hij met het Amerikaanse volkslied aan flarden te spelen, The Star Spangled Banner. Een protest o.a. tegen de Vietnamoorlog.


Maar Hendrix produceert ook schitterende poëtische teksten (jammer dat Norman daar niet meer over vertelt):


The Wind cries Mary


After all jacks are in their boxes
And the clowns have all gone to bed
You can hear happiness staggering on down the street
Footprints dressed in red


And the wind whispers Mary


A broom is drearily sweeping
Up the broken pieces of yesterday's life
Somewhere a queen is weeping
Somewhere a king has no wife


And the wind, it cries Mary


The traffic lights they turn a blue tomorrow
And shine their emptiness down on my bed
The tiny island sags downstream
'Cause the life that they lived…


And the wind screams Mary


Will the wind ever remember?
The names it has blown in the past
And with its crutch, its old age and its wisdom
It whispers "no, this will be the last"


And the wind cries Mary


Zou hij dan toch de verlegen poëet zijn geweest, die in de verkeerde film terecht was gekomen? Op een van de laatste foto’s genomen voor zijn dood, zien we hem druiven plukken teder en aandachtig. Zonde van zo’n begaafd mens!


ISBN 9 789400405578 | Softcover | 480 blz.| uitg.Thomas Rap| augustus 2020
vertaald door Frits van der Waa

© Karel Wasch, 10 september 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Vikingen
Een nieuwe geschiedenis
Neil Price


In de jaren zestig van de vorige eeuw waren de dikke handboeken van J. de Rek heel populair bij docenten die het vak geschiedenis doceerden. Die handboeken waren ook voor mij de basis van mijn lessen toen ik zelf voor de klas kwam te staan. De Rek was hoofdonderwijzer op een school in de omgeving van Lunteren. Tijdens de oorlog redde hij tientallen Joden uit Amsterdam door ze in de omgeving van Lunteren te laten onderduiken. De Joodse historicus J. Presser, van wie hij vóór de Tweede Wereldoorlog les had gehad, nam hij in eigen huis op. In 1943 werd De Rek leraar geschiedenis aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam. Vanaf 1998 leerde ik die school goed kennen toen ik op een zusterschool onder hetzelfde bestuur kwam te werken.


Ik heb eens opgezocht wat De Rek in deel I van zijn standaardwerk te melden had over de Vikingen (Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 138). Mijn idee was dat die tekst wel verouderd zou zijn in het licht van het boek van Neil Price over de Vikingen. Tot mijn verrassing is de tekst van De Rek echter nog steeds actueel. Hij schrijft dat de Vikingen een slechte naam hebben, maar dat dit komt omdat monniken de geschiedschrijvers van hun tijd waren. En de Vikingen plunderden eerst en het grondigst de kerken en kloosters leeg. Daar viel het meeste te halen voor de plunderaars. Modern archeologisch onderzoek heeft echter aangetoond, aldus De Rek, dat de Vikingen pioniers waren op het gebied van handel en op technisch en artistiek gebied erg begaafd waren. “Aldus hebben zij een belangrijke bijdrage geleverd voor de bouw van het moderne Europa”. Deze beschrijving van De Rek is, als je naast het boek van Price legt, nog steeds accuraat, ook 60 jaar na dato.


Price baseert zijn studie over de Vikingen ook op archeologisch onderzoek dat na de jaren zestig is voortgezet en dus nog meer inzichten en gegevens oplevert dan in de tijd van De Rek. Daarnaast is van belang dat Price schrijft vanuit het perspectief van de Vikingen zelf en niet vanuit het standpunt van de slachtoffers. Het levert een gedegen en meeslepend geschreven boek op. Hier geen droge kost, maar boeiende geschiedenis.


Het boek opent met acht kaartjes die inzicht geven over het woongebied van de Vikingen en hun ontdekkingsreizen en strooptochten.
In het Woord Vooraf geeft de schrijver aan dat de Vikingen in de periode tussen 750 en 1050 na Chr. de politieke en culturele kaart van Europa hebben getransformeerd. Het zijn niet alleen plunderaars en brandstichters, maar ook de exporteurs van nieuwe ideeën en technieken.


Deel I beschrijft het thuisland van de Vikingen, hun huis, hun sociale netwerk, hun wetten, hun religie en hun omgang met de doden.
Deel II bespreekt de veroveringstochten van de Vikingen.
Deel III de nieuwe wereld die als gevolg van de maritieme expansie van de Vikingen is ontstaan en het einde van het Vikingtijdperk.

Uit de overvloed van thema’s kies ik er drie die ik beknopt uitwerk.


De Vikingmaatschappij wordt als patriarchaal (1) gezien. Volgens dit boek bezaten vrouwen echter een grote mate van zelfstandigheid en vrijheid. Vrouwen konden gemakkelijk van hun man scheiden en dat kwam ook regelmatig voor (blz. 119). Vrouwen hadden de leiding over de boerderij. Ze konden het woord voeren in de rechtszaal, bezaten land, dreven handel. En vooral in de cultus vervulden ze een prominente rol. Politiek bleef aan mannen voorbehouden (blz. 163). Ook was het niet acceptabel dat vrouwen zich als mannen kleedden (blz. 176).


Op een ander thema scoren de Vikingen helaas heel slecht. Het was een slavenmaatschappij (2). “Het resultaat van de plundertochten en militaire campagnes was een enorme toename van het aantal slaven in Scandinavië” (blz. 148).  Slavinnen konden het extra slecht treffen als zij seksueel misbruikt werden door hun eigenaar. “De slavenhouder kon per definitie niet worden beschuldigd van verkrachting van zijn eigen slavin omdat zij als bezitting geen rechten had binnen zijn huishouden en hij met haar lichaam kon doen wat hij wilde.” (blz. 151) Achter deze droge zinnen gaat het verdriet, de angst en het leed schuil van duizenden mensen die her en der in Europa plotseling weggerukt werden uit het gewone leven.


Schapen waren vanwege de wolopbrengst (3) erg belangrijk voor de Scandinavische samenleving. Wol werd gebruikt voor het maken van de zeilen, voor dik gevoerde kleding op zee, voor dekens, tenten, touwen en tuigage. Alleen voor de zeilen was al een jaarproductie van ongeveer twee miljoen schapen nodig. De enorme behoefte aan wol had tot gevolg dat er grote kudden schapen werden gehouden. En dat bracht weer veel bedrijvigheid met zich mee. Herders, scheerders, spinners, wevers, ververs, waren er druk mee. Maar de werkomstandigheden in de schuurtjes waren meestal afschuwelijk. Het eentonige werk in de slecht verlichte gebouwen was funest voor de ogen. De rondzwevende woldeeltjes werden met elke ademtocht de longen ingezogen. De lucht was bedompt en vervuld van hoestgeluiden. In de duisternis van de winter was alles nog erger en werd er alleen bij het licht van kaarsen gewerkt (blz. 379).


De kerstening van Scandinavië heeft geen merkbare matigende invloed gehad op de scherpe kantjes van de Vikingmaatschappij, zoals slavernij en plundertochten. Het boek maakt er in ieder geval geen melding van. Lokale heersers gingen over tot het christendom en de bevolking volgde, maar oude gebruiken bleven voortleven (blz. 428-429).


Op blz. 209 staat een wat warrige passage over de ‘godsdiensten van het boek’ die gehoorzaamheid van de gelovigen vragen, wat belangrijk is voor de goedkeuring van de goden. Maar de godsdiensten van het boek (Jodendom, Christendom en Islam) zijn strikt monotheïstisch.


Neil Price schreef een fascinerend boek over de Vikingen. Het Wikipedia-artikel over de Vikingen zal op een aantal punten bijgesteld moeten worden. Zo meldt Wikipedia dat overbevolking een belangrijke factor was voor het ondernemen van de lange en gevaarlijke reizen over zee. Maar volgens dit boek was er geen sprake van overbevolking. “Demografie is zelfs de minst overtuigende verklaring voor de plundertochten” (blz. 309).


In het boek staan verder veel afbeeldingen en er is ook nog een prachtig kleurenkatern opgenomen. Een uitgebreid overzicht van bronnen en een register sluiten het geheel af. Het boek beveel ik van harte aan.


Neil Price is hoogleraar archeologie aan de Universiteit van Uppsala. De vertaling is van Roelof Posthuma.


© Henk Hofman, 8 september 2020

ISBN 9789046827116 | Paperback | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | Omvang 588 blz. | september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER

 

Allemaal de schuld van Montgomery
De familie Van Rossem in de laatste oorlogsmaanden
Maarten van Rossem


Wat is er ‘allemaal de schuld van Montgomery’? Montgomery zou volgens Van Rossem verantwoordelijk zijn voor het mislukken van operatie Market Garden in september 1944 met als gevolg dat de Tweede Wereldoorlog met enkele maanden werd verlengd en het Westen van Nederland de hongerwinter moest doorstaan. De ijdele Montgomery was jaloers op het succes van de Amerikaanse generaal Patton en hij gokte erop dat het Duitse leger op instorten stond. Een snelle opmars vanuit Brabant via Nijmegen en Arnhem naar het noorden van Duitsland zou bijdragen aan de snelle beëindiging van de oorlog in West-Europa. En dat zou dan te danken zijn aan Montgomery en aan de Britse strijdkrachten. Montgomery haalde Eisenhower over om toestemming te geven. De Amerikaanse opperbevelhebber vond Montgomery ‘een egocentrische psychopaat’, (blz. 29) maar gaf toe. Het plan liep uit op een ramp. Volgens Van Rossem had Montgomery zich eerst op de vrije toegang van de haven van Antwerpen via de Schelde moeten richten, zodat de bevoorrading van de geallieerde legers veilig was gesteld.


Eens kijken wat andere auteurs over Montgomery en Market Garden hebben op te merken.


Max Hastings schrijft ook uitvoerig over het falen van Montgomery in deze fase van de oorlog. Na de oorlog zou Montgomery (die vrijwel nooit een fout toegaf) hebben erkend dat het niet vrijmaken van de aanvoerroute naar Antwerpen ‘een zware vergissing’ was (Bron: De slag om Duitsland, 1944-1945, blz. 49). Hastings noemt Montgomery een ‘merkwaardige’ man, wel gerespecteerd door zijn ondergeschikten, maar toch ‘een onaangename persoonlijkheid’ (blz. 56).


Ian Kershaw noemt Montgomery ‘arrogant’ en ‘eigenzinnig’. Het niet-veroveren van de Scheldeoevers en het mislukken van Market Garden was ‘een kostbare vergissing’ van hem (Bron: Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945, blz. 80).


Antony Beevor dist hetzelfde verhaal op in “De Tweede Wereldoorlog” (blz, 357, 417, 585). In “De slag om Arnhem” noemt hij operatie Market Garden ‘van meet af aan een heel slecht plan’ (blz. 57). Maar Montgomery gaf de Amerikanen de schuld. Die zouden onvoldoende steun hebben gegeven. Stuitend is ook dat de Poolse generaal Sosabowski, die vanaf het begin de zwakke plekken in Market Garden had onderkend, een gebrek aan leiderschap werd verweten en dat hij de laan werd uitgestuurd. Er zijn dus redenen te over om Montgomery in de woorden van Churchill ‘onuitstaanbaar’ te vinden. (Bron: Norman Stone, De Tweede Wereldoorlog. Een beknopte geschiedenis, blz. 178).


Wie je ook raadpleegt, de historici zijn het erover eens dat de ijdele Montgomery verantwoordelijk is voor het mislukken van Market Garden, al gaat Eisenhower niet geheel vrijuit. Met als gevolg een humanitaire ramp voor Nederland. De titel van dit boekje is dus begrijpelijk en Van Rossem overdrijft er niet mee. In zijn eigen woorden: “Het is wat gechargeerd, maar het kan toch redelijk worden volgehouden: ‘Het was allemaal de schuld van Montgomery’” (blz. 44).


De beschrijving die Van Rossem geeft van operatie Market Garden is glashelder. De twee kaartjes aan het begin van het boek maken het verloop van de veldslag heel inzichtelijk. Hier hanteert een vakman de pen. In kort bestek zet Van Rossem de lijnen uit: de strategische fouten die zijn gemaakt; de gevechtspauze na de inname van Antwerpen (waardoor de haven nog maandenlang niet bruikbaar was voor bevoorrading), de onderschatting van de Duitse gevechtskracht, de keuze van de landingszones en de spreiding van de landing over drie dagen. Interessant is de Duitse analyse die we op blz. 42 aantreffen.


Het volgende deel van het boekje gaat over de nasleep van de Slag om Arnhem: de evacuaties en de Hongerwinter. Het is weer een interessante beschrijving. De Hongerwinter was primair een transportcrisis. Er was ruim voldoende voedsel in Nederland, maar het was slecht verdeeld. De regering in Londen weigerde de staking van het treinpersoneel ongedaan te maken. Daarmee is ze ‘medeschuldig aan de Hongerwinter’ (blz. 61). De Duitsers hadden geen last van de staking, maar voor de bevolking betekende het dat de aanvoer van voedsel en brandstof kwam stil te liggen.


Van Rossem merkt terecht op dat de piloten van geallieerde vliegtuigen werkelijk op alles schoten. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen vriend en vijand, militair en burger. Hetzelfde geldt voor heel veel eindeloze artilleriebeschietingen, die geen militaire betekenis hadden maar wel van bijvoorbeeld Wageningen ‘een dode stad’ maakten. Een observatie waar niets op af te dingen valt. Dat geallieerde soldaten onder andere Nijmegen leegplunderden, is ook geen beste beurt.


Boeiend zijn de cijfers die Van Rossem verstrekt over de Hongerwinter en de gevolgen daarvan. Dat er vooral ouderen overleden, ligt voor de hand. Maar dat er twee keer zoveel mannen stierven aan ondervoeding dan vrouwen is frappant. Is de verklaring dat mannen kwetsbaarder zijn dan vrouwen? Weer wel begrijpelijk is dat het voedselgebrek van moeders verbazend negatieve gezondheidseffecten op de lange termijn had en zelfs in een volgende generatie doorwerkt. Van Rossem baseert dit op grootschalig onderzoek dat in 1994 is gestart en met tussenpozen wordt herhaald.


Het historische verhaal over het laatste oorlogsjaar wordt afgewisseld met brieven die grootvader Arnold van Rossem schreef tussen september 1944 en juni 1945. De brieven getuigen van de zorg die men voor elkaar had, maar ook van meeleven met anderen die het zwaar hadden in de laatste oorlogsmaanden. De brieven zijn natuurlijk vooral van belang voor de naaste familie en vrienden. Buitenstaanders krijgen uit de brieven een beeld van de misère, de honger, de uitputting, de onzekerheid en de angst die het leven van de bevolking tot een hel maakten. “Hoeveel je ook over die oorlog leest, de waanzin schemert er ten slotte altijd doorheen”, schrijft Van Rossem (blz. 99).


Maarten van Rossem is een scherpzinnig historicus. Hij staat echter ook bekend om de stellige uitspraken die hij kan doen. Dat valt in dit boek erg mee. Hij geeft zijn mening in klare taal en goed gefundeerd. Eén keer vliegt hij wat mij betreft wel uit de bocht als hij klakkeloos en plompverloren mensen gelijkstelt met dieren (blz. 98).


Een enkele maal zou een toelichting gewenst zijn, ook al blijkt uit het verband wel dat een ‘salamander’ een kachel is geweest. Maar waarom wordt deze ‘salamander’ genoemd? Weer een ander kacheltje stond bekend onder de naam ‘bolsjewiek’. Wat is de achtergrond daarvan? Ik lees over ‘topinamboers’. Het blijken aardperen te zijn. Op internet zie ik recepten staan om er soep van te maken.


Dit zijn een paar opmerkingen in de marge van wat een heel aantrekkelijk en heel leesbaar boek is geworden.


Maarten van Rossem was bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Hij heeft een groot aantal boeken op zijn naam staan en is betrokken bij verschillende televisieprogramma’s.


ISBN 9789046827864 | Hardcover | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | Omvang 128 blz. | 8 september 2020

© Henk Hofman, 7 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Allen tegen allen
De lange winter van 1933 en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog
Paul Jankowski


Het scharnierpunt van dit boek is het jaar 1933. Het internationale overleg na WO I over herstelbetalingen, schuldensanering en ontwapening mislukte. De Volkenbond verloor zijn grip op de wereldpolitiek. Japan, Italië en Duitsland konden ongehinderd een agressieve buitenlandse politiek voeren. Landen konden het nergens meer over eens worden. Vandaar de titel van dit boek. Vanaf 1933 bevond de wereld zich op de weg die naar de Tweede Wereldoorlog leidde.


Maar wie zag dat aankomen? Het antwoord is: vrijwel niemand. Zodra Hitler aan de macht kwam, voerde hij censuur in, arresteerde hij politieke tegenstanders, vervolgde hij de Joden, verbood hij partijen en verenigingen. En toch schreven kranten in binnen- en buitenland dat Hitler had beloofd de grondwet te zullen respecteren en dat men op die garantie moest vertrouwen. De Angelsaksische pers besteedde amper aandacht aan het toenemend geweld in Duitsland. De Daily Express schreef het antisemitisme in Duitsland toe aan Joden die zich wereldwijd verenigden om een economische en financiële oorlog tegen Duitsland te voeren (blz. 334). De Times vond dat het geweld in Duitsland in de eerste plaats een zaak van de Duitsers zelf was (blz. 335). De New York Times berichtte dat uit niets bleek dat Hitler zich in zijn buitenlands beleid onredelijk zou opstellen (blz. 342).


Wereldwijd sloot men de ogen voor wat men niet wilde zien. Kranten die wèl over de excessen in Duitsland berichtten, zwegen weer over de gruwelen in de Sovjet-Unie (blz. 353). Correspondent Walter Duranty berichtte in zijn krant dat de Sovjet-Unie grote economische problemen had waaraan het regime zeer bekwaam het hoofd bood. Op dat moment stierven in Oekraïne miljoenen mensen de hongerdood. Die hongersnood wordt nu toegeschreven aan het wanbeleid van Stalin. Maar tijdgenoot en bekend schrijver André Gide vond dat de Sovjetterreur de belofte van een grootse toekomst inhield (blz. 355).


Wie dit boek leest, stelt zich als vanzelf de vraag hoe het staat met de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de hedendaagse berichtgeving. En daar blijft het niet bij. In de tien jaar voor de Tweede Wereldoorlog werd een politiek van ‘appeasement’ gezien als ‘verstandig nationaal beleid’ en niet als een vorm van ‘lafhartige capitulatie’ (blz. 349). Hoe staat het met het beoordelingsvermogen van de huidige wereldleiders?


Paul Jankowski beschrijft de dilemma’s waar de grote mogendheden voor stonden en hun onvermogen om tot samenwerking te komen. In westerse democratieën spraken veel ‘progressieven’ zich uit voor collectieve veiligheid en voor vrijhandel. “Maar diezelfde progressieven deinsden ook terug voor het verdedigen van deze beginselen als de risico’s te groot dreigden te worden” (blz. 430). Vanaf 1933 keken drie roofzuchtige landen (Italië, Japan en Duitsland) hoe ver zij konden gaan bij drie landen die een beleid van isolement en appeasement volgden (Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk). Na zeven jaar mondde dat uit in een vernietigende wereldoorlog.


Uit dit boek blijkt hoe moeilijk het is om gebeurtenissen te duiden als je midden in een proces zit. Slechts enkelen slagen erin om het dieperliggende patroon te zien en te onderkennen waar dat op uit loopt. Selectieve berichtgeving en kortzichtig beleid van politici, die herkozen willen worden, is funest.


Het proza van Jankowski is best ingewikkeld. Desalniettemin schreef hij met grote kennis van zaken een belangwekkend en actueel boek. Als we grote fouten uit het verleden in de huidige constellatie willen vermijden doen we er goed aan kennis te nemen van dit boek. In de woorden van de schrijver: “Iemand die nu kennisneemt van de kranten uit de jaren dertig ontkomt niet af en toe aan een huivering van herkenning” (blz. 9).


Een paar opmerkingen.


Op blz. 36 gaat het over Tsjang Kai-Sjek. Op blz. 37 wordt hij echter twee keer aangeduid met “Chiang’. Aangezien het om dezelfde persoon gaat, is dat voor de lezer verwarrend.


Vooral in het begin van het boek staan er wat kreupel geformuleerde zinnen. Verderop in het boek kwam ik dat veel minder tegen. Een voorbeeld:


“Toen de Engelse romanschrijver J.B. Priestley de overlevenden van zijn bataljon zeventien jaar nadat hij zijn kameraden bij de Somme had verlaten in 1933 op een reünie boven een café in Bradford terugzag, hoorde hij dat een aantal van hen niet had kunnen komen omdat het daarvoor te arm was” (blz. 44). Een reünie boven een café? Het daarvoor te arm was? (Zij waren daarvoor te arm.)


De Japanse rijksdag wordt ineens iets verderop de ‘Staten-Generaal’ genoemd (blz. 66).


Paul Jankowski is hoogleraar geschiedenis in Massachusetts en is gespecialiseerd in de geschiedenis van het Interbellum (de jaren tussen beide wereldoorlogen). Zijn boek is door de uitgever in een mooi en stevig formaat uitgegeven. De vertaling is van Fred Reurs.


ISBN 9789000348527 | Omvang: 542 blz. | Hardcover | Uitgeverij Spectrum | augustus 2020

© Henk Hofman, 1 september 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Een kleine geschiedenis van Rusland
Van de heidenen tot Poetin
Mark Galeotti


Galeotti, Brits Rusland-specialist, begint met te zeggen en herhaalt regelmatig dat de Russen hun geschiedenis telkens opnieuw uitvinden en herschrijven en dat die geschiedenis en hun taal sterk beïnvloed werden door buitenlandse invloeden.


Hij laat zijn overzicht beginnen rond 862 met de komst van hun eerste heerser Rurik, een Viking en de geboorte van een nieuwe natie Roes en van de eerste hoofdstad Kiev (882) aan de Dnjepr. De Scandinavische veroveraars trouwden met Slaven en hun culturen vermengden zich. Vladimir de Grote (980-1015) bekeerde zichzelf en zijn volk in 988 tot het Byzantijns-orthodoxe christendom. Het rijk van Kiev kende genoeg vijanden, van wie de Mongolen de ergste waren. Zij veroverden en verwoestten de stad tussen 1237 en 1240. Daarna werd Moskou het belangrijkste centrum van het land en van de orthodoxe kerk (1325). Galeotti relativeert sterk het ‘Mongoolse juk’: de Russische vorsten moesten belastingen betalen, maar ze bleven tamelijk zelfstandig. Ze werden despotisch, niet door de Mongolen, maar om zo veel belastingen van hun onderdanen te kunnen opeisen.


De echte grondlegger van de moderne Russische staat was volgens Galeotti  Ivan de Verschrikkelijke (1533-1584), die als eerste de titel ‘tsaar’ aannam. Hij veroverde Kazan (1552) en Astrachan (1556) en begon aan de verovering van Siberië.


In 1613 kwam de Romanov-dynastie aan de macht met de 16-jarige Michaël Romanov, zoon van de patriarch. Hij werd gekozen door de Semski Sobor, een soort parlement. Zijn familie heerste tot 1917. De bekendste was Peter de Grote (1682-1725). Hij was meer dan 2 m groot, terwijl de gemiddelde man toen 1m 68 was. Hij wilde van Rusland een gerespecteerde militaire grootmacht maken, wat het toen niet was met slechts 7,5 miljoen inwoners. Hij bouwde het landleger en de marine uit en versloeg concurrent Zweden.
Galeotti vertelt weinig over de bouw van de nieuwe hoofdstad Sint-Petersburg.
Catharina de Grote (1762-1796) is de volgende figuur die veel aandacht krijgt. Deze Duitse dame was een verlicht despoot in een nog middeleeuws land, waar 96% van de bevolking op het platteland woonde en het analfabetisme zeer groot was. Ze liet haar man arresteren en vermoorden, ze zorgde voor vaccinatie tegen de pokken, ze liet vele scholen en universiteiten bouwen en een nieuw wetboek opstellen, waarin ze zichzelf omschreef als autocratisch. Ze breidde haar land uit ten koste van Polen en van het Ottomaanse rijk.


Alexander I (1801-1825) werd vooral bekend om de overwinning op Napoleon, die maar 23.000 soldaten overhield van zijn 685.000 (p. 143).
Tijdens het ‘onverlichte despotisme’ van Nicolaas I (1825-1855) eisten 3.000 jonge officieren tevergeefs een grondwet en hervormingen. De overlevenden werden naar Siberië verbannen.
Alexander II (1855-1881) hervormde wel en bevrijdde in 1861 de lijfeigenen. Dat waren er blijkbaar heel veel: 46 miljoen op 60 miljoen of 77% van de bevolking. Maar ze waren woedend omdat ze de grond niet gratis kregen, maar moesten kopen. De algemene ontevredenheid groeide en ook het terrorisme, waarvan ook de tsaar-bevrijder slachtoffer werd in 1881.
Zijn opvolger Alexander III (1881-1894) verstrengde het regime.
Nicolaas II (1894-1917) miste bekwaamheid om de problemen op te lossen. Hij onderschatte Japan, dat aanviel en de Russische vloot vernielde. Er volgden een revolutie in 1905 en twee in 1917, tijdens WO I, die de economie deed instorten en de prijzen deed stijgen met 400 % (p. 171).
In maart 1917 trad de tsaar af, de rivaliserende Voorlopige Regering en de sovjet van Petrograd volgden hem op.
Lenin pleegde zijn staatsgreep op 7 november 1917. Er kwam vrede met veel gebiedsverlies, bij de enige verkiezingen wonnen de sociaaldemocraten, maar Lenin liet de vergadering ontbinden. Brood kwam er doordat de Rode Garde en de geheime politie het met veel geweld  afpakten van de boeren. 12 miljoen mensen kwamen om tijdens de burgeroorlog (1918-1922), velen door honger en ziekte (p. 175). De tsarenfamilie werd volledig uitgemoord.


In 1922-24 kwam Stalin aan de macht. Met terreur collectiviseerde hij de landbouw, ten koste van miljoenen boeren, zeker in Oekraïne. De industrialisatie werd doorgevoerd met de export van graan, terwijl de eigen bevolking verhongerde. Ook de top van de partij en van het leger werd uitgemoord.
Ondertussen maakte Stalins propagandamachine de bevolking wijs dat het leven nergens zo goed was als in de Sovjet-Unie. De Grote Vaderlandse oorlog kostte ook nog eens meer dan 20 miljoen doden, maar de SU kwam eruit als supermacht en heerser over Oost-Europa.


Chroesjtsjov (1954-1964) milderde de terreur, Brezjnev (1964-1982) zorgde voor stabiliteit, meer welvaart en meer corruptie. Zijn inval in Praag wordt hier niet vermeld, wel in een later hoofdstuk (p. 208). Na twee zieke mensen (Andropov en Tsjernenko) probeerde Gorbatsjov het land te reorganiseren en liet hij ‘glasnost’ toe: voor het eerst mochten de mensen zich openlijk uitspreken (p. 189). Maar de tegenstand van de bevoorrechte nomenklatoera was te groot en doordat de olieprijs meer dan halveerde, stonden de mensen voor lege winkels. In 1991 volgde een staatsgreep, die door Jeltsin onderdrukt werd. Op 31 december 1991 werd de SU ontbonden en vervangen door 15 nieuwe naties, waarvan er 14 geen onderdanen van Moskou meer wensten te zijn. Jeltsin privatiseerde de economie: het werd een plundering en ruim 50% van de Russen belandde onder de armoedegrens. Gepensioneerden moesten hun laatste bezit verkopen om te overleven. Door zijn wangedrag werd Jeltsin ook nergens au sérieux genomen.


Poetin maakte snel een einde aan de chaos, olie en gas zorgden weer voor geld, vele Russen werden welvarend. TV en andere media scharen zich achter Poetin. Vanaf 2007 ergerde hij zich aan de ‘vernederingen’ door het Westen en begon hij zich agressief te gedragen: in 2008 viel Rusland in Georgië binnen, in 2014 werd de Krim aangehecht en steunde het de rebellen in Oost-Oekraïne, vanaf 2015 ook Assad in Syrië. Poetin heeft Rusland wel gestabiliseerd en opnieuw een rol bezorgd op het wereldtoneel, maar die rol is volgens Galeotti minder heroïsch dan Poetin aan zijn ‘bijzonder volk’ wil doen geloven. En de meeste Russen voelen zich vooral Europeanen, zelfs en vooral die in het verre oosten (p. 216).


Beoordeling

Galeotti is zeer goed op de hoogte van de Russische geschiedenis, inclusief van de details. Hij heeft er een vlot leesbaar overzicht van  gemaakt, gekruid met zijn eigen pittige, kritische, maar niet-opdringerige visie. Een neutraal overzicht is het zeker niet.
De kaartjes in zwart-wit zijn erg primitief en niet duidelijk. Er ontbreken ook een aantal belangrijke plaatsnamen zoals Koelikovo (p. 42-43, 200 km ten zuiden van Moskou) en Saraj (p. 44-45, 120 km ten noorden van Astrachan).
Hij beweert dat Rusland geen natuurlijke grenzen heeft ( p. 10). Dan vergeet hij enkele duizenden kilometers Noordelijke IJszee, de Beringzee, zee van Ochotsk, Japanse zee, (Kaspische zee) en de Zwarte zee.
Hij toont verschillende keren aan dat de Russen van mythevorming houden en hun geschiedenis graag herschrijven. Dat doen ze nu nog wanneer ze een vliegtuig neerhalen of een opposant vergiftigen.


Na elk hoofdstuk volgt een korte literatuuropgave, met ook werken in het Nederlands. Daarin mis ik wel enkele titels: Raymond Detrez, ‘Rusland. Een geschiedenis’; Victor Sebestyen, ‘Lenin. Leven en werk’; Stéphane Courtois, ‘Lénine ou l’inventeur du totalitarisme’;  Oleg Chlevnjoek, ‘Stalin. De biografie’; Katlijn Malfliet, ‘Poetinisme’ en Steven Lee Myers, ‘De nieuwe tsaar. De opkomst en heerschappij van Vladimir Poetin’. Van Robert Massie, “Peter de Grote. Een biografie” is in 2020 een nieuwe editie verschenen. Die van 2015 is dus een beetje verouderd.


ISBN 978-90-446-4469-2 | Paperback | 224 p., incl. foto’s, tijdlijnen en literatuur bij elk hoofdstuk, kaartjes, personenregister | Uitgeverij Prometheus, A’dam, L&M Books, Antwerpen | augustus 2020

© Jef Abbeel www.jefabbeel.be ,21 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Loskomen
Uit de greep van narcisme
Marion Lutke


Marion Lutke vertelt in dit boek wat narcisme is, hoe het kan ontstaan, wat de kenmerken van narcisme zijn, wat voor enorme impact narcistisch gedrag op iemand heeft én dat iedereen het slachtoffer kan worden van een narcist.

Aanvankelijk lijkt een narcist namelijk heel vriendelijk, meelevend en attent maar als de omgang wat langer duurt dan sluipen er steeds vaker subtiele vormen van kritiek in het gedrag van de narcist - die steeds hij genoemd wordt maar ook een zij kan zijn -
Hij heeft ineens commentaar op iets wat hij aanvankelijk leuk vond, hij ontkent dat hij iets gezegd heeft of draait een gebeurtenis om.  Het slachtoffer begint te twijfelen en denkt dat hij of zij iets verkeerd begrepen of gehoord heeft. Het slachtoffer zoekt het allemaal bij zichzelf.


De narcist gaat zo subtiel te werk dat het slachtoffer nauwelijks in de gaten heeft wat er gebeurd. Maar langzamerhand verdwijnt de persoonlijkheid, het gevoel van eigenwaarde en het zelfvertrouwen van het slachtoffer steeds meer. Totdat het slachtoffer nauwelijks meer weet wie hij of zij eigenlijk is of waar ze voor staat. Een narcist brengt veel slachtoffers in een identiteitscrisis. Kortom, het slachtoffer wordt emotioneel zwaar mishandeld.


Het lastige is dat de narcist naast zijn enorme woedeaanvallen, het liegen, het negeren of kleineren van zijn slachtoffer, zijn ondermijnende gedrag afwisselt met periodes van zeer vriendelijk en attent gedrag zodat het slachtoffer weer het gevoel krijgt dat alles toch nog goed komt.
Marion Lutke beschrijft de stappen die de narcist onderneemt om zijn slachtoffer volledig in zijn ban te krijgen en wat er met het slachtoffer in deze stadia gebeurt.
De narcist heeft het slachtoffer nodig om zich te voeden met zijn of haar energie, want hij is daar zelf niet toe in staat. Hij heeft geen eigen gevoelsleven.


Daarom heeft iemand met narcisme anderen nodig om het gevoel te hebben dat hij of zij leeft. De 'voeding' moet van buitenaf komen. Bewonderd worden, angst inboezemen, manipuleren en controle uitoefenen zijn manieren om dat gevoel van leven te krijgen.


Ook in een werksituatie kan de narcist zodanig iemand manipuleren en zo enorm onzeker maken dat diegene ernstig begint te twijfelen aan zijn of haar functioneren. In een voorbeeld dat Marion Lutke geeft, bleek de narcist collega's erg tegen elkaar op te zetten zodat er een erg akelige werksituatie ontstond, vol wantrouwen en ongemak. Éen persoon moest zich zelfs ziek melden.


Als een van de ouders narcistisch is, blijkt de impact op het kind eveneens enorm te zijn. Marion vertelt dat het kind alles zal doen om de ouder te 'pleasen' maar niets is goed genoeg. Het onrealistische gedrag van de ouders zal het kind angstig maken en het zal de wereld niet meer begrijpen. Het kind zal denken dat alles aan hem of haar zelf ligt en dit zal tot in zijn volwassen leven doorwerken. Diegene blijft last houden van het narcistisch gedrag van de ouder(s) en mogelijk zelfs ook weer een narcistische partner kiezen met alle gevolgen van dien.


Nadat de schrijfster in klip en klare taal aangegeven heeft wat narcisme inhoudt in al zijn facetten, bespreekt zij  - zoals de titel aan aangeeft - uitgebreid hoe je kunt loskomen van de narcist. Dat is nog niet zo makkelijk omdat het slachtoffer meestal emotioneel en fysiek uitgeput is.  Daarnaast zal de narcist dit niet onmiddellijk accepteren en zijn reactie is onvoorspelbaar. Het slachtoffer zal voorzichtig moeten zijn.


Marion geeft punt voor punt aan wat het slachtoffer kan doen om uit de greep van de narcist te komen en wat diegene daarna kan doen om weer vertrouwen in zichzelf te krijgen en weer te weten wie hij of zij eigenlijk is.  Dat is niet eenvoudig want de beschadiging is groot maar de beloning van die gevoerde innerlijke strijd zal groot zijn.


Wat dit boek anders dan andere boeken over narcisme maakt is dat Marion het geloof erbij betrekt. Het geloof kan namelijk een groot dilemma zijn om de stap te nemen de narcist te verlaten. Een vrouw vertelde aan Marion 'Ik kan toch niet weggaan bij hem. Ik heb toen wij trouwden aan God beloofd dat ik bij hem zou blijven in ziekte en gezondheid. En hij is ziek.'  Ook de zin 'heb uw naasten lief gelijk uzelf' is een lastige.
De schrijfster bespreekt hoe het slachtoffer de teksten en de belofte anders kan leren zien waardoor de te nemen stap minder belastend wordt.


In zijn geheel is het een prima boek, dat in heldere taal het slachtoffer inzicht geeft in narcisme en hem of haar vertelt hoe het loskomen uit de greep van narcisme werkelijkheid kan worden.


Marion Lutke is bekend als presentator van human interest programma's bij de EO. Ook is ze al vele jaren coach, docent en trainer. Ze helpt mensen bij het vinden van richting in hun leven en bij het verwerken van trauma's.


ISBN 9789492831606 | Paperback | 141 pagina's met bronvermelding | Uitgeverij Royal Jongbloed/Sestra | Juli 2020

© Dettie, 14 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wankel Evenwicht
De eeuwige strijd tussen staat en samenleving
Daron Acemoglu en James A. Robinson


Dit boek bespreekt de verhouding tussen staat en samenleving. Een staat die te veel macht krijgt, wordt despotisch. Een samenleving met veel macht en daartegenover een zwakke staat vervalt tot anarchie. Het is van essentieel belang dat er een machtsevenwicht is tussen staat en samenleving.


De twee auteurs hebben hun onderzoek breed opgezet. Ze richten zich niet alleen op West-Europa en Noord-Amerika. Ook Latijns-Amerika, Azië (China en India) en Oost-Europa (Rusland) maken deel uit van hun verhaal.  De auteurs beperken zich niet tot de contemporaine geschiedenis, maar nemen de historie vanaf de Oudheid onder de loep.  Dit grondige onderzoek, zowel in de breedte als in de diepte, stelt hoge eisen aan een auteur wat betreft vakkennis en schrijverschap. De meest uiteenlopende onderwerpen uit verschillende perioden moeten in een goede compositie ondergebracht worden. Wat mij betreft, zijn de auteurs daar uitstekend in geslaagd.


Centraal in hun verhaal stellen zij de schaar. Het ene blad is de staat, de andere de samenleving. Om een vrije en welvarende samenleving te krijgen is een sterke staat nodig, die wetten uitvaardigt, de orde handhaaft en publieke diensten levert, met daartegenover een mondige samenleving die de staat controleert en aan de ketting houdt. Als de bladen te ver uit elkaar staan, heeft een van de twee het overwicht. Komen de bladen te dicht bij elkaar dan functioneert noch de staat noch de samenleving goed. Staan de twee bladen in de goede verhouding tot elkaar dan is er een corridor waarbinnen een samenleving tot bloei kan komen. Elke generatie moet die balans zien te vinden en in stand houden. Met behulp van een figuur maken de auteurs de verschillende mogelijkheden heel inzichtelijk.


De rijkdom aan deelonderwerpen in dit boek is zo groot dat ik ervan afzie de lezer een selectie te presenteren. Ik zou de lezer op het verkeerde been kunnen zetten en het boek tekortdoen. Mensen die het nieuws goed volgen krijgen hier verhelderende achtergronden en de historische wortels van hedendaags nieuws gepresenteerd. Misschien kan ik het boek het beste typeren door een citaat van de Duitse theoloog Marin Niemöller (1892-1984; hij heeft zeven jaar gevangenschap in Sachsenhausen en Dachau overleefd) aan te halen (te vinden op blz. 569):


Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen;

Ik was immers geen communist.

Toen ze de sociaal-democraten gevangenzetten, heb ik gezwegen;

Ik was immers geen sociaal-democraat.

Toen ze de vakbondsleden kwamen halen, heb ik niet geprotesteerd;

Ik was immers geen vakbondslid.

Toen ze de Joden opsloten, heb ik niet geprotesteerd;

Ik was immers geen Jood.

Toen ze mij kwamen halen

Was er niemand meer die nog protesteren kon.


De bibliografie telt maar liefst 23 bladzijden. Er is geen notenapparaat. In plaats daarvan geven de auteurs per hoofdstuk een toelichting en bronvermeldingen. Een originele oplossing, want een uitgebreid notenapparaat maakt een boek meestal minder leesbaar. Uiteraard is er weer wel een register.


Dit boek is een aanrader voor mensen die in een vrije democratie leven of daar naar snakken. Ik heb slechts één opmerking, en ik geef tegelijk toe dat het om een pietluttig detail gaat. Het is een aanvulling en geen correctie. Op blz. 510 staat dat de Nigeriaanse dictator Sani Abacha vermoedelijk aan een overdosis viagra is overleden. Wikipedia vermeldt dat Abacha al jarenlang ziek was en aan een ernstige leverkwaal leed als gevolg van buitensporig drankgebruik. Hij stierf aan een hartaanval. Viagra zou dus inderdaad het laatste zetje gegeven kunnen hebben, maar Wikipedia rept daar niet over.


Daron Acemoglu is hoogleraar economie aan het MIT. James A. Robinson is politiek wetenschapper en econoom. Hij is hoogleraar aan de University of Chicago. Beide auteurs schreven eerder Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm. Dit boek is eveneens bij Nieuw Amsterdam verschenen.


ISBN 9789046824955 | Omvang 640 bladzijden | Paperback | Nieuw Amsterdam | juli 2020

© Henk Hofman, 24 juli 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER