Nieuwe recensies Non-fictie

Mijn naam is Selma
Het uitzonderlijke verhaal van een joodse verzetsvrouw

Selma van de Perre


Het boek begint met de familiegeschiedenis van een ‘gewoon gezin’ dat door het werk van haar vader, die in het theater werkt, regelmatig verhuist. Haar moeder is hoedenmaakster. Die vele veranderingen van woonplaats beïnvloeden Selma: ‘Toen de oorlog later een einde maakte aan elke vorm van stabiliteit heb ik veel profijt gehad van dit onzekere bestaan. Ik was niet iemand die aan een plek gebonden was en zich niet kon aanpassen…’ zo schrijft ze aan het begin.


Vervolgens vertelt Selma herinneringen aan haar jeugd waar ze ondanks de economische wisselvalligheid toch met een positief gevoel op terugkijkt. De verteltoon is beschrijvend maar af en toe zijn er – begrijpelijk! – zinnen met diepere emoties zoals deze waar ze vertelt dat het gezin uit zes personen bestaat ‘en drie van hen werden weggevoerd en op beestachtige wijze vermoord’, pag. 38. Opvallend om te lezen – maar je komt het vaker tegen – is dat het gezin Van de Perre niet praktiserend joods is. De joodse identiteit speelt geen grote rol in hun leven. Door de oorlog verandert dat volkomen en dan worden zij zich – weliswaar op pijnlijke wijze – bewust van hun Jood zijn.


Selma beschrijft de snel toenemende beperkingen die hun leven steeds meer aan banden leggen. De lezer voelt de beklemming van de bezettende macht toenemen. Het leven wordt steeds meer ontregeld door allerlei regels die de Joden in hoog tempo worden opgelegd. Typerend voor de tijdgeest in het begin van de oorlog is hetgeen Selma schrijft: ‘Zoals de meeste Nederlandse joden was ik volkomen onvoorbereid op wat er ging komen. Ondanks de restricties en de geruchten over wat er zou kunnen gebeuren, beseften we nog steeds niet dat de Duitse nazi’s alle joden wilden uitroeien’, pag. 53 – 54.


Andere joden om haar hen werden op transport gezet maar haar leven ging toch min of meer gewoon door al hangt er een dreiging in de lucht waarvan men niet wist hoe men die moest duiden: ‘En we wisten nog steeds niet wat er gebeurde met de mensen die op transport moesten naar Oost-Europa. We dachten nog altijd dat ze naar werkkampen gingen’, pag. 67.


Selma kiest voor veiligheid en duikt onder en zo komt ze in het verzet terecht en wordt koerierster. Haar moeder en zus worden opgepakt in een onderduik-adres. Haar vader zit al in Westerbork. Selma houdt haar joodse identiteit geheim zodat niemand weet wie zij werkelijk is. Ook zij valt in handen van de Duitsers en via de gevangenis in Amsterdam en het kamp in Vught komt ze in Ravenbrück terecht. Over het leven hier zegt ze kort en krachtig: ‘om te overleven moest je hard zijn’.


Hier wordt het verhaal grimmig want de details die over dit vrouwenkamp worden verteld, zijn ronduit gruwelijk. Veel vrouwen bleken later onvruchtbaar te zijn door zwakte en ondervoeding. Selma schetst een schokkend beeld van dit vrouwenkamp waar de nazi’s genadeloos optraden. Dit kamp doet in hardheid dan ook niet onder voor Auschwitz bv. en ook hier werden mensen vermoord: ‘We konden de dagelijkse moordpartijen ruiken’.


Dat Selma diverse keren aan de dood ontsnapt, is een kwestie van geluk zoals ze zelf schrijft. Wanneer de bevrijding komt, belandt ze in een Zweeds kamp. De blijdschap van het overleven wordt getemperd door de angst wat er met haar ouders en zusje is gebeurd. Na de oorlog praat ze, zoals vrijwel iedereen, niet over haar kampervaringen. Ze trouwt, krijgt kinderen en nu ze 98 jaar is kan ze toch zeggen: ‘ik heb een rijk leven gehad’. Dit getuigt van een enorm positieve levenskracht! Maar de keerzijde is: ‘mijn familie is elke dag in mijn gedachten’. Dat is de last van de overlevenden….


Dit ‘prachtige’ boek brengt de oorlog op menselijke wijze dichtbij  schetst met name op indringende wijze de verschrikkingen van Ravensbrück. Waardevol om te lezen!


Zie ook DWDD special met Selma van der Sterre


ISBN 978 94 004 0459 5 | Paperback | 239 pagina’s | Thomas Rap Amsterdam | januari 2020
vertaling Rebekka W.R. Bremmer

© Evert van der Veen, 14 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Midnight Chicken
(en andere recepten die het waard zijn om voor te leven)
Ella Risbridger


Het boek begint met het verhaal over hoe de titel van het gerecht én het boek is ontstaan, Midnight Chicken. Het gerecht werd namelijk op een moment gemaakt dat Ella het leven op zijn zachts gezegd niet echt zag zitten. En de kip werd midden in de nacht gemaakt en ze knapte er gigantisch van op...

Eerder al bleek dat Ella Risbridher al een tijd last had van een hevige depressie, het leven was niet leuk meer vond ze, maar toen ze uiteindelijk bij de psychiater van de noodopvang zat, kon ze maar aan één ding denken, namelijk aan een eigengemaakte pastei en was ze in gedachte de ingrediënten stap voor stap aan het doornemen. Dat was het omslagpunt.
Van het bezoek aan de psychiater liep ze regelrecht door naar de keuken om die pastei samen met De Lange Man te maken.


En misschien zou ik blijven koken.
Dat heb ik gedaan. En het heeft mijn leven veranderd.
Dit, deze collectie recepten, vormt het verhaal hoe ik weer leerde omgaan met het leven. Het is een soort handleiding om weer te genieten van de wereld, en les hoe je stormen doorstaat, je patroon vindt en leeft, echt leeft.[...]

Ze weet dat ze geen chef-kok is, ze weet dat haar boek geen prachtige foto's zal bevatten maar ze wil wél laten zien dat ze kookt met hart en ziel, en dat er vaak toch iets heel lekkers gemaakt wordt. Maar voor de zekerheid waarschuwt ze ons wel...

Ik wil dit heel duidelijk maken, meteen aan het begin: ik ben wel een kok, denk ik, maar dan een nonchalante kok die kookt met restjes uit de groentela. Een kok die eerst inkopen doet, dan op Google kijkt en alles bedekt met Parmezaanse kaas. Een kok die twee oude kannen zonder handvat gebruikt en ingrediënten afmeet in wijnglazen.


Dit bovenstaande is nu precies wat dit boek zo aantrekkelijk maakt. Het is geschreven door iemand die geen enkele pretentie heeft en met haar voeten op de grond staat. In de keuken heeft ze een paar attributen waar ze niet zonder kan zoals een groot mes, een klein mes, een snijplank, een wok, een koekenpan etc.
Verder vertelt ze wat ze als vaste elementen in haar voorraadkast heeft staan. Dat zijn ook vooral normale dingen. Koop specerijen als je ze nodig hebt en dan heb je uiteindelijk een goede voorraad in huis, adviseert ze ons. Ook de inhoud van de koelkast en vriezer komen aan bod en dan kunnen we beginnen aan...

Het ontbijt
Als echte Engelse begint ze de dag met een stevig ontbijt. Haverkoeken, scones, pannenkoeken drie-in-de-pan, bagels, zoete broodjes, mufins maar ook pap, en wel te verstaan havermoutpap in allerlei variaties, met banaan of noten of kokos etc. toast met avocado en natuurlijk de zwaardere kost Friet met ei en dubbele worst!

Soep en brood
Het brood maak je natuurlijk ook zelf, te beginnen met het, volgens de schrijfster, makkelijke Maslenbrood. Het klinkt in elk geval aantrekkelijk.Vervolgens komen het melkbrood, roggebrood, challa (gevlochten brood gemaakt met patentbloem en 4 eetlepels milde olie). Bij challa staat trouwens een prachtig verhaal over de reden van het bakken van dit brood.
De soepen variëren van misosoep, bietensoep, pompoensoep tot tomatensoep maar dan wel op de speciale Ellamanier bereidt.


En zo wordt àlles op de eigen Ellamanier gemaakt en gepresenteerd. Opvallend is ook dat niet alles, net als Ella Risbridger, in hokjes in te delen is. De gerechten worden niet op de gebruikelijke manier aangeboden. Dus na soep en brood volgen niet de vlees- vis- en kip gerechten om af te sluiten met nagerechten en taarten. Ella Risbringer vertelt gewoon haar (levens) verhaal waarbij koken een belangrijk element is geworden en wij mogen meegenieten in de vorm van haar recepten.


Ze vertelt over haar oma, vader, haar man - De Lange Man - , haar ouders en zusjes en over bijzondere gebeurtenissen die ze associeert met eten, zoals die keer dat ze verhuisd waren, de kachel het nog niet deed en haar moeder op een provisorische manier lekkere warme vissticks bakte, die goddelijk smaakten. Of de keer dat ze midden in een winkel een angstaanval kreeg en niet naar buiten durfde, maar dankzij een recept die in haar opkwam, toch wegging om het te gaan maken, waardoor het, dankzij haar overwinning, nóg lekkerder smaakte.
Of de keer dat heel onverwacht ene Harry voor de deur stond, een tot dan toe nog onbekende vriend van De Lange Man - ze kende hem nog niet zo lang -  hij was uitgenodigd om te komen eten, vertelde hij, wat Ella vergeten was. Ze flanste maar een of andere curry in elkaar die daarna nog vele malen gemaakt is!
We lezen over pizza's en pasta's die ze maakte, over rijst met..., over popcorn, pastei, een lekker broodje ham etc.
en daar levert ze haar recepten bij.

Ook leuk is dat ze in de recepten opmerking maakt als, 'intussen kun je de gebruikte spullen afwassen' of ' tijdens het wachten kun je de wijnfles alvast opentrekken' of 'je moet het eigenlijk eerst af laten koelen maar dat red ik niet'. Die opmerkingen maken het kookboek nóg persoonlijker.


Het boek eindigt wel met zoetigheid, maar opnieuw niet met de doorsnee gerechten die je vaak aantreft in kookboeken. We kunnen rabarber-gemberijs maken, of boterbrownies met zoute karamel, of gemberkoekjes met geklopte geitenkaas etc. en ook bij deze gerechten krijgen we er gratis mooie verhalen bij.


Het geheel van dit kookboek geeft een gevoel dat je zelf ook bij Ella aan de keukentafel hebt gezeten, mede door de gezellige tekeningen die doorheen het boek staan. Het is een heel knus kookboek dat de liefde voor eten en het leven op een geweldige manier uitstraalt.


ISBN 9789059561359 | Hardcover | 288 pagina's | Fontaine | december 2019
Vertaald door Mariëlle Steinplatz

© Dettie, 11 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Eindstation Auschwitz
Mijn verhaal vanuit het kamp (1943 – 1945)
Eddy de Wind


"In 1942 meldde de Joodse arts Eddy de Wind zich vrijwillig aan als arts om in Westerbork te werken, in de veronderstelling dat hierdoor zijn moeder uit het kamp zou worden vrijgelaten. Bij aankomst bleek zijn moeder echter al op transport gezet naar Auschwitz. In Westerbork ontmoette De Wind de achttienjarige verpleegster Friedel. Ze werden verliefd en trouwden in het kamp. Samen werden ze in september 1943 naar Auschwitz gedeporteerd. Eddy belandde in barak 9, waar hij werd tewerkgesteld als Pfleger van Poolse gevangenen. Friedel in barak 10, waar de medische experimenten werden uitgevoerd. Pas na de oorlog, die ze beiden op miraculeuze wijze overleefden zonder dat van elkaar te weten, vonden ze elkaar terug in Nederland."


Wie van binnenuit een indringend en vaak ook onthutsend beeld wil krijgen van het leven in een concentratiekamp, doet er goed aan dit boek te lezen. De aankomst is al een heftige gebeurtenis op zich, dat is het moment dat de selectie plaatsvindt.


Het boek beschrijft sober maar indringend wat er zich verder zoal in Auschwitz afspeelt. De kracht van dit boek schuilt in vele kleine maar veelzeggende details die het barbaarse en onmenselijke regime illustreren. Kleine zinnetjes duiden het vervolg van dit boek: ‘Toen wist Hans alles’: de wrede aankomst die direct de toon zet voor wat er zal volgen, ‘Nu waren ze alles kwijt’ wanneer de mensen alles wordt afgenomen en ‘Voor hen is het klaaglied uitgezongen’ wanneer gevangenen naar de gaskamers worden afgevoerd die wordt uitgedrukt met ‘door de pijp’.


De grote verandering voor de gevangenen wordt ook duidelijk in deze regels: ‘… toen het nummer in zijn arm geprikt werd. Nu was hij niet meer dr. Van Dam, nu hij Häftling 150822’. Aangrijpend is het contact zoeken met zijn vrouw die zich in het Frauenblock bevond.


Mensen moeten ontzettend hard werken onder moeilijke omstandigheden, worden getreiterd en mishandeld. Wie het niet aankan, wordt meedogenloos gestraft. Honger is de grootste bedreiging waardoor mensen aan uitputting bezwijken. Eddy weet als arts naar de Krankenbau te komen, verveelt zich daar en doet zinloos werk maar kan zich staande houden en dat is al heel wat in deze omstandigheden. Toch kan hij ook voor mensen van betekenis zijn.


De organisatie van het kamp komt in dit boek ook naar voren, met de bekende en overbodige Gründlichkeit waarmee de Duitsers dit meenden te moeten doen. Af en toe zijn er opmerkingen van meer beschouwende aard zoals deze: ‘Auschwitz was … met zijn fabrieken en zijn mijnen een belangrijk onderdeel van het Opper-Silezische industriegebied en de arbeiders waren er goedkoper dan waar ook ter wereld. Ze hadden geen loon nodig en aten bijna niets. En als ze dan uitgeput waren en ten prooi vielen aan de gaskamer, dan waren er in Europa nog genoeg Joden en politieke tegenstanders om het getal weer compleet te maken’, pag. 86.


Een schokkende passage is waar Eddy vertelt dat ze 40.000 verroeste blikken moeten opruimen waarin zich as van mensen bevindt.


De vraag die op de achtergrond door heel het boek heen klinkt is ‘wanneer’: ‘Wanneer zou het verlangen gestild worden naar die vrijheid, naar die liefde in vrijheid?’


De sfeer in dit boek is beklemmend; de schrijver weet indringend een beeld te schetsen van het ‘leven’ in het kamp, al is het beter om van óverleven te spreken. Het is bijzonder dat dit verzorgde boek, inclusief foto's, zoveel persoonlijke herinneringen bevat waardoor trefzeker gebeurtenissen en gesprekken zijn opgetekend. Zo komt de lezer dicht bij deze weerzinwekkende plaats in onze geschiedenis. Dat is te danken aan het feit dat de schrijver direct na de bevrijding in het kamp is gaan schrijven en daar mogen we hem werkelijk dankbaar voor zijn.


Het boek verscheen voor het eerst in 1946 maar vond toen weinig weerklank en raakte door allerlei omstandigheden in de vergetelheid. Het lijkt wel of onze tijd pas echt rijp is voor dergelijke verhalen.


ISBN 978 90 290 9360 6 | Hardback | 222 pagina’s | Meulenhoff Amsterdam | januari 2020

© Evert van der Veen, 3 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Op weg naar de toekomst
Marjan Berk


Marjan Berk heeft iets over zich waardoor je vrolijk wordt. Dat geldt ook voor haar columns ook al gaan ze over ouder worden of oud zijn. Je leest ze toch met een glimlach. Ze ook de columns in dit boek.

We worden op zeventig verhalen getrakteerd die je lekker per stuk of in groepjes tot je kunt nemen. Net waar je zin in hebt. Marjan Berk dartelt wel met ons mee en vindt alles wel prima. En zo lezen we over haar bezoek aan haar kapper die ze al veertig jaar kent en 'waar ze oud mee zal worden'. - geweldige uitdrukking - Maar deze keer verloopt het bezoek anders. Er is een nieuwe jongen in de zaak en de 'oude' kapper vraagt beleefd of die langharige blonde jongen haar haar mag knippen.
Eigenlijk had ze het liefst nee gezegd maar ja, wat doe je als jouw kapper dat zo aan je vraagt. Je zegt toch ja, maar roept wel gelijk wat je allemaal niet wil. Ze krijgt het advies van het jonge wonder om haar ogen dicht te doen en hem zijn gang te laten gaan, het zal prachtig worden.
Natuurlijk - en hoe herkenbaar is dit - is het heel anders geknipt dan ze wilde, en vooral een heel stuk korter. Iedereen vindt het bééldig, behalve Marjan.

[...] en toen was het klaar.
Ik keek. Help. Ik zag mijn bolle toet bekroond met het kapsel dat ik van 1955 tot 1969 droeg. Daarna had ik het laten groeien, waardoor mijn krullen beter tot hun recht kwamen. Een jongen was ik geworden. Of nee, geen jongen, een oudere heer. Jan Berk keek mij aan.


Maar als iemand zegt dat ze wel tien jaar jonger lijkt, begint ze er toch een beetje lol in te krijgen.
Helemaal als haar zoons haar kapsel 'wel bij de tijd' vinden. Misschien zit ze toch wel goed met die korte kop...

En zo lezen we ook over Zwitserse tompoezen (met slagroom en een scheutje rum), pechdagen, gestuntel, datings, huidhonger, bewegen, vreemde genoegens, onbetamelijk zijn (vrijen op hoge leeftijd) enz. enz.

Maar het allerleukste verhaal vind ik Koninginnedag, dat gaat over een vrouw die haar ego wat wil opvijzelen. Ze moet weten of ze op haar vijftigste nog in trek is. Er rijzen prangende vragen in haar op zoals: Kunnen we nog alleen stappen? Zijn we het aanzien nog waard? Kan er op eigen kracht nog versierd worden?
Ze koopt een mooie - korte - rok want haar benen zijn nog steeds mooi en op Koninginnedag is het zover.
Het begint al goed, in het eetcafé krijgt ze een onverwachte huilbui. De ober stuntelt een beetje met troostwoorden en een cognacje. Maar ze gaat toch door met haar missie. Ze loopt over het Rokin, heeft sjans van een man die met zijn tong klakt en loopt door naar de wallen, naar de Damstraat waar ze vroeger gewoond had waar toentertijd nooit wat gebeurde.
Ze loopt langs een café en wordt naar binnen geroepen door een 'rijzige blonde knul, lang haar en een staartje, met kolenschoppen van handen'. Ze neemt Wodka, dat viel vroeger immers altijd goed. Ze hoort voor het eerst Phil Collins en vindt het prachtig. Ze is in een hells-angels café beland. De jongen is heel aardig en galant maar wel pas achtentwintig.


Hij kon makkelijk haar zoon zijn.
'En jij?'
'Ik ben vijftig.
'Zie je niet naar uit. Lekkere poten heb je ook!'
Ze keek naar beneden, naar haar benen, die op die hoge barkruk niet op hun voordeligst uitkwamen. daarom sloeg ze ze maar over elkaar.
'Ja, maar ze zijn wel vijftig jaar!
Ze keken nu beiden keurend naar haar onderdanen.
'Jouw benen zien er niet uit als vijftig jaar. Ik vind meer dat ieder been vijfentwintig is, dat klopt volgens mij beter!'


Ze heeft een geweldige avond, zuipt zich een stuk in haar kraag, speelt darts, vraagt of de jongens iemand in elkaar willen slaan voor haar, (Vergelding! Ze had het voor elkaar) en wordt uiteindelijk liefdevol 'Zeg moet jij niet es naar huis?' door de bezorgde jongen thuis gebracht, waar ze naast haar man - die ze eerst even waarschuwt dat hij voortaan uit moet kijken - haar roes uitslaapt.
Heerlijk verhaal!

Een lekker naast-je-bed-boek.

ISBN 9789045040578 | Paperback | 228 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | november 2019

© Dettie, 5 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 
Bowie’s boekenkast
De 100 boeken die het leven van David Bowie veranderden
John O’Connell

David Bowie was een fanatiek lezer, die zelfs een reisboekenkast met 1500 boeken had. In 1998 begon hij boekbesprekingen te schrijven voor de Amerikaanse keten Barns & Noble. In maart 2013 kwam het Victoria & Albert Museum met de tentoonstelling ‘David Bowie Is’, een terugblik op de carrière van de zanger. De tentoonstelling ging vervolgens op reis en toen de tentoonstelling in Toronto geopend werd, publiceerde het Victoria & Albert Museum de lijst met 100 boeken die Bowie als de belangrijkste en meest invloedrijke die hij in z’n leven gelezen had, beschouwde. Dit boek is gebaseerd op deze lijst.

In ieder hoofdstuk bespreekt de auteur een boek en vertelt iets over de invloed die het boek naar zijn mening van het boek op het werk van David Bowie heeft gehad. Het geeft ook een luistertip en de titel van een boek dat de lezer kan lezen als het boek op de lijst is bevallen.

Het is een verrassende lijst geworden met klassieke romans, die iedereen wel zo’n beetje zou moeten kennen, zoals ‘A clockwork orange’ van Anthony Burgess, ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert, ‘Ilias’ van Homerus, ‘Lady Chatterley’s minnaar’ van D.H. Lawrence, ‘1984’ van George Orwell, ‘De grote Gatsby’ van F. Scott Fitzgerald, en ‘In koelen bloede’ van Truman Capote. Verder zijn er romans die minder bekend zijn, soms ook van auteurs die wel bekend zijn. En dan zijn er boeken over muziek, kunst en geschiedenis. Er staan ook een paar tijdschriften op de lijst en een toneelstuk.

Al met al is het een interessant boek, voor boekenliefhebbers en liefhebbers van de muziek van David Bowie. Door dit boek krijg je weer een ander beeld van de veelzijdige persoonlijkheid van deze helaas te vroeg overleden muzikant.

Bij boek 35 staat iets dat niet klopt. Berlijn wordt namelijk genoemd als de plek voor de beste nieuwe muziek, zoals van bands als NEU!, Tangerine Dream en Kraftwerk, maar NEU! en Kraftwerk waren actief in Düsseldorf en alleen Tangerine Dream komt uit Berlijn. De muziek van de groepen uit Düsseldorf en die uit Berlijn was ook heel verschillend.

Mag ik overigens ook nog opmerken dat het volgens mij cultuurpausen moet zijn en geen cultuurpauzen.


ISBN 978 94 93081 30 7 | NUR 320 | Hardback | 352 pagina’s | Uitgeverij Orlando | januari 2020

© Renate 26 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het dagboek van Renia Spiegel
Renia Spiegel

 
Als de vijftienjarige Renia niet Joods was geweest, niet was geboren was in 1924 en niet in Polen woonde, dan was dit een gewoon dagboek van een puber. Ze begint dan ook zo:


‘Waarom heb ik besloten juist vandaag (i.e.31 januari 1939) mijn dagboek te beginnen? Is er iets belangrijks gebeurd? Heb ik ontdekt dat mijn vriendinnen ook een dagboek bijhouden? Nee! Ik verlang gewoon naar een vriendin. Iemand met wie ik over mijn alledaagse zorgen en belevenissen kan praten.’


Wat wel heel duidelijk blijkt uit wat volgt is dat Renia een talent voor schrijven heeft. Ze componeert ook hele mooie gedichten, die tussen haar zielenroerselen in staan. Maar dat zijn het grotendeels wel: zielenroerselen van een puber. Over de dagelijkse dingetjes in het leven van een jong meisje: school, vriendinnen, uiterlijk, eerste verliefdheden. Niet dat ze niet over de oorlog schrijft. Ze moet wel, het beïnvloedt haar leven. Maar dat gebeurt op een haast terloopse manier, en alleen als het haar wereld verandert.


Renia heeft een jonger zusje, Arianka, ook kunstzinnig aangelegd, maar dan met belangstelling voor de filmwereld. Zij werd de Poolse Shirley Tempel genoemd, speelde daadwerkelijk in verschillende films. Hun moeder koos ervoor om vanwege haar carrière elders te gaan wonen, terwijl Renia bij haar grootmoeder bleef in Przemysl. Hun vader blijft grotendeels buiten beeld. Hij woonde elders in Polen, zorgde voor hun landgoed.


Als de oorlog uitbreekt betekent dit voor dat Poolse stadje dat het verdeeld wordt. Aan de ene kant van de rivier de San die door de stad stroomt hebben de Duitsers de stad bezet, aan de andere kant zitten de Russen. Dat betekent dat Renia gescheiden is van haar moeder en zusje. Ze mist haar moeder vreselijk.


‘Vandaag kan ik niet logisch nadenken. Dat noemen ze volgens mij neerslachtigheid. Iets vliegt razendsnel voorbij en verdwijnt in de mist. Zigzaglijnen, cirkels, strepen, nevel…Roze nevel, groenachtige. Nee, ik ben nergens nieuwsgierig naar. Een gedachte tolt door mijn hoofd, eentje maar, steeds dezelfde.
Mama… oorlog… bruine schoenen… oorlog… Mama.’


In 1941 worden Joden verzameld in een getto. Vooralsnog ontsnapt Renia daaraan, maar ook zij zal moeten verhuizen. Dat gebeurt een half jaar later als de pogroms toenemen is geen Jood meer veilig. In haar dagboek schrijft Renia op 8 december 1941:


‘Ik heb besloten om je eindelijk te vertellen wat er in de wereld gebeurt. Er klinken kanonschoten, gedempte knallen vanuit het zuiden en het oosten. De Duitsers bevechten Rusland aan het lange, enorme oostfront, de Engelsen vechten met Italië bij Tobroek, in Libië, waar zich een nieuw front vormt. Hongaren van het oostfront rijden richting de Heimat. Niemand weet precies waarom. Amerika vecht met Japan… Zo zijn we terechtgekomen in de tweede wereldoorlog van deze eeuw.’


Voor zover eigenlijk het oorlogsgedeelte, de reden waarom het dagboek van Renia nu uitgegeven is, omdat - zoals professor Holocaustgeschiedenis Deborah Lipstadt dat stelt in een voorwoord: ‘dagboeken ons iets bieden wat memoires ontberen: een emotionele betrokkenheid’. Natuurlijk is dat zo. Renia’s leven was heel anders verlopen als zij niet in die tijd en op die plaats geboren was. Toch bestaat het dagboek vooral uit puberale schrijfsels. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt bij de eerste verliefdheid, bijbehorende twijfels en onzekerheden, pagina’s vol.


Renia wordt kort na haar achttiende verjaardag doodgeschoten. Daarover vertelt Zygmunt, de jongen aan wie ze zoveel gedachten en woorden wijdde, aan het einde van Renia’s dagboek, dat bewaard is gebleven omdat hij het in handen kreeg. Begin jaren vijftig stuurde hij het naar Renia’s moeder. Die was intussen met haar jongste geëmigreerd naar Amerika. Die vond het in haar moeders bezittingen en legde het in een kluis in New York.


Bij de uitgave is het een en ander toegevoegd: voorin vinden we kaarten, van Polen in 1939, en de stade Przemysl. Dan volgt het voorwoord door de professor, en een inleiding door de zus van Renia, die nu Elizabeth heet. Na het dagboek zelf, dat afgesloten wordt met het verhaal over de afloop door Zygmunt, schrijft Elizabeth nog een commentaar, waarin zij dingen toelicht waarvan zij denkt dat die misschien onduidelijk zijn gebleven in het verhaal van Renia.
In het midden van het boek is een katern zwart-witfoto's.


Zoals gezegd was Renia een talentvolle dichter. Ze won diverse prijzen.
Wat is werk nu eigenlijk, vraagt ze zich af, en dicht dan dit:


‘Alles zoemt en brult om ons heen
Het werk gaat almaar voort
Het schalt, het ratelt en het trilt
Vragend om soldaten voor de werkbrigades!
Het roept iedereen op, op het land en op zee
De mijnwerkers en de vrije vogels
Om hun bijlen te pakken, hun beitels, hun truffels
En onverwijld aan de arbeid te gaan
Om de grote wereld te veroveren
En vol trots een nieuwe te laten ontstaan.’


ISBN 9789402703276 | hardcover | 384 pagina’s | Uitgeverij Harper Collins | september 2019
Vertaald uit het Engels door Karin de Haas | Ook goed te lezen door jongeren vanaf 15 jaar.

© Marjo, 21 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De ziel
Graadmeter van je psychische gezondheid
Sabine Wery von Limont


De auteur studeerde eerst bedrijfskunde en vervolgens psychologie waardoor ze mensen beter leerde begrijpen: ‘Ik zag nu niet alleen hoe mensen zich gedroegen, maar begreep ook steeds vaker waarom ze zo deden’, pag. 15.


Zij ziet de hersenen als de basis van waaruit de mens wordt gemaakt tot wie hij is; hier zetelt de ziel in het zogenaamde limbisch systeem. De auteur geeft in dit boek veel informatie over de menselijke geest, legt helder uit en gebruikt ook een aantal keren een uitgebreide casus om haar betoog te illustreren. De ziel is een mozaïek en bestaat uit vele losse delen, is ook voortdurend in ontwikkeling.


Interessant is ook de verwijzing naar de oorlog en zijn psychische gevolgen. De Duitse auteur refereert hier een aantal keren aan. Veel meer dan mensen zich aanvankelijk bewust zijn, oefent deze periode nog lang daarna de nodige invloed uit op mensen.


De basisbehoeften van de ziel zijn het verhogen van de eigenwaarde, hechting, controle en zelfstandigheid, welbevinden nastreven en onbehagen vermijden. Ieder mens heeft een bepaalde manier van doen, de zogenaamde persoonlijkheidsstijl, en kan aan tal van persoonlijkheidsstoornissen lijden. Het kenmerk van een stoornis is dat iemand onvoldoende flexibel is en daardoor voortdurend in dezelfde problemen komt.


De ziel hanteert ook allerlei strategieën zoals afweermechanismen, de wilskracht om zich geconcentreerd in te zetten. Ook allerlei fobieën en angsten komen ter sprake. Van depressie wordt gezegd dat ‘je ziel door een hel gaat’. Depressie gaat vaak samen met angst.


Een ander hoofdstuk is gewijd aan de verbondenheid van ziel en lichaam, iets dat nog steeds te weinig wordt onderkend: ‘Het is een drama dat zich elke dag herhaalt. Van alle patiënten in de wachtkamer van huisartsen zit tussen de 20 en 40 procent voor niets te wachten; de oorzaak van hun probleem zit niet in hun lichaam, maar in hun ziel’, pag. 239.


De schrijfster haalt een opmerkelijke uitspraak van Plato aan die toen al constateerde: ‘De grootste fout bij de behandeling van ziekten is dat er artsen voor het lichaam en artsen voor de ziel zijn, terwijl die twee niet van elkaar gescheiden kunnen worden’, pag. 241.


Tenslotte komen psychologische scholen ter sprake en is er aandacht voor allerlei soorten therapie, waaronder EMDR. Goed is de ruimte voor religie, zingeving en vormen van meditatie die een therapeutische functie kunnen hebben.


Het boek is zeker interessant maar de titel suggereert toch iets anders, namelijk aandacht voor de diepste kern van de mens, het verborgen innerlijk van waaruit iemand leeft en wie hij ten diepste is. De auteur beschrijft op verdienstelijke wijze de menselijke geest, zijn functioneren en wat er allemaal fout kan gaan maar of dit nu ook de zíel van de mens is?


ISBN 978 90 373 49 | Paperback | 325 pagina’s | Atlas Contact | 17 januari 2020 |
vertaling: Ralph Aarnout

© Evert van der Veen, 20 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Beethoven in de bunker
Musici onder het nazisme: vereerd, verbannen, vergast
Fred Brouwers


Het grootste deel van dit boek bestaat uit portretten van klassieke musici, die op de een of andere manier met de nazi’s te maken kregen. Sommigen waren opportunistisch, anderen werden slachtoffer en er waren er ook die uit volle overtuiging meededen.


Het gaat te ver om in deze bespreking op alle verhalen in te gaan, dus zal ik me beperken tot een paar verhalen die veel indruk op me maakten, zoals het verhaal van Fritz Löhner-Beda, die onder andere teksten schreef voor Franz Lehar, die zelf ook in het boek voorkomt en misschien toch wel een merkwaardige rol heeft gespeeld. Fritz Löhnel Beda, belandde, omdat hij Joods was in Dachau en vervolgens in Buchenwald. Tot slot belandde hij in Auswitz om voor IG Farben te werken. Omdat hij uiteindelijk te zeer verzwakt was, om hard te kunnen werken, is hij uiteindelijk doodgeschopt. Fritz Löhner Beda had Franz Lehar nog een smeekbede geschreven, maar die heeft niets voor hem gedaan.


Franz Lehar is helemaal een bijzonder geval. De nazipartijideoloog Alfred Rosenberg trok fel tegen hem van leer, onder andere omdat z’n teksten veelal door Joden werden geschreven. Lehar had weliswaar zelf z’n Arische afstamming aangetoond, maar z’n vrouw was Joods. Probleem was echter dat Adolf Hitler nu juist een groot liefhebber van het werk van Lehar was, evenals Joseph Goebbels. Dit probleem werd als volgt opgelost. De libretti werden ‘bewerkt’ door Arische tekstschrijvers en de namen van de originele auteurs werden verwijderd. Mevrouw Lehar, die zich voor haar huwelijk tot het katholicisme had bekeerd, werd door toedoen van Goebbels tot Ehrenarier gebombardeerd.


En dan is er Joseph Schmidt, de Duitse Caruso, die op de vlucht voor de nazi’s in Zwitserland z’n einde vond. In het pension in Zürich waar hij verbleef, werd hij ziek en vervolgens werd hij naar het vluchtelingenkamp Girenbad gestuurd. Het land had namelijk een wet goedgekeurd om Joden niet als politieke vluchtelingen te beschouwen. Girenbad was geen luxeverblijf en Joseph Schmidt kreeg last van laryngitis (een ontsteking van het strottenhoofd, of de bovenste luchtpijp) en een ontsteking van de luchtwegen. Hiervoor belandde hij in een ziekenhuis in Zürich, waar hij als tweederangs burger behandeld werd. Hij gaf aan ook felle pijn in de borststreek te voelen en men weigerde hem vervolgens elk verder onderzoek. Hij werd genezen verklaard en uit het ziekenhuis ontslagen. Twee dagen later stortte hij in het kamp in elkaar met felle krampen in de hartstreek, maar de kampdokters gingen er argeloos aan voorbij. Hij werd naar een nabijgelegen restaurant gebracht, waar hij even later bleek te zijn overleden.


Het verhaal van andere mensen blijkt genuanceerder te liggen dan misschien wel eens wordt aangenomen. Richard Strauss blijkt vooral een opportunist te zijn geweest, die ook geprobeerd heeft om een aantal familieleden van z’n Joodse schoondochter en secretaresse, vrij te krijgen. Hij werkte ook samen met Stefan Zweig en weigerde deze samenwerking te stoppen, ook niet toen het verboden werd om werken uit te voeren. Hij schreef met tegenzin een Olympische hymne voor Hitler, maar na de oorlog componeerde hij, op verzoek van een Amerikaanse soldaat een hoboconcert.


Anderzijds blijkt Igor Stravinsky een bewonderaar van Mussolini geweest te zijn, die bovendien z’n afkeer van Joden niet onder stoelen of banken stak.


Er valt natuurlijk nog veel meer te schrijven over dit boek, dat wat mij betreft nog wel dikker had mogen zijn. Het geeft een aardig beeld van diverse bekende en minder bekende klassieke musici. Natuurlijk ontbreken er namen, zoals Wilhelm Furtwängler, de favoriet van Hitler, die wel in een paar stukken opduikt, maar geen eigen hoofdstuk heeft in dit boek.


Bij ieder hoofdstuk staat een foto van de persoon, of personen, waar het verhaal over gaat en het enige dat ik misschien echt mis is een personenregister. Op sommige plaatsen is duidelijk dat het boek door een Belg is geschreven. Bepaalde woorden heb ik echt op moeten zoeken, omdat ze in Nederland eigenlijk niet gebruikt worden. Voor het woord ‘chouchou’ heb ik zelfs internet moeten raadplegen, omdat dit een Frans woord voor ‘lieveling’ bleek te zijn.


Ik heb het boek met veel plezier gelezen en eerlijk gezegd zou ik ook nog wel een vergelijkbaar boek willen zien over mensen die misschien meer in de amusementsmuziek actief waren, zoals bijvoorbeeld de Comedian Harmonists, Marlene Dietrich, Zarah Leander, Johnny en Jones, Jacques van Tol en anderen.


Het boek bevat onder andere ook hoofdstukken over:
- Paul Abraham, die onder andere de muziek heeft geschreven voor de operette Victoria und ihr Husar. Hij ging naar de VS en werd daar geestesziek. In 1956 werd hij met een aantal anderen naar Duitsland teruggehaald, waar hij in de universiteitskliniek van Hamburg-Eppingen, behandeld werd door dokter Hans Bürger-Prinz, die in de oorlog als rechter/expert oordeelde over de gedwongen sterilisatie van mensen die als erfelijk ziek beschouwd werden.
- Arturo Toscanini    
- Elly Ney, een pianiste en rabiate Jodenhaatster.
- Anton Webern
- Olivier Messiaen, die een kamp bij Görlitz de gelegenheid kreeg om door te gaan met componeren.
- Anita Lasker, een celliste die deel uitmaakte van het Mädchenorchester von Auswitz. Het verhaal van dit orkest is verfilmd als ‘Playing for time’.
- Paul Hindemith
- Willem Mengelberg
- Herbert Ritter von Karajan
- Hanns Eisler, die samenwerkte met Bertold Brecht


ISBN 978 94 6267 183 6 | NUR 680, 662 | Paperback  | 214 pagina’s | Uitgeverij EPO | november 2019

© Renate 4 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Life
a journey through time
Edited by Christine Eckstrom
Frans Lanting


Dit boek is werkelijk een belevenis! In het persoonlijk getinte voorwoord legt de fotograaf Lanting uit dat hij graag de ontwikkeling van het leven op aarde in beeld wil brengen. Wanneer je aan dit boek begint, vraag je je of dat eigenlijk wel mogelijk is want wat is er nog over van al die miljoenen jaren waarin de aarde, planten en dieren zich hebben ontwikkeld? Wat herinnert ons na zovele miljoenen jaren nog aan die lang vervlogen tijden?


De auteur, een gedreven en bekwaam fotograaf, is heel de wereld over gereisd en op zoek gegaan naar levende tekenen van deze oeroude geschiedenis van onze aarde. Het resultaat is echt verbluffend: in ruim 175 foto’s weet Lanting hier het nodige van vast te leggen en in schitterende fotografie over te brengen. Niet ten onrechte wordt er van hem gezegd: ‘hij heeft de instelling van een wetenschapper, het hart van een jager en de ogen van een dichter’.


Lanting wil in dit boek dan ook een – uiterst geslaagde – brug slaan tussen onze liefde voor de natuur en de wetenschappelijke kennis die daarachter schuil gaat. Mooi geschreven teksten leggen uit wat er achter de foto’s zit, naast de korte bijschriften. Deze zijn soms ook wel nodig omdat de foto’s dan zo abstract lijken of zo sterk in met macrolenzen zijn gemaakt dat de lezer zich zonder enige hulp niet zo gemakkelijk kan oriënteren in de foto. Dat is een compliment want dit zijn vaak wel de meest bijzondere foto’s!


De lezer en kijker van dit boek maakt een mooie reis door de tijd en ziet in het eerste hoofdstuk ‘Elementen’ waaruit het leven is opgebouwd want op de eerste foto’s zijn de oudste sporen van de aarde zichtbaar. In het volgende hoofdstuk ‘Begin’ zien we prachtige voorbeelden van ééncellig leven. Vervolgens zijn er hoofdstukken gewijd aan de zee, het land en de lucht waar zich diverse levensvormen van flora en fauna bevinden. Bijzonder is ook het hoofdstuk ‘Duisternis’.


Meerdere foto’s roepen een soort oergevoel van schepping op en tonen prachtige basale vormen, lijnen en kleuren. Dat zijn bv. de weekdieren met hun schitterende transparante kleuren en de krab in Delaware Bay in de Verenigde Staten. Ook de close up’s van korstmossen zijn prachtig om te zien. Indrukwekkend is bv. de geiser in Nevada.


Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat er – gelukkig – nog veel van oudsher in de natuur aanwezig is dat ons herinnert aan de lange wordingsgeschiedenis van de aarde. Er zijn veel schitterende en bijzondere foto’s: de reuzeschildpadden van de Galapogoseilanden, exotische bloemen, grasbomen in Australië, de close up van de schedel van een reuzenegel en de toendra van Alaska in herfstkleuren. Ook zijn er prachtige actiefoto’s van allerlei dieren.


Dit boek is een feest om te bekijken, een ware ode aan het leven!


ISBN 978 3836 572 43 | Hardback | 303 pagina’s | Engelse tekst | Taschen | augustus 2018

© Evert van der Veen, 30 december 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het volmaakte geluk bestond
Jos Essers


‘Het leven op Kasteel Terdeck was voor mij als een sprookje. Ik hoefde mij aan geen enkel protocol te houden. Dat dit een niet-alledaagse en bevoorrechte situatie was, besefte ik pas veel later als het heerlijke leven van toen al lang verre herinneringen waren geworden.’


Opgroeien in een heus kasteel! Als jongen besefte Jos Essers helemaal niet wat voor geluk hij had! Gelukkig kreeg hij dat besef als volwassene wel en besloot hij vijftig jaar later het verhaal met ons te delen en kunnen we lezen over zijn idyllische jeugd.
Het kasteel dat dateert uit de dertiende eeuw staat (nog steeds) in Overijse, een gemeente in de Belgische provincie Vlaams-Brabant, ten zuidoosten van Brussel.


In het jaar 1956, toen Jos als vierjarige met zijn ouders op het kasteel kwam, was baron Etienne de Streel eigenaar van het monumentale gebouw en het enorme landgoed. Zijn vrouw Marina en hij hadden twee zoons, die een stuk ouder waren dan Jos, zodat ze niet veel met elkaar te maken hadden. Met de baron of barones kreeg de jongen door zijn kwajongensstreken wel geregeld te maken, zij waren getuige het verhaal heel aardige mensen, vol begrip voor de jongen.
Als Jos betrapt werd bij het stiekem koekjes uit de trommel pakken of als hij weer eens aangetroffen werd op plaatsen waar hij niet geacht werd te zijn, volgde er nooit straf!


De ouders van Jos waren met z’n tweeën het personeel op het kasteel: zijn moeder was huishoudster en kokkin, vader deed het onderhoud en was butler. Hij werd daarbij geholpen door opa die de tuinman was en met oma in een huisje valk bij het kasteel woonde. |
Omdat zijn ouders de hele dag aan het werk waren, had de jongen alle vrijheid. Zo had hij een enorm huis en een uitgestrekt landgoed ter beschikking om te spelen.


‘Ik genoot van de krakende wenteltrap in de toren. De wind die je goed hoorde op de grote zolder, de zon die door een gebrandschilderd raam een gouden lichtttapijt in de hal uitrolde, het geborgen gevoel van mijn neuriënde mama in de keuken, ja zelfs het brommende geluid van een vlieg in de kamer of het zoemen van en nectarzoekende bij in de kelk van een bloem in het perk vlak bij de keuken.’


De manier waarop de sfeer weergegeven wordt alleen is eigenlijk al genoeg om van dit verhaal te genieten, maar er is nog meer... Jos ontmoet een meisje:

‘Een vreemde schaduw of wat het ook mocht zijn?
Het beweegt! Beeld ik mij dat nu in? Of…Toen werd ik echt bang. Het werd groter en het leek heel langzaam mijn richting uit te komen. Ik ging rechtop zitten en trok mijn knieën samen met de dekens op tot onder mijn kin, Gespannen bleef ik ernaar turen. “Het” leek nog steeds dichterbij te komen. De maan projecteerde via het gordijnloze raam een grote, heldere, scherp afgetekende lichtvlek op de vloer. Nog even en “het “  zou hier doorheen komen. En dan zou ik kunnen zien wat het is, dacht ik,
De maneschijn onthulde plots een vaag een witte, menselijke gedaante.’

Het meisje, want dat is “het”, stelt zich voor als Gisèle. Jos is de enige die haar ooit ziet, maar het is door haar dat hij geheimen ontdekt in het kasteel, waar ook de baron niets van af wist. Hij gaat op ontdekkingstocht samen met een vriendje, niet helemaal zonder gevaar.


Het is Gisèle die hem waarschuwt dat er dingen gaan veranderen. Tot zijn grote verdriet heeft ze gelijk; In 1962 gaan de ouders en grootouders terug naar Limburg waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Jos gaat natuurlijk mee, zijn idyllische jeugd is ten einde.


We mogen blij zijn dat Jos Essers heeft besloten zijn verhaal aan de wereld te openbaren. Het is bij vlagen ontroerend en dan weer spannend, maar geeft ook een beeld van vervlogen tijden, de jaren vijftig gezien door de ogen van een kind. Achterin vertelt de schrijver niet alleen hoe het hem verder verging, maar ook wat er met het kasteel gebeurde. De schrik toen hij in 2010 dit bericht las:

'Het kasteel Terdeck in Tombeek (Overijsse) staat te koop. Wie een toekomst als kasteelheer ziet zitten, moet zich haasten: er hebben zich al verschillende kandidaten gemeld. De vraagprijs is 2,7 miljoen euro.


ISBN 9789086664801 | Paperback | 264 pagina’s | Uitgeverij Mosae Libro | augustus 2019

© Marjo, 11 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Russische klus
De geheime Amerikaanse reddingsoperatie bij de Russische hongersnood
Douglas Smith


Van 1921 tot 1923 heerste er in de Sovjet-Unie een massale hongersnood, die aan 6 miljoen mensen het leven kostte. Lenin droeg een groot deel van de schuld door zijn ideologisch geïnspireerde onderdrukking van de boerenbevolking. De droogte maakte de situatie nog hopelozer.


Het boek begint met aangrijpende verhalen over kannibalisme door uitgehongerde mensen, die zelfs hun eigen kinderen opaten. Zulke verhalen komen verder in het boek nog geregeld terug. Om zijn regime te laten overleven, deed Lenin een beroep op de kapitalistische vijand, Amerika. Herbert Hoover, die tijdens de oorlog ook al een hulpactie voor België en Noord-Frankrijk had opgezet, mocht ook nu de operatie leiden. Daarvoor werd de ARA opgericht: de American Relief Administration, die twee jaar lang meer dan tien miljoen mensen voedde, verspreid over 1 miljoen km² in het huidige Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland, vooral in de regio van de Wolga en de Oeral.


Rusland had al sinds 1880 de traditie om de boeren uit te buiten. Om de industrialisering te betalen, moesten ze steeds meer graan afstaan voor de export. In 1891 was er ook al een mislukte oogst en Amerikaanse hulp om de hongersnood te lenigen. Lenin juichte de honger toen toe: zo zou de bevolking het geloof in God en in de tsaar verliezen. Revolutie was de oplossing, niet liefdadigheid (p. 20-21).


In februari 1917 leidde een nieuwe voedselcrisis tot revolutie en het einde van de 300 jaar oude Romanov-dynastie. In november 1917 grepen de bolsjewieken de macht. Vanaf april 1918 gingen ze over tot gewelddadige confiscatie van graan en een kruistocht tegen de ‘achterlijke boeren’. Lenin beval de koelakken in het openbaar op te hangen, zodat de mensen het kilometers ver konden zien en zouden beven. Hij liet hun namen publiceren en al hun graan afpakken. Boeren moesten zich uitkleden en naakt laten geselen (p. 23). Het graanquotum werd steeds verhoogd: van 288 miljoen kilo in 1918 naar 443 miljoen in 1920 (p. 24). De boeren kwamen in 1921 in opstand, net zoals de matrozen in Kronstadt, maar beide opstanden werden bloedig neergeslagen, die van de boeren door Toechatsjevski met gifgas en concentratiekampen (p. 26). De hongersnood van 1921 dreigde 36 miljoen Russen te doden. Patriarch Tifon en schrijver Gorki informeerden het Westen.
Hoover was tegen de ‘moorddadige tirannie van Lenin’, maar had medelijden met de hongerlijders.


Op 20 augustus 1921 werd in Riga een verdrag ondertekend tussen de ARA en de zeer wantrouwige Sovjetleiders, die vreesden dat de Amerikanen hun regime omver wilden werpen. Maar de ARA hield zich buiten de politiek en de Sovjets hielden zich vaak niet aan het verdrag.


Moskou zag er in 1921 vreselijk uit: bomkraters, vuilnis van meerdere jaren, dichtgetimmerde winkels vol spinnen, angst voor de dood op de wanhopige gezichten (p. 61). In de Wolga-regio was het nog veel erger: daar aten ze eikels en gras, tierden tbc, scheurbuik, tyfus, cholera, dysenterie welig. Foto’s van kinderen doen aan Auschwitz denken (p. 67 en 70). Vrouwen beweerden dat ze het veel beter hadden tijdens de tsaren.


Ongeveer 380 Amerikaanse blanke mannen werkten in Rusland. Ze vonden het werk te gevaarlijk voor vrouwen en joden. Eén zwarte vrouw werkte er als wasvrouw.


De geografische uitgestrektheid van de hongersnood was enorm: 1.300 km van noord naar zuid, 550 van west naar oost. De treinen die het voedsel vervoerden, haalden maximum 15 km per uur, als ze al konden rijden, want soms waren ze geblokkeerd door de sneeuw of waren de sporen zwaar beschadigd. Een telegram van de Oeral naar Moskou deed er twee weken over. Een paar Amerikanen leidden soms gebieden die 7 keer zo groot als België of 6 keer zo groot als Nederland waren.
De emotionele spanning was hoog, want ze zagen veel lijken, uitgehongerde kinderen en stervende moeders die hun kinderen verstikten om hun lijden te beëindigen. In een district van de provincie Samara was de bevolking in twee jaar tijd gedaald van 491.000 naar 179.000 (p. 176).


De Amerikanen deden ook onderzoek naar kannibalisme en ze maakten in Samara foto’s van kannibalen en van hun lichamen of lijken. Een arts gaf als oorzaak de gruwelijke honger en de ontmenselijking door de jarenlange ellende (p.172-173). De uitgehongerden beschouwden het opeten van lijken ook niet als een misdaad. Sommige Amerikanen werden depressief en moesten terug naar huis om te genezen.


Lenin was voorstander van Amerikaanse hulp, maar er was hevig verzet van Stalin, Zinovjev en Boecharin. En vooral veel tegenwerking van de geheime dienst (Tsjeka, daarna GPOe), die zowel de Amerikanen als hun duizenden Russische medewerkers het leven zuur maakte, de graanbelasting op de boeren bleef verhogen en hen zwaar mishandelde (p. 147-148).


Op 23 februari 1922 onteigende Lenin het bezit van de orthodoxe kerk. Hij liet vuurpelotons los op de mensen die de kerk verdedigden. 8.000 mensen kwamen hierbij om en 1.200 geestelijken werden terechtgesteld na een showproces, het eerste in de Russische geschiedenis. Deze roofcampagne leverde twaalf ton goud, zilver, diamanten en andere edelstenen op (p.149).


Op de conferentie van Genua/Rapallo in april 1922 vroeg Lenin via minister van buitenlandse zaken Georgi Tsjitsjerin tevergeefs naar Westerse investeringen en technische hulp. De Sovjet-Unie (Tsjitsjerin) en Duitsland (Walther Rathenau)  sloten wel een geheim akkoord: Duitsland mocht zich ten oosten van  Moskou herbewapenen in ruil voor technische hulp.


De ARA zorgde, behalve voor maïs en andere levensmiddelen, ook voor kleding en schoenen, voor abonnementen op wetenschappelijke en medische tijdschriften, voor massale vaccinaties tegen cholera, tyfus, pokken, malaria, difterie en tetanus, voor de aanleg van moestuinen en filtersystemen voor drinkwater (p. 213-217). De auteur beschrijft ook hoe honger het lichaam en de geest stap voor stap afmaakt en hoe de staat van de rieten daken die fases aangaf (p. 192-193).


De Russische roebel was in 1922 heel weinig waard: voor 1 dollar had men … 3,6 miljoen roebel! Dat was ook de prijs van een geroosterde kip (p. 229-234). Bijna 1 op 10 van de Amerikanen werd verliefd op een Russin en trouwde ook met haar.


In november 1922 besefte Lenin hoe slecht zijn land ervoor stond en vroeg aan Hoover om naar Rusland te komen en de wederopbouw te leiden, maar deze reageerde er niet op. De ARA wou enkel de hongersnood wegwerken (p. 260-261).


In mei en december 1922 kreeg Lenin een beroerte, in het voorjaar van 1923 opnieuw. Hij kon niet meer spreken en was deels verlamd. Op 21 januari 1924 overleed hij, wellicht door aderverkalking in de hersenen, maar er waren ook geruchten dat syfilis de doodsoorzaak was (p. 274). Daarvoor werd hij behandeld met arsenicum.

In februari 1923 exporteerde de Sovjet-Unie minstens 400.000 ton graan naar Europa, terwijl nog 8 miljoen mensen honger leden. In maart 1923 werd dan ook nog een katholieke bisschop ter dood veroordeeld wegens zijn protest tegen het afpakken van kerkelijk bezit. Gevolg: de Sovjets werden internationaal afgekeurd, ook door Hoover (p. 282-283).

Op 13 juni 1923 kwam in Riga het laatste schip met Amerikaans voedsel aan: de opdracht liep ten einde. Op 20 juli 1923 vertrokken de laatste Amerikanen. De hongersnood had aan 6 miljoen mensen het leven gekost, maar zonder Amerikaanse hulp zouden het er minstens 10 miljoen zijn geweest (p. 293). De Amerikaanse hulp had ook het regime van Lenin gered van de ondergang (p. 294).


De ex-ARA-medewerkers hadden nog jaren heimwee naar Rusland en naar Russische vrouwen. Elk jaar hielden ze een reünie in New-York, minstens tot 1965. In Rusland voelden ze zich belangrijk, in Amerika waren ze niets bijzonders (p. 297-298).


Kort na hun vertrek werden in Rusland mensen gearresteerd, die voor de ARA hadden gewerkt. Dat ging door tijdens de Grote Terreur (met als slachtoffers o.a. Kamenev, Radek, Eiduk, Kameneva) en tot in de Koude Oorlog (p. 307). In de Grote Sovjet Encyclopedie van 1950 en in een handboek geschiedenis van 1962 werd de ARA voorgesteld als een apparaat voor spionage en contrarevolutie. Chroesjtsjov beweerde in 1959 in Amerika dat de burgeroorlog en de hongersnood een gevolg waren geweest van de Amerikaanse interventie (p. 307-308).


Tussen 1923 en 1933 (diplomatieke betrekkingen) werd de handel van Amerikaanse bedrijven met de Sovjet-Unie ruim 20 keer zo groot (p. 302-303). De hulpactie had dan toch iets opgeleverd. Het is vreemd dat Armand Hammer, de belangrijkste  tussenpersoon, hier niet vernoemd wordt. Stalin kon met Amerikaans kapitaal razendsnel industrialiseren en de landbouw verder collectiviseren, d.w.z. de boeren uitroeien of naar Siberië deporteren (p. 303-304). Dit leidde tot een tweede grote hongersnood, waarbij tussen 1931 en 1934 opnieuw meer dan 5 miljoen mensen stierven, vooral in Oekraïne. Stalin was hiervan perfect op de hoogte en vroeg geen buitenlandse hulp.


Hoover werd in 1927 wel aangeduid als verantwoordelijke voor een groot hulpprogramma toen de Mississippi overstroomde. De zwarte Amerikanen kwamen helaas niet in aanmerking voor deze hulp (p. 305)!
In 1928 werd Hoover president, maar hij faalde compleet bij de aanpak van de economische crisis van 1929 e.v. In 1932 werd hij niet herkozen. Hij overleed in 1964.


Tijdens WO II bezorgde Roosevelt met zijn Lend-Lease-act (1941-1945) voor 12 miljard $ materiaal en voedsel aan de Sovjet-Unie, waardoor volgens maarschalk Zjoekov de Russen de oorlog tegen de Duitsers konden winnen (p. 309). Tussen 1992 en 2007 kreeg Rusland nog eens 28 miljard $, deels in de vorm van Amerikaanse en ook wat  Europese voedselhulp. Daar was een oorzaak voor: in 1993 leed 70% honger, in 1999 leefde 50% onder de armoedegrens (p. 309). Toen Jeltsin aftrad op 31 december 1999, had hij dus redenen om zich te verontschuldigen.


Het boek eindigt met een verwijzing naar de voornaamste bronnen in Amerika en in Rusland, een lange literatuurlijst en een fotoverantwoording. Het geeft een duidelijk beeld van de Russische hongersnood in 1921-1923, de Amerikaanse hulp, de dankbaarheid van de gewone mensen, het verzwijgen en zelfs actief uitwissen door de onverschillige overheden.


De lezer krijgt afwisselend gruwelijke feiten en mooie belevenissen van ARA-mannen, die bevriend werden met Russen, verliefd op Russinnen en met heimwee naar de Russische cultuur en samenleving terugkeerden naar Amerika.


Enkele opmerkingen:
- op p. 11 staat een kaart, maar een hoop plaatsnamen staan er niet op; je moet dus een atlas bij de hand houden om Tambov, Syzran etc. terug te vinden.
- Er staan ook spel- en drukfouten in: p. 37: riekte moet rook zijn; p. 50: joellie i.p.v. jullie; p. 79: Arabat i.p.v. Arbat; p. 95: linsjerie i.p.v. lingerie; p. 146: tijd i.p.v. een tijd; p. 292: beiden landen i.p.v. beide; p. 297: een pijnlijk dood i.p.v. pijnlijke; p. 306: stief i.p.v. stierf.
- Lenin weigerde niet enkel de Amerikaanse schulden terug te betalen (p. 38): ook die van Engeland, Nederland, België, Frankrijk,… werden nooit terugbetaald.
- Het aantal inwoners van Hongarije, Jordanië, Zweden bedroeg in 1922 geen 10 (p. 219) maar 3 miljoen.
- De auteur veronderstelt dat de lezer de volgende begrippen kent: samowardiplomatie (p. 263, theepot-diplomatie?), tooloop (p. 277, een dikke winterjas), 1-op-25 rijden (p. 277, zeer zuinig rijden, maar dat lijkt me onmogelijk met de Cadillacs van 1921 op de slechte Russische wegen), lebeda (p. 278, melde, een plant), spam (p. 309, hier in de betekenis van varkensvlees in blik).


Los van deze details is het een boeiend boek over een onderwerp dat weinig bekend is. Hopelijk volgt er een vertaling in het Russisch.


ISBN 978 90 003 6040 6 | Paperback | 328 pagina’s | 23 x 15 cm |Uitgeverij Spectrum, Lannoo | 7 november 2019
Vertaling van ‘The Russian Job’  door Jan Sietsma

© Jef Abbeel, www.jefabbeel.be 7 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Markies
En zijn kolonie die nooit heeft bestaan
Eveline Rethmeier


Charles Marie Bonaventure du Breil, beter bekend als Markies de Rays, geboren in 1832, als telg in een adellijke familie in Bannalec, Bretagne, staat in 1883 voor de rechter, beschuldigd van grootschalige oplichting. Als eeuwen later de journaliste Eveline Rethmeier het een en ander hoort over deze man en zijn ideeën, gaat ze op onderzoek uit.
Wie was deze Markies de Rays?


Aan het eind negentiende eeuw, de tijd na de Franse Revolutie, geboren worden in een adellijke familie is geen onverdeeld genoegen. De volwassenen in je familie hebben nog de glorieuze dagen gekend dat de adel het voor het zeggen had en rijk was. Na de Revolutie is dat allemaal verdwenen. In 1789 werd de Bastille bestormd, de revolutie verspreidde zich al snel over het land, en bereikte ook Bretagne. De boeren die jarenlang uitgebuit werden zijn nu de gelijken van de landeigenaren bij wie zij eerst het land moesten pachten. Het ouderlijk kasteel werd geplunderd en kort en klein geslagen.In 1807 kwam het terug in de familie, maar geld was er eigenlijk niet meer.


Charles bracht een groot deel van het jaar door bij zijn oom in de havenplaats Lorient, waar hij de zee en alles wat daarmee te maken had, leerde kennen. De jongen bleek een avontuurlijke geest te hebben. Ontdekkingsreiziger worden, dat leek hem wel wat. En inderdaad reisde hij heel wat af. Verschillende plaatsen in Amerika bezocht hij, Madagaskar, Senegal en andere. Op die plekken probeerde hij een bestaan op te bouwen, hetgeen steeds mislukte.

Het gaat Frankrijk intussen steeds slechter, de mensen mopperden, en Markies de Rays ontwikkelde een plan. Hij zou een nieuwe kolonie stichten: La nouvelle France. Een land waar vrede zou zijn, waar iedereen vrij zou zijn en samen zou werken aan een mooie toekomst. Wel zou de traditionele klassenverdeling van kracht zijn: de geestelijkheid en de adel. Met Charles zelf als koning Charles I.
(hoe dat dan rijmt met vrijheid?)


Charles de Rays moet een man met overtuigingskracht geweest zijn, een man met een uitstraling zo groot dat iedereen hem geloofde als hij zijn fantastische ideeën voorlegde. Hij zou een kolonie stichten op dat eiland bij Papoea-Nieuw-Guinea: de vrije kolonie van Port-Breton. Dat eiland was nog van niemand, zei hij, en het was erg vruchtbaar, een paradijs vol grondstoffen! Als de Markies het eiland zelf had bezocht had hij evenwel geweten dat het er tropisch heet was en geteisterd werd door felle regens, dat er gevaarlijke insecten waren, onder andere muggen die malaria veroorzaakten. Dat de bodem veelal uit steen bestond, en het oerwoud ondoordringbaar was.


Of hij dit wist? In ieder geval sprak hij er met geen woord over: de meest fantastische verhalen spiegelde hij de mensen voor die hij als investeerders benaderde. En ze geloofden hem. Keer op keer wist hij geld los te krijgen om een schip uit te rusten, en wist hij mensen zo ver te krijgen dat ze zich inscheepten voor een lange reis. De Franse overheid werkte evenwel niet mee. Dan maar naar België.  Ook daar kreeg hij geen toestemming hert schip uit te laten varen.


Tenslotte vertrok in september 1879 het eerste schip, vanuit Vlissingen, terwijl de kolonisten een speciaal voor het nieuwe land geschreven volkslied zongen. Arme boeren, avonturiers en een bij elkaar geraapte bemanning bevonden zich op het schip. De Markies was er zelf niet bij.
Was de reis al niet lang genoeg, onderweg kregen zij geen medewerking, omdat het schip niet onder een erkende vlag voer. Voorraden raakten op, mensen werden ziek. En bij aankomst bleek er helemaal geen idyllisch eiland te zijn, maar een onherbergzaam oord bewoond door een kannibalistische inheemse stam.


Intussen bleef de Markies fondsen werven, waar hij zelf overigens goed van leefde – en zijn vrouwen eveneens. Hij liet zich niet tegenhouden, hij rustte nog meer schepen uit, bevolkte die met goedgelovigen, die steeds van een zeer koude kermis thuis kwamen. De pers kreeg er lucht van dat het allemaal niet zo goed verliep, en tenslotte eindigde het avontuur van Charles de Rays voor de rechter. Waar zijn aanhangers hem nog bleven steunen…


Wie was deze man? Een oplichter die verdraaid goed wist dat hij valse praatjes verkondigde, of een idealist, die bleef geloven dat het goed zou komen?
Een onbekende geschiedenis die uitgeplozen wordt, is altijd interessant en als het dan ook nog zo vlotjes verteld wordt dan hang je aan de lippen van Eveline Rethmeier. Ze gebruikt een soort romanvorm, en laat de personages aan het woord in directe vorm. Ook zijn er feitelijke stukken tekst, met een voorwoord waarin de schrijfster vertelt hoe ze er toe kwam dit verhaal uit te zoeken. En wat voor karwei dat geweest is. De bibliografie vinden we achterin.
Een verbijsterend verhaal!


Eveline Rethmeier (1983) studeerde rechten in Amsterdam en New York. Na vier jaar als advocaat te hebben gewerkt, maakte ze de overstap naar de journalistiek. Deze zomer vestigde ze zich als Italië-correspondent voor o.a. RTL en VN in Rome.


ISBN 9789048839100 | paperback | 272 pagina’s | Uitgeverij Hollands Diep | november 2019

© Marjo, 4 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Bizarre nevel
Hoe zij verdween
Jeroen Riemeijer

‘Ze verdween langzaam in de mist en nu is ze dood.
Joke, mijn grote liefde.’


Hoe ga je om met het de ziekte van je geliefde? Hoe kun je accepteren dat de vrouw die je zo lief is, met wie je samen oud had willen worden, gediagnosticeerd wordt met die vreselijke ziekte. Alzheimer, een schrikbeeld. Er is immers geen medicijn voor. Degene die getroffen is takelt voor je ogen af. Je weet niet in hoeverre zij dat zelf meekrijgt, maar voor de partner, de kinderen, de vrienden en kennissen is het moeilijk, zo niet onmogelijk te accepteren.


Joke was nog geen 53 toen het begon. Kleine dingetjes eerst. Ze werkt te hard, denk je nog. Of de overgang, kan ook. Maar als het erger wordt is een doktersbezoek onontkoombaar, en na diverse testen is diens oordeel onbarmhartig: Alzheimer.


Jeroen Riemeijer houdt haar zo lang mogelijk thuis zodat hij voor haar kan zorgen. Als dat niet meer gaat begint de reis langs de kronkelige soms ondoordringbare wegen van de instanties en hulpaanbieders. Hij krijgt te maken met bureaucratie, met onbegrip (waarom ga je haar iedere dag bezoeken? Ze weet het toch niet), maar ook met lieve verzorgers, die er wèl voor Joke en voor hem zijn.


Hij schrijft over de vrouw van wie hij zo veel hield, over de schrijnende momenten maar ook de grappige voorvallen. Over de enkele keer dat ze er ineens weer is, als hij in haar ogen de Joke die hij altijd gekend heeft, weer ziet opduiken. Kort helaas, steeds korter. Tot hij haar af moet geven.


Dit boek is een eerbetoon aan de vrouw die zij was. En Joke moet een fantastisch mooi mens geweest zijn, dat voel je als je dit boek leest.
Daarnaast is het een aanklacht naar de zorgsector. Waarom moet het allemaal zo ingewikkeld? De betrokkenen hebben het al moeilijk genoeg, de bureaucratie maakt het er niet makkelijker op.


Meemaken hoe je geliefde uit je wereld verdwijnt terwijl je haar lijfelijk nog ziet is inderdaad bizar. De manier waarop Jeroen Riemeijer over deze ervaring schrijft is indrukwekkend. Het boek straalt een overheersende jaloersmakende liefde uit.
Er zijn ook teksten opgenomen van hun kinderen. Er zijn troostliedjes en foto’s. En een slotwoord, met een raad:


’geniet maar dubbel en dwars van het leven op dit moment. Niet morgen. Niet volgende week. Niet ooit, vanaf de ingangsdatum van je pensioen.
Leef.
Want voor je het weet, is het te laat.
En ik kan het weten.’


ISBN 9789086664900 | paperback | 180 pagina’s | Uitgeverij Mosae Libro | november 2019

© Marjo, 30 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Trompettist in Auschwitz
Herinneringen van Lex van Weren
Met een inleiding van Eric Vloeimans

Dick Walda


Het boek opent met deze woorden van trompettist Eric Vloeimans: ‘De trompet – voor ons zo’n belangrijk instrument – heeft Lex van Weren het leven gered’.


Na een historische inleiding volgt het bijzonder levensverhaal van Lex van Weren. Dick Walda heeft hem na de oorlog uitvoerig gesproken en zijn relaas opgetekend. Lex constateert dat het antisemitisme de blik op Joden heeft veranderd. Dit was er voor de Tweede Wereldoorlog ook wel maar hij merkte er weinig van. Het wás er zeker wel, meer dan Van Weren blijkbaar wist, in vele Europese landen. De oorlog heeft de positie van Joden voorgoed veranderd en Lex zegt daarom: ‘In dat opzicht heeft Hitler de oorlog gewonnen.


Lex maakte deel uit van het Joodsche Symphonie-orkest dat aanvankelijk door de Duitsers werd toegestaan. Hij kan de verschrikkingen van de Holocaust aanvankelijk niet geloven, is betrokken bij de Joodse Raad en helpt om Joodse kinderen te laten onderduiken. Pas later ontdekt hij het verschil tussen een concentratiekamp en een vernietigingskamp.


Van Weren wordt uiteindelijk opgepakt en komt in Auschwitz terecht en wanneer zijn beroep als musicus wordt ontdekt, komt hij daar in het kamporkest dat in kleinere formaties ook buiten het kamp optreedt bij feestjes van de kampleiding. - De kornet van Lex van Weren is nu in het kampmuseum in Westerbork te zien.  - Zijn muzikale achtergrond heeft ingrijpende en ook levensreddende gevolgen: ‘De trompet maakte me een geval apart. Niet langer een nummer’.


Direct bij aankomst heeft Lex in de gaten dat het hier ‘helemaal mis’ is. De beschrijving van zijn aankomst en hoe het er daar verder aan toe gaat, is sober maar juist daarom indrukwekkend en onvoorstelbaar. Er vindt in het kamp een ‘proces van verdierlijking’ plaats waarin mensen hun menselijke waardigheid verliezen: ‘Namen bestonden niet meer. Ik veranderde in 163848’.


Het boek tekent een scherp beeld van het kampleven. De volstrekte willekeur, de absurditeit en vernedering komen indringend naar voren. Tegen het einde van de oorlog, wanneer de Russische troepen naderen, moet Lex mee met de zogenaamde dodenmarsen. Zo komt hij in Dachau terecht waar hij wordt bevrijd. Na een lange thuisreis komt hij terug in Nederland.


De gebeurtenissen hebben zijn leven voorgoed gestempeld en de herinneringen doen hem pijn. Hij keert nog eens terug om het kamp te bezoeken om erachter te komen wat de Duitsers heeft bezield: ‘hoe wordt iemand zo? Ik begrijp het nog steeds niet en ik denk dat het er nooit van zal komen’.


We mogen dankbaar zijn dat dit verhaal bewaard is gebleven. Een waardevol boek!


ISBN 978 94 63820899 | Paperback | 175 pagina’s | Balans | 10 januari 2020

© Evert van der Veen, 21 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Van leed naar liefde
Van liefde die pijn doet naar liefde die gelukkig maakt
Claudia Krumme


Claudia Krumme doet al twintig jaar onderzoek naar de vraag hoe je van een verslavende relatie (relatieverslaving) tot een volwaardige, respectvolle relatie kunt komen en geeft de lezer handvatten om dat doel te bereiken.


De schrijfster gebruikt de mooie term 'emotioneel onbeschikbare partners' waartoe relatieverslaafden zich aangetrokken kunnen voelen. Maar hoe komt het dat de een wel in zo'n verslavende, destructieve relatie terecht komt en de ander niet? Welk verslavingsgedrag vertoon je? En vooral hoe doorbreek je dat patroon, hoe leer je de valkuilen en trucjes die je verleiden om dat gedrag voort te zetten te doorzien? Hoe kom je uiteindelijk in een evenwichtige, gelijkwaardige en gezonde relatie terecht?

De definitie van een relatieverslaafde is:  'Je bent relatieverslaafd als je je op structurele basis aangetrokken voelt tot emotioneel onbeschikbare partners.

Claudia Krumme legt eerst uit hoe het komt dat iemand emotioneel onbeschikbaar geworden is en welke kenmerken zo'n emotioneel onbeschikbare partner heeft.
Vervolgens licht ze de relatieverslaving toe.
Een relatieverslaafde


'kan een onbedwingbare behoefte voelen om voor zo iemand te zorgen en hem liefde te geven zodat hij zal veranderen en je uit dankbaarheid daarvoor al die liefdevolle aandacht, begrip en erkenning zal geven waar je zo'n behoefte aan hebt. - Vaak is dit liefde die je in je eigen leven gemist hebt.-  Als dit niet werkt kom je steeds dieper in de valstrik van je verslaving te zitten. Je raakt geobsedeerd en verliest jezelf volledig.'


(in feite gebeurt bij een drugs, eet of drankverslaving hetzelfde) Maar loslaten van de relatie is nagenoeg onmogelijk.

In feite is alles, zowel de emotionele onbeschikbaarheid van de ene als de relatieverslaving van de ander, terug te voeren naar de jeugd.


'Eigenlijk heb je deze onvervulde behoefte aan liefde, emotionele aandacht en erkenning al veel eerder opgedaan, net als je emotioneel onbeschikbare partner. Ze ontstaan vaak in je kindertijd door de omgang met je ouders of verzorgers, alleen kon je er op dat moment niets aan doen dat ze niet vervuld werden. Als kind was je immers volledig afhankelijk van je ouders of verzorgers en de liefde en aandacht die zij gaven. Om te overleven heb je daarom onvervulde behoeften onderdrukt door middel van overlevingsstrategieën, maar je hebt ze wel opgeslagen in je onderbewuste.'


En dat is nu net iets waar mensen in hun latere relaties mee te maken krijgen. Ze gebruiken die strategie van hun jeugd nog steeds!


Naast de relatieverslaving bestaat ook de liefdesverslaving en codependentie.
Bij liefdesverslaving ben je verliefd op de liefde en blijft maar zoeken naar een partner om de kick van verliefd zijn te beleven. Maar onder dit gedrag zit veel angst om alleen te zijn, je leeg te voelen, niet mee te tellen, weinig zelfvertrouwen hebben etc.
Deze verslaving in al zijn vormen en met al zijn kenmerken wordt eveneens,  op een (ver)heldere(nde) manier, uitgebreid besproken en uitgelegd.


Codependentie is verslaafd zijn aan de goedkeuring van anderen. Volgens de schrijfster is dit 'de onderlaag van àlle vormen van verslaving en vormt het een van de eerste reacties - de basis overlevingsstrategie - op een onveilige hechting met je ouders of in reactie op ouders die emotioneel onbeschikbaar waren.'
Mensen die codependent zijn kunnen moeilijk grenzen stellen, hebben geen eigenwaarde, kunnen zich moeilijk uiten etc. Ze willen controle houden.


Dit zijn de voornaamste vormen van relatieverslavingen.
In dit boek wordt letterlijk alles besproken rond het probleem van deze verslaving, zoals vormen van liefdesverslaving, vormen van hechting (veilig - onveilig) en de reactie daarop (vechten of vluchten of beide). Parentificatie (het kind zorgt voor de ouder), bindingsangst, hechtingsangst, de vormen van overlevingsstrategieën, vluchten in drugs, alcohol, gokken, veel geld uitgeven, overmatig sporten etc.


Maar ook lezen we hoe je uit deze relaties kan stappen en hoe je van je relatieverslaving af kunt komen. 'Wordt comfortabel met het oncomfortabele'. Ofwel accepteer jezelf maar dan ook helemaal, met alle plussen en minnen is de boodschap. Hoe je dat kunt bereiken krijgen we natuurlijk ook te lezen. In feite is het rationeel gezien heel eenvoudig om te doen maar emotioneel gezien minder makkelijk en dat wordt ook zeer zeker erkent door de schrijfster.


Wat dit boek zo prettig maakt is dat Claudia Krumme op een erg gedegen en directe manier de gevolgen van deze verslaving bespreekt én de lezers de weg wijst om uit deze verslaving te komen. Na elk hoofdstuk geeft ze korte opdrachten die goed uit te voeren zijn, om zo inzicht in je eigen gedrag te krijgen.
Een boek om naast je bed te leggen en in te blijven lezen totdat je àlles helemaal tot je door hebt laten dringen om zo bevrijd te raken uit de slopende relatieverslaving en helemaal vrij bent om jouw eigen leven te leiden.
Claudia Krumme is in feite de Nederlandse Brene Brown, maar dan met de specialisatie relatieverslavingen.n.


ISBN 9789462471481 | paperback | 248 pagina's | Uitgeverij Counseling Center Changes |november 2019
Ook verkrijgbaar als luisterboek

Dettie, 21 januari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Chinese propaganda verblindt de wereld
Jeanne Boden


De schrijfster is sinologe en volgt China al dertig jaar op de voet. In haar voorwoord vertelt ze dat de mooie muziek in de Chinese werkeenheden en universiteitscampussen ook een functie heeft: aangeven wanneer het tijd is om te werken, te studeren, te eten, te sporten. En dat China al decennia een veelheid aan controle-mechanismen heeft: bewaakte ingangspoorten, bewakers op elke verdieping van gebouwen, registratie bij de politie van elke check-in bij hotels of vrienden en uiteraard de ontelbare camera’s.


Haar motivatie om dit boek te schrijven was de volgende: door de OBOR (One Belt One Road) de BRI (Belt and Road Initiative) of De Nieuwe Zijderoute groeit de Chinese invloed in Europa pijlsnel, verdwijnen de democratische bedrijfscultuur en de Europese experten uit elk bedrijf dat Chinezen overnemen, verhuist het beslissingscentrum naar China. En toch blijven de Europeanen goedgelovig. Zij wil hen dus wakker schudden. En dat doet ze vanaf het begin.


China indoctrineert zijn eigen bevolking via het onderwijs en via allerlei vormen van propaganda. De media steunen de CCP (Chinese Communistische Partij) daarin. In de jaren ’80 hadden ze iets meer vrijheid, na Tiananmen weer niet meer.
Met Xi Jinping en De Nieuwe Zijderoute breidde die propaganda zich verder uit over de hele wereld. Maar dat was al veel eerder het geval: sinds de 4de eeuw v.C. propageert China dat het Rijk van het Midden en vooral de Han-meerderheid cultureel superieur is aan alle ‘barbaren’ (11-12). In werkelijkheid nam China van alles over van die ‘barbaren’: het boeddhisme, in de 17de eeuw de westerse wiskunde, in de 20ste eeuw het Marxisme en heel veel technologische kennis. Die overnames werden wel aangevuld (‘verrijkt’) met Chinese karakteristieken.
De Han-meerderheid van 92% wordt graag voorgesteld als één en uniform, maar bevat ook mensen met andere talen (Kantonees, Hakka, ..) en culturen (Mongoolse, Mantsjoe).


Boden omschrijft de ‘nationale mythe’ als volgt: de CCP is de basis van China’s succes; China is één grote, verenigde familie; China is altijd het centrum van de wereld geweest en mag die plaats terug opeisen voor zijn superieure cultuur. Chinezen zijn vredelievend en China is de enige veilige plaats ter wereld (p. 17). Door de propaganda zijn er wereldwijd al veel mensen die hierin geloven.


In deel I onderzoekt ze de nationale dimensie van de propaganda: ze analyseert duizenden slogans naar vorm en inhoud. In deel II bestudeert ze de internationale propaganda. Haar bronnenmateriaal bouwde ze zelf op: 30 jaar lang fotografeerde ze slogans in heel China. Van die 2.500 foto’s die ze voor deze studie selecteerde, staan er 60 in dit boek. Verder analyseerde ze ook tv-programma’s, films en publicaties.


Lees verder, klik HIER

 

Africa
Around the world in 125 years
Joe Yogerst
Reuel Golden (red)


Het tijdschrift National Geographic heeft in zijn 125-jarig bestaan een fraai fotoarchief van heel de wereld opgebouwd. Uit deze collectie zijn grote boeken over de werelddelen samengesteld waaronder dit deel ‘Africa’. Dit boek bevat 200 foto’s uit die 125-jarige geschiedenis waarvan er 40 nieuw zijn. Het is een indrukwekkend boek, door zijn formaat, gewicht en de verbluffende kwaliteit van de foto’s. De inleiding beschrijft de ontwikkeling van het tijdschrift en de fotografie.


Het boek laat zich bekijken als een ware rondreis door dit fascinerende werelddeel en is opgebouwd uit de volgende delen:

-       Noord Afrika

-       Centraal Afrika

-       Oost Afrika

-       West Afrika

-       Zuid Afrika


Elk deel wordt ingeleid met een citaat en de woorden bij Centraal Afrika uit 1961 zeggen iets over de tijd die nog niet eens zo lang achter ons ligt:


‘Maar ik voelde dat niets verder van Europa verwijderd kon zijn dan de regio Angola die we nu zouden binnengaan…. de zuidoost sectie, nog grotendeels onontdekt, bijna een witte vlek op de kaart. Hij is slechts bewoond door wilde dieren en rondtrekkende stammen, onder hen de verlegen, primitieve bosjesmannen’.


Zeer veel landen komen aan bod en zo maakt degene die dit boek in handen heeft kennis met vele culturen, landschappen, mensen en dieren. Het zijn schitterende sfeerbeelden die de vele aspecten van dit bijzondere werelddeel dichterbij brengt. Wie het boek doorbladert, ontdekt de grote verscheidenheid van dit continent. Door het grote formaat komen de foto’s krachtig over en wordt de kijker deelgenoot van de afbeeldingen die realistische trekken krijgen. Elke foto heeft een korte toelichtende interessante tekst.


De Giza piramide bij Caïro is overbekend maar deze foto uit 1912 geeft door zijn bijzondere invalshoek pas echt een indruk van de hoogte van dit gigantische bouwwerk.


We zien mensen in hun dagelijkse context zoals de schaapherder in de Sinaï, het dansende stamhoofd in Angola en de dansende Meri groep in Kameroen.


We maken kennis met eeuwenoude cultuur zoals het Berber huis in de Sahara van Libië dat zo’n 600 jaar oud is. Ronduit exotisch is de foto van het oude centrum van Timinoun, gebouwd uit rode klei op een kruispunt van wegen in de Sahara van Algerije. De foto dateert uit 1958 en je vraagt je dan ook af hoe het er vandaag uitziet.


Bijzonder zijn de huizen in Medenine in Tunesië die boven elkaar zijn gebouwd, langs smalle trappen zonder leuning bereiken mensen de hoger gelegen woningen. Mensen en kinderen poseren gewillig op de trappen. De foto werd dan ook in 1936 genomen en buitenlanders en fotografen waren toen nog iets dat men nooit eerder had meegemaakt. Een dergelijke pose zou vandaag niet meer tot de mogelijkheden behoren!


Prachtig zijn de beelden van de Nubiërs in het zuiden van Egypte en in Soedan.


De foto van de drinkende kamelen in de Guelta d’Archai in de Sahara van Tsaad is wat mij betreft één van de hoogtepunten van dit boek. In een fantastisch overzicht wordt heel deze kloof in beeld gebracht!


Ook de opname van de zeer actieve Nyiragorgo vulkaan met een groot vulkanisch meer, gelegen in Kongo, is indrukwekkend. Ook de berghellingen in het noordwesten van Rwanda, het Natron meer met zijn minerale bronnen in Tanzania en het kratermeer in Queen Elizabeth National Park in Uganda zijn een lust voor het oog.


Verder zijn er prachtige close-up’s zoals die van de kameleon in Zaïre, het nijlpaard onder water in het Tsavo National Park in Kenia, de stierkikker in de Okavango Delta in Botswana. Ook de olifant bij de Victoria watervallen, in Zimbabwe is fraai. Het dier kan zich ophouden omdat de foto in het droge seizoen is gemaakt.


Het boek bevat dramatische opnamen van wilde dieren in actie in vele landen zoals de waterbuffels in Uganda.


Het is verleidelijk om meer mooie opnamen te noemen: de rotsen in het zand van de Karnasai Valley in Tsaad, de zonsondergang bij Timbuktu in Mali en de Ténéré woestijn in Niger.


Je krijgt gewoon zin om er zelf heen te gaan maar je kunt ook zeggen: door dit boek heb ik het toch gezien!


ISBN 978 3836568760 | Hardcover | 312 pagina’s | Engelstalig | National Geographic, Taschen | juni 2018

© Evert van der Veen, 3 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER