Nieuwe recensies Non-fictie

Van wereldmacht tot ‘braafste jongetje’
Onze militaire identiteit door de eeuwen heen
Christ Klep

Uit mijn jeugd herinner ik me dat het leger van tijd tot tijd een parade hield. De krijgsmacht zocht de burger op. Het publiek stond in rijen aan weerszijden van de straat te kijken naar voorbijtrekkende muziekkorpsen, marcherende soldaten en het rijdende materieel. Vanaf de jaren zestig gaat het er precies omgekeerd aan toe. Nu zoekt de burger de krijgsmacht op als er op de legerbasis een open dag wordt georganiseerd. In het openbare leven is de krijgsmacht vrijwel uit het beeld verdwenen.


Deze omslag komt uitvoerig aan de orde in dit boek. De krijgsmacht heeft een enorme verandering ondergaan. Na de Tweede Wereldoorlog en ten tijde van de Koude Oorlog bezat Nederland een groot staand leger van dienstplichtige soldaten, geleid door een beroepskader, uitgerust met tanks, en geschikt voor een grootschalige oorlog. Uw recensent heeft zelf als dienstplichtige gediend in 1970 en herinnert zich nog goed het ‘afknijpen’ van de soldaten, maar ook de enorme kameraadschap die als gevolg daarvan ontstond.


In de jaren negentig is dit leger omgebouwd naar een beroepsleger, de tanks zijn verdwenen, de focus werd verlegd naar vredesmissies. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn, maar grote bezuinigingen hebben het nieuwe leger toch wel beroofd van zijn gevechtscapaciteit. Dat is verontrustend met het oog op de internationale situatie. En het is naar mijn mening ook weggegooid geld als je een leger in stand houdt dat niet echt inzetbaar is. Tot op heden voldoet Nederland niet aan de NAVO-norm waar het zich wel aan gecommitteerd heeft.


Op een van de eerste bladzijden van het boek haalt Klep een onderzoek aan van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup. Uit dit onderzoek blijkt dat niet meer dan 15% van de Nederlanders bereid zou zijn naar de wapens te grijpen om huis en haard te verdedigen. Wereldwijd bezien ligt het gemiddeld op ruim 60%. We hebben – denk ik dan - weinig geleerd van de Tweede Wereldoorlog waar Nederland onvoorbereid in is gerold om vervolgens vijf jaar lang te snakken naar bevrijding van de onderdrukker. Als je geen bezetting wilt en je vrijheid koestert, is een geloofwaardige defensie het beste middel om dit te voorkomen.


Christ Klep heeft in een vlotte, soms wat populaire stijl een boeiend boek geschreven over verschijningsvorm en waardering van de Nederlandse krijgsmacht in de loop der eeuwen. Hij neemt zijn startpunt in de 16de eeuw en stelt naast de al genoemde onderwerpen tal van thema’s aan de orde: de Tachtigjarige Oorlog, huurlingenlegers, Napoleon, de oorlogen in Atjeh eind 19de eeuw, de politionele acties, Korea in de jaren vijftig van de vorige eeuw, de vredesmissies. Tussendoor maakt hij melding van interessante bijzonderheden. De zware berenmutsen van de grenadiers bijvoorbeeld waren bedoeld om sabelhouwen van aanvallende ruiters te dempen.


Met dit boek speelt Klep in op een beladen actuele discussie. In hoeverre is de ‘Gouden Eeuw’ gestempeld door slavernij en slavenhandel? Is het Nederlandse optreden in Atjeh niet ongekend wreed geweest? Heeft het Nederlandse leger zich tijdens de politionele acties schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden? Klep geeft steeds de overwegingen aan die bij de standpuntbepaling een rol spelen. Zijn eigen mening noemt hij zo nu en dan, maar lang niet altijd. Dat lijkt me heel wijs van hem. Het voorkomt dat sommige lezers verontwaardigd raken en dat Klep zelf onderwerp van discussie zou worden. Het laat ook ruimte om zelf je standpunt te bepalen.


In het boek zit veel overlap en Klep herhaalt zich nogal eens. Het is niet echt storend omdat Klep op een plezierige wijze schrijft, maar het is wel een aandachtspunt. In elke hoofdstuk gaat het wel weer over Srebrenica, of over Van Speijk, of over het afschaffen van de dienstplicht. Veel informatie is nu wat verbrokkeld weergegeven en een strakkere compositie had dit kunnen voorkomen.


Op blz. 155 staat dat het gecultiveerde heldendom van Van Speijk een product was van de achttiende eeuw. Van Speijk blies zichzelf en zijn schip echter op in de negentiende eeuw.


Christ Klep is militair historicus, universitair docent en publicist. Hij verschijnt regelmatig in de media om zijn mening over defensie en de krijgsmacht te geven. Hij is zonder meer heel deskundig op zijn vakgebied. Zijn lezenswaardige boek over dit belangrijke onderwerp beveel ik van harte aan.


ISBN 9789025310332 | Paperback | 296 blz. | Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep | juni 2019

© Henk Hofman, 18 juli 2019

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Bloedfraude
Hoe een vrouw uit Silicon Valley de wereld belazerde
John Carreyrou


Een fascinerend boek over een jonge vrouw die op haar negentiende de universiteit van Stanford zonder diploma verliet om een bedrijf op te richten dat een revolutionaire manier van bloedonderzoek op de markt wilde zetten.


Elizabeth Holmes wist al op jonge leeftijd dat ze een succesvolle ondernemer wilde worden. Op haar zevende probeerde ze een tijdmachine te ontwerpen en ze vulde een compleet schrift met technische tekeningen. Rond haar tiende vroeg iemand op een familiefeestje haar wat ze later wilde worden. Elizabeth antwoordde dat ze miljardair wilde worden. (Op de achterflap wordt gesteld dat ze deze uitspraak op haar zevende deed.)


Het boek beschrijft een vrouw die, zonder gehinderd te worden door medische kennis, of kennis van bloedonderzoek, een bedrijf uit de grond stampt, dat zich juist op dat laatste wil richten. Oorspronkelijk denkt ze aan een pleister met micronaaldjes en ze stelt een patentaanvraag op voor een diagnosticerende armpleister, die eveneens behandelt. Later wordt dit concept verlaten en kiest men voor het systeem dat vergelijkbaar is met de handapparaatjes voor het meten van de bloedsuikerspiegel van diabetici.


Elizabeth Holmes, die zich steeds meer gaat spiegelen aan Steve Jobs, weet uiteindelijk de nodige investeerders te interesseren en een aantal machtige mensen achter zich te krijgen. Het bedrijf, dat Theranos genoemd wordt (een samenvoeging van de woorden 'therapy' en 'diagnosis'), groeit, maar drijft vooral op beloften voor een grootse toekomst. Het voert te ver om de hele geschiedenis hier uit de doeken te doen. In het boek wordt het een en ander uitgebreid beschreven. Het laat ook zien hoe verschillende teams onafhankelijk van elkaar werken en bijna tegen elkaar uit worden gespeeld.


Mensen die kritiek hebben op de gang van zaken kunnen direct vertrekken. De zaken verergeren als men daadwerkelijk bloedonderzoek gaat doen. De resultaten zijn onbetrouwbaar, maar mensen die daar op wijzen worden ontslagen, of vertrekken zelf, omdat ze het een en ander voor zichzelf niet meer kunnen verantwoorden. Met geheimhoudingscontracten probeert men te voorkomen dat deze zaken in de openbaarheid komen. Er wordt op allerlei manieren bedrog gepleegd. Zo worden er grote apparaten van Siemens en andere fabrikanten gebruikt, waarbij men de nodige fouten maakte, onder andere door stoffen te gebruiken die over de datum zijn. Deze apparaten worden ook uit elkaar geschroefd, om te zien hoe ze werken.


Bij de bloedonderzoeken gaat het nodige mis. Zo blijkt bij het onderzoek van een vrouw die met een piep in haar oren bij een arts komt, dat allerlei waarden bij een onderzoek door Theranos abnormaal hoog zijn. Ze wordt naar de eerste hulp van een ziekenhuis gestuurd, waar ze gedurende 4 uur aan allerlei onderzoeken wordt onderworpen. Bij een intern bloedonderzoek blijken al haar waarden normaal te zijn en mag ze weer naar huis. Als voorzorg een week later nog twee MRI-scans, die ook geen complicaties vertonen. Dan is ze gerustgesteld. Daar haar verzekering maar een beperkte dekking geeft, moet ze 3000 dollar uit eigen zak betalen.


Later gaat het boek over het gevecht dat de auteur van dit boek, die dan al een aantal kritische artikelen over Theranos heeft geschreven, moet voeren. Men dreigt met rechtszaken, niet alleen tegen de auteur, maar ook tegen de mensen van wie men vermoedt dat ze hem met informatie hebben geholpen. De auteur wordt door privédetectives in de gaten gehouden, om te zien wie hij ontmoet en wie er dus uit de school klapt.
Er wordt een film naar dit boek gemaakt en er is ook al een documentaire over deze zaak, waar op de websites hieronder meer te lezen valt.


Zie ook:
https://sciencebasedmedicine.org

https://medcitynews.com


ISBN 978 94 0160 985 2 | Paperback | 417 pagina’s | Xander Uitgevers | oktober 2018
Vertaald door Bill Oostendorp & Joost van der Meer

© Renate 14 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De moordenaar, de advocaat en de schrijver
over het boek dat Harper Lee nooit schreef
Casey N. Cep


Bij het schrijven van deze recensie bekruipt me het gevoel wat Casey Cep ook gehad moet hebben. Schrijven over een boek van een schrijfster die zich allereerst baseert op het verhaal van een andere schrijfster, of beter gezegd het verslag van die schrijfster; Harper Lee, klinkt saai. Maar ik help u graag uit die illusie, het boek is verre van saai!


Gelijk al in het begin van het boek wordt je als lezer meegenomen, beter gezegd teruggezogen naar de broeierige jaren 70 in Alabama, VS. Thema’s als rassenscheiding en discriminatie worden op indringende wijze beschreven door de auteur. De onmacht spat soms letterlijk van de pagina’s af, en als lezer wordt je verschillende keren op ongemakkelijke wijze geconfronteerd met justitieel onrecht.


De aan schizofrenie grenzende houding van de advocaat wordt op pakkende wijze beschreven en laat de lezer soms in verbazing achter. Het wordt naarmate het boek vordert steeds moeilijker als lezer om een moreel oordeel te vellen. Dit geeft het boek een bepaalde spanning, omdat je soms gedwongen wordt over de juistheid van dingen na te denken. De auteur kiest bewust voor de totaal verschillende invalshoeken en eigenlijk hoort er naast de indeling moordenaar, advocaat en schrijver, nog een onderdeel te zijn, namelijk de lezer zelf. Die wordt aangespoord om actief te denken en luie lezers worden op een dwaalspoor gezet.


De auteur is open over haar bronmateriaal en inspiratie. Ze legt duidelijk verantwoording af van de door haar gevolgde schrijfwijze en reconstructie, en is ook openlijk schatplichtig aan het werk van Harper Lee. Deze wordt ook op een correcte manier geportretteerd, en krijgt ook alle credits voor haar onderzoekswerk. Wel is een groot gedeelte van het boek ook als een biografie van Lee opgesteld, het verhaal wordt mooi uitgewerkt, maar lijkt hierdoor wat kort.


Het lukt Casey Cep om van een in potentie saai rechtbankverslag een zeer lezenswaardig ‘True Crime’ verhaal te maken. Ze schrijft makkelijk leesbaar, en wie echt goed leest, ontdekt zelfs een verhaal met literaire ambities.


Zeer informatief geschreven, en tegelijkertijd laat het de lezer achter met een gevoel van verbazing. Niet alles is zwart of wit, in dit geval donker en blank, maar grijstinten overheersen uiteindelijk.

Aanrader!


ISBN 9789045031798 | Paperback | 416 pagina's | Atlas Contact | mei 2019
Vertaald door Ineke Braakman Arjanne van Luipen

© Jan Keuken, 11 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Eerste Wereldoorlog
1914 - 1918
John Keegan

 

De Eerste Wereldoorlog ligt inmiddels al een eeuw achter ons en kreeg daarom vorig jaar de nodige aandacht maar lijkt toch vooral iets uit een ver verleden. Onlangs was het honderd jaar geleden dat de vrede van Versailles werd getekend. We weten wel zo’n beetje dat het een uitzichtloze oorlog met vele miljoenen slachtoffers was maar kénnen we daarmee deze oorlog? Wie daar meer belangstelling voor heeft, dient dit boek te lezen. Het beschrijft tot in detail de aanloop naar en het verloop van wat toen werd genoemd ‘De Grote Oorlog’. Hoe zag deze oorlog er in grote lijnen uit? De schrijver vat dan treffend samen:


‘De Eerste Wereldoorlog was een onnodig en tragisch conflict. Onnodig, omdat men in de vijf crisisweken die voorafgingen aan het eerste wapengekletter, op elk moment met wat tact en goede wil had kunnen ingrijpen in de loop der gebeurtenissen die tot het uitbreken van de oorlog leidden. Tragisch, omdat de gevolgen van die eerste schermutselingen een einde maakten aan tien miljoen mensenlevens, het gevoelsleven van miljoenen anderen zwaar op de proef stelden, de weldadige, optimistische cultuur van het Europese continent vernietigden en, toen de kanonnen vier jaar later zwegen, een erfenis nalieten van zo intense politieke rancune en rassenhaat dat de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog zonder verwijzing naar deze oorsprong onverklaarbaar zijn’, pag. 9.


De auteur heeft vervolgens 469 pagina’s nodig om dit ingrijpende en omvangrijke verhaal te vertellen. Hij doet dat onderhoudend, beschrijvend en hier en daar analyserend. Het boek is toegankelijk maar stelt door de enorme gedetailleerdheid aan feiten, getallen en gebeurtenissen de geïnteresseerde lezer af en toe wel op de proef. Zoals de oorlog een uithoudingsslag was, zo geldt dan soms ook voor het lezen van dit boek al wordt het verhaal helder verteld. Er is echter zoveel te vertellen omdat er zoveel is gebeurd!


De lezer raakt door het omvangrijke verhaal wel onder de indruk van wat er zich in deze oorlogsjaren heeft afgespeeld: de hoeveelheid veldslagen met de daarbij behorende verliezen zijn gigantisch én ze komen ook zo zinloos over omdat ze aan het militair-strategisch belang niets toevoegen. De lezer verbaast zich dan ook over de volhardendheid van regeringen en legerleiding die van geen ophouden weten en de zware verliezen blijkbaar gelaten accepteren. Veel gesneuvelde soldaten zijn nooit geborgen maar desondanks zijn er later maar liefst 600 begraafplaatsen voor de slachtoffers ingericht. Dit aantal maakt de lezer stil en doet iets van de omvangrijke tragiek beseffen.


Het boek begint boeiend met de aanloop naar de oorlog en legt op interessante wijze uit wat er in de zomer van 1914 allemaal heeft plaatsgevonden. Zoals bekend ligt de aanleiding in de moordaanslag op de Oostenrijkse kroonprins Frans Ferdinand in Serajewo. Na de nodige omhaal zocht Oostenrijk met steun van bondgenoot Duitsland de oorlog om Servië de les te lezen maar in feite om zichzelf als land te bewijzen. Het is al gauw Duitsland die de regie neemt en de oorlog bepaalt.


Regelmatig trekt de auteur – gerenommeerd historicus – lijnen naar de latere geschiedenis en laat daarin parallellen en verschillen zien. Zijn analyse is dat men het conflict rond de moordaanslag ánders had kunnen oplossen wanneer men de crisis via de diplomatieke weg had proberen te beheersen. Zo liep het helaas niet: het ene na het andere land raakte in de oorlog betrokken en in het begin was er zelfs een euforische stemming: het volk wílde oorlog.


De beschrijving van eindeloze gevechten in loopgraven, de onvoorstelbaar grote verliezen aan weerszijden, de minimale terreinwinst, het onophoudelijk inbrengen van nieuwe manschappen, materieel en militaire plannen, vullen voor het grootste deel dit boek. De schrijver doet dat op goede wijze, is duidelijk in zijn beschrijvingen, weet sfeer te schilderen, voert interessante details op en schetst ook regelmatig een totaalbeeld van wat er zich op de slagvelden afspeelt.


In België en het noorden van Frankrijk ontstaat na verloop van tijd een lang front waar beide partijen zich ingraven en linies bouwen met een ingewikkeld loopgravenstelsel. Het landschap en de daar aanwezige dorpen hebben er zwaar onder te lijden, worden ernstig verwoest door de vele intense en langdurige bombardementen over en weer. Van de Noordzee tot aan Zwitserland is de lengte van de linie 750 km. In de winter van 1914 ontstaat een impasse: ‘In de vier maanden tussen de mobilisatie en de verstarring van het front was hij veranderd van vijandelijkheden zonder actie tot rustige vijandelijkheden met een hoogst agressief intermezzo’, pag. 156.


Ook de weersomstandigheden – regen – hebben grote invloed op de oorlog. De neerslag zorgt voor onnoemelijke modder op de slagvelden, onbruikbare loopgraven, materieel dat niet vooruit te krijgen is. Het front blijft in de loop van de oorlog wat lengte betreft gelijk maar neemt in de breedte wel toe omdat de strijdende partijen regelmatig enige terreinwinst boeken om vervolgens weer te worden teruggedrongen. Omdat grote delen van het oorlogsgebied ongeschikt zijn om te vechten, vergt dit veel mensenlevens tijdens de heftige beschietingen die er dan plaatsvinden. Het oorlogsverloop bestaat uit ‘grote en kleine offensieven van loopgraaf tegen loopgraaf’, pag. 239.


Regelmatig maakt de schrijver even de balans op en zo concludeert hij m.b.t. 1915: ‘Het was een treurig jaar voor de geallieerden aan het westelijk front. Er had veel bloed gevloeid voor weinig terreinwinst en alle hoop op succes was uitgesteld tot 1916. De Duitsers hadden bewezen dat ze veel hadden geleerd over de verdediging van een loopgravenfront, en de geallieerden dat ze niets hadden geleerd over het forceren van een doorbraak’, pag. 227 – 228.


1916 wordt een jaar van veld- en zeeslagen en hieraan is een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. Interessant is de beschrijving van technische ontwikkelingen die de oorlog beïnvloeden zoals de pantserwagen en de hogere snelheid van schepen. Bij Jutland vindt de grootste zeeslag uit de geschiedenis plaats die min of meer onbeslist eindigt. Ook de tankslag bij Cambrai waar men van de inzet van tankwagens verwachtte – het is bijna aandoenlijk om de zwart-wit foto’s van de voorloper van de latere tanks te zien – levert geen duidelijke overwinnaar op.


In de slag bij Verdun worden 200.000 man gedood of gewond. De schrijver legt uit waarom dergelijke verliezen voortdurend optreden: ‘De eenvoudige waarheid omtrent de loopgravenoorlog van 1914 – 1918 is dat de confrontatie van een groot aantal soldaten die, hoe ze ook getraind of uitgerust waren, niet meer bescherming hadden dan het textiel van hun uniform, met een massa andere soldaten, beschermd door graafwerk en prikkeldraad en voorzien van snelvuurwapens, moest resulteren in zeer zware verliezen bij de aanvallers’, pag. 326. Bij Ieper vinden in de loop van de tijd drie veldslagen plaats die strategisch vrijwel niets hebben opgeleverd en veel soldaten het leven hebben gekost.


Waar wij niet bij stilstaan is het merkwaardige feit dat het leven buiten de oorlogszone min of meer gewoon doorgaat. De aanwezigheid van vele soldaten geeft zelfs een positieve impuls aan de lokale economie.


Een zwak punt is de onderlinge communicatie. Er wordt veel aandacht besteed aan telegrafische verbindingen maar deze worden meestal al vernietigd waardoor men niets meer aan elkaar kan doorgeven en op zichzelf is aangewezen en in feite in het duister tast omtrent de positie van de vijand en de eigen troepen.


Achteraf is het gemakkelijk om ons te verbazen over vele zaken en zijn we geneigd daar een kritisch oordeel over te vellen. De schrijver is daarin terughoudend want hij plaatst de zaken in de context van de tijd. Hij maakt wel vergelijkingen met andere oorlogen maar laat tegelijk de beslissende verschillen zijn en is daarom meestal toch terughoudend met zijn oordeel.


De beslissende wending treedt op wanneer Amerika in 1917 mee gaat doen na Duitse aanvallen van duikboten op Amerikaanse schepen. Nu worden er op grote schaal verse troepen ingezet die de geallieerden versterken. Ook de grote inzet van verbeterde tanks werkt mee aan de overwinning. ‘Voorheen berustte de hoop op de overwinning op berekenbare krachtsverhoudingen van de strijdkrachten. Het ingrijpen van de Verenigde Staten had alle rekenarij overbodig gemaakt. Uit de bronnen die in Duitsland gebleven waren, konden nergens voldoende strijdkrachten worden gevonden om het tegen de miljoenen op te nemen die de Verenigde Staten over de oceaan konden aanvoeren’, pag. 461.


Wanneer de Duitse troepen muiten en de regering wankelt, is het einde van de oorlog nabij. Keizer Wilhelm II vlucht naar Doorn. Aan het slot van de oorlog, de vredesonderhandelingen en de vrede van Versailles wordt betrekkelijk weinig aandacht besteed. De lezer heeft dan weliswaar bijna 500 pagina’s oorlogsleed verwerkt maar had daar wellicht toch iets meer over willen weten. Deskundigen zijn er het over eens dat de geallieerden Duitsland teveel hebben gekleineerd. De afloop  van de Eerste Wereldoorlog is daarmee de kiem van de Tweede Wereldoorlog geworden maar dat is wellicht stof voor een afzonderlijk boek.


Tegen het einde van het boek maakt de schrijver wel de balans op en die is schokkend: Europa is ernstig ontwricht en de oorlog laat op alle fronten onnoemelijke chaos achter.


Dit indrukwekkende boek neemt de geïnteresseerde lezer mee op een lange en bittere oorlogstocht. Wie het geduld heeft om dit boek te lezen, krijgt voortreffelijk inzicht in wat er in deze vier jaar is gebeurd. Zwart-wit foto’s brengen het verhaal dichtbij en kaartjes verhelderen het verloop van bepaalde veldslagen.
Een dramatisch verhaal!


ISBN 9789463 820219 | Hardcover | 528 pagina’s | Balans Amsterdam | juni 2019
vertaling: Bab Westerveld

© Evert van der Veen, 7 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mijn Congo
Een familiegeschiedenis
Bart Demyttenaere


De schrijver werd  geboren in Albertstad/Kalemie, Congo in 1963. Hij vertelt hoe Congo het leven van zijn grootoom (rond 1880), van zijn vader en van hemzelf  heeft beïnvloed. Tijdens Mobutu was hij onderwijzer in Bunia en in Lubumbashi (1986-1990).
Dit boek schreef hij in de stille  benedictijnenabdij van Zevenkerken (Brugge).


In deel I vertelt hij over zijn vader. Die vertrok in het woelige jaar 1959 op zijn 27ste naar Congo als agent van een katoenfirma. Hij leerde snel Kiswahili en voelde zich zeer goed thuis in zijn nieuw land. De Belgische gezondheidszorg en het basisonderwijs waren er beter dan in de Britse en Franse kolonies, maar de middelbare school en de universiteit werden volgens de schrijver pas na 1955 toegankelijk voor Congolezen. Dat klopt niet: de universiteit van Lovanium, destijds de mooiste van heel Afrika, opende al in 1954: toen waren er dus al genoeg Congolezen afgestudeerd in het middelbaar onderwijs. En er waren al hogescholen, o.a. in Thysstad, het huidige Mbanza Ngungu.


In 1960 zaten 763 Congolezen op de universiteit en waren er maar een paar afgestudeerd (p. 26). Lumumba en zijn aanhangers zorgden voor onrust bij de onafhankelijkheid. De evacuatie uit Congo verliep voor vele Belgen met doodsangsten. Tijdens die korte periode in Brussel leerde Barts vader vader zijn toekomstige vrouw kennen. Daarna waagde hij het terug te keren naar Congo, waar volop gemoord werd door allerlei milities. Op 31 december 1961 vielen soldaten van Mobutu binnen in het klooster van Kongolo. 21 van de 23 Belgische paters, die daar scholen hadden, werden vernederd, gefolterd en afgeslacht. In 1962 verergerden  de anarchie, de plunderingen en het geweld. In 1963 werd de schrijver geboren in Albertstad. In 1964 keerde zijn vader met zijn gezin terug naar België, zeer tegen zijn zin.


In deel II beschrijft de auteur zijn ongelukkige jeugd in België en zijn tijd in Congo. Na zijn studie voor onderwijzer, mocht hij in 1986 naar Noordoost-Congo. Hij had er zeer goede contacten met de bevolking, met de pygmeeën en met de Witte Paters, minder goede met de politie en met de militairen. Hij uit veel kritiek op Mobutu, op het slechte openbaar vervoer, op de wegen vol putten, het gemiddelde tempo van 14 km per uur, de corruptie, het totale verval vergeleken met de periode voor 1960. Hij onthult hier ook veel details over de slechte relatie met zijn ouders. In mei 1990 liet Mobutu in Lubumbashi op betogende studenten schieten: volgens de ene bron vielen er ruim 100 doden, volgens een andere 80, volgens hem welgeteld 1 (p. 198-199). In juni 1990 verbrak Mobutu de relaties met België en moesten alle coöperanten Zaïre verlaten. Dat waren er duizenden, o.a. de auteur. Gevolg: al hun werk viel stil, vele Zaïrezen bleven ontredderd en werkloos achter.


Dan maakt Demyttenaere een sprong in de tijd naar zijn oudoom, die in 1879-1882 in opdracht van Leopold II ervoor zorgde dat Stanley soldaten, wapens en stoomboten had, waardoor deze heel het bekken van de Congostroom kon koloniseren. De schrijver beweert dat Leopold II miljoenen doden veroorzaakte, maar wellicht ligt het juiste cijfer onder 0,5 miljoen en waren er vele doodsoorzaken.


In 2017 reisde hij twee keer terug naar Congo, waar hij de eerste keer  o.a. Lubumbashi en enkele missieposten bezocht. Hij toont grote bewondering voor het enorme werk van de missionarissen. De katholieke kerk is het enige instituut dat in Congo nog functioneert.  De lagere scholen zijn nu helaas niet meer gratis: de overheid betaalt de leraren niet meer, dus moeten de ouders 100 dollar geven, wat onmogelijk is voor de meesten die slechts 220 $ per jaar verdienen (p. 272). Het analfabetisme neemt dus snel toe. Overal is er verval. Jongeren die toch een hoog diploma halen, hebben de keuze tussen bedelaar, straatverkoper of taxichauffeur. En dan zijn er de dagelijkse wreedheden in Oost-Congo: ongeboren baby’s worden met kapmessen uit de buik van de moeders gehakt, kinderen worden onthoofd, jonge meisjes op wrede wijze verkracht en dan met speren en machetes afgemaakt (p. 274). De auteur noemt de daders niet: ik vermoed dat het allerlei soorten rebellen zijn.


Duurbetaalde medewerkers van Oxfam, Unesco, UNO e.a. kijken toe en doen zo goed als niets voor de arme bevolking. Enkel de hulp via kleine organisaties komt bij hen terecht. De boskap om den brode heeft rampzalige gevolgen voor het regenwoud en het klimaat wereldwijd. President Kabila maakt het internet bewust onmogelijk of onbetaalbaar voor scholen. Die werken dan ook nog met boeken uit 1968 (p. 331-334).


Bij zijn tweede reis naar Congo in 2017 had de auteur de bedoeling om samen met Congolezen een boek te schrijven ‘Congo Voor Beginners’, maar daar horen we nadien niets meer van. Er was weer grote hongersnood in de Kasaï door het vele geweld. In Oost-Congo bezocht hij het Virungapark, sinds 1925 het eerste nationaal park van heel Afrika. Het blijft overeind  dank zij de Belgische prins Emmanuel de Merode, die in 2014 door stropers bijna doodgeschoten werd. In 2017 werden 12 van zijn parkwachters vermoord. Demyttenaere ontmoet weer vele toffe Congolezen, maar ook gewetenloze en op geld beluste machthebbers, genadeloze vlooien en tienduizenden interne vluchtelingen.


Hij heeft een zeer vlotte schrijfstijl en een heel rijke woordenschat. De vooral negatieve onthullingen over zijn familie had hij misschien beter weggelaten. En hij had zijn verhaal meer chronologisch mogen ordenen, dus beginnen met zijn oudoom. Hij had zich ook wat meer mogen inleven in de Congolese cultuur, maar dat is blijkbaar niet zo eenvoudig. Nu komt hij soms paternalistisch over.


Soms staan er drukfoutjes of taalfoutjes in: ‘objectief’ (p. 18) is doel in het Nederlands; jul (p. 39) moet juli zijn; aan stuk (p. 65) moet zijn: aan één stuk; de jonge  toerist Alexander De Croo was in april 1988 geen 15, maar 12 jaar oud; dubbel zo lang ‘dan’ (p.211) moet ‘als’ zijn;  idem voor even belangrijk ‘dan’ (p. 261). ‘1812’ (p. 213) is fout, want Leopold II werd pas in 1835 geboren. De Conferentie van Berlijn dateert Demyttenaere van ‘1885 tot 1886’ (p. 217) i.p.v. 1884-1885. Hoewel Stanley een fervent tegenstander was van de Arabische slavenhandel en zich vaak heel positief uitlaat over de Afrikanen, krijgt hij van de auteur het verwijt ‘racisme’ (p. 216), omdat hij het woord ‘neger’ gebruikt, maar dat had in 1879 nog lang niet de negatieve bijklank van de laatste decennia.


Op p. 231 schrijft hij de volgende onzin: ‘Uit angst voor een oorlog met de Sovjet-Unie verhuisden honderden Belgen naar Congo en de meesten werden er schatrijk’: er werden in België wel schuilkelders gebouwd, vooral in de jaren ’60 na de onafhankelijkheid, maar niemand  ging uit angst voor een oorlog naar Congo en het aantal dat er schatrijk werd,  was in de minderheid. Vervangen is remplacer in het Frans, niet ‘emplacer’. ‘Geraken’ (p. 328) moet raken zijn. Allemaal (foute) details dus in een verder zeer leesbaar boek.


ISBN 9789462671416 | Paperback | 419 pagina's incl kaarten, foto’s, woordenlijst, bibliografie, register | Uitgeverij EPO | september 2018

© Jef Abbeel, 8 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De sjamaan en ik
Willemijn Dicke


Willemijn Dicke is wetenschapper en militant atheïst. Het een is in haar ogen het gevolg van het ander. Wetenschap is gebaseerd op bewijs leveren en bij godsdienst is het leveren van bewijs van het bestaan van een God of goddelijk wezen onmogelijk. Ze gaat erg ver in haar atheïsme, gelovig zijn in al zijn vormen roept een vorm van aversie en agressie bij haar - en enkele van haar vrienden - op.


In de ogen van anderen heeft Willemijn Dicke het helemaal gemaakt, ze heeft een prettig gezin, veel vrienden en mooie carrière opgebouwd. Maar toch, maar toch...
Het knaagt, het zeurt, het schuurt allemaal steeds meer. Willemijn is het zat om nauwelijks reacties te krijgen op haar wetenschappelijke analyses en rapporten. Eigenlijk is ze alles zat. Alleen MDMA of een flinke hoeveelheid alcohol stemt haar nog tevreden met de wereld. Maar als de roes uitgewerkt is, komt ook het doffe bestaan weer opdagen.

"Een gezin, een boek, een nette baan op de universiteit, een rubriek in de krant.
'Jij bent een succes' zegt een heer op leeftijd, die trouwens de baas van mijn man is en meteen daarna informeert of ik al een minnaar heb.
Ik heb geen enkele reden om aan zijn oordeel te tornen. Alle ingrediënten voor een succesvol leven zijn aanwezig. Ik vind er alleen niets meer aan."


Kortom, de lol is uit haar leven.  Ze voelt geen voldoening meer, alles is een sleur geworden, ze wordt door niets meer geraakt, ze kan zich nergens meer over opwinden. Haar leven is een groot grijs gebied geworden. En dan leest ze het laatste hoofdstuk van Dostjevski's boek 'De gebroeders Karamazov' waarin staat dat mensen een leidraad willen en dat de kerk die levert.  Dat mensen daarvoor hun  vrijheid willen opgeven. De woorden van Dostojevski raken haar, zijn woorden trekken haar innerlijke beerput open. Ze beseft het moet anders, maar hoe?


De zoektocht begint en langzamerhand vindt er een innerlijke verschuiving plaats bij Dicke. Ze besluit een introductiecursus zen-meditatie te volgen en leest alle boeken van Ton-Lathouwers, ooit hoogleraar Russische taal- en letterkunde nu zenmeester. Ze  gaat naar een stilteretraite die onder Lathouwers leiding plaatsvindt en vertelt heel eerlijk en aanschouwelijk over wat deze ervaring met haar deed. Haar analytische geest blijft haar wel parten spelen. Ze vertelt over de buiging die iedereen maakt voor het boeddhabeeld! Maar zij is atheïst in hart en nieren! Buigen voor een beeld? Dat nooit! Hoe moet dat nu? Ze is bang dat ze toch zal afglijden naar religie...


En dit is de eerste ervaring in haar zoektocht naar een bestaan dat voor haar zinvoller aan zal voelen. Er volgen nog vele andere ervaringen zoals o.a. een bezoek aan de sjamaan uit de titel die haar lichaam scant en  de slechte plekken 'leegzuigt', ze voert vele gesprekken met een priester, ze krijgt bezoek van een verleidelijke Swami met zijn assistente die eigenlijk gelijk willen blijven overnachten in haar huis. Er volgen meer gesprekken met de priester. Meer stilteretraites.


Tot ontzetting van velen zegt ze ook haar 'niet vervullende' baan op. Ze raakt vrienden kwijt want enkele van haar vrienden vinden al het zweefgedoe van haar maar bizar, anderen, vooral haar vroegere mede atheïstische vrienden keuren haar handelen af en wijzen verdere vriendschap af. Ze missen hun drinkmaatje, hun cynische vriendin. En Dicke bekent dat zij er vroeger precies zo over dacht als haar vrienden.


Dicke is sowieso verbijsterend eerlijk. Ook over de keer dat ze een man die ze ontmoette als haar nieuwe gids, haar engel zag, maar er faliekant naast bleek te zitten. Ze ontziet zichzelf totaal niet en met milde humor vertelt ze over haar soms indrukwekkende, soms teleurstellende belevenissen. Ze vertelt alles erg beeldend. Het verhaal in de zweethut is bijvoorbeeld met aanschouwende precisie weergegeven, waardoor je het gevoel hebt dat je er zelf bij was. Dat maakt het lezen van dit boek tot een erg aangename ervaring.


In totaal  beslaat haar 'ontdekkingsreis' tien jaar en hij is nog niet klaar. Willemijn Dicke vindt het wel moeilijk dat niemand haar zoektocht, en de vele wegen die ze daarvoor bewandelt, begrijpt. Ze wil haar ervaringen delen. Een enkele keer lukt dat maar veelal niet. Het maakt dat ze zich soms eenzaam hierin voelt.
Elke ervaring leert haar echter wel iets.
Ze maakt enkele bijzondere dingen mee die haar doen twijfelen, bestaat er dan toch een vorm van een God. Is er toch meer tussen hemel en aarde? Haar sceptische houding verandert in een mildere vorm en ze aanvaardt uiteindelijk haar twijfel daarover. Ze beseft ze dat er inderdaad meer is, dat er een groter geheel is, dat er meer verbinding met alles en iedereen is dan ze dacht. Ze weet inmiddels ook dat niets zeker is...


Meer weet ik niet, meer kan ik je niet zeggen
En die het weten vertrouw ik niet.


ISBN 9789044639698 | Paperback | 236 pagina's | Prometheus | februari 2019

© Dettie, 2 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

China’s New Normal
Hoe China de standaard zet voor innovatie

Pascal Coppens

 
De auteur is sinoloog en technologie-ondernemer. Hij woonde meer dan 20 jaar in China en terloops even in Silicon Valley.


Met dit boek wil hij aantonen dat China momenteel de leider is in artificiële intelligentie (A.I.) en innovatie. Hij doet dat in 8 hoofdstukken, die ieder een sector van de economie en van de  maatschappij belichten: veiligheid, media en amusement, consumenten, betalen en verzekeren, mobiliteit, productie, gezondheid, onderwijs.


In 2014 gebruikte Xi Jinping de term China’s New Normal voor de jaarlijkse groei van ca. 7% i.p.v. 10% en voor meer innovatie i.p.v. overheidssteun. Die 7% is nog veel meer dan elders: in België is dat 1,3%.


Dit boek start in 2013: toen begon volgens Coppens het innovatietijdperk in China met de ’slimme veiligheid’. En het eindigt in 2030, het jaar waarin China de wereldleider wil zijn in innovatie. Xi, leider voor het leven, zal dan 78 zijn en het Chinese onderwijs, dat nu zeer traditioneel is, zal dan helemaal technologisch zijn, aldus Coppens.


Hfst. 1 gaat dus over slimme veiligheid. Een foto toont politieagenten met ‘intelligente brillen’ die gezichten uit de massa vergelijken met die van de misdadigers. Dat mogen ze van mij in België en omgeving overnemen. In dit hoofdstuk komen verder aan bod: de Vierde Industriële Revolutie, 5G, supersnelle kwantumcomputers, militaire expansie in de Zuid-Chinese Zee en richting Taiwan, gezichtsherkenning en nummerplaatherkenning door meer dan 200 miljoen camera’s, sociaal en sociaal-moreel kredietsysteem. Coppens verklaart ook waarom de Chinezen de camera’s en het kredietsysteem makkelijker aanvaarden dan vele Europeanen.
Na elk hoofdstuk volgt een korte samenvatting onder de titel: Wat te onthouden?


Hfst. 2 vertelt over slimme media en amusement. De Chinese jeugd heeft ouders die nog de Culturele Revolutie en hongersnood hebben meegemaakt, maar zij zijn digitaal opgegroeid, hebben gestudeerd in China en evt. in het buitenland, voelen zich veel meer vrij dan hun ouders en grootouders en posten veel op het internet. Op p. 79 staat een lijst van 10 sociale media en de aantallen gebruikers: van 100 miljoen tot 1,1 miljard. Coppens noemt de game-verslaving een ziekte. Hij vat samen: Chinezen zijn gokkers, bedrijven beschikken over heel veel data, de overheid ook, het volk laat zijn stem horen via de sociale media.


In hfst. 3 zien we hoe vele Chinezen slim winkelen en hoe de e-commerce exponentieel groeit. Alibaba slaagde erin eBay te overtreffen en uit China te verdrijven door een betere klantenservice. 50 à 90% van de online verkoop verloopt via de gsm. Alibaba en Tencent beschikken over data van 1,1 miljard dagelijkse gebruikers. Winkels zijn pretparken geworden waar jonge mensen hun vrije dagen doorbrengen.


Hfst. 4 werpt een licht op de financiën en verzekeringen. De rijkste 15 miljoen Chinezen bezitten 1/3de van de rijkdom (p.113), 658 zijn dollarmiljardair en controleren 16% van het BNP(p. 114). Maar de staatsschuld bedraagt 299% (in België 101%, Nederland 60%), waarvan de helft bij de 150.000 staatsbedrijven (5% van het totaal aantal bedrijven). De privébedrijven zorgen voor 60% van het BNP, 70% van de innovaties, 80% van de werkgelegenheid en 90% van de nieuwe jobs (p.119).


Een appartement van 100 m² kost in Shanghai al snel  700.000 euro of 50 keer het gemiddelde jaarsalaris. Er zijn ook 300 miljoen werklozen, achtergeblevenen. Zij noemen zichzelf Qiou: arm-lelijk-vuil (p. 117). Dat getal lijkt me wel heel hoog.


Cash-loos betalen via de smartphone is zodanig ingeburgerd dat de helft van de stedelingen cash-loos leeft en dat  zelfs bedelaars er hun aalmoezen mee verzamelen via een QR-code. In Silicon Valley daarentegen zie je nog mensen in de Walmart betalen met papieren cheques.


In 2017 werd voor 7 miljard $ aan rode enveloppen geschonken via WePay van Tencent (p. 123). Ping An is uitgegroeid tot de grootste verzekeraar ter wereld. Vele verzekeringen verlopen online.


De auteur ziet dus 4 problemen: de staatsschuld, de staatsbedrijven, de vastgoedzeepbel en de achtergeblevenen.


Hfst. 5 bespreekt de mobiliteit. Met meer dan 4.000 hogesnelheidstreinen op 20 jaar tijd is de gemiddelde snelheid van de treinen vervijfvoudigd van 43 naar ruim 200 per uur, met pieken van 350. In Shanghai stopt om de 90 seconden een snelle trein en om de 3 minuten een metro in het grootste metronetwerk ter wereld. Pendelaars komen soms van 300 km ver. Chinezen zullen ook sneller een zelfrijdende auto kopen dan wij, omdat ze liever achteraan in de auto zitten te werken. In 2020 zal de helft van de nieuwe auto’s zonder chauffeur kunnen rijden (p. 139). Elektrische auto’s worden gesubsidieerd. Gevolg: in China rijden er meer dan elders in de wereld. 99% van de elektrische bussen rijden in China. BYD (Build Your Dream) is de grootste bouwer ter wereld. Didi is groter dan Uber, deelfietsen van Mobike en Ofo zijn nummer 1 en 2 in de wereld (p. 145).


Hfst. 6 heet ’slimme productie’. Tegen 2025 wil China de slimme fabriek van de wereld zijn. Nu werken nog 500 miljoen Chinezen voor 150 euro per maand. Maar de innovatie gaat steeds sneller, de vakkennis van de Chinese technici is heel groot, China is de grootste aanvrager van octrooien geworden en respecteert voortaan de intellectuele eigendom. Robots vervangen steeds meer arbeiders en met de overname van het Duitse Kuka lukt dit steeds beter. In 2030 wil China in 10 sectoren de nummer 1 zijn en de innovatieleider van de wereld (p. 167). Coppens denkt dat dit zal lukken. De 168 hightechzones presteren op zeer hoog niveau, ze betalen miljarden belastingen aan de staat  en elke minuut ontstaan er 11 nieuwe bedrijfjes.


In hfst. 7 bekijkt hij de gezondheidszorg. Daar is nog veel verbetering mogelijk. Nu staan de meeste Chinezen urenlang in de rij aan ziekenhuizen, omdat ze de weinige, overwerkte en onderbetaalde huisartsen (1 per 6.666) niet vertrouwen. Specialisten ontvangen 100 à 200 patiënten per dag of 20.000 per jaar, telkens gedurende 5 minuten. Ze werken dus 8 à 16 uur per dag.


In 2018 stierven 2 miljoen Chinezen aan kanker. Het tekort aan dokters dwingt China om meer A.I.  in te zetten bij de diagnoses. Een andere oplossing lijkt mij dat ze meer studenten aansporen om geneeskunde te doen.


Een ander probleem is dat China 20% van de wereld moet voeden met 7% van de landbouwgronden, dat regels omtrent voedselveiligheid en medicijnen vaak geschonden werden, dat China nog altijd de grootste vervuiler is, mede door de import en verwerking van plastic afval uit West-Europa.


Xi wil wel het voorbeeld geven aan heel de wereld: de straten in de steden zijn nu wel proper, er is een importstop op 24 types afval, China is de grootste producent van zonnepanelen, windturbines, elektrische auto’s en bussen.


Slim onderwijs is het thema van hfst. 8. Nu heeft China een zeer traditioneel onderwijssysteem, met Spartaanse leerethiek en leraren die meer gerespecteerd worden dan elders in de wereld. Tegen 2030 willen ze het versterken met veel technologie en willen ze 16 universiteiten bij de top 100 ter wereld hebben. Nu zijn er dat 6. In 2013 wonnen scholieren uit Shanghai voor de tweede keer de PISA-test (wiskunde, wetenschappen, lezen). De 2.000 jaar oude traditie van hard studeren en van leraren die vakspecialisten zijn heeft succes. Educatieve robots helpen nu 100 miljoen kinderen bij het leren lezen en bij de correcte uitspraak. Chinese ouders besteden 7 keer meer geld aan extra bijlessen Engels etc. en aan zomercursussen in het buitenland dan Westerse ouders. Volgens Coppens hebben die lessen Engels veel succes, volgens mij weinig: het aantal Chinese jongeren aan wie je een vraag kunt stellen in het Engels, is laag; Engels is voor hen even moeilijk als Chinees voor ons. 220 miljoen kinderen studeren 1 uur per dag online, na de schooluren. Die bedragen 8 x 35 minuten. De resultaten zullen wel volgen: de Chinese hoop, energie, durf en snelheid zijn hoog.


Het boek eindigt met enkele praktische tips voor ondernemers en met een lijst noten.


Het is geen gemakkelijke lectuur. De lezer wordt verondersteld op de hoogte te zijn van A.I. en moderne technologie.


We krijgen ook de raad om China te volgen op de site www.chinasnewnormal.com, maar daar vind ik enkel reclame voor het boek en niets over de evolutie in China.


In het voorwoord beweert Peter Hinssen dat China gedurende de geschiedenis 1/3de van de wereldeconomie voor haar rekening nam: daar ben ik niet van overtuigd en statistieken over het verleden hebben we niet. Bovendien zie je in de West-Europese steden veel meer mooie monumenten uit hun rijke verleden dan in de Chinese. Coppens geeft de indruk dat alle Chinezen kiesrecht hebben (p. 56): dit geldt enkel voor de 90 miljoen leden van de CCP en dan nog met beperkingen: de toppers worden helemaal niet verkozen. De Chinese Muur krijgt hier een lengte van 21.196 km: dat merk je alleszins niet als je ze bezoekt en dat is wel heel veel, als je weet dat de omtrek van de aarde maar 36.000 km bedraagt. Soms staat er een spelfout (wordt vergaart, p. 77), er worden onnodig veel Engelse woorden gebruikt en de Chinese begrippen worden maar één keer uitgelegd. Een alfabetisch lijstje achteraan zou heel nuttig zijn. Deng regeerde tot ‘1987’ (p. 22), daar zou ik 1989 van maken. Nog een andere uitspraak: de Chinese koopkrachtpariteit is groter dan die van Amerika of Europa (p.22): daar is op het Chinese platteland niets van te merken en in de steden ook niet veel. In het lijstje van elektrische autofabrikanten (p. 138) ontbreekt de grootste: BYD. Coppens beweert op p. 200 dat het aantal kinderen zal stijgen door de afschaffing van de éénkindpolitiek: de cijfers voor 2017 en 2018 tonen helaas een verdere daling aan: in 2016 werden 17,86 miljoen kinderen geboren, in 2017 nog 17,23, in 2018 nog slechts 15,23 of een daling met 2,63 miljoen op 2 jaar tijd (China Daily Global Weekly, 4/2/2029).


Coppens zegt dat meer en meer Chinezen op zoek gaan naar diepgang (p. 202-204). Hij denkt dan aan mode en schoonheidsproducten, dingen waarvan ik de diepgang niet ken. Hij vergeet de christelijke godsdiensten, die ondanks felle tegenstand van de CCP steeds meer gelovigen  en overvolle kerken hebben. Hij beweert op p. 209 dat het Engels van de Chinese kinderen beter is dan dat van de Europeanen. Dat klopt helaas nog lang niet, hun Engels is slecht en dat van hun Chinese leraren ook, zoals elke toerist en elke expat zal ondervinden. Het Engels van (Chinese) kinderen uit Singapore daarentegen is benijdenswaardig mooi.


Los van deze opmerkingen, is het een zeer boeiend boek dat zijn weg naar de lezer wel zal vinden. Het zal de ogen openen van al wie verouderde vooroordelen heeft en denkt dat China nog achterop loopt.

Voor mensen die zaken doen met China  is het een echte aanrader. En Europa doet er goed aan met China samen te werken i.p.v. hun moderne techniek te bannen.


ISBN 978 94 6337 1940 | Hardcover | 240 p., grafieken, foto’s, noten; | Uitgeverij Pelckmans Pro, Kalmthout, mei 2019
Afmeting 24 x 17 cm

© Jef Abbeel, 22 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Altijd moe & Chronische pijn?
Genees jezelf van CVS, Burn-Out, Migraine en andere uitputtingsziekten
Dr. Kris Van Kerckhoven & Hans Willemse


Een arts met een missie & een schrijver met een boodschap.


Het boek is al bij voorbaat uniek omdat het geschreven is door een controlearts, die ook nog eens de mensen met Chronische pijn- of vermoeidheidsklachten serieus neemt. Dat gebeurt niet vaak. Kris Van Kerckhoven stelt dat er nog wel hoop is voor mensen met  deze klachten. Veelal krijgen mensen met de aanduiding SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten) namelijk te horen dat ze levenslang medicatie moeten slikken, of 'er mee moeten leren leven' enz. wat heel frustrerend is als het hele leven van deze mensen door bovengenoemde klachten op zijn kop staat.


Kris Van Kerckhoven is het niet met de houding van deze artsen eens. Hij vraagt zich juist af, waarom geeft het lichaam signalen? Dat is hij gaan onderzoeken. Hij stelt dat de gevolgen van deze somatische klachten veel op elkaar lijken. Ze geven allemaal een ziektebeeld dat wijst op uitputting van het lichaam. Maar ook de karakters, de levenshouding, van mensen die de diagnose Solk hebben gekregen, tonen veel overeenkomsten.
De conclusie van Van Kerckhoven is dat het zich manifesteren van de klachten vaak een heel lange aanloop blijkt te hebben gehad voordat de totale uitputting volgde. Mensen met SOLK gaan tot het uiterste om vol te houden maar moeten uiteindelijk toch toegeven aan de haltroep van hun lichaam.


Veel artsen reageren met ongeloof en onbegrip op de klachten. Veel patiënten worden, tot hun grote teleurstelling, depressief of 'psychisch ziek' verklaard.


"Hiertegenover zit dan de patiënt met zijn dagelijkse klachten, onhoudbare pijn, fysiek en mentaal helemaal uitgeput. De patiënt stuit op een muur van onbegrip omdat hij weet en voelt dat zijn klachten niét psychisch zijn, en dat hij in wezen niét aan een depressie lijdt. [...] Daarbovenop hebben ze het gevoel dat niemand hen gelooft en dat hun probleem 'tussen de oren' zit."


Dus gaan de mensen met SOLK op de alternatieve toer om hun oude leven weer terug te krijgen. Het unieke van Kris Van Kerkckhoven is o.a. dat hij er écht van overtuigd is dat de oorzaak niet psychisch is. 'Psychische problemen zijn eerder een gevolg van het ziek-zijn.' stelt de arts. Zelf iemand met de diagnose CVS (Chronische Vermoeidheidssyndroom) zijnde, is het een verademing om deze uitspraken te lezen. En zeker, zoals gezegd, van een controlearts.


Kris van Kerckhove zegt dus juist precies het tegenovergestelde van wat andere artsen zeggen. Hij stelt dat mensen zich zo vreselijk lang aanpassen aan wat de maatschappij van ze verlangt, zoals; niet zeuren, hard werken, doorgaan, niet werkelijk (kunnen) zeggen wat je voelt en vooral alles rationeel benaderen en niet doen wat je gevoel zegt, dat het niet anders kan dan dat je ziek wordt.
Artsen zoeken altijd een oorzaak in fysieke zin. Je krijgt een pilletje of wordt behandeld en dan is het 'over'. Maar waar die pijn of vermoeidheid werkelijk vandaan komt, is voor de artsen niet interessant.


Toch is het moeilijk om uit te leggen wat Kris van Kerckhoven schrijft zonder dat het toch lijkt op een psychische oorzaak maar ik zal het proberen...
Je bent bijvoorbeeld grootgebracht in een gezin waarin alles verzwegen wordt, emoties zijn taboe - terwijl het heel normaal is om te huilen of bang te zijn als er iets ergs gebeurt - maar dat mag dan niet. Je slaat al dat verdriet in je lijf op en spant bijv. steeds je schouders aan als er weer iets akeligs gebeurt, dat wordt jouw manier van omgaan met de emoties die je niet mag uiten. Als je dertig bent doe je dat nog steeds en uiteindelijk krijg je steeds meer klachten, je krijgt pijn, je krijgt last van je rug vanwege dat aanspannen van je schouders en de artsen constateren een scheefgroei en met fysiotherapie proberen ze dat minder pijnlijk te maken, maar... jij blijft wel bij elke akelige gebeurtenis die schouders aanspannen...
Bij mensen met chronische pijn, Chronische Vermoeidheid,  Burn-Out en dergelijke is hetzelfde gebeurd.


"Als je gevoelens niet de ruimte kunt geven, zet je de energie in jezelf vast, wanneer je energie in jezelf vastzet, heeft dat gevolgen voor je lichaam, gaat je lichaam.
protesteren. (citaat uit blog Lichtflits Anniek Oosting)"

De kunst is nu om deze reacties van je lichaam te ontdekken en onderkennen en ermee aan de slag te gaan, leren je gevoelens, je emoties, over de zich manifesterende situaties toe te laten, wat helend zal werken.


Kris van Kerkckhove geeft, naast een hoofdstuk waarin hij het probleem wetenschappenlijk/medisch bespreekt, in diverse andere hoofdstukken weer hoe je kunt leren kijken en denken over jouw klachten. Hoe je kunt ontdekken wat de onderliggende oorzaak van jouw klachten zijn. Hij geeft oefeningen waardoor je  leert zien wat er aan de hand is, met andere woorden zoals een vriendin van mij me eens heel wijs vroeg : Heb je die hoofdpijn van jezelf of komt die pijn van een ander?


Het gaat er dus vooral om om te kijken wat er écht aan de hand is, wat er achter de klachten steekt. De pijn, de moeheid, is een uiteindelijk signaal, de oorzaak ligt dieper en je lijf is al heel lang bezig de emoties, het geen grenzen trekken, het prevaleren van de behoeftes van de ander boven jouw behoeftes enz. te verwerken. De uiteindelijke pijn of moeheid is het signaal, is het luiden van de noodklok. Je lijf zegt nu moet je écht ingrijpen. Pas als je dat inziet en accepteert en er mee aan de slag gaat, komt er een genezingsproces op gang. Het is in feite, van je hoofd naar je hart gaan, zoals de laatste tijd zo vaak wordt geroepen.


'De vernieuwende benadering van dr. Kris Van Kerckhove werd voor een breed publiek in heldere taal gegoten door auteur en journalist Hans Willemse, die zelf ook', en met succes, deze benadering toegepast heeft.


Erg interessant en hoopgevend boekje.


ISBN 9789022335574 | Paperback | 127 pagina's | Standaard uitgeverij | november 2018

© Dettie, 21 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Victoria, de jonge koningin
Helen Rappaport


Voor wie deze koningin niet kende was er onlangs de televisieserie Victoria, de jonge koningin. Het scenario voor die serie is van de hand van Daisy Goodwin. Zij schreef ook een voorwoord bij het boek dat bij de serie verscheen.


Victoria was de langst regerende koningin (voor Elisabeth): van 1837 tot 1901. In het kort schrijft Goodwin over hoe zij door de dagboeken van Victoria gefascineerd raakte. Zij vroeg zich af hoe het achttienjarige meisje zich gevoeld moest hebben toen ze plotsklaps de beroemdste vrouw ter wereld werd. Dat is de achtergrond van de serie en dus het boek: het gaat niet zozeer om de politiek en het koningschap - hoewel je er niet om heen kunt natuurlijk - maar het is vooral gericht op het meisje zelf. Hoe ging ze er mee om?
Jenna Coleman zet in de ogen van Goodwin een vrouw neer die worstelt met haar verschillende rollen: ze is vrouw, echtgenote, en werkende vrouw. Het verhaal stopt als haar eerste kind geboren is, vier jaar na het begin van haar koningschap.


Helen Rappaport, historicus en gespecialiseerd in het Victoriaanse tijdperk, schreef de tekst:
Alexandrina Victoria van Hannover werd geboren in Kensington Palace te Londen op 24 mei 1819. Ze was enig kind van de vierde zoon van koning George III, Edward, hertog van Kent, die al in 1820 overleed. Na de dood van George III en IV werd Victoria opvolgster van William IV. Haar moeder, Victoire van Saksen Coburg, hertogin van Kent, en diens raadgever Sir John Conroy wilde ze niet meer in haar buurt. Ze koos voor Lord Melbourne. Naast haar echtgenoot Albert- voor wie zij zelf koos - was hij een van de belangrijkste mannen in haar leven.
Op  28 juni 1838 werd zij gekroond in Westminster Abbey en bleef drieënzestig jaar lang koningin van het Verenigd Koninkrijk. Toen zij na een zeer beschermde jeugd haar eigen besluiten kon nemen, deed ze dat vol verve. Dat ging ook met fouten gepaard, en ze had vijanden. Er werden ook aanslagen op haar gepleegd!


De eerste foto’s van Victoria en Albert werden gemaakt rond 1858. Het boek staat dan ook vol met foto’s van de serie. Ook kun je in het boek afbeeldingen vinden van historische documenten en afbeeldingen van Victoria en tijdgenoten. Er staan dagboekfragmenten in, van Victoria zelf, maar ook stukjes dialoog zoals ze in de televisieserie uitgesproken worden.
En er staat extra informatie in over de mensen in haar hofhouding die een belangrijke rol hebben gespeeld, als ook over de politieke achtergrond. Tijdens het Victoriaanse tijdperk groeide de industrie, met niet alleen toenemende welvaart maar ook armoede, hetgeen weer tot onlusten leidde. 


Zo is dit boek niet alleen het verhaal over Victoria, de jonge koningin, maar ook dat van de serie en de hoofdrolspelers. Logisch is dan ook dat er achterin nog een verhaal staat over alles rondom deze serie: hoe worden de kostuums gemaakt, hoe kies je de cast, waar maak je de opnames, en nog veel meer. Een verhaal apart is dat over de pruiken: gebakken in een oven! Anders bleef het kapsel niet in optima forma...
Er waren al eerder films en natuurlijk ook veel boeken over deze legendarische koningin, maar dit boek is het eerste dat de biografie en de televisieserie daarover combineert.


Helen Rappaport (1947) is schrijfster, en ook actrice. Zij is als historica gespecialiseerd in het Victoriaanse tijdperk en het revolutionaire Rusland, waarover zij al veel geschreven heeft. Daisy Goodwin (1961) heeft eveneens al diverse boeken op haar naam staan, waaronder enkele over Victoria.


ISBN 9789492168290 | Paperback | 304 pagina's | Uitgeverij Karmijn | april 2019

© Marjo, 16 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Is vrijheid altijd blijheid?Is vrijheid altijd blijheid?
Vrijzinnige vragen over de vanzelfsprekendheden van onze tijd
Wies Houweling (redactie)

 

Dit boek is ontstaan vanuit wat worden genoemd ‘diners pensants’: ontmoetingen aan tafel met als doel het voeren van goede gesprekken over levensbeschouwelijke vragen die door iemand worden ingeleid.


De titels van de hoofdstukken verwijzen naar deze achtergrond zoals bv. ‘Het koude voorgerecht. Is vrijheid altijd blijheid? Een inleiding’ van Laurens ten Kate en ‘Bijgerecht. Kunnen we vrijheid wel aan?’ van Janneke Stegeman. De geestelijke achtergrond van de organiserende stichting en de deelnemende schrijvers is vrijzinnig: wel religieus maar vanuit de mens gedacht, met een ‘voorkeur voor horizontale transcendentie’, pag. 7.


De vrijzinnige geloofsbeleving is wars van de traditionele dogmatische benadering en zoekt graag de ruimte, wil recht doen aan menselijke ervaringen en inzichten. Dat is vaak de charme van vrijzinnigheid: het zijn vaak originele mensen met een eigen wijze van denken en een levensbeschouwing waarin de mens zichzelf kan zijn en alle ruimte krijgt om zich te ontplooien. Religie wil daaraan bijdragen en die persoonlijke ontwikkeling bevorderen.


Vanuit het thema vrijheid zoekt de vrijzinnige religiositeit aansluiting bij de huidige samenleving: ‘Staan in het dilemma van vrijheid en verbinding en van daaruit proberen het leven leefbaar te houden – zie daar wat volgens ons de nieuwe vrijzinnigheid in onze tijd zou kunnen zijn’, pag. 103.


Het boek heeft dan ook inderdaad iets te zeggen want het begrip vrijheid wordt grondig verkend en van diverse kanten belicht. Diverse bijdragen wijzen erop dat vrijheid die puur op het individu is gericht, zorgwekkend is. In deze opvatting vervreemdt de mens van medemensen en is hij alleen maar met zichzelf bezig en wenst daarin niet te worden belemmerd. Deze neoliberale, populistische vrijheid die momenteel nogal wat mensen beïnvloedt, wordt dan ook kritisch benaderd omdat hij de openbare ruimte in de samenleving ondermijnt.


De omvangrijkste bijdrage – maar het is dan ook het ‘hoofdgerecht’ – is van Laurens ten Kate, als filosoof en theoloog verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Hij maakt duidelijk dat vrijheid zin in het leven schept. Daarin gaat het niet om persoonlijke idealen maar om de samenleving. Het is geen vrijheid ván, waarin een mens ongebonden z’n gang kan gaan, maar het is vrijheid tót, waarin een mens er is in verbondenheid met anderen.


Ware vrijheid ontstaat wanneer mensen sámen betekenis in het leven vinden. De huidige sterk individualistisch getinte beleving van vrijheid is schadelijk voor de samenleving waarin tegengestelde belangen gemakkelijk leiden tot onderlinge vervreemding en maatschappelijke/politieke polarisatie. ‘Vrijheid krijgt gestalte in verbinding’ zegt Janneke Stegeman, in 2016 - 2017 ‘Theoloog van het jaar’.


In het laatste hoofdstuk gaat een aantal sprekers met elkaar in gesprek over enkele vragen die hen worden voorgelegd.


Het boek beoogt, zoals zo mooi wordt gezegd, ‘het vermoeden van een geslaagd gesprek’ en wil dat graag stimuleren. Aan het slot worden ook tips gegeven om zelf een diner pensant te organiseren. Dat hoeft zich uiteraard niet tot vrijzinnige kringen te beperken! Het zou de samenleving inderdaad ten goede komen wanneer mensen met elkaar in gesprek zouden gaan over levens- en zingevingsvragen.


Er ontstaat pas vrijheid wanneer mensen bereid zijn elkaar te ontmoeten en ontdekken dat ze elkaar nodig hebben.


De bijdragen in dit boek verhelderen het begrip vrijheid, zijn toegankelijk en reiken de lezer stof tot nadenken aan. Wie het heeft gelezen, zal zich meer bewust zijn van het dikwijls oppervlakkige en opportunistische spreken over vrijheid waar we tegenwoordig dikwijls mee worden geconfronteerd. Dit boek is dan ook een waardevolle bijdrage aan het komende herdenkingsjaar waarin het woord vrijheid menigmaal zal klinken. Wat bedoelen we daar precies mee en wat is het doel van vrijheid? Het is belangrijk dat we hier als samenleving zorgvuldig bij stilstaan en tijdens een diner pensant met elkaar in gesprek gaan. Een mooie uitdaging voor kerken en maatschappelijke organisaties!


ISBN 978 90 435 2941 9 | Paperback | 118 pagina’s | KokBoekencentrum Utrecht | juni 2019

© Evert van der Veen, 13 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Natasja’s dans
Een culturele geschiedenis van Rusland
Orlando Figes


In dit boek onderzoekt Orlando Figes de Russische cultuur in de periode van de vroege 18de eeuw tot en met de 20e eeuw. Er is aandacht voor literatuur, beeldende kunst, architectuur en filosofie.


Figes verhaalt levendig van het werk van veel kunstenaren: Tolstoj, Dostojevksi, Maxim Gorki, Kandinsky, Strawinsky (de naam van laatstgenoemde wordt consequent met een ‘w’ gespeld) en vele anderen. Het boek opent met de stichting van Sint-Petersburg in 1703 op een plek die nauwelijks geschikt was voor menselijke bewoning, namelijk in de drassige delta van de Neva. De bouwer, tsaar Peter de Grote, wilde met de bouw van deze stad de blik nadrukkelijk op Europa richten. Het boek eindigt met het bezoek in 1962 van componist en dirigent Strawinsky aan de Sovjet-Unie.


Natasja’s Dans beschrijft dus zowel het Rusland der tsaren als het Rusland geregeerd door Lenin en Stalin. Het jaar 1917 is een waterscheiding tussen die twee tijdvakken. Figes laat zien hoe sprankelend en creatief het leven was van adel en kunstenaars in de 18de en 19de eeuw, waar de eenvormigheid van het leven onder communistisch bewind flets tegen afsteekt.


De titel van het boek is ontleend aan een passage uit Tolstojs Oorlog en Vrede. De aristocratische Natasja danst op de melodie van een boerenliedje over de liefde. Haar afkomst en opvoeding vormen een kloof met de dorpse cultuur, maar Natasja pikt zonder moeite het ritme en de melodie op. Figes ziet hierin een ontmoeting tussen twee totaal verschillende culturen: de Europese elitecultuur en de Russische boerencultuur. In de 18de eeuw richtte tsaar Peter de Grote zich op Europa. In de 19de eeuw, na de gewonnen oorlog tegen Napoleon, was men Rus èn Europeaan. In de 20e eeuw gooien de communisten de deur naar het Westen weer op slot. Sint-Petersburg staat symbool voor de gerichtheid op Europa, Moskou voor de gerichtheid op de Russische cultuur. De ene stad stond open voor de Verlichting; de andere stad voelde zich de erfgenaam van een Byzantijns-Christelijke traditie.


Het is vreselijk dat de communisten na 1917 een bloeiend cultureel leven de nek omdraaien. Er begint een terreurcampagne waarin mensen aangemoedigd worden om elkaar te verraden bij revolutionaire tribunalen. Een privéleven bestaat niet meer, mensen werden dag en nacht gecontroleerd en leefden in de voortdurende vrees gearresteerd te worden. Kunstenaars hielden zich gedeisd, pasten zich aan of vluchtten naar Europa. De Sovjetcultuur ging bestaan uit holle retoriek en absurde claims over Russische politieke, culturele en wetenschappelijke prestaties. Pas als Stalin overlijdt en Chroesjtsjov hem opvolgt worden de teugels wat gevierd.


Het is allemaal ontzettend boeiend. Dat komt niet alleen door de grote lijnen die Figes weet te trekken, maar ook door zijn vlotte, soepele stijl van schrijven. Daarmee is zijn boek heel toegankelijk voor een breed publiek.


Natasja’s Dans dateert uit 2002, maar is nog steeds een klassieker. Deze heruitgave is voorzien van kaarten, vele afbeeldingen in de tekst met bovendien een apart kleurenkatern, een tijdtafel, verklarende woordenlijst, literatuurlijst, notenapparaat en register. De uitgever heeft er alles aan gedaan om het hoge niveau van dit standaardwerk te handhaven.


Orlando Figes is hoogleraar Geschiedenis aan de Birkbeck College, University of London. Hij heeft al heel wat boeken over de Russische geschiedenis geschreven. In vakkringen is er wel eens wat ruis over de kwaliteiten van Figes als historicus. Hij zou niet altijd zorgvuldig te werk gaan. In dit boek heb ik daar geen voorbeelden van gevonden.  De auteur heeft zich grondig verdiept in zijn onderwerp en beschikt over een enorme kennis omtrent de zaken die hij bespreekt. Ik heb het boek geboeid gelezen en beveel het van harte aan.


ISBN 9789046825303 | Paperback | Omvang 703 blz. | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | juni 2019

© Henk Hofman, 8 juli 2019

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER


 

We moeten het even over Poetin hebben
Mark Galeotti


De auteur is Rusland-specialist en werkt voor het Praagse ‘Institute of International Relations’ en voor ‘Raam op Rusland’. In dit boekje schetst hij in elf korte hoofdstukjes een portret van Poetin en zijn complex karakter. Simplistische clichés over de president verwijst hij naar de prullenmand. Via Poetin beschrijft hij ook het huidige Rusland, waar hij alle soorten mensen heeft ondervraagd.


Het boekje begint met een handige tijdlijn (p. 17-19) en namen van belangrijke personen en instellingen (p. 21-24).


In hfst. 1 rekent Galeotti af met het cliché dat Poetin achter alles zit wat fout gaat in het Westen. Hij beseft goed dat het Westen een veel hoger Bruto Binnenlands Product (BBP) en meer militairen  heeft, maar dat het verdeeld is. Hij wil vooral macht, stabiliteit en erkenning door het buitenland. Dit laatste is vaak niet het geval. In zijn bestuur hanteert Poetin persoonlijke relaties, waardoor een vrijwel onbekende Soerkov meer macht heeft dan minister van buitenlandse zaken Lavrov. Via zijn woordvoerder Peskov dicteert hij wat de media en Russia Today moeten schrijven.


In hfst. 2 beschrijft hij Poetin als ex-lid (1975-1991) van de voormalige KGB, geeft hij een overzicht van de huidige geheime diensten en toont hij hoe Poetin ermee samenwerkt.


In hfst. 3 zegt hij dat Poetin de ineenstorting van de Sovjet-Unie de grootste geopolitieke ramp van de 20° eeuw vindt, maar dat hij toch geen wedergeboorte van de Sovjet Unie wenst en evenmin van het tsarisme, wel van de status van supermogendheid. Poetin ergerde zich enorm aan de uitbreiding van de Europese Unie (EU) en de NAVO tot aan de grenzen van Rusland. Galeotti vergeet te melden dat dit gebeurde tegen de afspraken van 1990 tussen Gorbatsjov en Bush.


In hfst. 4 stelt de auteur dat Poetin geld als middel ziet, niet als doel. We krijgen schattingen van zijn rijkdom: hij zou het astronomische bedrag van “200 miljard dollar bezitten, zoveel als Jeff Bezos en Bill Gates samen” (p. 69). Dan heeft hij 10 miljard per jaar ‘verdiend’. Ook zijn entourage zou multimiljonair of miljardair zijn. De corrupte politieke en economische elite zou één derde  van het BNP verslinden (p. 74). Ook dit cijfer lijkt mij heel veel. De georganiseerde misdaad zou de nodige vrijheid krijgen in ruil voor loyaliteit en gunsten (p. 75-76). En de rijkste 10% zou bijna 90% van het land bezitten (p. 78). Poetin wil vooral macht: zijn rijkdom kreeg hij vanzelf van begunstigden.


In hfst. 5 vraagt de auteur zich af welke filosofische denkschool Poetin volgt. Hij noemt Doegins Eurazianisme (het idee dat Rusland het hart moet zijn van een rijk dat Europa en Azië omspant en zich afzet tegen het ‘decadente’ Atlanticisme) , Prochanovs  neo-imperialisme e.a. Maar Galeotti zegt dat er geen samenhangende ideologie of filosofie achter zijn politiek zit.


Hfst. 6 toont aan dat Poetin behoedzaam is en niet van risico’s houdt. De moord op Nemtsov (2015) gebeurde door agenten van Kadyrov, de baas van Tsjetsjenië. De inname van de Krim gebeurde toen de Oekraïense regering bijna was ingestort en veel inwoners van de Krim de annexatie steunden. De inval in de Donbas was bedoeld om Oekraïne in het Russische kamp te houden en zou maar kort duren. Dit viel tegen. Over het neerhalen door rebellen van  passagiersvliegtuig MH17 met honderden doden zwijgt Galeotti, net zoals Poetin.


In hfst. 7 nuanceert de auteur de populariteit van Poetin. Hij scoorde boven de 80%, zeker na de verovering van de Krim. Maar toen hij de pensioenleeftijd wou verhogen, daalde dat cijfer naar 66 (p. 106) : dat is toevallig ook de levensverwachting van de Russische man (met dank aan zijn wodka, sigaretten en ongezonde voeding).


De verkiezingen van 2018 werden vervalst, maar ook zonder dat zou Poetin ze vlot gewonnen hebben. Navalny mocht niet meedoen, maar zou wellicht maar 2% gehaald hebben, aldus Levada, het onafhankelijk opiniebureau. Vele Russen vereren Poetin, omdat ze denken dat hun land dank zij hem weer meetelt, maar velen willen het poetinisme als systeem afgeschaft zien.


In hfst. 8 lezen we dat Poetin zijn medewerkers, zoals de Rotenbergs en Medvedev,  bijzonder goed beloont en wie tegen hem ingaat, zoals Chodorkovski, wordt ongenadig bestraft.


Over Poetins vijanden gaat hfst. 9. Litvinenko, Nemtsov, Skripal etc. Galeotti neemt het op voor Poetin: anderen wilden die ‘verraders’ dood, Poetin hield hen niet tegen. Hij verdraagt geen verraders: die mogen vernietigd worden.


Hfst. 10 gaat over de houding van Poetin bij dodelijke rampen. Hier toont hij wel duidelijk medeleven, hij kan niet alle wantoestanden wegwerken, want het zijn er te veel en zijn macht is niet onbeperkt. Bij de ramp met de Koersk had hij wel levens kunnen sparen door buitenlandse hulp toe te laten.


In het laatste hfst. vraagt Galeotti zich af of en wanneer Poetin wil stoppen. Hij heeft zorgen: de lage productiviteit in de economie, de westerse sancties, de demografische crisis, de armoede waarin 1 op 8 Russen leeft, de emigratie van de beste jongeren. Galeotti vermoedt dat Poetin graag een opvolger zou vinden en tegelijk een deel van zijn macht en volledige immuniteit zou willen behouden. Zijn beschermelingen willen dat hij nog lang aan de macht blijft. Maar enkel Poetin weet het antwoord.


Galeotti kent Rusland door en door. Soms is hij zeer kritisch, soms oppervlakkig. Sommige hoofdstukken missen structuur en bevatten vooral anekdotes  en details. Het boek is niet bedoeld voor academici: daarvoor is het te beknopt, is de toon te luchtig en heeft het geen voetnoten.


Er zijn degelijkere boeken over Poetin: o.a. de biografie van Steven Lee Myers, de studie over het Poetinisme van Katlijn Malfliet, ‘Poutine de A à Z’ van Vladimir Fedorovski.


Fouten staan er weinig in: ‘kroesja’ (p. 118, bescherming) moet krisja zijn; de cijfers over de rijkdom van Poetin lijken mij overdreven.


Op p. 48 beweert Galeotti dat Andropov “leiding gaf aan de verplettering van zowel de opstand in Hongarije in 1956 als de Praagse Lente in 1968.” In 1956 was Andropov idd. ambassadeur in Boedapest, hij complotteerde tegen de regering van Imre Nagy, hij alarmeerde Moskou over de moorden op geheime agenten en pleitte voor een kordate onderdrukking, , maar hij had helemaal geen leiding over de troepen die binnenvielen.


In 1968 was hij voorzitter van de KGB, hij was zeer tegen de Praagse hervormingen en pleitte opnieuw voor een ingreep, maar hij zat niet in het Politbureau dat (zeer verdeeld) over de inval stemde en hij was ook niet de leider van de troepen van de SU en haar bondgenoten. De publieke opinie in Moskou beschouwde eerste minister Kosygin als de hoofdschuldige. En één troost: Brezjnev kreeg er een hartaanval van. Andropov en Gorbatsjov waren de eersten die de inval nadien als een grote vergissing beschouwden en zelfs als het begin van het einde van de SU.


ISBN 978 90 446 4232 2 | Paperback; | 157 pagina's | NUR-code 740 |  Uitgeverij Prometheus, A’dam / Pelckmans, Kalmthout, 20 juni 2019
Oorspronkelijke titel: We Need to Talk about Putin Vertaler: Paul Syrier

© Jef Abbeel, 8 juli 2019 

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het verdriet van Versailles. 1919-2019
100 jaar ellende van de Parijse Verdragen
Anton Kruft


Het was te voorspellen dit we in de ‘jubileumjaar’ overspoeld zouden worden met boeken over de Vrede van Versailles. Versailles wordt overal genoemd, en komt overal voorbij. (De Vrede van Versailles,  ook wel (vredes)Verdrag van Versailles genoemd was een verdrag  tussen Duitsland en de Entente en het belangrijkste van de vijf in voorsteden van Parijs in 1919-1920 gesloten verdragen, waarmee de Eerste Wereldoorlog formeel werd beëindigd. De andere vier verdragen hadden betrekking op de Duitse bondgenoten. -Bron: Wikipedia - )


Eerlijk gezegd, had ik niet zoveel van dit boek verwacht. Maar niets is minder waar, het boek geeft een zorgvuldige analyse van de wereldwijde gevolgen van de afhandeling van Eerste Wereldoorlog. Het is verfrissend om ook de gevolgen te zien in een ander gedeelte van de wereld, en niet alleen de opkomst van het Nationaal Socialisme in Duitsland in de jaren 20-30.  Even in het kort, wat waren de Parijse verdragen eigenlijk?


Het centrale doel van de verdragen van Parijs was; sluiten van verdragen met verliezende deelnemers aan de oorlog hetgeen de facto neerkwam op de herinrichting van de naoorlogse Europese geopolitieke orde. Daartoe werden afzonderlijke verdragen met de verliezende partijen gesloten, beter gezegd: deze werden aan de verliezers opgelegd, zoals; territoriale regelingen, financiële regelingen en collectieve veiligheidsregelingen.


De Frans-Duitse verhoudingen drukten een zware stempel op de onderhandelingen. Frankrijk streefde naar een totale uitschakeling van Duitsland; Groot-Brittannië echter wees op de strategische en economische positie van dat land voor een toekomstige vrede in Europa.
Het Amerikaanse streven naar een nieuwe wereldorde waarin zelfbeschikkingsrecht voor volken en de oprichting van de Volkenbond, een boven de natiestaten opererende, overkoepelende organisatie ter handhaving van de vrede, centraal stonden.


Alle gestrafte landen verloren aanzienlijke delen van hun grondgebied. Duitsland raakte al zijn koloniale bezittingen in Afrika en het Verre Oosten kwijt; het Rijnland werd permanent gedemilitariseerd. Bijna alle betrokken landen werden verplicht tot forse herstelbetalingen. De Duitse legermacht werd grotendeels ontwapend, fors gereduceerd en onder controle van de Volkenbond geplaatst.


Door minderhedenverdragen op te nemen in het internationale recht verplichtte men regeringen de minderheden in hun landen het recht te geven op het staatsburgerschap, het behoud van de eigen taal en cultuur, vrijheid van godsdienst, gelijke behandeling voor de wet, enzovoorts. Algemeen leefde de verwachting dat de uitvoering van deze maatregelen ertoe bijdroeg dat minderheden op den duur zouden assimileren. Kruft betoogt in het boek, dat deze op hogerhand opgelegde natievorming tot uitwassen heeft geleid die tot op de dag van vandaag doorwerken.


In de landen met minderheden stond de politieke elite afwijzend ten opzichte van de rechten van minderheden. Bovendien kon de naleving van de minderhedenverdragen niet worden gecontroleerd of gesanctioneerd. De verantwoordelijke organisatie, de Volkenbond, ontbrak het daartoe de machtsmiddelen en werd tevens belemmerd in haar acties door (het vaak ontbreken van) de vereiste unanimiteit van stemmen.


Deze moeilijke uitgangspositie verslechterde verder omdat Amerika uiteindelijk geen lid werd van de Volkenbond. Inmiddels heeft Amerika hiervan geleerd, en worden ze zo’n beetje gezien als de politiemacht van de democratische wereld. Over de Amerikaanse strijdkrachten gesproken, Kruft legt de stelling neer dat de opkomst van ISIS een gevolg is van de Parijse verdragen, dat vindt ik een gewaagde stelling, maar dat laat ik aan de lezer.


Wat Kruft ook met zoveel woorden aangeeft; Hongarije, Turkije en, in minder mate, Duitsland, werden te hard gestraft. De als onrechtvaardig beschouwde strafmaatregelen deden gevoelens van revanche en in combinatie met de economische wereldcrisis, een fel en chauvinistisch nationalisme ontstaan. Op zijn beurt droeg dat bij aan de ondermijning van de Europese politieke stabiliteit.


Qua nuancering wel ik wel stellen dat de problemen waarmee Europa na 1919 te maken kreeg, die uiteindelijk deels aanleiding vormden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, lang niet allemaal voortkwamen uit de vredesbepalingen van Parijs.


De Vrede van Parijs kende ook succesvolle kanten, die van der Kruft deels ook wel belicht, en bovendien hadden tal van politici en beleidsfunctionarissen die uitvoering moesten geven aan de vredesbepalingen een aandeel in de mislukking dan wel het succes daarvan , zeker in landen waar men geen liberaal democratische traditie kende. Daarnaast bemoeilijkten natuurlijk de erfenis van het nationalisme en de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog de uitvoering van een aantal vredesbepalingen.


Het mooie aan dit boek is, zoals eerder aangegeven, hier juist wordt ingezoomd op de kanten die vaak onderbelicht blijven. Vaak wordt alleen de 2e Wereldoorlog als gevolg genoemd, en is de geschiedschrijving vrijwel altijd gecentreerd op de gevolgen in West-Europa. Dit boek doet dat ook, maar belicht ook uitgebreid de gevolgen in Oost-Europa, en het Midden-Oosten.


Onderhoudend geschreven, goed beargumenteerd en verhelderend. Sommige stellingen zijn gedurfd geformuleerd, maar het oordeel hierover laat ik ook bij de lezer.


ISBN 9789463385855 | Paperback | 324 pagina's | Uitgeverij Aspekt | mei 2019

© Jan Keuken, 6 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Richard Sorge
De Onfeilbare Spion - Stalins geheim agent
Owen Matthews


Oorlogen worden niet altijd door veldslagen beslist. Minstens zo belangrijk is goede informatie over de tegenstander, zodat generaals de juiste beslissingen kunnen nemen.


Meesterspion Richard Sorge gaf op een kantelmoment in de Tweede Wereldoorlog cruciale informatie aan Stalin over de plannen van Japan om eind 1941 de Verenigde Staten aan te vallen. Dat stelde Stalin in de gelegenheid om zijn legers in Siberië weg te halen van de grens in Mantsjoerije en de Duitsers die voor de poorten van Moskou stonden op het nippertje tegen te houden.


Eerder in 1941 had Sorge de Russen uitvoerige en gedetailleerde informatie gegeven over tijdstip en aanvalsplan van Hitler om de Sovjet-Unie in juni aan te vallen. Stalin had die informatie terzijde gelegd met fatale gevolgen. Nu werd Sorge wel serieus genomen. Een oorlog met zowel Duitsland als Japan had het Rode Leger nooit meer kunnen winnen. Maar Japan koos voor de olie en het rubber in Zuid-Oost Azië. Rusland overleefde.


De vader van Richard Sorge was een Duitse mijningenieur, zijn moeder een Russische. Hun zoon verfoeide Hitler en de nazi’s.  In Tokio, onder de dekmantel van journalistiek werk, bouwde hij een netwerk van spionnen op dat toegang had tot de hoogste politieke en militaire kringen. Sorge zelf was een vertrouweling van de Duitse ambassadeur en kind aan huis op de Duitse ambassade. In de jaren 1935-1941 gaf Sorge een ongelooflijk hoeveelheid hoogst belangrijke informatie door.
Sorge en zijn medewerkers stonden boven elke verdenking. Bijna als vanzelf kreeg Sorge hoogst belangrijke informatie over de politieke, militaire, economische en financiële situatie in Japan en Duitsland in handen. Een radiotelegrafist stuurde de informatie door naar Moskou. De Japanners wisten dat er een zender was, maar konden de locatie niet vaststellen.


Toch is het een wonder dat het zo lang goed ging. Sorge was een alcoholist en een vrouwenversierder. Meermalen praatte hij in een dronken bui zijn mond voorbij. Ook had hij belangrijke informatie op zak tijdens dollemansritten op zijn motor in Tokio. Na een ernstig motorongeluk bleef Sorge bij bewustzijn tot die papieren veiliggesteld waren. Uiteindelijk liep een medewerker van Sorge tegen de lamp en sloeg deze door tijdens de verhoren. De Duitse ambassadeur kon niet geloven dat Sorge een verrader was, hoewel hij wist dat Sorge zijn vrouw had verleid.


De Japanners konden net zo meedogenloos en wreed zijn als de Duitse nazi’s en de Russische communisten. Maar Sorge hebben zij niet gemarteld en Sorge heeft een fair proces gekregen. In november 1944 is Sorge met zijn naaste medewerker opgehangen in de gevangenis.


De tragedie van Sorge is dat hij het nazisme verfoeide, maar zijn leven in dienst heeft gesteld van een regime in de Sovjet-Unie dat net zo verfoeilijk was. Een regime dat zich niet bekommerde om Sorge toen hij gevangen was genomen en geen vinger uitstak om hem te helpen. Pas na de dood van Stalin kreeg Sorge de erkenning waar hij recht op had. Hij werd “Held van de Sovjet-Unie’, er kwam een monument en er werden straten en bruggen naar hem vernoemd.


Owen Matthews, historicus en journalist, beschrijft het allemaal zeer zorgvuldig en ook nog eens heel boeiend. Waardevol is dat de schrijver toegang had tot Russische archieven. Dat maakt het beeld completer en stelt hem in staat gegevens in voorgaande boeken te corrigeren. Op blz. 223 staat een foutje. Bij Stalingrad ging in 1942 niet het vierde leger ten onder, maar het was het zesde leger.


Er bestaat nog steeds grote belangstelling voor boeken over de Tweede Wereldoorlog. Deze uitgave van Nieuw Amsterdam kan ik van harte aanbevelen. De vertaling van Roelof Posthuma is uitstekend.


ISBN 9789046821206 | Paperback | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | Omvang 448 blz. | juni 2019

© Henk Hofman, 27 juni 2019

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Integrale meditatie
Mindfulness als onderdeel van het dagelijks leven
Ken Wilber


De invloedrijke Amerikaanse auteur is psycholoog die zich bezighoudt met mystiek en persoonlijke ontwikkeling. Hij maakt in dit boek met name psychologische en spirituele kennis uit vele bronnen inzichtelijk voor een weg naar persoonlijke ontwikkeling. Wilber neemt je mee op een lange maar wel helder beschreven weg en legt je stapsgewijs uit hoe je meer en vollediger mens kunt worden. Hij heeft een zekere pretentie dat hetgeen in dit boek wordt gepresenteerd in deze samenhang nieuw is: deze vorm van mindfulness leven en denken is ‘… één van de meest baanbrekende en hoogst geëvolueerde visies op het universum die ooit zijn ontwikkeld’, pag. 7.


Vanuit die overtuiging gaat het boek echt met de lezer in gesprek: regelmatig worden er vragen gesteld die vervolgens duidelijk worden beantwoord, de auteur betrekt de lezer op deze manier bij hetgeen hij wil overdragen. Wilber is een echte leraar die dicht bij zijn lezers wil staan en hij graag het waardevolle dat hij zelf heeft ontdekt, wil meegeven en hen dat ook gunt. Hij kan dat in uitgebreid beschreven fasen en stappen goed overbrengen en neemt daarvoor de tijd = bladzijden maar dat past ook helemaal bij de intentie van het boek.


Wat is het karakter van dit boek dan? Wilber geeft eerst een definitie van ‘gewone’ mindfulness: ‘een vorm van body-mind-training die een aantal aantoonbare effecten heeft: het werkt stressverlagend, versterkt gevoelens van kalmte, verbondenheid en harmonie, vermindert gevoelens van angst en depressie, verzacht de pijnbeleving, verlaagt de bloeddruk, vergroot het leervermogen, verhoogt IQ en creativiteit, en opent de weg naar hogere bewustzijnstoestanden, soms ook wel het ‘verdere bereik van de menselijke natuur’ genoemd’, pag. 12 – 13.


Dat is al heel wat, denk je als lezer. Wat kan dit boek daar dan aan toevoegen? De meerwaarde zit in de verbinding van bronnen en disciplines zodat ze samen een completer beeld vormen van de mens in z’n leefwereld. Integrale meditatie voegt kennis en ervaring vanuit alle menselijke disciplines samen en gaat er vanuit dat ze allemaal hun eigen waarheid bevatten. Ze bestrijden elkaar niet maar hebben elkaar juist nodig, vullen elkaar aan en vormen samen min of meer dé waarheid van ons menselijk bestaan. In deze benadering wordt kennis uit velerlei spirituele en meditatieve bronnen bij elkaar gebracht. Het resultaat is een verandering van ons menselijk bewustzijn.


De auteur schetst historische ontwikkelingsfasen van de mens en past deze inzichten toe op zijn methode waarbij voorgaande fasen niet achterhaald zijn maar in de daarop volgende fase worden geïntegreerd. Om een korte indruk te geven, noem ik alleen de titels: archaïsch, magisch-tribaal, magisch-mythisch, mythisch-traditioneel, rationeel-modern, pluralistisch-postmodern. Ze vormen wel de basis maar maken de mens nog niet tot degene die hij kan zijn. Dat gebeurt pas in de zevende fase die integraal wordt genoemd die alle voorgaande fasen in zich opneemt. Dan leidt de mens een geïntegreerd en holistisch bestaan: ‘Integraal is het meest inclusieve, het meest verfijnde, het meest complexe, meest bewuste en meest omarmende niveau, en het omvat het grootste aantal perspectieven van alle niveaus die zich tot nu toe in de geschiedenis hebben voorgedaan’, pag. 127.


De auteur heeft een evolutionaire kijk op de geschiedenis van de mensheid: er is sprake van een opgaande lijn waarbij de mens z’n bestaan steeds meer verdiept en verrijkt en in feite betoogt Wilber dat hij hier nog een extra dimensie aan toevoegt. Hij is er dan ook heilig van overtuigd dat hij iets nieuws heeft te bieden. In zijn visie kan de mens zelfs super-integraal worden maar dat is voor de meesten van ons nu nog een onbereikbaar stadium.


Er is echter in onze kosmos allerlei positieve energie beschikbaar die wij tot ons mogen nemen waardoor onze beleving van de wereld zich verrijkt, verbreedt en verdiept: ‘Welkom bij jouw plek in de geschiedenis’ stelt de auteur dan ook.


Wilber maakt gebruik van esoterische bronnen uit alle religies, met name de oosterse religies met hun meditatietechnieken komen regelmatig ter sprake. Hij wil graag ons bewustzijn aanscherpen zodat we groeien in onze persoonlijke ontwikkeling en dichter bij onszelf komen. Daar heeft hij soms wel veel woorden voor nodig – in een wat aangescherpter betoog zou het boek minder omvangrijk zijn – maar hierdoor krijg je als lezer wel de tijd om mee te groeien in dit proces. Dat veronderstelt wel dat je open staat voor deze benadering want ik kan me voorstellen dat sommigen dit te vaag of ongrijpbaar vinden. Maar wie er ontvankelijk voor is en meegaat in deze benadering, mag veel verwachten: ‘… dat je steeds dichter bij je Ware Zelf komt, je Oorspronkelijke Gezicht, en dat is een zelf waarvan alle Grote Tradities dat het één is met de Geest, met de ‘Hoogste Identiteit’, ’ pag. 162.


Dan wordt de mens die hij ten diepste vanaf de geboorte al mocht zijn: volkomen vrij en onafhankelijk. Wat dat precies is? ‘De werkelijke Ziener, het Werkelijke Zelf, heeft een bewustzijn dat meer iets heeft van: …. Ik heb ervaringen, maar ik ben niet de ervaringen. Ik heb gevoelens, maar ik ben niet de gevoelens. Ik heb gedachten, maar ik ben niet de gedachten. Ik ben niet iets dat gezien kan worden, ik ben de zuivere Ziener zelf’, pag. 167. Tijd speelt dan geen rol meer, verleden en toekomst zijn betrekkelijk want ze kunnen deel uitmaken van het nu, dat is het beslissende moment in ons bewustzijn.


Zoals gezegd, de auteur neemt er in dit boek de tijd voor om zijn verhaal te vertellen. Hij is daarin een moderne missionaris te noemen, iemand met een opdracht. Er zit in dit boek een zekere gedrevenheid om iets waardevols over te brengen. Je zou Wilber ergens wel een eigentijdse prediker kunnen noemen die mensen graag tot een mooier en zelfbewuster leven wil brengen.


Het leven is als een schilderij dat wij in al z’n aspecten mogen aanvaarden. Ons bewustzijn sluit geen negatieve elementen uit maar is allesomvattend en open voor hetgeen zich aan ons voordoet. Wanneer we ons zo openstellen voor de volledige realiteit om ons heen dan zal ons vaak onuitgesproken verlangen naar een zinvoller leven in vervulling gaan.


Dit boek is een pretentieuze wijze van denken en leven, een uitnodiging met een belofte, een doorleefde handreiking tot een zinvol bestaan en een weg naar waarachtig en volledig mens zijn.


ISBN 978 94 92995 14 8 | Hardcover | 382 pagina’s | Samsara Amsterdam | juni 2019
vertaling: Egbert van Heijningen

© Evert van der Veen, 21 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Theologie van het Nieuwe Testament
in twintig thema’s
Armin Baum & Rob van Houwelingen (redactie)


Gekozen is voor een thematische opzet, waarbij alle thema’s samen het hele veld van de nieuwtestamentische theologie bestrijken’, pag. 19. Dat maakt dit boek binnen dit vakgebied bijzonder.


In de introductie wordt de keuze van thema’s kort verantwoord: ‘In deze opzet hoeft men geen geschiedenis van het vroege christendom te verwachten, evenmin als een ethiek van het Nieuwe Testament’, pag. 22. Er moeten keuzen worden gemaakt en het boek is al omvangrijk. Toch was het wel mooi geweest wanneer er aandacht was besteed aan de christelijke levensstijl zoals die o.a. in de bergrede van Jezus en in vele brieven ter sprake komt. Een samenvattend overzicht had hier lijn in kunnen brengen. Ook de relatie tussen christen/kerk en wereld was een interessant thema geweest. Ook doop en avondmaal worden niet benoemd. Opvallend is daarentegen wel het thema gebed dat meestal weinig aandacht krijgt in dit vakgebied.


Het boek is echt bestemd voor theologisch geïnteresseerden: studenten en predikanten maar zeker toegankelijk voor een breder publiek omdat het zich gemakkelijk laat lezen. De opzet is ook uitermate helder en de hoofdstukken zijn overzichtelijk van opzet. Zo beginnen de meeste hoofdstukken met een paragraaf ‘Stand van het onderzoek’ en worden ze afgerond met ‘Conclusie en ‘Actuele theologische relevantie’. De diverse thema’s bieden steeds een mooi overzicht vanuit de christelijke traditie en zetten de gegevens vervolgens op een rij, met veel verwijzingen naar Bijbelteksten, waarbij op een aantal belangrijke teksten dieper wordt ingegaan.


Er zit een logische opbouw in de opzet van het boek. De eerste thema’s gaan over openbaring: de wijze waarop God zich aan mensen bekendmaakt: ‘Het bijzondere van het Bijbelse denken over geschiedenis is juist dat geschiedenis ontstaat doordat God beloften doet en deze beloften vervult. Geschiedenis is het dynamische gebeuren dat voortkomt uit Gods beloften en onomkeerbaar gericht is op de vervulling daarvan’, pag. 53.


In het hoofdstuk over de canon (= de religieuze waarde, zeggingskracht van de Bijbel) wordt goede aandacht besteed aan onze interpretatie van diverse Bijbelboeken en Bijbelteksten. Christenen aanvaarden de héle Bijbel maar niet alles heeft hetzelfde gewicht; er is dan ook sprake van een ‘canon in de canon’. Er wordt eerlijk erkend: ‘Aanzienlijk moeilijker is het om de nieuwtestamentische boeken en teksten in hun geheel te verdisconteren en elke stem tot zijn theologische recht te laten komen’, pag. 74. Opvallend is dat er in dit hoofdstuk niet wordt stilgestaan bij de apocriefe geschriften: de evangeliën en brieven die níet in de bijbel zijn opgenomen.


Verder zijn er hoofdstukken over o.a. het verbond, Israël. Opvallend is het hoofdstuk waarin het Koninkrijk van God en de navolging van Jezus met elkaar worden verbonden. Dat is vrij uniek.


Interessant zijn de hoofdstukken over de christologie (= leer over Jezus Christus) omdat hier belangrijke theologische keuzen worden gemaakt en de orthodoxe of meer vrijzinnige theologie bij uitstek zichtbaar wordt. Alle theologen onderschrijven zonder voorbehoud dat Christus Gods Zoon is en aanvaarden dankbaar de Bijbelteksten die daarvan getuigen:  ‘De belijdenis van Jezus als God is geen latere ontwikkeling uit het niet-Joodse christendom’, pag. 146.


De zin ‘Ook in het vroege christendom heeft de Vader-zoonterminologie ingang gevonden’, pag. 125, verhult eeuwen van felle theologische strijd in de vroege kerk waarin belangrijke dogma’s zijn ontstaan. Met name over Jezus Christus liepen de visies zeer uiteen. Blijkbaar was het beeld van Jezus in het Nieuwe Testament niet voor iedereen even duidelijk of kunnen/konden Bijbelteksten verschillend worden uitgelegd. Deze zin doet aan die gecompliceerde werkelijkheid toch wel wat tekort.


Ook in de hoofdstukken over Jezus’ kruis en opstanding blijkt de visie in dit boek. Vragen hierover worden ‘provocerend’ genoemd. Vanuit zo’n houding is het niet meer mogelijk om een open discussie aan te gaan en worden vragen over de betekenis en de historiciteit van kruis en opstanding als ongepast afgeserveerd. Dat getuigt van een wat gesloten wetenschappelijke houding.


Het hoofdstuk over de opstanding van Christus heeft ‘als vooronderstelling dat de opstanding werkelijk heeft plaatsgevonden’, pag. 167. Mooi is hier het overzicht van Michael Green die de veelzijdige betekenis van de opstanding laat zien.


In het hoofdstuk over de Heilige Geest komt heel zijdelings de Drie-eenheid ter sprake. Gesteld wordt dat er onderlinge afhankelijkheid is tussen Vader, Zoon en Geest.


In het hoofdstuk over de kerk wordt gezegd: ‘De eerste gemeenten hadden gemeenschappelijk, dat ze deel uitmaakten van een bovenplaatselijk netwerk’, pag. 238. Ik ben wel benieuwd wat een kerkhistoricus daarvan zou zeggen. Was er werkelijk sprake van een bovenplaatselijke kerkelijke organisatie? Daartoe waren de jonge en kleine gemeenten nog niet in staat, afgezien van de vraag of zij daar al behoefte aan hadden. Daarom lijkt genoemde uitspraak mij teveel een interpretatie vanuit de latere kerkgeschiedenis.


In het hoofdstuk over het gebed is aandacht voor de verhoring. Het is goed dat hier wordt gezegd dat er aan de diverse teksten ‘geen enkele onvoorwaardelijke en algemene geldigheid’ van verhoring valt te ontlenen.
Een boek dat veel informatie biedt in mooie samenhangen aan wie het welwillend leest!


ISBN 9789023955931 | Hardcover | 416 pagina’s | KokBoekencentrum Utrecht | 29 mei 2019

© Evert van der Veen, 15 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER