Nieuwe recensies Non-fictie

Brieven van een Russische reiziger
Nikolaj Karamzin


Karamzin (1766-1826) werd geboren in Simbirsk, waar een eeuw later ook Lenin (1870-1924) en Kerenski (1881-1970) vandaan kwamen. Na de dood van Lenin kreeg de stad de naam Oeljanovsk. Zowel Karamzin als Lenin hebben er hun standbeeld.


In 1789, toen Karamzin 23 was, mocht hij een grote studiereis (Bildungsreise) maken. Dat gebeurde met paarden en koetsen en sommige stukken per boot. Hij bezocht vooral Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland. Onze gewesten waren er helaas niet bij: hij volgde niet zijn grote voorbeeld Peter de Grote. In 1818 schreef Karamzin ook de eerste leesbare  “Geschiedenis van Rusland”.


Zijn reisverslag verscheen in 1791-1792 en is nu netjes vertaald en van schitterende noten voorzien door professor Emmanuel Waegemans. Karamzin informeerde zijn Russische vrienden over het leven, de infrastructuur, de cultuur en de sociale en politieke toestanden in West-Europa, aangevuld met zijn persoonlijke ervaringen en bedenkingen. Met veel gevoel beschrijft hij ook de mentaliteit van de mensen die hij ziet en ontmoet. Fragmentarisch beschrijft hij ook een paar momenten uit de Franse Revolutie, die tussen 1789 en 1812 de belangrijkste gebeurtenis was in West-Europa en die in Rusland met veel aandacht gevolgd werd. Hij noemt ze een tragedie en zegt dat het vuur, de passie en de haat van de Fransen verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben.


Zijn boek was een sentimentele liefdesverklaring van een Rus aan het westen en verschijnt op een moment waarop Poetin zich afzet tegen de westerse waarden en cultuur.


Tussen zijn vele sentimentele uitlatingen door vernemen we ook veel feitelijke zaken: de posthuizen tussen Narva en Riga werden bemand door Duitsers (die waren prominent aanwezig in de Baltische landen tot in WO II), boeren in Estland brachten veel meer op dan in Kazan of Simbirsk en wat wij al lang niet meer kennen: controle en steekpenningen betalen bij elke stadspoort om binnen te mogen.


In Berlijn valt het hem op hoe groot de dierentuin is, maar meestal beschrijft hij meer ontmoetingen met schrijvers, geleerden en filosofen dan gebouwen. Dresden vond hij heel mooi en zeker het museum en de bibliotheek. In Leipzig vallen hem de vele boekhandels en boekenbeurzen op, in Weimar heeft hij een filosofische ontmoeting met Herder en ziet hij Goethe van op afstand. Frankfurt was toen al een rijke koopmansstad, maar niet mooi en nog geen boekenstad. De 7.000 arme Joden woonden er allemaal verplicht in één straat. Dan volgen de mooie Elzas en Straatsburg, waar de Franse Revolutie volop bezig was. Hij bewondert er de kathedraal, de ‘hoogste piramide van Europa’. Het Duits is er niet mooi, in betere kringen spreekt men Frans.


Vandaar trekt hij naar Bazel, de ‘grootste stad van Zwitserland’ (momenteel nummer 3, na Zürich en Genève, n.v.d.r.). Hij bewondert de Zwitsers om hun netheid, vriendelijkheid en het ontbreken van misdadigers. Ze trekken wel naar de universiteiten van Leipzig en Göttingen, die ze blijkbaar beter vinden dan de hunne en die ook Karamzin als top beschouwt.


In Zürich ontmoet hij Lavater, bekende filosoof en specialist in fysionomie, die door zijn tijdgenoot Goethe geringschattend ‘De profeet van Zürich’ genoemd werd (p. 159). In Bern spreekt men Frans met de buitenlanders, tot grote vreugde van Karamzin, die het Zwitsers Duits niet mooi vindt. Op weg naar Lausanne passeert hij Murten, waar de beenderen nog lagen van ‘30.000 gesneuvelde soldaten’ van Karel de Stoute van Bourgondië, die in 1476 tevergeefs probeerde om de Zwitsers te onderwerpen. Karamzin betreurt dat ze die akelige trofee niet verstoppen. Die ’30.000’ waren er eerder 10 à 12.000 (n.v.d.r.). In de buurt van Lausanne komt hij bij het ‘meer van Vevey’, waar Rousseau inspiratie opdeed voor zijn ‘Julie, ou la nouvelle Héloïse’ (1761). Karamzin bedoelt wellicht het meer van Genève, waar Vevey bij ligt. Hij zegt niets over Madame de Warens, bij wie Rousseau logeerde en die zijn weldoenster en één van zijn vele minnaressen was. Hij vermeldt ook niet de Russisch-orthodoxe kerk die er staat.


Genève wordt zijn volgende verblijfplaats. Daar wordt hij 23. Overal wordt hij uitgenodigd bij voorname en geleerde mensen. De rijken maken zich zorgen over de miljoenen die ze in het revolutionaire Frankrijk geïnvesteerd hebben en die ze nu kwijt zullen spelen. Aan filosoof Bonnet stelt Karamzin voor om zijn geschriften uit het Frans in het Russisch te vertalen.


Vandaar trekt hij naar Lyon, toen één van de grote steden van Europa. De Italiaans-Franse balletdanser Angiolo Vestris is er de grote held. Vandaar hoopt Karamzin naar de Romeinse monumenten van de Provence te trekken, maar het wordt eerst Bourgondië en dan Parijs, de bron van de goede smaak, waar hij zo naar uitgekeken heeft. Hij beweert dat de naam Parisii komt van para Isis, volk beschermd door de Egyptische godin Isis. Een andere, even onzekere  etymologie zegt dat ze afstammen van Paris, die Troje kon ontvluchten. Karamzin verwijst naar Caesar, die in zijn De Bello Gallico als eerste, antieke auteur de stad vermeldde en noemt historische gebouwen en parken die er nu nog zijn.


Hij ziet en ruikt ook smerige straten. De stad telt 1.130.450 inwoners, meer dan Londen en Constantinopel (p. 291). De Revolutie heeft de rijkste inwoners verjaagd, wat niet belet dat Karamzin nog bij vele rijken ontvangen wordt. In de hofkerk ziet hij koning Lodewijk XVI en koningin Marie-Antoinette en hij heeft alle lof voor hen. Het aantal revolutionairen schat hij op 1%. De vijf grote theaters zitten elke dag bomvol. Hij bewondert ook het Louvre, de Tuilerieën, het Palais de Luxembourg en zijn tuin. Terloops beschrijft hij dan de prestaties van Peter de Grote, die hij zeer bewondert. Hij prijst ook de Franse wetenschappers, o.a. Lavoisier, die een paar jaar later door Robespierre onthoofd werd. Ook Versailles wordt tot in de details beschreven, inclusief de grote dierentuin die er toen was. Hij bezoekt ook Ermenonville, op 30 km van Parijs, waar Rousseau zijn laatste 43 dagen in het bos leefde. En hij woont de Nationale Vergadering bij, die chaotisch verloopt.


Na drie maanden verlaat hij Parijs, richting Calais, Dover en Londen. Hij noemt Londen de eerste haven ter wereld, het middelpunt van de wereldhandel, veel properder dan Parijs en met mooiere vrouwen (p. 428-431). In Westminster Abbey luistert hij naar Händel en ziet er ook de koninklijke familie. Alle welopgevoede Engelsen kennen Frans, maar willen het niet spreken. Hij moet dus Engels spreken. Hij beschrijft vol bewondering de Engelse rechtspraak, het gevangeniswezen, de godsdienstige tolerantie, de beurs (waar zelfs Russisch gesproken wordt), de parlementsverkiezingen, het British Museum, de St. Paul’s Cathedral, de rijkdom van de Oost-Indische Compagnie.


Hij vertelt over Thomas Parr en gelooft dat die 152 jaar oud werd (1483-1635), tien koningen overleefde en op zijn 130ste nog achter de jonge meisjes liep (p. 485). Hij klaagt over de vele mist, de rook van de steenkool en het gebrek aan zon, waaraan hij het kil en nors karakter van de Britten wijt.


Wanneer zijn geld na 18 maanden op is, keert hij per schip via Noorwegen terug naar Rusland. Het is dan oktober 1790. Daarmee eindigt zijn verslag.


Beoordeling

Karamzin was een zeer veelzijdig intellectueel, die op jonge leeftijd al enorm belezen was en genoeg talen kende om overal te reizen. Hij had ook een rijk observatievermogen en veel mensenkennis. Hij vertelt zeer gedetailleerd, soms te breedsprakerig, waardoor van de lezer wel wat geduld verwacht wordt. De 38 pagina’s noten achteraan zijn niet overbodig: anders weet je als lezer vaak niet waar het precies over gaat. Die noten tonen ook meteen de indrukwekkende kennis en belezenheid van de vertaler. De uitgebreide index met namen van personen en plaatsen is een handig middel om zaken terug te vinden. Een aantal literaire citaten zijn vertaald, een aantal niet: ook de lezer krijgt huiswerk. Bij plaatsnamen zoals Lijfland (zuiden van Estland en noorden van Letland), Koerland (zuiden van Letland), Memel (Klaipéda) en Tilsit (Sovjetsk) had de vertaler wel de huidige namen mogen vermelden. Bij een ‘werst’ had hij mogen zeggen dat dit ruim 1 km is (1.067m). Er staan een paar drukfoutjes in: een linden (p. 170), seizen i.p.v. sijzen (p. 229), Voltaire, zie hij i.p.v. zei hij (p. 375). Soms is het taalgebruik ouderwets: welks bewoner (p. 222), de bergen achter dewelke (p. 262).


De kaart met de reisroute van Moskou tot Londen (p. 6-7) is zeer duidelijk, maar de terugweg staat er niet op. Die details kunnen bij de volgende druk vlot aangepast worden.


Wie veel tijd en geduld heeft, kan met dit stevig boek de reis overdoen: de meeste genoemde hotels bestaan nog altijd, de paarden- en koetsenservice niet meer.


ISBN 978-90-8167389-1 | Hardcover | 558 pagina’s incl Kaart, prenten, noten, bibliografie, index.  | Uitgeverij BENERUS en EPO, Antwerpen | november 2019
Vertaald door Emmanuel Waegemans

© Jef Abbeel, 29 maart 2020 www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onze verslaggever in de leegte
ongedateerde dagboeken
Dimitri Verhulst
 

‘Ik loop rond als een spons. Die wring ik uit aan de schrijftafel. Als op straat iemand doodgeschoten wordt, is mijn eerste gedachte: hoe zou ik dit beschrijven?’

De ene keer is ‘een Verhulst’ een scheldtirade op iets of zelfs op alles op de wereld, de andere keer een mooie roman. Deze keer is het een soort dagboek. De aanleiding is een valse beschuldiging aan zijn adres die hem zodanig schokte dat hij zich even terugtrok van de wereld en zich verloor in drank, drugs en vrouwen. Maar een schrijver moet schrijven, en zo kwam er dit boek.


Wat wij lezen is hetgeen hij ten tijde van zijn moeilijke periode op schrift stelde. Fragmentarisch zonder dat de tijd netjes doorloopt. Om zijn ellende te vergeten rookt hij als een ketter en zuipt hij - het is geen drinken meer. Ook gebruikt hij drugs. Pas als hij Tutut ontmoet, en opnieuw de liefde vindt, -  al durft hij daar nauwelijks in te geloven - is hij in staat zijn leven weer op te pakken.
Maar dan lopen we op de zaak voor uit.


’Ik heb gezopen als een kabeljauw, gesnoven als een stofzuiger (…) en toen de zak met cocaïne leeg was, ben ik tabletten ritalin gaan pletten met een vijzel en heb die door mijn neus gejaagd.’


Steeds weer, terwijl het leven als schrijver doorgaat en hij boekenbeurzen afreist. Alleen, eenzaam en depressief.


’Te moeten leven op het ritme dat een ander je voorschrijft, opgezadeld te zitten met mensen waarvan je je niet meteen kan ontdoen. Bloedhekel aan.’


Dagboekfragmenten in de eigen stijl van Verhulst: niet altijd prettig om te lezen en toch helemaal de Verhulst die we kennen en waar we van genieten.


‘Ik dacht deze week weer mijn vader te ruiken, maar het waren mijn voeten.’


Op deze zin volgt een passage die gewijd is aan zijn vader. Het misprijzen delft het onderspit tegen de liefde die uit zijn woorden duidelijk naar voren komt.
Het is een van de mooiere stukjes uit het boek.
En er is de tirade tegen de overspannen winkelperiode voor Kerst:


‘Winterfeesten, olé. Een eenzame tegenklokwaartse schaatser probeert de cherryflip te springen, op karamellenmuziek. De bediener van de ijsdweilmachine is te treurig om bewondering op te brengen. Het is veertien graden boven nul. Maar we hebben elektriciteit om te verkwanselen. Indien hij vandaag geleefd zou hebben dan had Breughel ook wintertafereeltjes met schaatsende vrolijkerds te schilderen. Het is december dus er moet ijs zijn, desnoods houden we er speciaal een kerncentrale voor open. De feeërie van het reuzenrad dat de plaatselijk economie laat draaien: ik voel ze niet. De pluchen rendieren, de lampionnen, de geur van worsten voor en nadat ze weer zijn uitgekotst, de suikerspin, de lange kitscherige aanloop naar de solden van januari, wanneer de straten andermaal dichtslibben en de prijzen beweren te knallen, alsof het champagnekurken zijn, of pistolen. Stop met zingen, Nat King Cole, de kalkoenen in death in row kunnen je lieflijk gekweel niet meer aanhoren. Er is geen winterpret. De leugen van december, ik moet ze niet.’


Laten we hopen dat zijn nieuwe geliefde met haar hond Verhulst weer in het gareel krijgt, zodat er weer mooie romans komen, want zijn taal is prachtig, een genot om te lezen.


Dimitri Verhulst (1972. Aalst) is een van de grote schrijvers van de Lage Landen. Zijn werk verschijnt in meer dan twintig talen en werd bekroond met verschillende literaire prijzen. Van de klassieker De helaasheid der dingen werden meer dan 200.000 exemplaren verkocht en het boek werd verfilmd en bekroond met de Gouden Uil Publieksprijs. Met Godverdomse dagen op een godverdomse bol won hij de Libris Literatuurprijs. Van De laatkomer werden binnen een paar maanden meer dan 75.000 exemplaren verkocht. Ook dit boek wordt verfilmd, voor toneel bewerkt en over de hele wereld vertaald.


ISBN 9789083045917| paperback | 160 pagina's | Uitgeverij Pluim | februari 2020

© Marjo, 23 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Zolang de aarde rond is moeten we verder
Cartoonismen
cartoons: Marius Ingenhoven
tekst: Wiel Oehlen


Alsof het zo moest wezen, kwamen Marius Ingenhoven en Wiel Oehlen op één kamer te zitten binnen bureau Opleidingen van de afdeling Personeelzaken van het ABP (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds).


Wiel Oehlen
schreef al aforismen voor het personeelsblad en publiceerde gedichten en aforismen in literaire tijdschriften en verzorgde van 1992 tot 1998 dagelijks een aforistische column in het Limburgs Dagblad onder het pseudoniem 'punaise'.


- Een aforisme, zo lezen we in dit boek, is een stijlvorm met een rijk verleden [...]. In een zo beknopt mogelijke vorm wordt geprobeerd een gedachte sober, kernachtig en puntig te formuleren. Vooral het relativeren is belangrijk, de dubbele bodem en het veroorzaken van een glim-, nog liever grimlach. Een technisch gezien: hoe korter hoe beter. -


Marius Ingenhoven tekende twee keer per week een cartoon voor het dagblad De Limburger, waarin hij de actualiteit op de hak neemt. Als spinoff (verhalend werk  afgeleid van een ander werk) wordt hij in toenemende mate gevraagd als cartoonist illustrator voor een groot aantal bedrijfsbladen en voorlichtings- en marketingsprogramma's.


Twee van zulke talenten in één kamer moet haast wel tot samenwerking leiden. Op dat kantoor ontstonden dan ook de zogenaamde cartoonismen; cartoons van de hand van Marius, geïnspireerd op aforismen van Wiel. in combinatie vullen ze elkaar aan en versterken ze elkaar. Het leidde uiteindelijk tot het dit boek Zolang de aarde rond is moeten we verder.


Het boek is opgedeeld in twee delen vol aforismen en cartoonismen.
In het eerste deel lezen we aforismen gebaseerd op De zeven hoofdzonden, te weten Hoogmoed, Hebzucht, Wellust, Afgunst, Onmatigheid, Woede en Gemakzucht.
In het tweede deel treffen we aforismen met als uitgangspunt De zeven hoofddeugden; Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Gematigdheid, Standvastigheid, Geloof, Hoop en Liefde.
Elke hoofdzonde of deugd heeft een eigen hoofdstuk dat ook aan de zijkant van het boek met een grijstint is aangegeven.


In totaal zijn er bijna drieduizend spreuken in dit boek verzameld en een veertigtal cartoons. Onmogelijk natuurlijk om ze allemaal in één keer te lezen. Het is meer een boek dat je binnen handbereik moet hebben liggen, om zo in een gestolen kwartiertje even lekker van een paar zinnen en tekeningen te snoepen

Onderstaand enkele 'smaakmakers'


Sinds ik mijn gezond verstand gebruik, wil niemand meer iets met mij te maken hebben.

Zwaarlijvige mensen moeten de last dragen van een lichtvoetig bestaan.

Een lovende recensie is meestal al verschenen, nog voordat het bejubelde boek is uitgegeven

Wandelgangen zijn uitmelkwegen

Bij mijn meningsverschillen met anderen wil ik eigenlijk precies hetzelfde, maar dan wel als eerste hebben gezegd.

Vooral de mensen die niets te doen hebben, hebben het druk

Boeken zijn als mensen. Hoe minder zij hebben nagedacht, des te beter zij in de smaak vallen.

Vleiers zijn bang voor kritiek.

Het nadeel van kwaad worden, is dat je dan zo eerlijk bent.


En zo zou je wel door willen blijven gaan, want elke keer kom je een aforisme tegen die eigenlijk ook het vermelden waard is.
Groot bijkomend voordeel van dit boek is, dat als je elke dag één aforisme leest je bijna tien jaar plezier van dit boek hebt! Als dat geen waar voor je geld is!


Zie ook het You-tube filmpje over dit boek.


ISBN 9789493048171 | Paperback met flappen | 357 pagina's | Uitgeverij TIC | maart 2020

© Dettie, 6 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Calvijn verzameld
Herman J. Selderhuis (red.)


In twee dikke delen is een selectie uit het werk van de Geneefse Hervormer Johannes Calvijn (1509-1564) bijeengebracht. Het geheel geeft aan met welke genres Calvijn zich bezighield en welke thema’s voor hem belangrijk waren.


Wat de genres betreft, is er onder meer geput uit de preken van Calvijn, zijn dogmatische werken, zijn commentaren op de Bijbel, zijn polemische geschriften, zijn liturgische werk, zijn brieven.
Wat de thema’s betreft gaat het Calvijn om de soevereiniteit van God, om de oproep tot het dienen van God, om de verdediging van het gereformeerde geloof en de bestrijding van tegenstanders en om de pastorale zorg aan de leden van zijn gemeente en de gemeenten in het buitenland, aan vervolgden, gevangenen en zieken.


Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een beknopte inleiding. Deze inleiding is geschreven door een deskundige op dat deelterrein. Aansluitend volgt de tekst van Calvijn. Ter afsluiting volgen noten waarin de bronnen worden verantwoord en soms een korte uitleg wordt geboden. Het geheel is een indrukwekkende prestatie van de redacteur en zijn medewerkers. Het boekwerk getuigt ook van de schier herculische krachten en energie van de zwakke Calvijn, die heel zijn leven met ernstige gezondheidsklachten heeft gekampt.


Calvijn leert men het beste kennen uit zijn werken. Het algemene beeld van Calvijn is dat het een tirannieke, sombere man was, die elk plezier uit het leven wilde bannen. Dit handboek laat het tegendeel zien. Calvijn kon anderen verregaand tegemoetkomen en hij kon ook genieten van het leven. Maar als het ging om de eer van God was hij onverbiddelijk en in het genieten van het leven was matigheid de juiste leefregel.


De schrijver Guus Kuijer heeft zich ook in de geschriften van Calvijn verdiept. Hij heeft honderden preken en brieven van Calvijn gelezen en tal van biografieën over Calvijn bestudeerd. In 2007 publiceerde Kuijer Het doden van een mens. Hij geeft geen vleiend beeld van Calvijn in zijn boek. Hij ziet Calvijn als een moordenaar, vandaar de titel van zijn boek. Dat slaat op de terechtstelling van Michaël Servet, een Spaanse arts, die de leer van de Drie-eenheid loochende. Kuijer gaat eraan voorbij dat die ontkenning in heel Europa gold als een misdrijf waar de overheid de doodstraf voor oplegde. Ook was de rol van Calvijn bij het proces niet allesbepalend. Kuijer kreeg een prijs voor dit boek vanwege zijn “oorspronkelijke en rijkgeschakeerde bijdrage aan agnostisch, interreligieus en literair Nederland.”
Het is dus mogelijk om op grond van dezelfde geschriften tot een tegengesteld beeld van Calvijn te komen. Maar Kuijer was vooringenomen en selectief in zijn keuze van materiaal en historische feiten.


Calvijn was niet op macht uit. Degenen die hem benijdden om zijn positie had hij graag zijn last opgelegd (blz. 84). Calvijn was niet op rijkdom uit. Zijn testament toont aan dat zijn bezit maar schamel was (blz. 1198). Calvijn was een warm mens. Dat laat zijn verdriet zien over het vroege heengaan van zijn vrouw (blz. 1144).


Calvijn is en blijft het bestuderen meer dan waard. De lezer komt verrassende inzichten tegen en wordt regelmatig getroffen door de meeslepende redeneringen van Calvijn. Zijn brief aan de koning van Frankrijk, Frans I, waarin hij het opneemt voor de vervolgde Hugenoten is daarvan een goed voorbeeld. Of zijn preek over Jesaja 55: 1. Of zijn uiteenzetting over de eenheid van de kerk en de verdraagzaamheid die hij voorstaat. De brief aan kardinaal Sadoleto waarin hij de gereformeerde overtuiging handhaaft tegenover het gezag van de Rooms-Katholieke Kerk is meesterlijk. De verschillende brieven die in dit boek zijn opgenomen zijn pareltjes van wijsheid.


Kortom: “Calvijn Verzameld” is een aanrader voor diegenen die zich willen verdiepen in het werk van Calvijn en hier een totaaloverzicht aantreffen van vaak minder bekende geschriften en voor diegenen die kennis willen maken met Calvijn. Ik kan beide groepen aanbevelen om ook gebruik te maken van: “Calvijn. Handboek” dat in 2008 verscheen, ook onder redactie van Herman Selderhuis.


De uitgever heeft er een stevig en kloek boekwerk van gemaakt. De enige aanmerking die ik heb op “Calvijn Verzameld” is dat er wel vrij veel fouten in het boek voorkomen. Dat is jammer. De correctie had beter gekund.


Selderhuis heeft zijn sporen ruimschoots verdiend als het om Reformatiestudies gaat. Hij is hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Ook is hij directeur voor Reformatieonderzoek in Apeldoorn. Hij publiceert veel op zijn vakgebied.


ISBN 9789043530811 | Hardcover | Uitgeverij Kok Boekencentrum | 1204 blz. over twee delen | januari 2019

© Henk Hofman, 25 februari 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Bij ons in Auschwitz
Getuigenissen
Samengesteld en ingeleid door Arnon Grunberg

 
'Wat vermag literatuur, wat belooft zij, wat is haar ethisch kader, hoe is zij ingebed in de werkelijkheid, kan zij ons redden, waarvoor bestaat zij: al deze vragen die elke roman zou kunnen en moeten oproepen worden in het geval van kampliteratuur tot het uiterste gedreven.'

Deze bloemlezing, samengesteld door Arnon Grunberg, bevat getuigenissen van twaalf mannen en één vrouw die Auschwitz-Birkenau hebben overleefd. In de inleiding geeft Grunberg een duiding van de literatuur die in en vanuit de kampen is geschreven en hij schetst ook historische achtergronden van het concentratiekamp.


Het boek heeft verder een systematische indeling met de hoofdstukken:
-       aankomst
-       bed, straf en selectie
-       Sonderkommando
-       schuld, schaamte, wrok en verlangen


Dramatisch is het verhaal van Tadeusz Borowski onder het hoofdstuk ‘Aankomst’. Hier wordt direct al de toon gezet voor wat mensen in Auschwitz – en daarmee ook de lezer van dit boek – te wachten staat. Ook zijn verhaal ‘Bij ons in Auschwitz’ onder de rubriek ‘Bed, straf en selectie’ is buitengewoon aangrijpend en maakt de lezer stil van verbijstering. Het is een bijna surrealistisch verhaal, met soms een ironische onderstoon, waarin de verschrikkingen worden beschreven.
Het zijn soms enkele zinnen die veelzeggend zijn zoals deze: ‘Uit heel hoge schoorstenen walmden dreigende, donkere rookwolken, die de hemel verduisterden en ons een bedrukkend gevoel gaven’.


Elie Wiesel schetst in zijn verhaal ‘Oog in oog met de Engel des Doods’ een indringend beeld van de aankomst in Auschwitz en de terreur waaraan mensen direct werden onderworpen waardoor zij beseften dat dit een oord van dood en verderf was.
Indringend is het verhaal over de taak van de zogenaamde lijkendragers en de marteling in het verhaal ‘De plank’ van Wieslaw Kieslar. Af en toe is het zo verschrikkelijk dat de lezer het boek misschien wel even aan de kant wil leggen omdat het even teveel wordt.


In veel verhalen is de angst, de totale ontreddering, de honger en de moeite om te overleven duidelijk voelbaar zoals in dit citaat: ‘Dit is een dodeneiland. De mens komt hier niet om te leven, maar om zijn dood te ontvangen…’, pag. 188.
Sommige verhalen zijn wat meer beschouwend: de schrijver probeert de onmogelijke gebeurtenissen te duiden en denkt erover na. In sommige verhalen komt de vraag naar God naar voren al gebeurt dat opvallend weinig.


Paul Steinberg deelt in zijn verhaal de kampbewoners in categorieën in en probeert zo het kampleven te ordenen. Dit geldt ook voor de bijdragen van bv. Primo Levi die in prachtige beeldtaal schrijft over mensen in het kamp: ‘Ze bevolken mijn geheugen met hun schimmige aanwezigheid, en als ik al het kwaad van onze tijd in één beeld kon samenvatten, zou ik dit beeld kiezen, dat ik zo goed ken: een uitgemergeld mens met hangend hoofd en kromme schouders, in wiens gezicht en ogen niets meer te lezen is van een gedachte’, pag. 192.

Barbaars is het verhaal over de ‘Staanbunker’ waarin een groep mensen staande werden samengeperst met de dood van velen tot gevolg en het verhaal ‘Mala’ over een ophanging.


Een groot deel van het boek is gewijd aan de zogenaamde Sonderkommando’s: een groep gevangenen die gedwongen werd om andere gevangenen naar de crematoria te brengen, de restanten en de as eruit te halen en de ovens te onderhouden. Indringend zijn de woorden die Primo Levi van iemand die tot deze groep behoort, optekent: ‘Laat men niet denken dat wij monsters zijn; we zijn net zulke mensen als jullie, alleen veel ongelukkiger’, pag. 257. De verhalen schetsen een treurig beeld van het leven van deze groep die op deze manier een tijdelijke kans had om te overleven maar na verloop van tijd ook zélf uit de weg werd geruimd omdat ze teveel hadden gezien.


Moeilijk om te lezen zijn de passages over het weghalen van gedode gevangenen zoals in de verhalen ‘Een brede trouwring’ en ‘Het handwerk’. In meerdere verhalen komt het gebruik van het gas Zyklon B naar voren dat de nazi’s gebruikten. Er wordt beschreven hoe dit in z’n werk ging en hoe snel en op welke wijze de gevolgen merkbaar waren… Het verhaal ‘SS en Sonderkommando de ruimte verlaten!’ vertelt dit sober maar duidelijk.


Er is een bijdrage van een arts, Myklós Nyiszli, die in zijn verhaal een verklaring aflegt van zijn ervaringen in het kamp. Hij moest dit doen in opdracht van de beruchte dr. Mengele.


Het is moeilijk om uit zulke vreselijke verhalen te kiezen maar het verhaal ‘De mens verschilt van het dier doordat hij in God gelooft’ is afgrijselijk. Het beschrijft hoe mensen in een kuil worden gedreven en vervolgens worden omgebracht. Ook de verhalen ‘Het kleine bos’ en ‘In jullie eigen belang’ en ‘Ach, we zijn toch nog zo jong, leven willen we’ zijn aangrijpend.


Cynisch is het verhaal ‘Een recept’ over de karige voeding ten gevolge waarvan veel mensen omkomen. Prachtig maar ook verdrietig is het verhaal ‘Oorvijgen’ over vrouwen die zingend hun dood tegemoet gaan.


De verhalen in het laatste deel zijn een terugblik op de kampervaringen. Hier is de beschouwende toon sterker aanwezig. Schrijvers denken na over hun Jood zijn, hun geschiedenis als volk en hun actuele positie in Europa. Ook klinkt hier de vraag of mensen iets van de oorlog hebben geleerd maar hier wordt aan getwijfeld. Soms is er schaamte bij de overlevenden zoals blijkt uit de slotzin van een verhaal: ‘Moeder, ik schaam me: ik ben nog steeds onder de levenden’, pag. 460.


Het is in emotioneel opzicht geen gemakkelijk boek om te lezen en daarom ook niet zo geschikt om in grote delen achter elkaar te lezen. Daarvoor is de inhoud té aangrijpend en té zwaar; het is beter om het in kleinere hoeveelheden tot je te nemen. De verhalen zijn buitengewoon triest en doen de lezer versteld staan, want het is vaak onvoorstelbaar dat mensen dit moesten meemaakten. Meer nog en ernstiger ook: er bestond een systematische aanpak waarin mensen gewoon bepaalden dat dit vanuit een bepaalde logica moest gebeuren.


De bijdragen zijn nogal wisselend van sfeer en inhoud; er zijn korte en redelijke lange verhalen in dit boek opgenomen. Die afwisseling maakt het boeiend en geeft de lezer een breed perspectief waarbij de gemeenschappelijke trekken van de totale terreur wel opvallen want dit heeft iedere schrijver gemeen.
Dichter kunnen wij vandaag niet meer bij Auschwitz komen.


Dit is geen boek voor op het nachtkastje - deze verhalen grijpen de lezer naar de keel -  maar het is wel zeer belangrijk om te lezen. 


ISBN 978 90 214 2004 2 | Paperback | 496 pagina’s | Querido Amsterdam | januari 2020

© Evert van der Veen, 21 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het volmaakte geluk bestond
Jos Essers


‘Het leven op Kasteel Terdeck was voor mij als een sprookje. Ik hoefde mij aan geen enkel protocol te houden. Dat dit een niet-alledaagse en bevoorrechte situatie was, besefte ik pas veel later als het heerlijke leven van toen al lang verre herinneringen waren geworden.’


Opgroeien in een heus kasteel! Als jongen besefte Jos Essers helemaal niet wat voor geluk hij had! Gelukkig kreeg hij dat besef als volwassene wel en besloot hij vijftig jaar later het verhaal met ons te delen en kunnen we lezen over zijn idyllische jeugd.
Het kasteel dat dateert uit de dertiende eeuw staat (nog steeds) in Overijse, een gemeente in de Belgische provincie Vlaams-Brabant, ten zuidoosten van Brussel.


In het jaar 1956, toen Jos als vierjarige met zijn ouders op het kasteel kwam, was baron Etienne de Streel eigenaar van het monumentale gebouw en het enorme landgoed. Zijn vrouw Marina en hij hadden twee zoons, die een stuk ouder waren dan Jos, zodat ze niet veel met elkaar te maken hadden. Met de baron of barones kreeg de jongen door zijn kwajongensstreken wel geregeld te maken, zij waren getuige het verhaal heel aardige mensen, vol begrip voor de jongen.
Als Jos betrapt werd bij het stiekem koekjes uit de trommel pakken of als hij weer eens aangetroffen werd op plaatsen waar hij niet geacht werd te zijn, volgde er nooit straf!


De ouders van Jos waren met z’n tweeën het personeel op het kasteel: zijn moeder was huishoudster en kokkin, vader deed het onderhoud en was butler. Hij werd daarbij geholpen door opa die de tuinman was en met oma in een huisje valk bij het kasteel woonde. |
Omdat zijn ouders de hele dag aan het werk waren, had de jongen alle vrijheid. Zo had hij een enorm huis en een uitgestrekt landgoed ter beschikking om te spelen.


‘Ik genoot van de krakende wenteltrap in de toren. De wind die je goed hoorde op de grote zolder, de zon die door een gebrandschilderd raam een gouden lichtttapijt in de hal uitrolde, het geborgen gevoel van mijn neuriënde mama in de keuken, ja zelfs het brommende geluid van een vlieg in de kamer of het zoemen van en nectarzoekende bij in de kelk van een bloem in het perk vlak bij de keuken.’


De manier waarop de sfeer weergegeven wordt alleen is eigenlijk al genoeg om van dit verhaal te genieten, maar er is nog meer... Jos ontmoet een meisje:

‘Een vreemde schaduw of wat het ook mocht zijn?
Het beweegt! Beeld ik mij dat nu in? Of…Toen werd ik echt bang. Het werd groter en het leek heel langzaam mijn richting uit te komen. Ik ging rechtop zitten en trok mijn knieën samen met de dekens op tot onder mijn kin, Gespannen bleef ik ernaar turen. “Het” leek nog steeds dichterbij te komen. De maan projecteerde via het gordijnloze raam een grote, heldere, scherp afgetekende lichtvlek op de vloer. Nog even en “het “  zou hier doorheen komen. En dan zou ik kunnen zien wat het is, dacht ik,
De maneschijn onthulde plots een vaag een witte, menselijke gedaante.’

Het meisje, want dat is “het”, stelt zich voor als Gisèle. Jos is de enige die haar ooit ziet, maar het is door haar dat hij geheimen ontdekt in het kasteel, waar ook de baron niets van af wist. Hij gaat op ontdekkingstocht samen met een vriendje, niet helemaal zonder gevaar.


Het is Gisèle die hem waarschuwt dat er dingen gaan veranderen. Tot zijn grote verdriet heeft ze gelijk; In 1962 gaan de ouders en grootouders terug naar Limburg waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Jos gaat natuurlijk mee, zijn idyllische jeugd is ten einde.


We mogen blij zijn dat Jos Essers heeft besloten zijn verhaal aan de wereld te openbaren. Het is bij vlagen ontroerend en dan weer spannend, maar geeft ook een beeld van vervlogen tijden, de jaren vijftig gezien door de ogen van een kind. Achterin vertelt de schrijver niet alleen hoe het hem verder verging, maar ook wat er met het kasteel gebeurde. De schrik toen hij in 2010 dit bericht las:

'Het kasteel Terdeck in Tombeek (Overijsse) staat te koop. Wie een toekomst als kasteelheer ziet zitten, moet zich haasten: er hebben zich al verschillende kandidaten gemeld. De vraagprijs is 2,7 miljoen euro.


ISBN 9789086664801 | Paperback | 264 pagina’s | Uitgeverij Mosae Libro | augustus 2019

© Marjo, 11 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 
De Andriessens
Een kleurrijke familie van muzikanten en kunstenaars
Agnes van der Horst


Dit boek gaat over de familie Andriessen, die veel bekende musici heeft voortgebracht en een belangrijke rol speelt in het Nederlandse muziekleven. Er is zelfs een Nederlandse rockgroep die z’n naam dankt aan een compositie van Louis Andriessen.

Het verhaal begint met organist Nico Andriessen, die getrouwd is met schilderes Gezina Vester. Samen hebben ze 4 zoons en 2 dochters: Willem (pianist), Laura (zangeres), Hendrik (componist), Nicolaas (leraar Engels), Mari (beeldhouwer) en Caecilia (pianiste). De laatste trouwde met Piet Witteman en is de moeder van Paul Witteman. Achterin het boek vinden we een beknopte stamboom van de familie, waarin de nadruk ligt op de kinderen van Hendrik.

Over Nicolaas (Kiek) staat in de voetnoten achterin het boek nog een leuke anekdote. Hij ontmoet iemand in Haarlem en stelt zich voor als “Andriessen”, waarop de volgende dialoog ontstaat: “O, bent u de beroemde pianist?” “Nee, dat is m’n broer.” “Bent u dan de beeldhouwer?” “Nee, dat is m’n andere broer.” “Dan bent u de componist.” “Nee, dat is weer een andere broer!”

Centraal in het boek staan de componerende broers Jurriaan en Louis Andriessen, 2 van de 6 kinderen van Hendrik Andriessen. Er is overigens in de eerste hoofdstukken ook voldoende aandacht voor de broers Willem, Hendrik en Mari Andriessen.

Omdat z’n z’n vader al een naam heeft in de muziek en z’n broer en zus al muziek studeren, besluit zoon Hendrik het eerst als journalist te proberen, ondanks het feit dat hij wel musicus wil worden. Hij twijfelt echter aan z’n talent en wordt verslaggever bij de Nieuwe Haarlemsche Courant. Dat gaat een paar jaar goed, tot er op een avond het bericht binnenkomt dat er een schip op de Noordelijk Atlantische Oceaan tegen een ijsberg is aangevaren. Het lijkt hem het vermelden niet waard en hij concentreert zich, nu het lekker rustig is, op het schrijven van z’n eerste grote koorcompositie. Het resultaat van dit alles is dat op 16 april 1912 de Nieuwe Haarlemsche Courant niet opent met een artikel over de ramp met het grootste passagiersschip ooit. De journalistenloopbaan van Hendrik gaat met de Titanic ten onder, hoewel hij wel muziekrecensies blijft schrijven.

In de Tweede Wereldoorlog belanden Hendrik en Willem Andriessen als gijzelaars in het kleinseminarie Beekvliet bij Sint-Michielsgestel. Hier komt hij ook z’n zwager Piet Witteman tegen. Mari Andriessen, die net als z’n twee muzikale broers, weigert de ariërverklaring in te vullen, wordt een belangrijke figuur in het verzet. Over Willem, die weliswaar vooral als pianist bekend is geworden, maar die ook componeerde, staan de nodige anekdotes in het boek.

Net als z’n ouders krijgt Hendrik, samen met z’n vrouw, de pianiste Tine Anschütz, 6 kinderen, namelijk: Gesina (zangers en danseres), Heleen (fluitiste en pianiste), Nicolaas (architect), Jurriaan (componist), Caecilia (pianiste) en Louis (componist). Nicolaas speelt piano en componeert fuga’s en wilde graag de muziek in, maar Hendrik beslist anders en aan een beslissing van Hendrik valt niet te tornen. Bij zijn zoon Jurriaan jr. duikt de muziek weer op, maar op een hele bijzondere manier. Zijn ‘Portret van Hedwig’ (een portret van z’n vrouw Hedwig de Beer) bestaat uit 54 korte composities voor piano.

Jurriaan is de eerste van de 2 broers, die naam maakt als componist. In 1949 krijgt hij een beurs om in Amerika een zomercursus bij te wonen van het Tanglewood Music Center. Daar vraagt de beroemde dirigent Serge Koussevitsky, de leider en geestelijk vander van de Summerschool, hem of hij het volgende jaar terug wil komen om als zijn assistent de orkestklassen te leiden. Ook Aaron Copland, die dat jaar in Tanglewood cursussen en lezingen over nieuwe muziek geeft, is onder de indruk van Jurriaan. Hij heeft al snel in de gaten dat hij hem weinig meer bij kan brengen en zegt tegen Jurriaan: “Ga maar eens lekker van het mooie weer genieten. Wat ik je te leren heb, dat kun je al.”
Anderen zijn ook onder de indruk van het talent uit Nederland. George Balanchine besluit een dansvoorstelling te maken bij z’n Berkshire Symphonies. Igor Stravinsky drukt hem de hand en zegt later tegen z’n zoon dat Jurriaan uitzonderlijk getalenteerd is. Leonard Bernstein complimenteert hem en zegt dat hij vooral door moet gaan met componeren. Als Jurriaan in september 1951 terugkomt uit de VS, is de twaalfjarige Louis erbij. Jurriaan is z’n grote held en hij brengt platen voor hem mee, die belangrijk zijn voor het latere componeren van Louis.

Ook Louis ontwikkelt zich als een getalenteerd componist, die meer dan zijn broer op de barricaden staat en activistisch is. Hij is betrokken bij de actie Notenkraker en richt het ensemble Hoketus en Orkest de Volharding, beide genoemd naar composities van Louis, op. Tussen de twee broers komt het tot een breuk, als Louis zich in een interview wat laatdunkend uitlaat over de muziek van Jurriaan. Jurriaan is inmiddels de broer van de beroemde Louis geworden. Louis heeft ergens wel spijt van z’n opmerking over de muziek van Jurriaan, die veel muziek voor theater en film schrijft en laat niet na om in ieder interview te benadrukken hoeveel hij van z’n broer geleerd heeft. Louis ontwikkelt zicht tot goeroe voor jonge componisten en hij doceert ook aan het conservatorium in Den Haag.

In het begin van de jaren 70 treden de kinderen van Heleen Andriessen voor het voetlicht. De twee tweelingen vormen het Gemini Kwartet. Later wordt dit aangevuld met violist Maarten Veeze en pianiste Tilly Keessen en het kwartet wordt omgedoopt tot Gemini Ensemble.

In het laatste hoofdstuk is er ook nog aandacht voor de Andriessens die minder muzikaal getalenteerd zijn. Het boek besluit met een overzicht van de belangrijkste composities van de Andriessens.

Er valt natuurlijk nog veel meer over dit boek te vertellen, dat nog veel dikker had kunnen zijn, als men uitvoeriger had geschreven over de carrières van de diverse familieleden. Een kleine opmerking wil ik nog wel maken. De afbeelding van ‘Portret van Hedwig’, staat een aantal pagina’s voor het werk van Jurriaan jr. ter sprake komt, waardoor het een beetje in een leegte hangt.


ISBN 978 90 8803 020 8 | NUR 681 | Hardback | 301 pagina’s | Uitgeverij Lias | februari 2013

© Renate 23 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER
 

De wonderen van de woestijn
Over zandstormen, leegte en jezelf oriënteren: ontdekkingen uit een fascinerende wereld
Michael Martin met Sabine Wünsch


‘Brandend zand en nergens water…’ Dit liedje van Anneke Grönloh uit 1962 zal veel – vooral wat ouderen – te binnen schieten wanneer ze aan een woestijn denken. Populair gezegd: een onmetelijk grote zandbak. Dat is niet helemaal onwaar maar woestijn is zoveel méér en vaak ook verrassend ánders.


De auteur maakte als jongen al een fietstocht naar Marokko en reist sindsdien al veertig jaar in woestijnachtige streken van de wereld en is hierdoor gefascineerd. Hij onderkent bovengenoemd beeld aan het begin van zijn boek: ”Het cliché dat er in de woestijn niets anders is dan zand, dat de woestijn ‘waardeloos’ zou zijn, is nog steeds wijdverbreid”, pag. 13. Dit boek zal voor veel mensen dan ook een ware ontdekkingsreis zijn omdat hij vertelt over de rijkdom en variatie aan woestijngebieden in de wereld: “In de woestijn is alles juist tot een minimum beperkt. Hij is overzichtelijk, uitgestrekt, puur en op een weldadige manier ‘leeg’ en stil”, pag. 18.


Martin weet de sfeer van de woestijn goed over te brengen, geef geografische informatie en historische en culturele achtergronden over de gebieden die hij heeft bezocht. Mooi is zijn beschrijving van de zandstormen die overigens minder vaak voorkomen dan men denkt. Hij geeft ook interessante informatie die vrijwel onbekend is zoals over het stof uit de Sahara dat in Midden- en Zuid-Amerika neerdaalt en daar zorgt voor vruchtbare grond; boeiend is zijn uitleg over de ‘zingende’ duinen. Verder is er informatie over planten, dieren en mensen die in woestijngebieden wonen zoals het feit dat een dadelpalm per dag 200 liter water nodig heeft.


Het boek is hier en daar verrassend zoals zijn constatering dat het in de woestijn vaker steenkoud dan bloedheet is, een gegeven dat haaks op onze beeldvorming staat.


Wat de ‘zandbak’ betreft: Martin laat zien dat er verschillende soorten woestijnen zijn, allereerst droge zoals de Sahara maar ook koude zoals Antartica. In de droge woestijnen kunnen we zand-, grind-, puin- en zoutwoestijnen onderscheiden.  Elk landschap heeft voor de auteur zijn eigen bekoring maar over de puinwoestijn is hij niet zo enthousiast. Gezien het beeld dat hij oproept van een troosteloze, somber ogende vlakte die met stenen is bezaaid, kun je je daar wel iets bij voorstellen. Uiterst fascinerend daarentegen is het ‘hellegat van de schepping’: een vulkaangebied in het noordoosten van Afrika met actieve lavafonteinen. Ook de Namib woestijn met zijn hoge rode zandduinen is fraai.


Het boek bevat ook een katern met mooie foto’s en misschien wel de mooiste is die van Guelta d’ Archai in het Ennedi gebergte in de Sahara. Het is van bovenaf een schitterende opname van een grote kudde badende en drinkende kamelen. Van mij hadden er nog wel meer foto’s in het boek mogen staan!


Als ervaren reiziger geeft de auteur hier en daar ook adviezen. Zo is het absoluut af te raden om in een wadi – droog gevallen rivierbedding – te overnachten, hoe logisch dat ook lijkt wanneer het kurkdroog is. In de Sahara kan het water plotseling komen; zo waren hier in 2007 overstromingen, hoe ongeloofwaardig dat ook klinkt.


Aan het eind maakt de auteur de balans op en hier blijkt hij een echte romanticus te zijn die het verlies aan culturele tradities betreurt. Hij pleit voor bescherming van de woestijn en nomaden die hier wonen. Interessant is ook de aandacht voor moderne woestijnlanden als Qatar en Dubai en hetgeen hier met moderne middelen én veel geld tot stand is gebracht. 


Dit boek is een eye-opener en geeft de lezer een verrassend beeld van grote delen van onze aarde.


ISBN 978 94 027 0476 1 | Hardcover | 285 pagina’s | Harper Collins | maart 2020
Vertaling Davida van Dijke

© Evert van der Veen, 21 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een verdwaalde intellectueel
Hans Gruijters
Van kroegbaas tot eerste burgemeester van Lelystad
Klaas Tammes


Hans Gruijters is geboren in 1931 in Helmond en overleed in 2005. Zijn loopbaan bestaat uit een bonte afwisseling van banen en nevenfuncties: journalist, kroegbaas, oprichter van D66, minister, burgemeester van Lelystad (1980-1996), voorzitter van het Productschap voor Gedestilleerde dranken, president-commissaris van het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten. Gruijters was een kleurrijke persoon, wars van conventies en totaal ongevoelig voor correcte sociale en politieke omgangsvormen. Gruijters was eerst en vooral zichzelf.


Deze bijna vergeten persoon is door Klaas Tammes weer op het podium gezet. In een meeslepend geschreven verhaal laat Tammes de vele facetten zien die deel uitmaken van het complexe karakter van Gruijters. Ongeduldig, opvliegend, vaak tactloos, soms ook bot, maar wel recht door zee, warm voor zijn chauffeur en secretaresse, trouw aan zijn aan alcoholverslaafde vrouw, begaafd en zeer belezen. Toch wel een man uit een stuk, vind ik.


Binnen de partij die hij zelf had opgericht, werd Gruijters al gauw een omstreden figuur. Hij was voor het plaatsen van kruisraketten, hij was voorstander van kernenergie, hij vond dat Nederland ‘vol’ was en keerde zich tegen immigratie, hij kantte zich niet tegen de levering van reactorvaten aan het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Dat soort standpunten paste niet binnen het ideologische profiel dat D66 zich had aangemeten. En Gruijters was er de man niet naar zijn mening achter de kiezen te houden. Een jaar voor zijn overlijden zegde Gruijters zijn lidmaatschap van de partij op. Hij was er toen al bijna vergeten.


Dat is eigenlijk ook het grote probleem bij Gruijters. Hij brak niet echt door in de Nederlandse politiek, hoe capabel hij ook was. Dat lag aan zijn moeilijke thuissituatie en aan zijn scherpe tong. Jammer, want deze man, die zich in geen enkel hokje liet vangen en die niet aan partijpolitiek deed, had gemakkelijk op gelijke voet met Den Uyl, Wiegel, Lubbers en Van Agt het landsbeleid kunnen bepalen.


In de grillige loopbaan van Gruijters, die via de kroeg en het ministerschap naar het burgemeesterschap leidde, zijn een paar constante patronen aan te wijzen.


Het eerste is zijn liefde voor lezen. Gruijters verslond boeken, hij las altijd en overal. In de wachtrij, in de auto (met chauffeur), in het restaurant, op zijn werk, thuis. Hij had altijd een boek of een tijdschrift bij zich. Als hij zich op een vergadering ergerde aan ‘het gedoe’ liep hij soms weg om ergens in een hoekje te gaan lezen. Deze permanente leeshonger verschafte hem een enorme kennis en daarmee een voorsprong op zijn omgeving. Vrijwel niemand kon in het debat op tegen Gruijters, en al helemaal niet in de gemeenteraad van Lelystad.


Een tweede constante in zijn leven is zijn integriteit. Hij heeft zijn vrouw nooit laten vallen, maar altijd gesteund. Zijn toewijding aan Lelystad staat buiten kijf. Hij heeft de stad bekwaam bestuurd, al vonden sommigen (en hijzelf ook) het burgemeesterschap beneden zijn statuur. In zijn declaratiegedrag was hij heel nauwgezet. Bij hem raakten geen bonnetjes zoek. Hij verantwoordde zich zorgvuldig.


De derde trek die opvalt in het leven van Gruijters is zijn gave om te speechen. Uit zijn hoofd, strooiend met citaten en humoristische c.q. sarcastische opmerkingen, en heel overtuigend.


Tammes heeft er een prachtig boek van gemaakt. Uitgebreid bronnenonderzoek ging aan dit boek vooraf. Complete (kranten)archieven zijn geraadpleegd. Zo’n 80 interviews zijn afgenomen. Het boek dat op basis van al dit onderzoek is geschreven, vult het zwart-witbeeld van Gruijters aan met tussentinten. De ongepolijste politicus Gruijters zou in dit tijdvak niet passen, maar eigenlijk was hij ook al in zijn eigen tijd een buitenbeentje. Toch denken de meeste mensen die met Gruijters te maken hebben gehad met waardering aan hem terug.


Dat bleek ook wel toen uitgever en auteur het boek presenteerden op 27 februari jl. in Lelystad. De zaal was te klein om de schare belangstellenden te bevatten. Hans Wiegel was aanwezig en nam het eerste exemplaar in ontvangst. Voormalig minister-president Van Agt was er, evenals vriend Jan Nagel. De opvolgers van Gruijters als burgemeester van Lelystad zaten op de eerste rij. Voor een doorsneefiguur zouden deze prominenten op hun leeftijd de moeite niet hebben genomen. Ze kwamen uit respect voor een man van formaat.


Het boek is uitstekend en met veel gevoel voor humor geschreven. Het boek is heel compleet, want voorzien van een notenapparaat, een bijlage met citaten van en over minister Gruijters, de familiestamboom, een overzicht van de bronnen en een personenregister. Bovendien is het boek geïllustreerd. Auteur en uitgever verdienen voor dit alles een compliment.


Opmerkelijk is de compositie. De lezer verwacht dat thema’s in chronologische volgorde aan de orde komen. Dat past bij boeken over historie en zeker bij een biografie. Tammes focust op Lelystad en onderbreekt zijn verhaal met ‘Vensters’ die weer teruggrijpen op voorgaande zaken en dus de chronologie doorbreken. Het Venster Helmond waarin de jeugd van Gruijters aan de orde komt, is zelfs het laatste hoofdstuk. Voor het goede begrip van de gang van zaken is de chronologische volgorde meer geschikt.


Tammes is sociaal geograaf en is zelf ook burgemeester geweest van drie gemeenten in de Betuwe. In 2018 schreef hij een boek over Ridder van Rappard, die burgemeester van Gorinchem was. Van Rappard en Gruijters hebben dat bonkige en dwarse met elkaar gemeen. Daar heeft de hoffelijke auteur weer helemaal niets van.


Dit mooi geschreven portret van Gruijters, dat zich als vanzelf laat lezen, beveel ik graag aan. Het boek geeft een herbeleving van het politieke spektakel uit de laatste twintig jaar van de vorige eeuw.


ISBN 9789044641295 | Paperback | 285 pagina’s | Uitgeverij Prometheus | februari 2020

© Henk Hofman, 3 maart 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Diamantkinderen
Amsterdamse Diamantjoden en de Holocaust
Bettine Siertsema


Amsterdam staat bekend om zijn diamantnijverheid. Vanaf de 16de eeuw vestigden zich veel Joodse vluchtelingen in Amsterdam, alwaar ze zich toelegden op bovengenoemde nijverheid. Dit handwerk was een vrij beroep en viel daardoor niet onder het toezicht van een gilde. Joden konden zelfs in het vrije Amsterdam geen lid worden van een gilde.


Het bewerken van diamanten vergt een hoge graad van deskundigheid en vaardigheid. Amsterdamse diamantbewerkers waren meestal hoogontwikkeld en behoorden tot de gezeten burgerij. Werkers in de diamantindustrie waren eind 19de eeuw ook de eerste arbeiders die zich in een vakbond organiseerden.


Tijdens de bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog ontzagen de Duitsers aanvankelijk de Joodse diamantarbeiders en hun gezinnen. Zij overwogen om een eigen bedrijfstak op te zetten en hadden daarom de specifieke talenten en ervaring nodig van Joden die actief waren in handel en bewerking van diamanten. Maar naarmate de oorlog vordert en kantelt in het nadeel van de Duitsers is het gedaan met die betrekkelijk milde aanpak.


Bettine Siertsema beschrijft de lotgevallen van de gezinnen van de ‘diamantjoden’, waarbij de focus in het bijzonder op de kinderen is gericht. Zij volgt het hele proces van razzia en transport naar kampen als Vught, Westerbork, Bergen-Belsen, Sachsenhausen, Beendorf (een kamp vlakbij Ravensbrück). Siertsema stopt niet met haar verhaal als in 1945 de oorlog ten einde komt, maar vertelt hoe het de overlevende kinderen na de oorlog is vergaan.


Aan het eind van de oorlog hadden bijna vijftig diamantkinderen de dood voor ogen toen ze gescheiden werden van hun moeders en uit een vrachtwagen voor een barak in Bergen-Belsen werden gedumpt om er in een bitterkoude nacht te sterven. Een Poolse vrouw met de naam Luba hoorde kinderstemmen en haalde de ontredderde kinderen naar binnen. Dankzij haar inzet en die van een paar andere vrouwen uit haar barak hebben bijna alle kinderen de oorlog overleefd. In 1995 hielden deze overlevenden een reünie en Siertsema brengt ook daar verslag van uit.


Veel overlevenden uit Bergen-Belsen kwamen na de bevrijding terecht in Zweden. De ruimhartige opstelling van de Zweedse overheid en van de Zweedse bevolking is hartverwarmend geweest. Datzelfde kan niet gezegd worden van de kille ontvangst die teruggekeerde Joden in Nederland ten deel viel van de kant van de overheid en de bevolking. Luba, de ‘engel van Bergen-Belsen’ mocht eerst niet eens het land in. Pas in 1995 is zij na enige aandrang door de regering onderscheiden met een medaille.


Bettine Siertsema heeft grondig onderzoek gedaan naar haar thema. Zij raadpleegde gepubliceerde bronnen, archiefstukken, video-interviews en nam zelf interviews af. Het is een tijdverslindend project geworden dat heel secuur en zorgvuldig is uitgevoerd. Zo is een waardevol boek ontstaan dat onze kennis over de vervolging van Joden in Nederland aanvult met de informatie over deze aparte groep binnen Joods Nederland.


Het boek verhaalt van gruwelen en wreedheden die we ook in andere boeken over de Holocaust aantreffen. Maar het went nooit. Het is onvoorstelbaar wat men mensen kon aandoen louter en alleen om het feit dat zij Jood waren. En juist om die reden moeten wij ons uit alle kracht verzetten tegen het antisemitisme wat opnieuw de kop opsteekt. De herinnering aan het lot van Joden in de oorlog moet ons daarvan weerhouden. Uitgeverij Verbum verdient in dit verband een groot compliment voor het uitgeven van nu al 67 goed verzorgde monografieën in de “Verbum Holocaust Bibliotheek”.

Bettine Siertsema werkt als universitair docent geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij heeft meerdere boeken over de Holocaust geschreven.


ISBN 9789493028340 | Uitgeverij Verbum | Hardcover | Omvang 224 blz. | februari 2020

© Henk Hofman, 26 februari 2020

Lees de reacties op het Forum en/of reageer. Klik HIER

 

Mijn naam is Selma
Het uitzonderlijke verhaal van een joodse verzetsvrouw

Selma van de Perre


Het boek begint met de familiegeschiedenis van een ‘gewoon gezin’ dat door het werk van haar vader, die in het theater werkt, regelmatig verhuist. Haar moeder is hoedenmaakster. Die vele veranderingen van woonplaats beïnvloeden Selma: ‘Toen de oorlog later een einde maakte aan elke vorm van stabiliteit heb ik veel profijt gehad van dit onzekere bestaan. Ik was niet iemand die aan een plek gebonden was en zich niet kon aanpassen…’ zo schrijft ze aan het begin.


Vervolgens vertelt Selma herinneringen aan haar jeugd waar ze ondanks de economische wisselvalligheid toch met een positief gevoel op terugkijkt. De verteltoon is beschrijvend maar af en toe zijn er – begrijpelijk! – zinnen met diepere emoties zoals deze waar ze vertelt dat het gezin uit zes personen bestaat ‘en drie van hen werden weggevoerd en op beestachtige wijze vermoord’, pag. 38. Opvallend om te lezen – maar je komt het vaker tegen – is dat het gezin Van de Perre niet praktiserend joods is. De joodse identiteit speelt geen grote rol in hun leven. Door de oorlog verandert dat volkomen en dan worden zij zich – weliswaar op pijnlijke wijze – bewust van hun Jood zijn.


Selma beschrijft de snel toenemende beperkingen die hun leven steeds meer aan banden leggen. De lezer voelt de beklemming van de bezettende macht toenemen. Het leven wordt steeds meer ontregeld door allerlei regels die de Joden in hoog tempo worden opgelegd. Typerend voor de tijdgeest in het begin van de oorlog is hetgeen Selma schrijft: ‘Zoals de meeste Nederlandse joden was ik volkomen onvoorbereid op wat er ging komen. Ondanks de restricties en de geruchten over wat er zou kunnen gebeuren, beseften we nog steeds niet dat de Duitse nazi’s alle joden wilden uitroeien’, pag. 53 – 54.


Andere joden om haar hen werden op transport gezet maar haar leven ging toch min of meer gewoon door al hangt er een dreiging in de lucht waarvan men niet wist hoe men die moest duiden: ‘En we wisten nog steeds niet wat er gebeurde met de mensen die op transport moesten naar Oost-Europa. We dachten nog altijd dat ze naar werkkampen gingen’, pag. 67.


Selma kiest voor veiligheid en duikt onder en zo komt ze in het verzet terecht en wordt koerierster. Haar moeder en zus worden opgepakt in een onderduik-adres. Haar vader zit al in Westerbork. Selma houdt haar joodse identiteit geheim zodat niemand weet wie zij werkelijk is. Ook zij valt in handen van de Duitsers en via de gevangenis in Amsterdam en het kamp in Vught komt ze in Ravenbrück terecht. Over het leven hier zegt ze kort en krachtig: ‘om te overleven moest je hard zijn’.


Hier wordt het verhaal grimmig want de details die over dit vrouwenkamp worden verteld, zijn ronduit gruwelijk. Veel vrouwen bleken later onvruchtbaar te zijn door zwakte en ondervoeding. Selma schetst een schokkend beeld van dit vrouwenkamp waar de nazi’s genadeloos optraden. Dit kamp doet in hardheid dan ook niet onder voor Auschwitz bv. en ook hier werden mensen vermoord: ‘We konden de dagelijkse moordpartijen ruiken’.


Dat Selma diverse keren aan de dood ontsnapt, is een kwestie van geluk zoals ze zelf schrijft. Wanneer de bevrijding komt, belandt ze in een Zweeds kamp. De blijdschap van het overleven wordt getemperd door de angst wat er met haar ouders en zusje is gebeurd. Na de oorlog praat ze, zoals vrijwel iedereen, niet over haar kampervaringen. Ze trouwt, krijgt kinderen en nu ze 98 jaar is kan ze toch zeggen: ‘ik heb een rijk leven gehad’. Dit getuigt van een enorm positieve levenskracht! Maar de keerzijde is: ‘mijn familie is elke dag in mijn gedachten’. Dat is de last van de overlevenden….


Dit ‘prachtige’ boek brengt de oorlog op menselijke wijze dichtbij  schetst met name op indringende wijze de verschrikkingen van Ravensbrück. Waardevol om te lezen!


Zie ook DWDD special met Selma van der Sterre


ISBN 978 94 004 0459 5 | Paperback | 239 pagina’s | Thomas Rap Amsterdam | januari 2020
vertaling Rebekka W.R. Bremmer

© Evert van der Veen, 14 februari 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER