Nieuwe boekrecensies

De heer Oscar Hilarius
Aad Verhoef


Oom Oscar Hilarius is dood tot verdriet van neef Herman Hazelaar die ooit op negentienjarige leeftijd, nadat zijn ouders in 1957 vermist werden na de vliegramp van Biak, liefdevol in huis werd genomen door de niet onbemiddelde oom Oscar. Oom Oscar heeft toentertijd een groots onderzoek ingesteld in de hoop zijn zus en zwager terug te vinden maar helaas, het mocht niet baten. Vanaf die tijd zijn de twee mannen onafscheidelijk en groeide Herman uit tot de persoonlijke assistent van zijn charismatische, bijzondere, extravagante oom.


Als de dan circa vijftigjarige oom in 1960 bij de notaris is om zijn erfenis te regelen ten gunste van Herman, geeft deze hem, nadat hij gehoord heeft dat Oom Oscar en Herman een rondreis langs de kust van Sicilië gaan maken, een envelop mee voor Dennis Moreno woonachtig in het Siciliaanse plaatsje Borgo Bonsignore.  Natuurlijk zal oom Oscar de envelop vol 'postzegels' meenemen, niet wetende wat hij daarmee op zijn nek haalt.


Eenmaal in hun hotel in Palermo aangekomen en de twee mannen heerlijk relaxed op het dakterras van een cappuccino zitten te genieten, vraagt een mooie vrouw of ze bij Herman en Oom Oscar mag komen zitten. Ze stelt zich voor als Antonella Antonini, ze is onderzoeksjournaliste van het dagblad L'Ora, en op het eiland waar het wemelt van de maffia, worden haar onderzoeken niet erg op prijs gesteld. Ze is zelfs met de dood bedreigd.


Het toeval wil dat Antonella een afspraak heeft met Dennis Moreno om te praten over zijn werk voor de maffia. Toen ze de afspraak maakte had Dennis haar verteld over de komst van de twee Hollanders en hen nauwkeurig beschreven. Ze herkende Oom Oscar en Herman direct. Haar vraag is: "Mag zij meerijden naar Dennis?" Oom Oscar zal oom Oscar niet zijn om haar onmiddellijk zijn bescherming aan te bieden. Natuurlijk mag dat. Als Antonella vraagt of zij bij oom Oscar mag slapen omdat ze niet terug durft naar haar appartement, is hij opnieuw de beroerdste niet. En dit is het begin van een hilarisch en bizar avontuur met achtervolgingen, een moord, een liefdesaffaire, vriendschappen en verraad...


De stijl van Aad Verhoef doet denken aan de charmante humor van Olaf de Landell en de suspenseopbouw van Agatha Christie. Het aanvankelijk gezellige, goedmoedige humoristische verhaal vol bijzondere voorvallen krijgt langzamerhand de trekken van een heuse detective. Oom Oscar is de vriendelijke, minder arrogante variant van Hercule Poirot met Herman als assistent. Oom Oscar is tevens de man die nergens van opkijkt en langzamerhand, door observeren en mogelijke verdachten af te strepen, tot de grote finale weet te komen. Wie is verantwoordelijk voor alle gebeurtenissen, wie is de dader? En natuurlijk worden we steeds op het verkeerde been gezet, ondanks de aanwijzingen naar de dader die her en der worden gegeven. Het verhaal is niet bloedspannend maar wel erg onderhoudend, vooral de droogkomische, verfijnde humor maakt dit boek een groot plezier om te lezen.


Gelukkig kunnen we uitzien naar deel twee getiteld Oom Oscars Joint Adventure dat in het najaar van 2015 verschijnt.


ISBN 978942157027 | Paperback | 197 pagina's | NUR 301, 330 | Uitgeverij Manalone | juni 2015

© Dettie, 7 juli 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Alle Toten fliegen hoch
Amerika
Joachim Meyerhoff


Daar dit boek ook in het Nederlands vertaald gaat worden, iets dat met het tweede deel uit deze serie al gebeurd is, schrijf ik hier maar vast een bespreking.


In het begin van het boek is de schrijver vanuit de plaats in Sleeswijk Holstein, waar hij weliswaar niet geboren is (zoals nadrukkelijk vermeld wordt), maar wel opgegroeid is, op weg naar Hamburg, waar hij aan een selectietest deel zal nemen om voor een jaar naar de Verenigde Staten te mogen als uitwisselingsstudent, hoewel er van een echte uitwisseling geen sprake is. In de trein denkt hij terug aan gebeurtenissen uit z'n jeugd. Hij vertelt ook over z'n driftbuien, iets dat ik wel van mezelf herken. Hij schrijft dat hij nergens in uitblinkt, maar dat hij wel graag sport en dat hij graag weg wil.


Z'n oudste broer studeert in München en z'n andere broer gaat in Gießen studeren. Zelf is de schrijver de jongste van de broers. Tussen de andere kandidaten voelt de schrijver zich een buitenbeentje. Het zijn allemaal jongeren die kennelijk afkomstig zijn uit de betere klassen, goed gekleed en goed gekapt en met veel zelfvertrouwen, waarbij de schrijver, met z'n gewone bril, z'n sweatshirt, jeans en simpele sportschoenen, zich maar bleek bij af voelt steken. De ouders van de schrijver kunnen de reis naar de VS ook helemaal niet betalen, maar z'n grootouders doen dat.


Hij wil het liefst naar een grote stad, maar daar de andere kandidaten allemaal uit Hamburg komen, met uitzondering van een meisje dat uit Kiel komt, verwacht hij niet dat hij naar een gastgezin in een grote stad zal gaan. De vragen op het vragenformulier, dat bepalend zal zijn voor het gastgezin waar hij terecht zal komen, beantwoordt hij niet zo zeer naar waarheid, maar meer om voor zijn gevoel z'n kans om naar de VS te gaan, zo groot mogelijk te maken. Zo zegt hij bij allerlei vragen over hoe belangrijk bepaalde zaken voor hem zijn, dat ze onbelangrijk zijn. Zo geeft hij aan dat religie voor hem heel belangrijk is, om de kans op een gastgezin groter te maken. Een vraag die hij wel naar waarheid beantwoordt is de vraag over hoe belangrijk sport voor hem is. Hij liegt zelfs dat hij al een keer in de VS is geweest.


Hij komt terecht in Laramie in Wyoming, een staat met een oppervlakte die ongeveer gelijk is aan die van West-Duitsland, maar met ongeveer een half miljoen inwoners. Z'n gastouders zijn Stan en Hazel, die 3 zoons hebben, namelijk Bill, Brian en Donald. De eerste 2 zijn al het huis uit en Donald komt op een gegeven moment weer thuis. De schrijver deelt een badkamer met hem en Donald is de enige, met wie hij werkelijk op voet van oorlog komt te staan. Don beschouwd hem als een indringer en laat dat ook duidelijk merken.


Voor het eerste halfjaar kiest de schrijver het volgende vakkenpakket: Eerste uur, bergbeklimmen; tweede uur, Duits; derde uur, houtbewerking; vierde uur, drama. Voor het vijfde uur heeft hij eigenlijk een landbouwcursus uitgezocht, over veeteelt, maar dit wordt hem door Bill afgeraden, omdat de leerlingen echte rauwdouwers zouden zijn, die bovendien een hekel hebben aan vreemdelingen. Hij kiest dus voor Engels, mede omdat Stan opmerkt dat z'n pakket wel erg klinkt naar een half jaar vakantie en dat z'n ouders wel zullen denken dat Amerikanen lui zijn. Het laatste uur heet 'Searching for Identity' en wordt door coach Kaltenbach gegeven. Het basketbalseizoen begint pas over een paar maanden, dus de schrijver heeft in dat opzicht pech.


Coach Kaltenbach komt na een ongeluk niet meer terug op school en later komt de schrijver hem toevallig tegen in de supermarkt, waar Bill werkt. De coach vraagt hem of hij een keer met hem mee wil, als hij op bezoek gaat bij z'n broer, die in de gevangenis van Rawlins werkt. Daar voelt de schrijver wel wat voor en een paar dagen later is het zo ver. Bij het bezoek aan de gevangenis wordt ook een bezoek aan de dodencellen gebracht en daar vraagt een gevangene hem of hij hem in het Duits een brief wil sturen. De schrijver zit hiermee in z'n maag en vraagt aan de bewaker wat de man gedaan heeft. De man op de administratie weet om wie het gaat. De gevangene heet Randy Hart en is het kind van een Duitse moeder en een in Duitsland gelegerde Amerikaanse soldaat. Hij groeit op in Duitsland en komt als hij 15 is met z'n vader naar Wyoming. Hij gaat ook in het leger en wordt in Duitsland gestationeerd. Daar overvalt hij een tankstation, waarbij hij 2 mensen dood. Na een vlucht van bijna 2 jaar wordt hij in Griekenland opgepakt. In Amerika wordt hij ter dood veroordeeld en Duitsland probeert hem een paar keer uitgeleverd te krijgen. Hij zit inmiddels 16 jaar in de gevangenis in Wyoming. Uiteindelijk ontstaat er een intensieve correspondentie tussen de twee, die een verrassende afloop kent.


Op een dag dat het gesneeuwd heeft, zit de schrijver in z'n kamer als de telefoon gaat. Even later wordt hij door Hazel gehaald, die hem verteld dat het z'n vader is. Dat is vreemd, omdat het dinsdagavond is en ze normaal altijd alleen op zondag bellen. Z'n vader verteld hem dat z'n middelste broer bij een auto-ongeluk om het leven is gekomen. Hij moet natuurlijk terug naar Duitsland, maar het duurt nog 4 dagen voor hij kan vertrekken en voor die tijd gaat hij nog met z'n gastgezin naar het Yellowstone Park.
Als hij terugkeert in Duitsland wordt hij met z'n rouwende familie geconfronteerd. De dood van hun zoon heeft z'n ouders flink aangegrepen. Ook voor Josse, zoals de schrijver door z'n vader genoemd wordt, is het niet gemakkelijk, maar voor z'n ouders lijkt het allemaal nog erger te zijn. Na 3 weken keert hij dan ook terug naar z'n gastouders in Laramie. Deze terugreis verloopt niet zonder problemen. Op het vliegveld in New York, moet hij de nieuwe wandelschoenen, die hij van z'n vader heeft gekregen, uittrekken en dit zorgt voor heel wat problemen. Als hij uiteindelijk in een vliegtuig naar Denver zit, blijkt dat er wat schapenuitwerpselen aan z'n schoenen zaten.


De kerstdagen worden over het algemeen beschouwd als een tijd waarin de meeste uitwisselingsstudenten het meeste last van heimwee hebben. De schrijver is echter blij dat hij niet bij z'n ouders is, omdat hij dan hun verdriet ook nog zou moeten dragen. Als hij in januari na een avondtraining terugkomt bij z'n gastouders, is iedereen in het zwart gekleed en kijkt men naar de TV. Z'n eerste gedachte is dat er weer iemand van z'n familie overleden is, maar men blijkt onder de indruk te zijn van de ramp met de Challenger.


Na een jaar keert de schrijver terug naar Duitsland en hij merkt op dat hij graag nog een jaar had willen blijven. Het laatste hoofdstuk speelt zich weer in Duitsland en aan het eind bezoekt hij het graf van z'n broer.


Het boek geeft een vrij nuchter verslag van het verblijf in Wyoming en ondanks het feit dat bepaalde zaken misschien vreemd aandoen, geeft het nergens het gevoel dat de schrijver zich constant loopt te verbazen. Hij neemt de zaken zoals ze zijn en als hij zich ergens over verbaasd, laat hij dat niet echt merken. In het verhaal zitten ook veel herinneringen aan de jeugd van de schrijver verwerkt. Al met al vond ik het een mooi boek en verschillende personen zijn onder m'n huid gekropen. Ik zou willen weten hoe het ze verder is vergaan.


ISBN 9783462044362 Paperback 336 pagina's Kiepenheuer & Witsch GmbH februari 2013

Renate, 28 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe achtste zuster
Elle Eggels


Na jaren heeft Elle Eggels het vervolg van Het huis van de zeven zusters (1998) geschreven: De achtste zuster. Het eerdere boek eindigde met de ontmoeting van Emma met haar zoon Christian aan het graf van haar man.


Christian is weggelopen toen hij zestien jaar oud was, hij kon de druk die zijn vader hem oplegde niet langer aan. Hem opvolgen in de houthandel, dat wilde hij niet. Christian wilde de muziek in, het theater. Hij voelde zich ook verraden door zijn moeder die niet in staat leek hem te helpen.
Emma, dochter van Martha, is meer opgevoed door haar tante Christina dan door haar eigen moeder. Maar Martha is toch haar moeder en ze voelt zich sterk aan haar verplicht, al is hun relatie haast liefdeloos.


Een eigen zoon, teruggevonden na zoveel jaar, blijkt toch sterker. Ze kiest voor Christian, gaat met hem mee naar Andalusië. Zeven maal heeft ze kerstmis gevierd zonder hem; nu ze weduwe is, mag ze voor zichzelf kiezen. Of Martha het er mee eens is of niet.


‘Mam, je hebt nooit je armen om me heen geslagen. Nog niet eens al die keren dat ik in het ziekenhuis lag toen ik klein was, of als ik weer thuis gebracht werd, Wanneer heb je me ooit laten weten, ooit laten zien, dat je blij was dat je mijn moeder was? Heb je je gegeneerd dat je mijn moeder moest worden?‘


Emma wil het anders, zij wil liefde geven en krijgen. In Spanje bloeit ze helemaal op, ze heeft het gevoel dat ze nu pas leeft. Het valt niet mee om de normen en waarden die ze mee gekregen heeft van zich af te schudden, maar het scheelt al veel dat ze haar moeder en tantes niet ziet. Het vrije leven, de lossere zeden, het gemak waarmee de Spanjaarden met het leven omgaan, ze valt er voor als een baksteen. Terug naar Nederland, dat dat bekrompen dorp in Limburg? Ze peinst er niet over.


Dan maakt ze kennis met Sydney, het meisje – de Barbie – die vastbesloten is de knappe Christian met zijn blauwe ogen aan de haak te slaan. Emma moet toezien hoe haar zoon er in mee gaat ‘Ik ben al 23, trouwen moet ik toch ooit’.  Als er niets anders op zit dan zich er bij neer te leggen besluit ze Spaans te gaan leren in het land waar Christian zijn hart verloor aan de mariachimuziek: Mexico. De belevenissen in een vreemd land waar ze helemaal op zichzelf is aangewezen, helpen haar de toekomst uit te stippelen.


Maar dan komt er een telefoontje uit Limburg. De plicht roept. Kan Emma de kracht toch opbrengen voor zichzelf te kiezen? Kan ze haar moeder loslaten? Is ze in staat een nieuwe relatie aan te gaan, met de juiste man?


Net zoals het eerste boek leest ook dit verhaal als een trein. Helaas heeft die wat vertraging op het traject Mexico. Daar moet ruimte verleend worden aan een flinke hoeveelheid informatie over het land en de cultuur. Na het telefoontje uit Nederland komt de vaart er weer in.


Het is erg grappig als ze zichzelf verloochent tegenover een scenarioschrijver op het moment dat hij haar vertelt dat hij het boek Huis van de zeven zusters  aan het bewerken is ’Dat boek heb ik nooit gelezen.’


Deze roman, met zijn vele beschrijvingen en het soms opdringerig optreden van de overledenen, heeft een Zuid-Amerikaans sfeertje. Het is ook een erg vol boek: ideeën, typeringen en observaties. Een mooi verhaal, over een vrouw die zich los moet maken van haar verleden, en daar hulp bij krijgt uit vreemde, maar ook vertrouwde hoek.  Erg mooie omslag ook.


ISBN 9789044346213 | Paperback | 272 pagina's | Uitgeverij The House of Books|  juni 2015

© Marjo, 28 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altJoodse buren
Maria Boonzaaijer


‘Er is maar één ding belangrijk. Eten voor de kinderen. Hout voor de kachel. Overleven in de bittere kou. Zonder gas. Zonder licht.’


Een boek in vier delen. In het eerste deel dat speelt in Amsterdam in de periode van 1942 tot 1944. Josefien Langeveldt ontdekt dat ze opnieuw zwanger is. Ze weet het wel, ze zou daar blij mee moeten zijn, maar ze heeft al zeven zonen, en het is oorlog! Ze hoopt maar dat het een meisje wordt, dan heeft ze dat tenminste.
Josefien is getrouwd met Hendrik, en met hun zonen vormen ze een hecht traditioneel gezin. Ze zijn streng katholiek. Dat vormt de achtergrond van een echtpaar dat preuts en vormelijk iedere lichtzinnigheid afkeurt. Kunst in de vorm van ballet of theater wordt afgekeurd en zang of lezen liever alleen ter dienste van God.


Het kind wordt geboren en is inderdaad een meisje. Josefien is dolgelukkig en is in paniek als op een dag het kind, Lise, erg ziek is. Ze wikkelt het kind in doeken en rent de straat op. Een dokter! Ze ziet de vrachtwagen en de Duitsers nauwelijks, als ze hen voorbij snelt. Maar dan komt er een vrouw op haar af, ze heeft ook een kind in haar armen. ‘Alstublieft mevrouw, red mijn dochtertje.’  zegt ze. 
Josefien zal de rest van haar leven last houden van een enorm schuldgevoel, want ze neemt het kind niet mee. Lise wordt beter, en het hele gezin overleeft de oorlog. Er komen ook nog meer kinderen...
In deel twee is het 1956, er komen nieuwe buren. Groot is Josefiens schrik als het een joodse vrouw blijkt te zijn, met een dochter die net zo oud is als Lise. Is zij de vrouw die ze afgewezen heeft? Dat meisje de baby?


Het hele verhaal ademt een sfeer van schuld en boete. Er wordt nauwelijks gepraat, Hendrik en de kinderen hebben geen idee van de worsteling van hun echtgenote en moeder. Vooral Lise krijgt daarmee te maken, want zij begrijpt niet waarom zij niet mag omgaan met Pauli, het meisje van beneden. Stiekem gaat ze toch met haar om, ze worden hartsvriendinnen.
En intussen naderen de jaren zestig, de jaren waarin oude normen en waarden losgewerkt moeten worden. De gevolgen zijn niet te overzien als Lise verliefd wordt op een toneelspeler...


Deze roman over een gezin in de jaren vijftig wordt zeer overtuigend beschreven. We lezen hoe de oorlog doorwerkt in de jaren erna. We lezen over het begin van de tanende macht van de Kerk. We maken mee hoe de moderne tijd zijn intrede doet in de vorm van wasmachines en televisies. Maar in de tijd die beschreven wordt blijft men nog worstelen met kwesties als seks voor het huwelijk en homoseksualiteit. Dat alles dient als achtergrond voor het verhaal van Josefiens geheim dat haar leven beheerst.
Opmerkelijk, iets waar lang niet over gepraat of geschreven werd: er wordt verteld hoe velen, net als Josefien, hun kop in het zand staken. Nederlanders wisten wel degelijk - of hadden kunnen weten - wat er gebeurde met de Joden die weggevoerd werden.
Een prachtig tijdbeeld, een meeslepende stijl, een heerlijk boek.


Maria Boonzaaijer
is docent drama, stemcoach en chansonnière. Joodse buren is haar derde roman. Haar debuut Papa Tango (2009) schreef ze tijdens een vierjarige zeilreis rond de wereld. In 2013 verscheen haar literaire roman Het vreemde meisje, die door de pers lovend werd ontvangen.


ISBN 978904434603 9| Paperback | 304 pagina's | Uitgeverij The House of Books | maart 2015

© Marjo, 22 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het bedrog van Quisco
Daan Hermans


Niets is precies wat je ziet. En wat je ziet is het precies.


Als de zesentwintigjarige journalist Evander Clovis de opdracht krijgt om naar het gehucht Quisco af te reizen is hij daar niet echt blij mee. Het plaatsje staat bekend als zeer ontoegankelijk. De bewoners zijn stug, vertellen niets en het meest bizarre is, er wonen geen kinderen. Daar is bewust voor gekozen. Maar nu is de huisarts Martha Mulder verdwenen en zij was de enige die wél een kind had. Een meisje, Josie genaamd.

Evander heeft de reis aan zichzelf te danken, hij liet tijdens een redactievergadering vallen dat hij een oudtante, Selma Le Bon, in Quisco had wonen. Gezien de problemen met lospeuteren van informatie in Quisco ziet zijn chef daar dé kans liggen om meer rond  de verdwijning van de huisarts te weten te komen. Het frappante is dat Evander tot voor kort niet eens wist dat hij een oudtante had!  Vlak voor haar dood had oma Evander over haar bestaan verteld en gevraagd eens bij Selma langs te gaan en hem het adres in Quisco gegeven. Ze zei tegen hem: "Selma zal je dingen vertellen waarover jij nog onwetend bent, dingen die belangrijk zijn" Meer wilde oma niet zeggen.
En nu is hij dus op weg, niet wetende dat deze reis zijn leven totaal zal veranderen...


Quisco blijkt niet zo'n uitgedroogd woestijndorp zoals Evander verwacht had. Het is zelfs een erg aantrekkelijke plaats met weelderig groen, fraaie huizen en een prettige sfeer. Een van de eerste mensen die hij ontmoet is Thierry, de eigenaar van de lunchroom. Hij zal later de rots in de branding voor Evander worden. Even later heeft hij zijn eerste aanvaring met de sheriff Cordon, er zullen meerdere volgen die steeds wranger van aard worden... Ook vangt hij een glimp van Josie Mulder op, een graatmager meisje met een spierwitte huid en lange witblonde vlechten. "Ze was zo wit dat ze licht leek te geven".


Selma is niet echt blij met de komst van Evander maar ze maakt er het beste van. Koken kan ze niet, wat overigens heel Quisco bekend is. Evander probeert meer te weten te komen rond de verdwijning van Martha Mulder maar zijn onderzoek loopt steeds dood op de zwijgzaamheid van de bewoners, hoewel ze wel vriendelijk zijn. Hij is verder zeer geïntrigeerd door Josie, het negenjarige meisje dat praat als een volwassene en als ze hem aankijkt dan heeft hij het gevoel dat ze hem totaal, tot in de kleinste vezel van zijn wezen, doorziet. Het meisje toont geen verdriet om de verdwijning van haar moeder. Het lijkt alsof ze geen enkel gevoel heeft, "maar", waarschuwt ze Evander, "niets is wat het lijkt..." en daar moet hij het mee doen.


Het verhaal over Quisco en haar bewoners is apart, het sleept je mee en elke keer als je denkt te weten hoe het verder zal gaan komt er een verrassende wending. De schrijfster geeft elke keer een klein stukje prijs over het bijzondere plaatsje. Langzamerhand toont ze ons wie de inwoners zijn en soms leidt dat tot verbijsterende ontdekkingen. Opvallend is dat niemand roddelt, niemand oordeelt, de enige die dat doet is Evander en dat leidt elke keer opnieuw tot beschamende confrontaties met zichzelf want inderdaad "niets is wat het lijkt".
Als rode draad door het verhaal lopen de gesprekken van Evander en Josie, die erg onderhoudend en intrigerend zijn. Josie is mysterieus, lijkt bijna onaantastbaar, een kind dat alles weet en ziet en er bijzondere levensvisies op na houdt. Kortom, ze is fascinerend. Maar in feite zijn alle inwoners dat, inclusief Selma en Evander
Juist die raadselachtige sfeer maakt dat je wil blijven lezen, en lezen, en lezen tot het boek uit is. Fantastisch boek, schitterend verhaal.


ISBN 9789026329425 Paperback 298 pagina's Uitgeverij Ambo/Anthos juni 2015

© Dettie, 21 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Corsicaanse rapsodie
Marcu Biancarelli

Marcantonu Cianfarani is op zijn zachts gezegd een eigenzinnig man. Hij is schrijver en heeft een vrij cynische kijk op de wereld en het leven.


Hij woont op Corsica, in de vlakte heeft hij een literaire boekhandel die hij sluit als het toeristenseizoen begint. Toeristen kopen alleen maar oppervlakkige tijdschriften en romannetjes maar geen literatuur. Hij haat sowieso de toeristen en het hele toeristenseizoen. Toeristen zijn pompeuze leeghoofden die zich twee weken voor veel geld door de zon laten verbranden... Hij haat ook de winkeliers, restauranteigenaren en café-uitbaters die zich - in zijn ogen - voor het (toeristen)geld verkopen, zij blijven niet trouw aan zichzelf en hun geboortegrond.
In het hoogseizoen trekt Marcantonu daarom naar de bergen, naar het huis dat hij, evenals de winkel, geërfd heeft van zijn voorouders.


Marcantonu heeft een paar vrienden. Hij zoekt vooral het gezelschap van de vriendelijke, bedachtzame, rustige geitenhoeder Mansuetu en zijn broer Traianu, die een boerderij heeft en erg geïnteresseerd is in de geschiedenis van Corsica. Eindeloze gesprekken kunnen ze gedrieën voeren over het verval van Corsica. In de ogen van Marcantonu vertegenwoordigt de geitenhoeder het oude Corsicaanse leven, een leven dat overigens wreed, gruwelijk en abrupt zal eindigen.


De oudere broer van de schrijver, Bastianu, is niet vies van commercie en heeft op zijn geërfd stuk land aan zee een inmiddels vermaarde camping opgezet met daarbij een goed restaurant waar ze goed eten serveren. Volgens Marcantonu is dit laatste vrij uitzonderlijk in hun streek. Ondanks zijn 'toeristische' werk mag Marcantonu zijn broer graag. Ook 'bewonderaar' Ghjuvan Battisti wordt als vriend gezien. Met deze bedrinkt Marcantonu zich regelmatig en dat zijn niet twee biertjes maar echt zich bezatten, ondertussen nemen ze de wereld door en meer.


Het boek leest niet makkelijk omdat Marcantonu zich soms ineens richt tot de lezer waaraan hij bijvoorbeeld vraagt of die zijn gezwets nog niet moe is.  Verder spelen dit boek zich meerdere verhalen af rond verschillende personages, die in aparte hoofdstukken hùn verhaal vertellen. Het is steeds even omschakelen en een stukje doorlezen om te beseffen wie er aan het woord is.


Zo lezen we over de grootvader van Marcantonu die samen met alle dorpsgenoten WO I ingestuurd werd en alle onvoorstelbare gruwelijkheden van dichtbij meemaakte. - Volgens Marcantonu en Traianu begon toen het verval van Corsica. - Deze gruwelijkheden worden niet mooier voorgedaan dan ze waren, de details worden ons niet bespaard. Misschien juist door de bijna observatorische verteltrant over de gebeurtenissen, hebben deze verhalen grote impact.
Daarnaast speelt ook nog het verhaal over de twee meedogenloze misdadigers Don Petru en zijn onderdanige maatje Andria. Zij vertegenwoordigen de Corsicaanse maffia en vormen een nietsontziend duo die niet van kleur verschieten om te moorden als het zo uitkomt. Uiteindelijk zorgen zij voor de grote ommekeer in de levens van Marcantonu en zijn vrienden.


de verhalen zijn soms erg rauw. Marcantonu blinkt niet uit in hoffelijkheid en mildheid, wat ook nauwelijks kan bij een man met zo'n cynische en pessimistische kijk op zijn medemens en de wereld in zijn algemeen. Hij houdt van vrouwen, bezoekt bordelen, maar erg lovend is hij niet. Hij weet heel goed hoe hij vrouwen moet versieren, af en toe voelt hij zelfs iets meer dan begeerte voor ze, maar zij dienen toch voornamelijk om zijn lust te bevredigen. Het verhaal over grootvader en ook dat over de twee misdadigers is grof en soms ronduit gruwelijk.


Toch kun je niet aan het vakmanschap van de schrijver van dit boek ontkomen. Ondanks de soms lastig te volgen inhoud vanwege het overschakelen op steeds andere personages, weet Biancarelli een bijzondere sfeer te creëren en levensechte figuren te schetsen. De discussies die de vrienden voeren zijn geen loze babbelpraatjes, ze getuigen van inzicht en levenservaring. Maar wat me echt verbaasde is dat het boek een happy end heeft!


Een boek voor mensen die van bijvoorbeeld Herman Brusselmans houden hoewel Marcu Biancarelli veel filosofischer en verfijnder van pen is dan Brusselmans.


ISBN 9789490042073 | Paperback met flappen | 280 pagina's | Zirimiri press | oktober 2014
Vertaald door Marilena Verheus

© Dettie, 17 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=De gave
Mai Jia

Bij sommige boeken weet je al na het lezen van een paar bladzijdes dat je iets bijzonders in handen hebt. Dat geldt ook voor De gave. Dit boek vertelt het levensverhaal van een Chinese familie en dan in het bijzonder dat van wiskundig genie Rong Jinzhen.

Hoewel Jinzhen uit zal groeien tot een bijzonder getalenteerde codekraker voor de Chinese geheime dienst, weten de eerste jaren van zijn bestaan slechts weinigen dat hij überhaupt leeft. Degenen die hem kennen vermoeden zelfs dat het vreemde kind geestelijk niet in orde is. De eerste jaren van zijn leven groeit Jinzhen op bij meneer Auslander, een man die al tachtig jaar oud is als hij de zorg voor het jongetje op zich neemt. Het tweetal woont in een piepklein huisje in een perentuin op het landgoed van de familie Rong waar ze geïsoleerd van de rest van de wereld leven. Op meneer Auslander na is niemand geïnteresseerd in de kleine Jinzhen die op dat moment nog met de naam “Eendje” door het leven gaat.

Jinzhens oma was een waar genie met een opvallend groot hoofd. Ze was mede verantwoordelijk voor het succes van de gebroeders Wright, de bekende luchtvaartpioniers. Rong Youying had nog veel meer voor de wereld kunnen betekenen maar helaas stierf ze in het kraambed. Haar zoon overleefde de bevalling maar door zijn grote hoofd zou hij het zonder moeder moeten stellen. Helaas zette de zoon van Rong Youying het succes van zijn moeder niet voort. Hij groeide uit tot een moordenaar en hield er talrijke vriendinnetjes op na. Op jonge leeftijd werd hij zelf vermoord maar korte tijd na zijn dood meldde zijn laatste vriendinnetje zich bij de familie. Ze was zwanger. De familie stond haar toe in een afgelegen landhuis te verblijven waar ze uiteindelijk in het kraambed stierf. Het grote hoofd van Rong Jinzhen werd zijn moeder fataal.

In 1944 stuurt de stervende meneer Auslander een smeekbede naar de rector magnificus van Universiteit N die de “Jonge Lillie” wordt genoemd. Hij schrijft over zijn vermoedens dat Eendje over een bijzondere intelligentie beschikt en verzoekt hem met klem om zich over het jongetje te ontfermen. Eendje is dan twaalf jaar oud en een wereldvreemd kind. Tegen de tijd dat Jonge Lillie in staat is om Eendje te bezoeken, is meneer Auslander al overleden. Het kind woont helemaal alleen in het huisje in de perentuin. Eendje gedraagt zich ronduit vreemd maar toch is Jonge Lillie geïntrigeerd. Ook hij beseft dat het kind bijzonder intelligent is. En zo gebeurt het dat Eendje in het gezin van Jonge Lillie wordt opgenomen. Zijn ongemanierdheid drijft hen regelmatig tot wanhoop maar zijn intelligentie groeit met de dag. Rong Jinzhen, zoals hij voortaan genoemd wordt, is een genie die ongetwijfeld veel voor zijn land kan betekenen. Niemand vermoedt dat zijn genialiteit hem uiteindelijk zijn verstand zal kosten.

Het is niet alleen het verhaal zelf maar ook de vertelstijl die dit boek zo bijzonder maakt. Auteur Mai Jia tekent verslag van diverse gebeurtenissen op en beschrijft interviews die hij met betrokkenen heeft gevoerd. Door deze vertelstijl lijkt het alsof het verhaal echt is gebeurd. Het personage Rong Jinzhen heeft iets mysterieus, iets onaantastbaars. Jinzhen is iemand die maar weinig mensen in zijn leven toelaat. Zijn intelligentie zit hem vaak in de weg en daarnaast ontbreekt het hem aan sociale vaardigheden. Als Rong Jinzhen in het heden geleefd zou hebben zou hij waarschijnlijk van het labeltje “autist” zijn voorzien. Toch is Jinzhen in staat lief te hebben. Hij houdt vooral veel van zijn pleegmoeder, de vrouw van Jonge Lillie.

De gave vertelt het wonderbaarlijke verhaal van een vergeten kind dat opgroeit tot de belangrijkste codekraker van de Chinese geheime dienst. Een ogenschijnlijk klein drama zal uiteindelijk grote gevolgen hebben voor het geestesgesteldheid van de introverte Jinzhen. In De Gave maakt Rong Jinzhen niet alleen indruk op de mensen om hem heen, ook op mij als lezer heeft hij een onvergetelijke indruk gemaakt.  De ontluisterende geschiedenis van Rong Jinzhen zal nog lange tijd door mijn hoofd spoken.

ISBN 9789048821846 | paperback | 349 pagina's| Meridiaan | mei 2015
Vertaald door Erik de Vries

© Annemarie, 15 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De onderwaterzwemmer
P.F. Thomése



Op de achterkant van het boek staat: 'De onderwaterzwemmer is een spannende en aangrijpende roman over de onherstelbaarheid van verlies en schuld daarover.' Deze roman is zeker spannend vanaf het begin tot het einde en beklemmend aangrijpend, maar ook zeker vol met wrange humor.


De veertienjarige Tin probeert met zijn vader in het laatste oorlogsjaar over een rivier naar bevrijd gebied te zwemmen. De jongen haalt de overkant, de vader is spoorloos verdwenen. Tin denkt of hoopt eigenlijk, dat zijn vader het ook gehaald heeft en nu ergens heel ongerust op de jongen wacht. Heel langzaam dringt tot hem door dat zijn vader niet meer terug zal komen. De schrijver laat in het midden of de jongen denkt dat zijn vader dood is of niet. Door de reacties uit de omgeving moet de jongen dat uiteindelijk wel geloven, maar hij wil er eigenlijk niet aan. Als zijn vader dood is, is hij daar dan schuldig aan? Zijn moeder laat hem dat wel voelen, er is voor haar wel degelijk sprake van dood door schuld! Onterecht en ongegrond, dat weet zij ook, maar toch. Tin moet met dat schuldgevoel leven of zoals de schrijver het heel mooi verwoordt:


Tin heeft zijn eigen geschiedenis, al is het hart daaruit verdwenen, waardoor zijn verhaal nooit een verhaal wil worden. Iets wat ontbreekt kun je niet denken, je kunt er alleen iets omheen bedenken. Hij benijdt het gemak waarmee Jean-Luc zijn verleden presenteert, de situaties tot in details invult en het met al die woorden van hem een ontzagwekkende rijkdom verleent, terwijl hij zelf vooral schuld en verwarring en gemis voelt.


Dit citaat uit het boek, laat meteen de mooie schrijfstijl zien die de auteur gebruikt. Ik vind het altijd heerlijk als een roman iets ongrijpbaars bezit en tegelijkertijd een heel invoelbare dagelijks situatie beschrijft. Dat is wat Thomése doet. Op website van de uitgever lezen we uit een recensie van het Noordhollands Dagblad over dit boek:  "Er is geen ongrijpbaarder schrijver in het Nederlandse taalgebied dan P.F. Thomése. Net als je denkt, dat je hem nu wel kent, komt hij weer met een boek dat totaal anders is. Nu eens platvloers en hilarisch, dan weer verstild en ontroerend."
Mooier kan ik het niet beschrijven voor wat dit boek betreft.


Tin probeert zijn verdere leven zo normaal mogelijk in te vullen. Hij krijgt een vrouw en een kind. Met zijn vrouw Vic gaat hij de reis van HAAR leven maken. Ze doen dit zonder hun tienerdochter Nikki. Voor Tin bestaat zoiets als de reis van je leven niet meer maar hij gaat mee, niet wetende welk noodlot er opnieuw dreigt. In die situatie begint de lezer te beseffen wat er al die tijd in Tin heeft geleefd.


Ten slotte komt Thomése met een verrassend en indringend einde van het verhaal. Als lezer voel je en weet je dan dat één gebeurtenis uit je jeugd je hele leven kan bepalen en sturen. Hoe je over zaken denkt, welke beslissingen je wel of niet neemt en hoe anderen zich daardoor tot jou verhouden. Misschien zelfs wel in hoeverre je in staat bent je eigen leven te leven als je al heel vroeg in je leven een verlies te verwerken krijgt en met een gemis moet leven en een verstoorde geschiedenis opbouwt. Als daarbij door een mens ook nog een levenslang schuldgevoel wordt ondervonden, dan verloopt je leven misschien wel zoals dat van de hoofdpersoon Tin.


Een boek waarover je als lezer nog lange tijd na blijft denken.


Over de auteur: P.F. Thomése is een van de veelzijdigste schrijvers van ons taalgebied; romancier, essayist, polemist, verhalenverteller, ironicus en scherp cultuurcriticus: onverschrokken en trefzeker en altijd weer verrassend. Een taalvirtuoos in elk genre dat hij beoefent. Veelvuldig genomineerd en bekroond met onder meer de AKO Literatuurprijs en de Bob den Uylprijs, en in meer dan twintig talen vertaald.


ISBN 9789025444310 Hardcover 256 pagina's Uitgeverij Atlas Contact april 2015

© Ria, 11 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altWanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit geweest is
Joachim Meyerhoff


De vader van Joachim - de ik-verteller Josse in het boek - is de directeur van Hesterberg, een kliniek  in Sleeswijk-Holstein, voor jeugdige psychiatrische patiënten en lichamelijk gehandicapten. ‘Schizo’s, spasten, mafketels, mongolen en lijpo’s’ worden ze door de jongens genoemd. Sommigen wonen er hun hele leven, omdat je het hen niet kon aandoen hen weg te sturen van de plek waar ze zich thuis voelen.
Het huis waarin het gezin woont staat midden tussen de gebouwen. Het is bepaald geen normale omgeving waarin de jongen opgroeit samen met zijn twee oudere broers, maar voor hem is het zo normaal dat hij zich rustig in slaap laat wiegen door het geschreeuw van de patiënten.


Het relaas begint als Josse een jaar of zeven is, en eindigt als hij na de dood van zijn vader een laatste keer het terrein bezoekt. Het is geen roman met een spanningsboog, maar een chronologische opeenvolging van anekdotes.
We lezen over de vreemde jeugd van Josse, hoe vertrouwd hij is met mensen die er anders uitzien, die zich anders gedragen. Met sommigen is er een goed contact: als zijn vader jarig is komen ze gezellig op zijn verjaardag. Er is een haast hilarisch verhaal over de hond, met wie hij een bloedbroederschap sluit, hetgeen tussen baasje en hond in plaats van een innige vriendschap juist een vertrouwensbreuk teweegbrengt.


Humor zit er overigens volop in het boek, maar het is wel humor met een tragische ondertoon. Het is vooral de vader die veel voorkomt in de verhalen. De man met de forse buik, de man met de snor, die op zijn veertigste besluit een totale ommezwaai te maken: niet meer zo veel eten, niet meer roken en gaan sporten. Hoe dol zijn vader was op het vragenspel met de hele familie waarbij iedereen vragen kreeg over zijn eigen specialisme, en dat altijd gewonnen werd door zijn vader. Over het vakantiehuisje, met ook daar buren die niet helemaal normaal waren, en bij wie zijn vader zich ‘dus’ betrokken voelde.


De jongen wordt ouder, en de verhalen veranderen. Begint het met beschrijvingen van bijzondere voorvallen in zijn jeugd, en met belevenissen met de patiënten, later worden het verhalen over de realiteit. De wereld is anders dan hij dacht, en de rol van zijn vader daarin is niet altijd even positief. Wat niet zo vreemd is - want is dat niet bij de meeste mensen zo? - hij ontdekt dat het leven van zijn moeder en dat van zijn vader niet was zoals hij het zag. De wereld die voor hem zo normaal, zo fijn was, blijkt door anderen zeer eigenaardig gevonden te worden. En pas als hij niet meer om de buitenwereld heen kan, beseft hij dat het inderdaad niet normaal is als iemand je constant wil omhelzen, of als iemand praat als ‘owatzietdietaarterlekkeruitikwordnietgoed.’


Het is een autobiografische roman, hetgeen inhoudt dat er ook verzonnen is. In het eerste verhaal vindt de jongen, zeven jaar oud, het lichaam van een dode man. Hij ontdekt dat de waarheid niet altijd geloofd wordt. En dat hij juist door te overdrijven en zijn verhaal te veranderen, wèl geloofd wordt.  Ook leert hij dat mensen smeuïge details willen horen, al of niet verzonnen. Hoe meer hoe liever.


Moeten we zijn boek ook zo lezen? In de grond is het een waargebeurd verhaal, maar de lezer weet niet wat klopt en wat er bij verzonnen is. Een autobiografie is een relaas vol feiten. Joachim Meyerhoff heeft er voor gekozen een mooi verhaal te schrijven, hetgeen helemaal gelukt is. De kern is de waarheid, en als het niet waar is, is het mooi verzonnen!


Het is het tweede deel van een serie, waarin hij nog meer over zijn leven vertelt. Over de dood van zijn broer, over zijn grootouders.
Joachim Meyerhoff (1967) is in Duitsland een bekende acteur.


ISBN 9789056725082 | paperback |336 pagina's | Uitgeverij Bruna | februari 2015
Vertaald uit het Duits door Josephine Rijnaarts

© Marjo, 8 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altAlleen met de goden
Alex Boogers


‘Je kan het. Je kan het. Geloof er in en je kan het.’
En nee, dit is geen citaat. Het zijn de woorden die in mijn hoofd blijven hangen, sinds ik het boek uit heb. Een overweldigend verhaal, dat je vanaf de eerste pagina pakt en niet meer los laat. Ook niet als je het uit hebt.


Het verhaal is dat van de jongen Aaron, die, elf jaar oud, geschreeuw hoort aan de deur, en als hij gaat kijken een man op de drempel ziet liggen. Onbeweeglijk, terwijl zijn vader vloekend schreeuwt dat hij wakker moet worden. ’Neem dat jong mee..’ riep hij. Maar de jongen is er vanachter de deur van zijn kamer getuige van hoe zijn vader meegenomen wordt door de politie en een buurman blijft roepen dat ze asocialen zijn. Zijn leven, toch al niet zo rooskleurig, ligt vanaf dat moment aan gruzelementen.

Het gezin - vader, moeder en zoon - woont in een volksbuurt onder de rook van Rotterdam. Vader is havenarbeider, nogal grof in de mond, drinkt graag, maar is voor de jongen een gouden vader. Ook als hij ontdekt dat hij niet zijn biologische vader is. Want Leen was goed voor hem. Niet als zijn moeder, die niet eens een koperen moeder is: ze gaat te keer tegen de jongen, roept steeds dat hij er beter niet had kunnen zijn, en ze slaat hem. Niets is goed. Ze boort hem de grond in.
Vader Leen wordt door Aaron ‘papa Leeuw’ genoemd. En Aaron is voor zijn vader ‘Tijgerwelp’. Het leven is hard, leert de jongen, thuis en op straat. Wie voor een dubbeltje geboren is wordt nooit een kwartje.


Eén ding is er waardoor Aaron zich staande weet te houden: hij schrijft. Schriften vol schrijft hij, en als hij ’s avonds uitgeschreven is, kan hij eindelijk slapen. Want de beelden die hem storen moeten weggeschreven worden. Hij verstopt zijn schriften en zwijgt er over. Pas op de middelbare school, als een leraar in hem de woede herkent die hij zelf ook had, geeft hij het toe: hij schrijft. Is het goed, wil de leraar weten. Dat weet Aaron niet. Niemand leest het, ook hij zelf niet.


Hij schrijft: over de toestand thuis, over zijn vader in de gevangenis, over de straat waar hij met zijn veelal allochtone vriendjes rondhangt. Over Olivia, zijn buurmeisje met wie hij ‘doktertje speelt’; over diens broer, die zo duidelijk homoseksueel is, en dat in een wereld die niets van homo’s hebben moet. Over Ronald, de zwarte jongen, die zijn beste vriend is, maar die steeds maar zegt dat hij dat niet kan zijn, omdat hij niet kan begrijpen wat het is om zwart te zijn. Over school, waar hij vanwege zijn armoedige kleding in het hokje van de kanslozen gestopt wordt. Over de nachtmerrie die hem maar niet met rust laat. En over nog veel meer.


Even lijkt het er op dat de jongen die nadat zijn vader verdwenen is, liefde moet ontberen, een maatje vindt in de pitbull Otis. Een droom die in duigen valt. Dan ontdekt hij het kickboksen. Zijn leraar Art ziet een kampioen in hem, en inderdaad weet hij de woede van zijn leerling zo te kanaliseren dat hij een kampioen wordt.Maar is dit het dan? Vechten? Waar vecht hij tegen? Het zijn niet de tegenstanders. Nee, hij vecht tegen zijn angst. Tegen zijn achtergrond. Tegen zijn moeder. En tegen de vader die hij nooit kende. ‘Ze zien het beest, maar niet de angst’. Hij durft niet te schrijven. Hij durft niet van iemand te houden. Hij durft niet te leven.


Het boek is geschreven in het ritme van de klappen die een bokser in een training uitdeelt aan de bokszak. Het verhaal is een roman, maar er zitten veel autobiografische elementen is. Zo is Alex Boogers opgegroeid in een buurt als die hij beschrijft. Zijn moeder was ook bijna ongeletterd – ze zal het boek dat hij schreef niet lezen.
Het is een coming of ageroman. Over een milieu dat je alleen maar zo overtuigend kunt beschrijven als je het zelf kent. En dat is dan ook het geval. Alle elementen uit zijn biografie komen terug in deze lijvige ontroerende roman.


Alex Boogers
is een Nederlandse schrijver. Hij woont en werkt in Vlaardingen, dat hij zelf steevast ‘het Naamloze Gat’ noemt. Ondanks een rommelige en turbulente jeugd waarin hij veel tijd op straat doorbracht en vocht, volgde Boogers het mavo, havo en vwo. Boogers was een begenadigd vechtsporter en beoefende taekwondo, jiu-jitsu en thaiboksen tot hij een ernstig ongeluk kreeg en verschillende ruggenwervels brak en verschoof. Later begeleidde hij jonge aanstormende vechttalenten. Boogers studeerde uiteindelijk Nederlands recht en filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In Leiden studeerde hij voor een zeer korte periode Nederlandse taal.


ISBN 9789057597114 | Paperback | 576 pagina's | Uitgeverij Podium  | februari 2015

© Marjo, 4 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet chagrijnige slagzwaard
Theo Barkel


Hiram, een zestienjarige boerenzoon, heeft na een fikse ruzie met zijn vader, de deur achter zich dichtgegooid. Wat nu? Diep in gedachten verzonken begeeft hij zich naar het paleis. Daar is misschien werk. Onderweg schrikt hij op van een vreemde waterige verschijning. ’Kané-Diam... zoek het zwa...’ hoort hij. Dan is de verschijning weer weg.
Even later bij een groot meer weet hij: dat is Kané-Diam. Daar had die figuur het over toch?
En aan de rand van het water zal hij Harry vinden, als die uitroept: ‘Kijk uit waar je gaat zitten, lomperik!’. Het is een zwaard, een pratend zwaard. Het chagrijnige slagzwaard. Het zwaard dat steeds maar moppert, vaak voor Hiram praat, maar naar blijkt, hem in goede banen weet te leiden.

'Kun je me aan de andere kant hangen?' haalde de stem hem uit zijn pijnlijke overwegingen.
'Hoezo?' antwoordde Hiram verward.
'De zon schijnt in mijn ogen, heel irritant.'

Harry is gemaakt door de tovenaar Miurghan, wiens onhandigheid wel vaker vreemde gevolgen heeft. Behalve dit pratende zwaard zijn er neusvleugelraten en weekbottigen, die zich met nog andere akelige wezens in het Eenzame woud bevinden. Het Woud ligt op de grens tussen twee koninkrijken, die ooit Potanesië vormden. Nu is het land verdeeld in Sinda-Potanesië, bestierd door Sinda, en het zuidelijke Garma-Potanesië, waar Turon koning is. Sinda wil evenwel alleenheerser zijn. Al eerder heeft hij oorlog gevoerd, en nu probeert hij het opnieuw. Hij bestelt een magisch zwaard bij de tovenaar. Daar gaat iets fout...

Koning Turon heeft daar geen weet van. Hij heeft een ander probleem: zijn enige dochter, de troonopvolger, wil niet trouwen. Zij is verliefd op het kamermeisje, maar dat kan de koning natuurlijk niet accepteren. Ten einde raad organiseert hij een toernooi: wie het wint, zal zijn dochter huwen.
Hiram die op zoek is naar een baantje op het kasteel, wordt zonder dat hij er iets tegen kan doen ingeschreven als deelnemer. Daar helpt Harry een handje bij, want die wil vechten.
Natuurlijk wint Hiram, al heeft hij geen idee hoe en van wie. Maar wat moet hij met een boze prinses die hem niet wil?  Zijn slagzwaard weet het wel, en het grote avontuur begint.


Er zijn meerdere verhaallijnen: Hiram natuurlijk, met zijn zwaard. Maar ook de lakei Anwar beleeft het een en ander, en er is de nar. De strijder Kamar doet ook een duit in het zakje.
Een strijd tussen goed en kwaad, met forse gevechten; vreemde wezens, waarvan het ene aan de goede kant staat, en het andere dus niet; tovenarij, hier in handen van een klunzige tovenaar, die je niet moet onderschatten, het zijn de gebruikelijke ingrediënten van een fantasyverhaal.
Wat dit verhaal speciaal maakt is dat er ook romantiek in zit, en vooral veel humor. De lichtvoetige toon en de vaak hilarische voorvallen maken het boek een feest om te lezen. Ik heb genoten...

'Terwijl hij dacht aan het paard, dat nog ergens in het bos moest staan met al hun  proviand bij zich, liet hij zijn voeten genietend in het koele water zakken. Ze moesten maar even volhouden. (-)
‘Goeiedag zeg! Dat steekt zomaar zijn voeten in andermans zaken!”
Geschrokken trok hij zijn voeten terug.
‘Dat is beter. Als je je schoeisel weer aan wilt doen, zou het helemaal fijn zijn!’.
Verbaasd staarde Hiram naar het water, vervolgens naar de waterval aan de andere kant van het meer, waar het gejoel vandaan kwam dat hij de hele tijd hoorde. ‘Dit water...praat!’ concludeerde hij,.
‘Wat is daar nu zo bijzonder aan? Ik toch ook?’ Merkte het zwaard op. ‘Dit moet de Spraakwaterval zijn.’


Theo Barkel is al vele jaren actief als schrijver. Naast de horrorserie Shadajaël zijn verschillende van zijn korte verhalen gepubliceerd. Tevens is hij jarenlang hoofdredacteur geweest van SF-Terra, één van de oudste SF en Fantasy tijdschriften in Nederland.


ISBN 9789078437208 | paperback | 229 pagina's | Uitgeverij Macc  | mei 2015

© Marjo, 1 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lizzie
Eva Wanjek


Vanaf de dag dat hij de beeldschone, bijna doorschijnende Lizzie Siddal met haar prachte lange, rode haar ziet, is zij de muze van de Engelse dichter en schilder Dante Gabriel Rossetti. Alles aan haar aanbidt hij en zij aanbidt hem. Lizzie is ongrijpbaar, een vrouw die hij niet kan doorgronden en ook een vrouw die hem zo vertrouwd is alsof hij haar zijn hele leven kent.  Ze lijkt soms van glas, zo fragiel en teer.


Al vanaf het begin is duidelijk dat Lizzie nauwelijks aards is te noemen, we lezen haar gedachten en zij leeft in een totaal eigen wereld. Ze zweeft door alles heen, kan zich afsluiten en verzinken in gedroom.  Haar moeder vindt haar 'als een lichtende streep aan de hemel'. Haar vader zegt haar in een van zijn weinige vertrouwelijke momenten dat hij weet dat zijn dochter anders is dan haar moeder of hem, ze is iets bijzonders.


Dat bijzondere werkt aanvankelijk in haar voordeel. Lizzie is o.a. lange tijd het lievelingsmodel van de schilders van de prerafaelitische school, opgericht door de vrienden John Millais, Wiliam Holman Hunt, Walter Deverell en Dante Gabriel Rossetti.  Lizzie is een vrouw met een bijna serene uitstraling en Dante prijst zich gelukkig dat zij hem als haar man gekozen heeft. Lizzie is idolaat van Dante.


"[...] Dante maakt me - anders dan ik was. ik ben een andere Lizzie wanneer hij bij me is, dan voel ik me - gewichtloos. Alsof mijn voeten nauwelijks de vloer raken. Ik loop, ja, maar ik word vanzelf vooruitgedreven, het is die zachte hand, zijn hand, die me in de juiste richting duwt. Ik ben niet graag meer alleen, zonder hem."


Omdat hij haar zeer slanke lijf prachtig vindt, gebruikt Lizzie Flowers Solution, een drankje dat haar een prachtige teint geeft. Een drankje met 1% arsenicum. Het zal duidelijk zijn dat Lizzie zich niet altijd geweldig voelt, zowel geestelijk als lichamelijk stort zij regelmatig in. Toch is zij een heel intelligente vrouw die zelf ook een zeer getalenteerd kunstschilder en dichter is.


Nadat er zo'n drie jaar zijn verstreken begint de aanvankelijk zo grote, overweldigende liefde kleine scheurtjes te vertonen. Vooral Dante heeft moeite met Lizzie's gedragspatronen waar ze in vervalt. Het samenleven met Lizzie is zelden zoals hij voor ogen had. Aanvankelijk was haar schoonheid zo verblindend dat hij haar gedrag niet opmerkte, alles wat zij deed was goed. Maar Lizzie blijft die onaardse, dromende, onnavolgbare vrouw waar Dante uiteindelijk niet zo goed mee om kan gaan. Toch weten ze van elkaar dat ze 'een pact voor de eeuwigheid hebben, ze zijn voor elkaar bestemd, aan elkaar gewaagd en zullen bij elkaar blijven, maar dat wil nog niet zeggen dat ze samen gelukkig zijn'.


Na weer een akelige aanval van landerigheid en lamlendigheid bezoekt Lizzie de beroemde Florence Nightingale die haar een verblijf van drie weken aan zee adviseert.  Lizzie vertrekt naar een hotel in Hastings waar Dante's familie regelmatig gelogeerd heeft.
Lizzie's afwezigheid leidt tot een hervatten van een vrijgezellenbestaan van Dante, en alsof dat nog niet erg genoeg is, bedenkt hij al van tevoren hoe hij zich bij zijn bezoekjes aan Lizzie zal gedragen en neemt dus een pose aan waarvan hij weet dat ze dat zal waarderen, maar hij acteert alles bij elkaar. Hij gedraagt zich als een diplomaat.  Dante neemt in die tijd al regelmatig zijn toevlucht tot laudanum (opiumtinctuur) en een tijd later biedt hij Lizzie ook laudanum aan om rustig te worden...  Lizzie's  verblijf aan zee zal achteraf de kentering in hun relatie blijken, een relatie waarin ze langzamerhand afglijden tot twee zeer eenzame mensen die elkaar niet kunnen bereiken, een relatie die gedoemd is...


Het boek is gebaseerd op het leven van Dante Rossetti en Elizabeth Siddal maar is, zoals de schrijvers melden, wel literaire fictie.
Het verhaal zelf verloopt traag, het meandert, er gebeurt in feite weinig en toch ook weer veel, alles draait om de relatie van Lizzie en Dante. Het is echter wel een fascinerend verhaal. Je voelt dat het mis zal gaan, maar hoe? Wat zal er verder gebeuren met de onwerkelijke, fragiele, broze Lizzie en de drukke, gedreven Dante?
We lezen de gevoelens van Lizzie doorheen het boek in aparte blokken met schuingedrukte letters, wat ik een enkele keer storend vond omdat het het de doorgang van het verhaal belemmerde. Lizzie herhaalt het eerder beschrevene maar dan vanuit haar dromerige, zweverige visie. Maar toch geeft dat net het aparte, het tegenwicht in het verhaal.


De vorm en de stijl zijn het knappe van het boek. De fascinatie die Lizzie en Dante voor elkaar voelen is bijna tastbaar, ook de verschrikkelijke sfeer rond de twee gelieven in de tijd dat de laudanum een steeds grotere rol gaat spelen is adembenemend. Lizzie en Dante worden door de opium totaal andere mensen die eigenlijk voor de lezer veel interessanter zijn dan het liefelijke stel dat we aan het begin van het verhaal aantroffen. De scheldpartij van Lizzy in een roes van laudanum is onvergetelijk.  De schrijvers hebben dit aftakelingsproces in erg mooie en beeldende taal weten weer te geven. Ondanks dat de relatie zijn gelukkige momenten kent en soms met de nodige humor verteld wordt, is het wel een vrij triest en deprimerend verhaal, vooral vanwege het langzaam wegglijden van de twee eens zo levendige, aantrekkelijke mensen.
Het is een boek dat je met aandacht moet lezen, geen boek dat je even tussendoor als ' lekker weglees romannetje' kunt lezen. Daarvoor zijn de karakters te uitgesproken en is het verhaal te imponerend.


Al met al ben ik wel onder de indruk, na het dichtslaan van het boek moest ik het verhaal even van me af moest schudden. Het sombere, trieste verloop van het leven van deze twee enorm getalenteerde mensen hakte er bij mij nogal in, ik had af en toe moeite het boek weer op te pakken omdat het af en toe zo zwaarmoedig was. Maar zeker is zeker, het is een verhaal dat je niet snel zal vergeten.


Eva Wanjek is het pseudoniem waaronder twee auteurs hun krachten hebben gebundeld: de romanschrijver Martin Michael Driessen en de dichteres Liesbeth Lagemaat.


ISBN 9789028426160 Paperback 464 pagina's Uitgeverij De Wereldbibliotheek mei 2015

© Dettie, 2 juli 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Vlucht naar Curaçao 
Debby van den Bergh

Na de dood van haar beste vriendin Jacqueline dendert het leven in sneltreinvaart over de naamloze hoofdpersoon in dit boek heen. Ze is zoekende, zoals ze het zelf omschrijft. Is het tijd om haar leven een nieuwe richting te geven? Maar welke kant moet ze dan op? Welke route moet ze volgen? Ze weet het niet. Haar vrienden Mark en Ellis horen haar geweeklaag geduldig aan. Zij zijn ook zoekende. Alle drie zoeken ze naar het ultieme doel in het leven en beseffen niet dat ze daarmee eigenlijk aan het leven zelf voorbijgaan.

Eens was de hoofdpersoon gelukkig met de vader van haar zoon Robin. Samen vormden ze een gezin. Nu moet ze het ouderschap delen. Een co-ouderschap. Als Robin bij zijn vader is, doet het gemis zeer. De dagen zonder Robin duren eindeloos en voelen uitzichtloos. Is haar zoon wel gelukkig? Zal hij haar later het hele gedoe rondom het co-ouderschap verwijten? Zal hij haar het kwalijk nemen dat hij steeds moet verkassen?

Het leven zit vol verplichten die moeilijk met elkaar te combineren zijn. Als gevolg daarvan kampt de hoofdpersoon met een chronisch schuldgevoel. Ze heeft een drukke baan, een kind, vrienden maar ook een ernstig zieke vader. Hij heeft darmkanker. Het lukt haar niet om hem dagelijks te bezoeken en alweer heeft ze het gevoel dat ze faalt. Faalt als dochter.

Haar jeugd was geen pretje. De ruzies tussen haar ouders liepen torenhoog op. Vader sloeg moeder waarop moeder naar de alcohol greep. Zelfs houdt ze ook wel van een drankje. Wijn vormt een dagelijks bron van genot. Wijn en sigaretten. Wel jammer dat haar voorliefdes haar gezicht steeds meer tekenen. Is ze bereid een stapje terug te doen?

Wat wil ze eigenlijk? Wil ze een serieuze relatie of liever regelmatig een onenightstand? Het uitgaansleven biedt de nodig afleiding. Ze weet best dat ze er goed uitziet en ze flirt er graag op los. Maar is het genoeg? Wil ze niet liever een man die zielsveel van haar houdt? Een sprookjesprins? Haar besluiteloosheid doet  Mark en Ellis meer dan eens diep zuchten.

Vlucht naar Curaçao is deels autobiografisch. Schrijfster Debby van den Bergh schrijft zelfverzekerd en eerlijk. Zo eerlijk zelfs dat ik me soms aan haar ergerde. Dat maakt niet uit want dat doet ze in het boek zelf ook. Ze weet best dat ze klaagt en zeurt. Ze weet ook wel dat het allemaal veel erger kan maar ze bevindt zich op een punt in haar leven dat ze door haar eigen gevoelens opgeslokt wordt. Ze vergeet zelfs belangstelling voor haar vrienden te tonen.  Ze heeft genoeg aan haar eigen beslommeringen. Haar tunnelvisie.

De schrijfster hanteert verschillende schrijfstijlen. Ze wisselt bloemrijke taal af met dramatisch zelfbeklag (zo vatte ik het op tenminste) om vervolgens recht voor zijn raap een blunder uit de doeken te doen. Alsof ze nog een beetje zoekende is naar een eigen stijl. De rechttoe-rechtaan stijl is me het meest bevallen. Er staan grappige anekdotes in het boek en seksscènes die weinig aan de verbeelding overlaten. Dat laatste hoeft van mij dan weer niet per se maar wie dat wel waardeert zal in zijn of haar nopjes zijn. De ruimtes tussen de hoofdstukken in zijn met gedichten opgesierd.

Het mooi vormgegeven boek Vlucht naar Curaçao is een persoonlijk document. Een dagboek haast. Sommige dingen zijn herkenbaar, de rest zal vooral voor de schrijfster heel waardevol zijn. Het is een persoonlijke ontdekkingsreis die wordt afgewisseld met taferelen die aan de televisieseries Sex and the City en Gooise Vrouwen doen denken. Het lukt de hoofdpersoon om een aantal gebeurtenissen een plekje te geven. Andere zaken zullen blijven spelen want haar zoektocht is niets minder dan het leven zelf. Een zoektocht die hopelijk nog heel lang mag blijven duren.

ISBN 9789491875144 | hardcover | 238 pagina's| LetterRijn | mei 2015

© Annemarie, 2 juli 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altZomer van de waarheid
Nele Löwenberg


De veertienjarige Sheridan is een echte puber: ze wil de wereld ontdekken, en houdt zich op met een groep jongeren, die net als zij tegen de oudere generatie aanschopt.


Het verhaal speelt in Fairfield, Nebraska. Amerika dus. Roken onder de achttien, drinken als je nog geen eenentwintig bent, het is verboden. Als ze in de oude meelfabriek betrapt worden, en Sheridan zelfs in de gevangenis belandt, omdat ze zich tegen haar aanhouding verzet heeft, zijn haar ouders woest.
Maar een van de redenen dat Sheridan zo opstandig is, is dat ze geadopteerd is. De mensen die ze Mom en Dad noemt hebben haar verteld dat haar biologische ouders omgekomen zijn bij een auto-ongeluk. Waarom Rachel en Vernon haar in hun gezin, waar al vier jongens waren, opgenomen hebben, begrijpt ze niet zo goed. Vernon is aardig genoeg, ze is dol op hem, maar hij is steeds vaker en steeds langer van huis. Dan heeft Rachel, haar stiefmoeder, vrij spel.
Want het lijkt er op dat zij geen greintje liefde koestert voor het meisje. Zoon Esra is haar lievelingetje, en ook die maakt Sheridan het leven zuur. Rachel is een venijnig, bekrompen persoon, schijnheilig en jaloers, maar ze is machtig. Tot Sheridan bij toeval geheimen ontdekt, die onder andere te maken hebben met de reden waarom Rachel zich zo gedraagt.


Er gaan een paar jaar voorbij: Sheridan heeft geleerd zich thuis aan te passen, ze doet braaf wat haar opgedragen wordt, om Rachel maar geen aanleiding te geven haar te straffen, die dat toch wel doet. En Esra is jaloers, hij pest waar hij kan. Ook benadert hij haar  op een manier die een broer niet past.
Sheridan vlucht: naar haar tante Isabel, die haar laat spelen op haar vleugel. Sheridan is dol op muziek, en droomt van een carrière als zangeres. Dat is Rachel een doorn in het oog, ze werkt het meisje op alle mogelijke manieren tegen.
Bij tante Isabel komt ze ook in aanraking met romans: ze leest over romantiek, over passie. En ze hunkert. Maar ze valt op de verkeerde mannen. Verschillende keren zelfs. Intussen beidt ze haar tijd: als ze klaar is met school zal ze weg kunnen. Maar haar hunkering blijkt een valkuil, en het is maar de vraag of ze de ware leert kennen. Het leven is haar niet altijd goedgezind.


De schrijfster is Nele Neuhaus, een Duitse schrijfster die bekend is vanwege haar thrillers.
Het is dus geen vertaling uit het Engels, maar uit het Duits, hetgeen het irritante gebruik van Mom en Dad, en farm verklaart, woorden die waarschijnlijk wel vertaald zouden zijn als de oorspronkelijk tekst Engels was geweest. Zou je niet weten wie de schrijfster is, dan zou je niet vermoeden dat ze Europees is: het is een rasechte American novel:  het goede zal het kwade overwinnen. Ook al verraadt ze haar afkomst door de passionele scenes, soms doet ze een succesvolle poging:


‘Op de een of andere manier paste ze niet bij haar man, die elke nacht in de beste Henry Millertraditie in mijn dromen opdook, zodat ik me ’s morgens schaamde en hem nauwelijks in de ogen kon kijken als ik tegenover hem stond.’


Afgezien van de kleine vertaalergernis en de grote voorspelbaarheid is het een meeslepend verhaal, romantisch, sensueel, vol intriges en dramatiek. Het is smullen tot het einde!


ISBN 9789021457789 | paperback | 416 pagina's| Uitgeverij Q | maart 2015
Vertaald uit het Duits door Sander Hoving

© Marjo, 23 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De boekhandel
Penelope Fitzgerald


1959
Florence Green, woonachtig in het Engelse plaatsje Hardbourough, heeft Old House, een vijfhonderd jaar geleden uit aarde, stro, takken en eiken balken opgetrokken klein pand, met een bijbehorend pakhuis, op het oog om daar een boekhandel te beginnen. Het pand staat al zeven jaar leeg, het is vervallen en vochtig en bovendien huist er een klopgeest in. Toch is het in de ogen van Mrs. Green ideaal voor haar gedroomde boekwinkel. Bij het bespreken van de koop met Mr. Keble, de bankdirecteur, heeft deze echter tot haar verbazing ineens allerlei opmerkingen over het huis die er toe zouden moeten leiden dat ze afziet van de koop. Maar Florence peinst er niet over. Ze heeft er lang genoeg over nagedacht en is inmiddels vastbesloten. De koop wordt doorgezet.
Toch gaat er wel een alarmbelletje rinkelen, waarom ineens die bezwaren? Ze zouden blij moeten zijn dat er na zeven jaar eindelijk een koper voor Old House is.


Al snel komt de aap uit de mouw. Florence wordt namelijk uitgenodigd voor een feest in The Stead, het riante huis van de Generaal Bruno Gamart en zijn vrouw Violet Gamart, de beschermvrouwe van alle openbare activiteiten in Hardborough. Daar blijkt dat de afgunstige Violet uitgerekend in Old House een centrum voor kunsten had willen vestigen. Zo jammer dat Florence het plan had het huis te kopen en daar een boekwinkel te beginnen maar daar kan geen sprake van zijn. Niet nu ze nèt iemand gevonden hebben die het centrum uitstekend kan leiden... Ze kon beter uitzien naar een ander pand.Florence stelt Violet voor het voldongen feit dat ze het pand al gekocht heeft, sterker nog, ze woont er al.  Violet vindt dat Florence beter het pand van de hand kan doen en dan de leegkomende winkel van de plaatselijke viswinkel te betrekken, die is veel geschikter voor Florences doel. Maar Florence zegt natuurlijk nee tegen dat absurde idee.


Wat ze niet weet is dat de verwende Violet geen nee accepteert. Het viel Violet zwaar tegen dat het 'onbeduidende vrouwtje' niet onmiddellijk akkoord was gegaan. Violet praat vervolgens met enkele hooggeplaatste bezoekers van haar feestje. Daarmee rechtstreeks afstevenend op de ondergang van de boekhandel van Florence Green.
Nietsvermoedend van het onheil dat boven haar hoofd hangt start de kleine, pittige Florence haar boekwinkel. Het gaat aanvankelijk lekker maar langzamerhand wordt de invloed van Violet Gamart voelbaar...


De schrijfster Penelope Fitzgerald groeide op in een zeer Engels, enigszins excentriek milieu. Dat milieu is in dit boek terug te vinden. De inwoners van Hardbourough waar wij kennis mee mogen maken. zijn allemaal markante figuren die ook hun eigen verhalen en eigenaardigheden hebben. Fitzgerald heeft verder een sprekende, beeldende manier van schrijven. Over Florence schrijft ze:


"Ze was klein van gestalte, tenger en taai. Van voren zag ze er nogal onbeduidend uit en van achteren al helemaal. Er werd niet veel over haar gepraat, zelfs niet in Hardborough, waar iedereen al vanuit de verte gezien werd en waar alles wat gezien werd over de tong ging."


We krijgen een beeld van Florence waaruit blijkt dat ze eerlijk en bescheiden is maar geen blad voor haar mond neemt. Verder heeft ze geen pretenties en kan net het hoofd boven water houden dankzij het weduwepensioen van haar te jong gestorven man. De boekwinkel is een gok die ze waagt te nemen.
De Generaal wordt zonder zijn vrouw in de buurt neergezet als een vriendelijke man die van poëzie houdt. Mr Raven is een soort reservedierenarts als er niemand anders voorhanden is. Hij schakelt regelmatig langslopende inwoners van Hardborough in als hij hulp nodig heeft bij zijn 'artsenij''.
Verder is er Milo North, hij doet iets onduidelijks bij de televisie, over hem schrijft Fitzgerald: "hij ging met weinig inspanning door het leven". Het is een man die liever met alle winden meewaait om elke vorm van problemen te vermijden. Bijzonder humoristisch is het gedeelte waarin Florence de plaatselijke, Mr. Brundish, een zeer belezen kluizenaar, om advies vraagt rond de aanschaf van Nabokovs omstreden boek Lolita. Ook hilarisch is de klopgeest die op de gekste momenten zijn aanwezigheid kenbaar maakt. 


Het wel en wee rond de opzet en de voortgang van de winkel is gemoedelijk weergegeven, de plaatselijke kleine gebeurtenissen worden er besproken, iedereen weet precies al het doen en laten van de inwoners en vriendschappen bloeien op of worden verbroken. Alleen Violet heeft minder gemoedelijke plannen. De bewoners proberen Florence te waarschuwen en te helpen maar of dat enig nut heeft?
Kortom, het is een heerlijk boek. Zo'n boek dat je met een glimlach dichtslaat en nog even vasthoudt om na te genieten van de bijzondere bewoners en de fijne sfeer.


Penelope Fitzgerald
(1916-2000) schreef op haar 58e haar eerste boek, een biografie; op haar 78e schreef ze haar laatste roman. Penelope drong vier maal door tot de shortlist (o.a. met De boekhandel) van de Bookerprize: eenmaal won ze. De boekhandel is haar eerste boek in Nederlandse vertaling. Wat mij betreft mogen er nog veel meer vertalingen van haar boeken verschijnen.


ISBN 9789492168009 | Paperback met flappen | 140 pagina's | Uitgeverij Karmijn april 2015
Vertaald door Mieke Prins

© Dettie, 21 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Ik heet geen Miriam
Majgull Axelsson

Op haar vijfentachtigste verjaardag lukt het Miriam niet langer de woorden binnen te houden. Jarenlang heeft ze gezwegen, jarenlang heeft ze een geheim gekoesterd maar nu lijkt het wel of de woorden zich niet meer laten tegenhouden. Het komt door de prachtige armband die ze van haar familie cadeau heeft gekregen. Een zilveren armband met daarin de naam Miriam gegraveerd. Vol trots vertelt haar kleindochter Camilla dat de armband van Roma-makelij is. En dan floepen de woorden er zomaar uit. Ze zegt: “Ik heet geen Miriam.”

Miriams familie neemt haar woorden niet serieus. Natuurlijk heet ze wel Miriam. Even vragen ze zich af of het wel goed met de oude dame gaat. Buiten het gehoor van Miriam bespreken haar stiefzoon Thomas, schoondochter Katarina en kleindochter Camilla de vreemde uitspraak. Ze begrijpen het niet en daarom besluiten ze het rare voorval te negeren. Het berust vast op een misverstand. Miriam is Miriam.

Miriam zelf is in gedachten teruggekeerd naar haar jeugd. Ze probeert zo min mogelijk aan het verleden te denken maar op deze bijzondere verjaardag lukt het haar niet haar herinneringen te beteugelen. Of Miriam het nu wil of niet, ze denkt aan de mensen die eens haar familie waren. Haar Roma-familie. Toen Miriam geboren werd heette ze Malika. Ze was een zigeunermeisje en de eerste jaren van haar leven was ze gelukkig. Op een dag besloot Hitler echter dat zigeuners tot een minderwaardig ras behoorden. Malika werd samen met haar broertje Didi en haar nichtje Anuscha naar Auschwitz gestuurd.

Toen de vreselijke oorlog eindelijk voorbij was, bestond Malika niet meer. Het meisje, een tiener nog maar, zou voortaan als de Joodse Miriam Goldberg door het leven gaan.  Didi was een vreselijke dood gestorven en ook Anuscha leefde niet meer. Wat er met de rest van haar familie gebeurd was, wist ze niet. Malika woonde in Duitsland maar Miriam besloot een nieuwe start in Zweden te maken. Ze besloot ook om te zwijgen over haar afkomst. Vanaf dat moment was Miriam een keurige, onopvallende dame. Onberispelijk.

Waarom verloochende Miriam haar afkomst? Waarom mocht niemand weten dat ze een zigeuner is? In dit aangrijpende relaas wordt de ontstellende geschiedenis van Miriam stukje bij beetje prijsgegeven. Haar verhaal is hartverscheurend. De piepjonge Malika moest toezien hoe haar geliefde broertje Didi ten prooi viel aan de bizarre experimenten van Josef Mengele. Machteloos keek ze toe hoe de gaten in het gezicht van de kleine Didi vielen. Machteloos keek ze toe hoe Mengele haar broertje deels liet genezen om vervolgens een laatste keer toe te slaan. Het lichaam van Malika overleefde de ontberingen van Auschwitz maar haar geest raakte onherstelbaar beschadigd.

In de trein van Auschwitz naar het concentratiekamp Ravensbrück was Malika moederziel alleen. De spanning in de overvolle trein liep torenhoog op en uiteindelijk brak er een gevecht uit. De gebeurtenissen die volgden bleken bepalend voor de toekomst van Malika. Ze stapte als Malika de trein in maar toen ze de trein verliet, was ze Miriam geworden. Het was geen bewuste keus maar een noodzakelijke.

In het prachtig geschreven boek Ik heet geen Miriam wordt pijnlijk duidelijk dat zigeuners nog altijd door veel mensen met de nek worden aangekeken. Zo jong als ze was, voelde Malika dat haarfijn aan en ook de volwassen Miriam durfde haar ware identiteit niet prijs te geven uit angst dat haar omgeving haar zou verstoten. Het hoofdthema van het boek is de Tweede Wereldoorlog. Majgull Axelsson beschrijft de ontberingen in de concentratiekampen zonder enige terughoudendheid. Het is een hard en zeer aangrijpend verhaal. De oorlog gaat voorbij maar is er geen “eind goed, al goed”. Miriam is, net als vele anderen, voorgoed getekend.

Miriam overleefde en transformeerde in een liefhebbende echtgenote en hartelijke stiefmoeder. Omringd door familie is ze toch levenslang alleen gebleven. Alleen met haar vreselijke herinneringen, alleen met haar schuldgevoel, alleen met haar geheim. Ze is veilig, de oorlog is voorbij maar Miriam is nooit bevrijd. Het uitgebreid beschreven levensverhaal van Miriam heeft me geraakt.

ISBN 9789044534627 | hardcover | 505 pagina's| Uitgeverij De Geus | april 2015
Vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen

© Annemarie, 19 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altKlem
Bas van den Bosch


Als Paul wegrent bij zijn terminaal zieke moeder, heeft hij geen idee dat hij haar nooit meer in leven zal zien. Hij is een jongen van elf jaar, opgroeiend in de jaren zestig, een tijd waarin kinderen nog niet overal van op de hoogte waren, maar nog echt kind konden zijn. Helaas is dat in dit geval geen voordeel: niemand heeft in de gaten dat Paul worstelt met een enorm schuldgevoel. Zijn moeder had hem gevraagd om nog een keertje naast haar te komen liggen, en hij had geweigerd. Hij was verdorie elf! Toen zijn moeder hem vastpakte, maakt hij zich met geweld los, hij was erg boos. En nu is ze dood. Hij heeft haar vermoord, hij weet het zeker.


En hij denkt dat zijn vader dat ook denkt, hij praat er immers over met ook Gerard ‘vind je dat het moord is?’ hoort hij hem zeggen. Maar zijn vader zegt niets. Niemand zegt iets. Het lijkt wel of zijn moeder er niet geweest is. Foto’s verdwijnen, zijn vader nodigt alweer een andere vrouw over de vloer. Ze bezoeken het graf niet en er wordt niet gepraat over Ria. En papa liegt ook.

Het enige waar de jongen denkt de hand in te kunnen houden is zijn stoelgang. Hij houdt dagenlang op, en eet niet goed. Thuis is hij op zijn hoede, hij verstopt zich en luistert gesprekken af. Die brokstukjes informatie interpreteert hij natuurlijk niet op de juiste manier. Op school vindt de juf dat hij niet normaal doet, en hij moet naar een psychologe. Maar die spannen allemaal samen met zijn vader, dus Paul zwijgt.


‘Nu heb ik er genoeg van. ‘U hoeft niet net te doen alsof u het niet weet,’ zeg ik. ‘Mijn moeder is dood en ik wil er niet over praten.’


Gelukkig is er iemand met wie hij een onbevangen vriendschap kan opbouwen: de brugwachter, een eenvoudige man die de jongen graag ziet komen. Juist bij deze man loopt de situatie uit de hand, en dan belandt Paul in datzelfde ziekenhuis waar hij had gezworen nooit meer een voet te zetten...


Het verhaal speelt in 1962, op de achtergrond is er de  cubacrisis. Thuis bij Paul, de elfjarige verteller, is er geen televisie, dat was nog geen standaard meubel in die tijd. Er zijn problemen in Algerije, waar oom Gerard missiepater is. Wat de jongen dan hoort doet hem besluiten niet meer af te luisteren:


‘Als ik weet dat hij (= oom Gerard) komt, kijk ik tegenwoordig wel uit om onder de tafel te kruipen want een mens wil niet alles horen.’


Ook lezen we hoe de Chinees-Indische keuken zijn intrede doet, net als de Italiaanse pasta.
Het is een ontroerend verhaal over een vader en een zoon die niet met elkaar kunnen communiceren over het verdriet dat hen beheerst. Misverstanden stapelen zich op door het onbegrip. Niet alleen de jongen die niet beter weet interpreteert verkeerd; ook de vader, die al moeite heeft met de kleine praktische zorg waar hij nu alleen voor staat, begrijpt niets van zijn zoon. Ze hebben elkaar in de klem...


Het is een verhaal met veel details, die af zouden kunnen leiden van de kern van het verhaal, maar dat wonderlijk genoeg niet doen. Ondanks de zwaarte van het geheel zit er ook humor in, en zo wordt het een mooie, boeiende en herkenbare schets van de eerste periode van de jaren zestig, met als kern de vader-zoonrelatie.


ISBN 9789025444808 | Paperback | 192 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact| mei 2015

© Marjo, 16 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe directrice van Rosemere
Sarah Ladd


De mooie jongedame van de omslag is directrice van een meisjesinternaat, de Rosemere School. 
Het verhaal speelt zich af op het Engelse platteland in het begin van de negentiende eeuw, een tijd waarin andere normen en waarden heersten. Dat is dan ook een van de hoofdthema’s in dit boek.


Patience Creighton is pas 25 jaar, als ze na de dood van haar vader de leiding van de meisjessschool overneemt. Ze moet wel: haar broer, die eigenlijk de directeur zou moeten zijn, is vertrokken naar Londen, en laat niets van zich horen. Hun moeder heeft zich teruggetrokken in haar kamer, en wil niets, doet niets, ze zit alleen te wachten op haar zoon. Wat Patience doet, dat interesseert haar niet, ze heeft geen oog voor haar uitstekende werk. Met de school gaat het namelijk prima.


Meisjes horen te trouwen, vindt men, maar zij kent geen leuke man, en het bevalt haar om de school te leiden. Ze houdt van de kinderen. Als het zwijgen van haar broer het leven maar niet zo onzeker maakte. Dan wordt op een gure winterdag een zwaargewonde man gevonden in de stallen van Rosemere Het is landeigenaar, William Sterling, van wie Rosemere gepacht wordt. Als Patience de man verzorgt, slaat de vonk over.


William heeft zijn eigen problemen. Hij is gewond omdat hij in elkaar geslagen is door een schuldeiser. Hij heeft geen geld om de schuld af te lossen: hij heeft alles vergokt. De oude glorie van het rijke landleven is voor hem al lang verdwenen: zijn huis is nauwelijks onderhouden, hij heeft zijn personeel ontslagen en zijn grote renstal is ook niet meer wat geweest is. Als iemand de stal bij Rosemere in brand steekt, beseft hij dat de vrouw met wie hij wel iets wil, gevaar loopt. Door zijn schuld. Het dilemma is enorm: hij moet zijn schulden aflossen, zijn leven opbouwen, en er is een koper die het land van Rosemere wil. Rosemere verkopen? Dat kan hij haar niet aandoen. Het is een verliefdheid die niet kan. Dan duikt de vroegere verloofde van Patience ook nog op.


Qua sfeer doet het verhaal erg denken aan de romans van Jane Austen. Het is een erg koude winter, op een platteland zonder aangelegde wegen en communicatiemiddelen. Er wordt kou geleden en door de modder gebaggerd. Dat past prima bij het verhaal, want natuurlijk zal het ooit lente worden, en je weet als lezer ook dat de romantische problemen wel opgelost zullen worden. Je wilt alleen nog even weten op welke manier. Ook moeten de andere elementen binnen het verhaal nog een waardig einde krijgen.
De omgangsvormen zijn erg formeel. Tutoyeren is niet zomaar aan de orde. Een vrouw mag niet zomaar zeggen wat ze denkt. Dit levert romantische scenes op, die doen verlangen naar een verfilming. De omslag belooft een romantisch verhaal om lekker bij te ontspannen en dat wordt helemaal waargemaakt.


Sarah Ladd is een Amerikaanse schrijfster. Zij heeft een voorliefde Engeland en de periode die voorafging aan de Victoriaanse tijd. Daar situeert ze dan ook haar romans.


ISBN 9789029723855 | Paperback | 336 pagina's | Uitgeverij Voorhoeve | maart 2015
Vertaald uit het Engels door Marijne Thomas

© Marjo, 14 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe grasbijter
Jan van Mersbergen


‘Jij hebt een goede plek hier, zei John na een tijdje.
Ja.
Echt goed.
Ik klaag niet, zei hij en hij nam een grote slok. De schapen liepen loom voorbij het hek van de moestuin, voorbij de vierkante paal. Boven de fruitbomen vlogen zwaluwen, heel hoog. De haan liet weten dat hij er was en dat hij de baas was. Dat waren de geluiden en bewegingen van het land. Zo kende hij zijn land. Je kon een appel van de boom horen vallen.’


Francis woont alleen op een boerderij die ooit van zijn ouders was. Toen het minder goed ging, zijn zij geëmigreerd, Francis bleef achter. Met een paar schapen, een paar kippen en de hond. En de ganzen duiken ook ineens weer op. De dieren zijn al het gezelschap dat hij heeft. Hij praat er tegen, zorgt voor ze, maar ze vormen geen bron van inkomsten. Voor de boterham werkt hij bij een fruitbedrijf, een stuk verderop.
Francis laat het leven aan zich voorbijgaan. Hij ziet wel. Maakt zich niet druk. Die telefoontjes uit Nieuw-Zeeland doen hem ook niet veel, hij laat rustig de telefoon rinkelen. Eigenlijk krijgen we geen hoogte van hem. Wie is hij, wat wil hij van het leven?
Even komt er een rimpeling in zijn saaie bestaan, als iemand vraagt of hij zijn piano zelf gebruikt. Zo niet, dan weet hij iemand die hem graag hebben wil. En zo komt Cecile in zijn leven. Eigenlijk kende hij haar al, ze zaten bij elkaar in de klas. Dus heeft hij een foto. Hij onderneemt actie, gaat naar een concert van de jongedame, en al lijkt hij stoïcijns: er broeit iets. Is hij verliefd?


Het is een verhaal vol sfeer, maar zonder uitleg. De lezer moet raden wat er in de hoofdpersoon omgaat, hoe hij tot zijn daden komt. Eigenlijk is de enige daad die echt geheel duidelijk uit de doeken gedaan wordt, die wanneer hij een oprit stenig en kuilig maakt omdat hij er eerder een vrijend stelletje betrapte. Maar ook hier: is het alleen dat het gebrek aan decorum hem stoort? Vind hij dat ze hem storen zijn gezapige leventje? Of is hij stiekem jaloers? Is het de aanzet tot een andere daad, die de optelsom is van bepaalde gebeurtenissen?


In  een terughoudende vertelstijl laat Van Mersbergen de spanning toenemen.
‘De grasbijter’ was zijn debuut, waarin de stijl van de toekomstige boeken al duidelijk is als ook de gave om fraaie zinnen te formuleren.


‘Toen hij in de spiegel keek zag hij dat hij het was die op deze ochtend door het huis liep.’

‘Hij keek naar de koeien, naar hun bewegende kaken, naar de kleuren en de bewegingen om hem heen, en zijn wereld was zo groot als dit weiland, ook al zou hij willen dat zij veel en veel groter was.' 


Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971) is een Nederlandse romanschrijver. Hij studeerde HBO Cultuur en Beleid en Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte onder andere als stratenmaker, als opperman in de bouw, als proefdierverzorger, als postbode, maar voornamelijk in het theater; als producent, productieleider, decorbouwer, fondsenwerver en administrateur. Sinds 2000 houdt hij zich serieus bezig met schrijven.

ISBN 9789059363564 | hardcover |192 pagina's | Uitgeverij Cossee| maart 2012

© Marjo, 10 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Het duistere dal
Thomas Willmann

Aanvankelijk wil men de vreemdeling, die op zijn muildier het dal is binnengereden, weren. In het dal vormt men een hechte gemeenschap die geen ruimte voor onbekenden biedt. De man reageert vriendelijk op de barse ontvangst. Hij vertelt dat hij Greider heet en naar het dal is gekomen om schilderijen te maken. Hij wil de winter in het dal doorbrengen en daarna weer vertrekken. Zijn vriendelijke woorden weten de dorpelingen niet te overreden maar de goed gevulde geldbuidel die hij hen toewerpt, doet dat wel.

Een aantal mannen eisen de leiding op en na uitvoerig overleg wordt besloten dat Greider mag blijven. Hij mag in het huis van weduwe Gader en haar dochter Luzi verblijven op voorwaarde dat hij hen de helpende hand zal toesteken. Greider gaat akkoord waarna hij naar het huis van de weduwe wordt gebracht. Mevrouw Gader ontvangt haar onverwachte gast uiterst beleefd en vriendelijk maar Greider heeft meteen door dat ze van niks wist. Niemand heeft met de vrouw overlegd en het lijkt ook wel of de bazige mannen haar zenuwachtig en licht angstig maken.

Greider krijgt een bescheiden kamer toegewezen en trekt bij de twee vrouwen in. Ze mogen elkaar wel maar steeds als Greider het gesprek op de mannen die hem naar het huis toe brachten brengt, stuit hij op stilzwijgen. Uiteindelijk vertrouwt de weduwe hem toe dat de zes mannen zonen van boer Brenner zijn. De informatiestroom stokt opnieuw.

Dagelijks trekt Greider op zijn trouwe muildier het dal in om de omgeving te verkennen. Schilderen doet hij nog niet, in plaats daarvan maakt hij prachtige schetsen. Greider heeft talent. Nog altijd voelt hij zich een vreemde eend in de bijt. De bewoners van het dal zijn gesloten en hebben duidelijk geen behoefte aan contact met de onverwachte logé. Ze vormen een zelfvoorzienende gemeenschap, een geheel eigen wereld met eigen waarden, normen en regels.

Het eerste pak sneeuw valt, niemand kan het dal meer betreden of verlaten. Ook Greider kan niet meer vertrekken maar dat is hij ook niet van plan. Nog altijd struint hij door de omgeving waarbij hij heel langzaam en onopvallend een steeds groter gebied verkent. Weduwe Gader en Luzi hebben weinig klusjes voor hem en geven Greider alle ruimte zijn gang te gaan. De aanvankelijke onwennigheid is uitgegroeid tot een warm en hartelijk contact.

Niet lang na het intreden van de winter is Greider getuige van een waar dorpsdrama. Tijdens het houthakken raakt de jongste zoon van de familie Brenner bekneld onder een boom die in volle vaart de bergen af suist. Tegen de tijd dat de boom beneden is, is het stoere lichaam van de boerenzoon niet meer dan een verwrongen massa vlees en bloed. De dorpelingen kijken toe hoe vader Brenner tijdens het omhelzen van zijn dode kind bemerkt dat het hoofd van zijn zoon niet langer aan de romp vastzit. De dorpelingen tonen nauwelijks emoties en ook als niet veel later de tweede zoon om het leven komt, gaat het leven door alsof er niets gebeurd is.

Na het eerste ongeluk schildert Greider dan eindelijk. Is het toeval dat er twee mannen om het leven zijn gekomen sinds hij het dal heeft betreden? Er is iets met Greider. Iets onheilspellends. Heeft hij iets met de dood van de twee mannen te maken? Is hij in werkelijkheid met een heel ander doel naar het dal gekomen? Maar waarom zou hij, een buitenstaander, inwoners van een hechte, besloten gemeenschap iets aan willen doen?

Het duistere dal is de debuutroman van de Duitser Thomas Willmann. Willmann blijkt een geboren verteller. In mooie volzinnen schetst hij een levendig beeld van de gemeenschap en de onverwachte gast. Er gaat iets mysterieus van het dorp in het dal uit en dat geldt ook voor het personage Greider. Achter zijn vriendelijkheid gaat kilte schuil. Het verhaal begint kalm en sfeervol maar langzaam sluipt een thrillerachtige spanning de vertelling binnen. De verhaalwendingen zijn abrupt en zaaien soms lichte verwarring. Als lezer doe je er goed aan om nieuwe gebeurtenissen rustig op je in te laten werken. Uiteindelijk zal de waarheid glashelder en ondubbelzinnig zijn.

Het duistere dal begint als een sfeervolle roman, gaat over in een macaber sprookje en eindigt met een klapper. Een vreemde combinatie misschien maar het werkt. Thomas Willmann bedient zich van een prachtige schrijfstijl en weet de lezer van begin tot eind te intrigeren. Een zeer geslaagd debuut.

ISBN 9789048824076|  paperback met flappen | 320 pagina's| Meridiaan uitgevers | juni 2015
Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben

© Annemarie, 7 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Aan zee
Eric de Kuyper


Een paar weken geleden was op tv het programma Archibelge Met zicht op zee, waarin o.a. de schrijver Eric de Kuyper aan het woord kwam. Het programma ging over de architectuur aan de Belgische kust. Veelal wordt het omschreven als lelijk, als architectonische miskleunen. Maar Eric de Kuyper had een milder oordeel, mooi vond hij het niet maar het kon zoveel erger...
Diezelfde milde toon is terug te vinden in zijn boek Aan zee waarin hij terugkijkt op een jeugd die hij 's zomers altijd doorbracht in Oostende. Die jeugd speelde zich af eind jaren veertig van de vorige eeuw.


Elk jaar verhuisde de jonge Erik gedurende de zomermaanden met zus Annie en zijn moeder (een vader is niet in beeld) van Brussel naar Oostende waar elk jaar hetzelfde appartement gehuurd wordt. Het verbaast, verrast  en vervult Eric elke keer opnieuw met blijdschap dat in de keuken nog steeds dezelfde prenten aan de muur hangen 'La Sicilienne' en 'La Napolitaine'. Als hij die zag was voor hem de vakantie werkelijk begonnen.
Het appartement was in een achterhuis van een herenhuis. Tante Jeannot en nonkel Fons waren daar ook elk jaar te vinden.  Om de hoek woonden tante Mimi en nonkel François en dan was er nog oma Bontje.  Zij zorgde elk jaar voor de cabine aan zee waar ze hun spullen in konden opbergen en zich konden verkleden. De cabine werd ook gebruikt om in te spelen als het regende, want elke dag moesten ze naar buiten, dat was gezond. Bontje zat dan stoïcijns te breien of te lezen tussen alle drukte in.


Het appartement vormde een zoete inval voor alle familie. Moeder Julienne en tante Jeannot zwaaiden daar de scepter. Kinderen werden aangekleed, kregen eten en dan het huis uit, naar zee... Geen gezeur, geen gedrein, hopla, naar buiten! Als er iets besproken moest worden wat de kinderen niets aanging dan spraken moeder en tante Engels met elkaar. Als mensen bleven overnachten dan sliepen ze gewoon op de overloop, geen probleem. Eric heeft het zo naar zijn zin in Oostende dat hij bij voorbaat al dagenlang kan treuren omdat hij daar weer weg moet.
Het was een grote gezellige, kluwen mensen die genoten van het leven, de zee en elkaar.
Kortom, voor de kleine Eric waren het heerlijke zomers.

Wat het boek zo aantrekkelijk maakt zijn de prachtige observaties van Eric de Kuyper, alleen al hoe hij over het zand op het strand schrijft...


"Hij hield van het strand, en op het strand was het zand. Iedere dag was het anders. Na een korte regenbui was er een bruin korstje, waaronder vandaan het witte, mulle zand tevoorschijn getoverd kon worden. Regende het een paar dagen aan een stuk door, dan werd het zand hard. Het werd weerbarstig. Je kon er als je je best deed, hele brokstukken uit houwen en die op elkaar stapelen. Het strand was dan een soort steengroeve[...]
Wanneer de zon op haar heetst was en de hitte een tijdje aanhield, werd het zand zo droog en mul dat je er niet mee kon opbouwen. Elke put liep vanzelf weer dicht, elk fort zeeg ineen. Het zand was lui, wilde geen vorm aannemen [...]
Hij had zo'n vakmanschap ontwikkeld, dat hij in één oogopslag en met één tastend gebaar wist wat er die dag met het zand gedaan kon worden, welk spel er vanuit het zand kon ontstaan."


In feite weet Eric de Kuyper het zand, de zon, het spel, de familie in één hand te vangen, te mengen en als één lange rij zonnige, vrije, gezellige, speelse, warme, hartverwarmende gebeurtenissen uit te strooien in zijn liefdevolle, kleurrijke, mooi gestileerde verhalen.
Een genot om te lezen!


Eric de Kuyper
is schrijver, essayist, filmdocent en kunstenaar. In 1988 verscheen zijn eerste roman in wat een autobiografische cyclus zou worden: Aan zee. Bekroonde romans als De hoed van tante Jeannot en Grand Hotel Solitude volgden.


ISBN 9789460042065 Paperback met flappen 120 pagina's Uitgeverij Vantilt, mei 2015

© Dettie, 2 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER!

 

height=Poging tot lichtvoetigheid
Hans Münstermann

De brutaliteit van de indringer stoort Andreas Klein misschien nog wel het meest. Hij staat daar maar. Ongevraagd. Ongevraagd dringt de onbekende zijn huis, zijn leven en zijn huwelijk binnen. Andreas Klein slaapt er slecht van en wordt geplaagd door nachtmerries. Hij drijft zijn vrouw Isis tot wanhoop door zijn hevige gesnurk regelmatig af te wisselen met het slaken van luide kreten. Andreas mompelt, praat en gilt en slaat en trapt woest om zich heen. Zo kan het niet langer.

Een reisje naar Baden-Baden moet verlichting brengen. Andreas en Isis zullen vijf dagen in het luxueuze Parkhotel vertoeven. Ze zullen tot rust komen en misschien zelfs wel vrijen met elkaar. Dit reisje hebben ze verdiend. Het heden en het uitje worden slechts door één nacht van elkaar gescheiden. Andreas zal nog één nacht de strijd met zijn innerlijke demonen aan moeten gaan. Nog één nacht zal Isis mopperen, niet omdat ze geen lieve en begripvolle vrouw is maar uit slaaptekort. Het is mooi geweest. Isis vindt dat Andreas nu maar eens de confrontatie met de indringer aan moet gaan.

Wie is de indringer? Andreas weet het niet. Ergens heeft de verschijning die daar zo onverstoorbaar staat iets bekends. Waarom gaat de man niet gewoon weg? Andreas heeft er alles aan gedaan om zijn hoofd leeg te maken. Hij is begonnen met het leegmaken van zijn huis. Weg met alle ‘clutter’. Even komt hij zelfs in de verleiding om zich werkelijk van al zijn bezittingen te ontdoen. Wat een rust zou een volkomen leeg huis opleveren!

De vele boeken van Andreas vormen nog wel de moeilijkste opruimklus. Boeken zijn als vrienden, die doe je niet zomaar weg. Andreas heeft een flinke vitrinekast gekocht en daar zal hij de boeken die mogen blijven in gaan bewaren. Lekker schoon en stofvrij. Met zijn huidige voorraad boeken kan hij echter tig vitrinekasten vullen dus Andreas sorteert en ruimt op. De leden van de boekenclub zijn ontsteld. Gooit Andreas werkelijk boeken weg? Even voelt Andreas zich een cultuurbarbaar maar daarna is zijn missie weer glashelder: er zal opgeruimd worden.

Boeken wegdoen is niet eenvoudig. Met boeken bouw je een band op en in zekere zin ook met de auteurs. Andreas kan beslist geen boeken van W.F. Hermans wegdoen maar Peter Buwalda delft het onderspit. Op de vooravond van de reis naar Baden-Baden dreigt er zelfs ruzie onder de boekenclubleden te ontstaan. De keuze welk exemplaar mag blijven en welk boekwerk niet, is heel persoonlijk. Probeert Andreas zich van een deel van zijn identiteit te ontdoen of probeert hij nu juist zijn ware ik te vinden? Andreas heeft last van een indringer en die moet het veld ruimen.

De indringer laat zich niet makkelijker verjagen. Hij heeft zich stevig in het huis van Andreas verankerd en in diens hoofd vastgezet. Wie is hij toch? De nachtmerries worden steeds heviger evenals de wanhoop van Isis. Heeft Andreas ze nog wel allemaal op een rijtje? En dan gloort heel voorzichtig een sprankje duidelijkheid door de nevelen die de indringer omhullen. Andreas zal onder ogen moeten zien dat de indringer tijd en aandacht nodig heeft. Deze indringer laat zich niet zomaar verjagen.

Andreas Klein is een vast personage in de romans van Hans Münstermann. Hij heeft een hele romancyclus over de babyboomer geschreven. Andreas is de zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder die trouwden op de dag dat voor Nederland de Tweede Wereldoorlog begon, op 10 mei 1940. Andreas is getrouwd met Isis en samen hebben ze een zoon.

Achterop de kaft staat dat het boek “Een tegendraadse ode aan het huwelijk” is. Dat past inderdaad goed bij het verhaal. Ondanks haar gemopper en onbegrip geeft Isis haar echtgenoot de ruimte om met de indringer af te rekenen. Ze stelt grenzen waar nodig en laat hem verder vrij. Andreas op  zijn beurt houdt van zijn vrouw en de balans die ze biedt. Hij vindt haar nog altijd beeldschoon. Zijn aanbidding en haar vastberadenheid maar ook haar berusting vormen samen de basis van hun standvastige huwelijk. Een poging tot lichtvoetigheid is een smaakvol geschreven roman dat op een ongewone, indringende maar ook vermakelijke manier het gevolg van onverwerkte problemen aan de kaak stelt. Mooi.

ISBN 9789491567872 | paperback | 224 pagina's| Uitgeverij De Kring | mei 2015

© Annemarie, 1 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER