Nieuwe boekrecensies

altNostalgie van het geluk
Amélie Nothomb


In dit boek gaat de dan vierenveertigjarige schrijfster na vijftien jaar terug naar haar geliefde land, Japan, waar ze geboren is, en gewerkt heeft. 
Toen haar werd voorgesteld een reportage te maken over haar Japanse kinderjaren was ze niet meteen enthousiast. Maar France 5 vond het wel een goed idee, dus nam ze contact op met haar vroegere verloofde, en met haar nanny. Dat levert een eerste hoofdstuk op met telefoongesprekken, die wat absurdistisch overkomen, hetgeen niet alleen veroorzaakt wordt door haar gebrekkige kennis van het Japans. Nothomb schrijft graag zo: een luchtige stijl met ironische ondertoon die zweemt naar absurdisme. Heerlijk!


‘Met natsukashii wordt gelukkige nostalgíe bedoeld, het ogenblik waarop je een mooie herinnering te binnen schiet en je door een aangenaam gevoel wordt overspoeld.’


Droevige nostalgie blijkt geen Japans begrip, het is westers: heimwee, een gevoel waar men in onze contreien met argwaan naar gekeken wordt. Het is giftig, je kan er ziek van zijn.
Amélie Nothomb kent beide soorten nostalgie, ze heeft er ons lezers al eerder deelgenoot van gemaakt. Welke nostalgie zal deze reis naar het verleden oproepen?
In hoeverre zijn herinneringen aan een al of niet gelukkig verleden vervormd. Welke reacties roept een reis naar je roots op?


‘Niet eenmaal besloot ik dingen te verzinnen. Het ging vanzelf. Het was nooit de bedoeling onwaarheden binnen te smokkelen in de waarheid of de waarheid op te smukken met onwaarheden. Van alles wat je meemaakt, blijft er muziek achter in je binnenste; die probeer je weer te horen door het verhaal heen. Het gaat erom die klank met de middelen van de taal te beschrijven. Dat veronderstelt weglatingen en benaderingen. We snoeien om de onrust die ons heeft bevangen bloot te leggen.’


Wie ooit de plekken van zijn jeugd na jaren opnieuw bezocht, begrijpt hoe moeilijk de reis voor Amélie is. En alles wordt nog gefilmd ook. De filmploeg is erbij als ze haar verloofde Rinri spreekt en het gesprek verrassende dingen oplevert. Ze staan met de camera bij het emotionele weerzien met de nanny, herinnerd als een sterke vrouw van middelbare leeftijd, nu een kwetsbaar oud besje. Ze lopen met ons mee langs de plekken die ze beschreef in haar boeken; bezoeken Kobe, Kyoto en Tokio.  Fukushima is behalve een plek vol herinneringen ook de plek van de ramp in 2011. Natuurlijk leren we ook opnieuw over de Japanse  manier van leven.
De angst voor het weerzien:  ‘op de achterbank vervoert hij een westerlinge met wijd opengesperde ogen die op een vogel met bloeddrukverhoging lijkt’.
Amélie Nothomb is in staat haar emotie te koppelen aan de realiteit, zodat alles zeer invoelbaar is.  Het roept eigen herinneringen op, een nostalgie in jezelf, en leest door haar manier van vertellen als een trein.


‘Er is niets moois aan het landschap en toch brengt het me in hevige beroering. ’Ik zit in de bus naar Kobe’  is een zinnetje dat volstaat om me naar een innerlijk rampgebied te brengen.’

'Alles waar men van houdt wordt fictie...'


Amélie Nothomb, pseudoniem voor Fabienne Claire Nothomb, (Etterbeek, 9 juli 1966) is een Franstalig Belgische schrijfster, die afwisselend in Parijs en Brussel woont en werkt.
Doordat haar vader, Patrick Nothomb, ambassadeur van België was, bracht Nothomb haar jeugd achtereenvolgens door in Japan, China, de Verenigde Staten, Laos, Birma en Bangladesh.
Daar schreef ze vele, vaak autobiografische, boeken over.


ISBN 9789085425489|paperback|167 pagina's |Uitgeverij De Bezige Bij| februari 2014
Vertaald uit het Frans door Daan Pieters

© Marjo, 18 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Nadia
Dalene Matthee


Nadia Hamman en haar broertje Kella zijn door hun ouders in de steek gelaten en groeien samen op in verschillende kindertehuizen en pleeggezinnen, maar later worden ze gescheiden van elkaar. Nadia vindt het vreselijk. Haar broertje is het enige wat ze nog heeft. Ze neemt zich stellig voor dat ze later zal zorgen voor een eigen huis zodat haar broertje en zij een thuis hebben.

Inmiddels zijn beiden ouder geworden, Nadia woont in een piepklein flatje in Johannesburg. Kella woont ook in de stad maar niet bij Nadia. Hij is inmiddels in dienst geweest en werkt in een confectiewinkel waar hij het niet naar zijn zin heeft. Maar Kella heeft zijn zus beloofd dat hij eerst zijn eindexamen zal doen voor hij van baan verandert. Nadia en haar broer onderhouden contact via brieven en af en toe ontmoeten ze elkaar.
Tijdens zo'n ontmoeting vertelt Nadia dat ze een baan heeft aangenomen bij een bank in Dalmanskraal, een plattelandsdorpje. In zo'n dorp zijn de huizen goedkoper en kan ze haar droom van een eigen huis in een prettige buurt beter realiseren dan in het dure Johannesburg..
Haar broer ziet die baan van haar wel zitten, dan zit ze dicht bij het geld... Hij bedenkt allerlei wilde plannen die Nadia totaal niet ziet zitten.


In Dalmanskraal wordt Nadia warm ontvangen. Ze woont voorlopig in het pension van 'tante' Poppie.
Door het wonen in de vele pleeggezinnen heeft Nadia een enorme mensenkennis opgedaan. Ze doorziet haar nieuwe collega's onmiddellijk. Mara Strydom is een lieverd weet ze, ondanks haar stuurse gedrag. Kassier Lars Reitz, de jongen die ook in het pension woont, is gewoon aardig. Josef, de rustige bode, ziet meer en heeft meer door dan menigeen beseft en ook de directeur is een goeie vent, streng maar rechtvaardig. Hij zal zijn klanten nooit het vel over de over trekken. Alleen meneer Marx bezorgt haar de griezels, ze geeft hem onmiddellijk het predicaat: kindertehuisvader.

Nadia heeft het naar haar zin in het dorpje maar is dankzij haar traumatische jeugd erg op haar hoede, ze wil niet dat iemand weet waar en hoe ze opgegroeid is omdat ze weet dat ze dan gelijk een stempel opgeplakt krijgt. Ook is ze dankzij datzelfde verleden niet op haar mondje gevallen, haar collega's moeten wennen aan haar directe antwoorden en opmerkingen. Toch is ze heel vriendelijk en invoelend en bovendien zeer intelligent. Maar niemand krijgt echt goed hoogte van het aantrekkelijke meisje. Lars vindt haar meer dan leuk maar het is de rijke Rex de Waal, de dorpsversierder waar Nadia al voor gewaarschuwd is, die haar  mee uit vraagt. Ze zegt gelijk ja om er vanaf te zijn. Wat ze niet weet is dat hij haar benaderd heeft vanwege haar baan.
Ondertussen oefent Kella enorme druk op Nadia uit, ook al vanwege haar werk bij de bank...


Het boek leest erg makkelijk weg, het heeft het karakter van een streekroman alleen speelt het zich af in Zuid-Afrika. De personages zijn niet echt uitgediept en je voelt al vrij snel welke kant het verhaal op zal gaan. Ook blijft veel nogal vaag, zeker rond broer Kella, je hebt geen idee waar de jongen woont of welke studie hij doet. Nadia is het sterke, goede meisje, dat voor alles de juiste oplossingen weet. Het verhaal zit op het randje van sentimentaliteit maar is gelukkig net niet te zoet.
Een boek om te lezen op een mooie zonnige dag als je geen zin hebt in een al te diepgaand verhaal.


Dalene Matthee (1938-2005) schreef dertien boeken. Haar werk werd bekroond met diverse prijzen, ook internationaal. In Nederland werd ze bekend door haar 'bos-boeken', waarvan Fiela's kind de bekendste was.


ISBN 9789491583230 Paperback 224 pagina's Uitgeverij Brevier november 2013
Vertaald door Riet de Jong-Goossens (winnares Martinus Nijhof vertaalprijs 2010)

© Dettie, 11 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De atlas van afgelegen eilanden
Vijftig eilanden waar ik nog nooit ben geweest en ook nooit zal komen
Judith Schalansky


Judith Schalansky (1980) groeide op in de voormalige DDR (Oost Duitsland). De Berlijnse muur stond in haar kinderjaren nog recht overeind en reizen naar het vrije Westen was nauwelijks mogelijk. Het is dus ook niet zo verwonderlijk dat zij graag in atlassen keek. Ze volgde met haar vinger de lijnen van de rivieren, grenzen en meridianen. Dit vingerreizen zoals ze het zelf noemt ging gepaard met dromerij en fantasie. Vooral de kleuren op de kaarten die aangaven hoe hoog een berg of hoe diep een zee was sprak tot de verbeelding. Het riep een verlangen op naar verre landen.
Toen de muur allang gevallen was en reizen gewoon goed was geworden, bleef de liefde voor de atlas bestaan.


"Het raadplegen van kaarten kan weliswaar het verlangen naar verre landen dat dit veroorzaakt, verzachten, zelfs het reizen vervangen, maar is tegelijk veel meer dan een esthetische compensatoire bevrediging. Wie de atlas opslaat, neemt geen genoegen met het opzoeken van afzonderlijke exotische plaatsen, maar wil mateloos alles in één keer - de hele wereld. Het verlangen zal altijd groter zijn, groter dan de bevrediging van hetgeen verlangd wordt. Ook nu nog zou ik een atlas verkiezen boven welke reisgids dan ook."


Dankzij haar professor typografie stuitte zij op een kaart waar een eiland op stond afgebeeld en ze besefte dat alle 'eilanden niets anders dan kleine continenten zijn en de continenten op hun beurt niets anders dan heel grote eilanden zijn.' Tegelijkertijd besefte Judith Schalansky dat wij vinden dat de eilanden ver en verlaten liggen maar natuurlijk is dat afhankelijk vanuit welk perspectief je dat bekijkt. De inwoners van Rapa Nui - Paaseiland- noemen hun geboortestreek 'navel van de wereld.'


Dankzij de kaart en haar gedachten daarover was haar fascinatie voor eilanden geboren. Ze ging zich verdiepen in deze stukjes land, zocht informatie op, ontdekte verhalen, legendes, feiten, anekdotes etc. Uiteindelijk mondde haar zoektocht uit in dit boek waarin ze voornoemde bijzonderheden vertelt over vijftig eilanden die gesitueerd zijn in de Noordelijke IJszee, Atlantische Oceaan, Indische Oceaan, Grote Oceaan of Zuidelijke Oceaan.

Elk eiland blijkt een wereld op zich; sommigen worden geregeerd door een hardvochtige leider, een enkele keer is er een soort Utopia gecreëerd of is een eiland gekocht door een kluizenaar die niets liever heeft dan dat iedereen zo snel mogelijk van zijn eiland vertrekt. Op een ander eiland wordt regelmatig na een orkaan door meerdere bewoners zelfmoord gepleegd en op weer een ander eiland zitten massa's pinguïns die de mens aanvallen. Sommige eilanden zijn niet bewoond of onbewoonbaar omdat ze alleen uit zand of vulkanen bestaan.


Het mooie is dat Judith Schalansky ook elk eiland getekend heeft. Op de rechterpagina zien we het eiland topografisch afgebeeld en op de linkerpagina de coördinaten, de naam van het eiland en tot welk land het eiland behoort. We zien ook een klein aardbolletje waarop te zien waar het eiland zich bevindt en daaronder staat de tekst met bijzonderheden of een verhaal over het eiland.
Bij Rapa Iti - Frans Polynesië - staat bijvoorbeeld het mooie verhaal over een Franse man die al als kind droomde in een taal die niemand kende, hij sprak het vloeiend. Na een lange zoektocht blijkt het gesproken te worden op een piepklein Polynesisch eiland, waar de man dus nog nooit geweest was!
Een ander mooi stuk tekst is de oproep om als vrijwilliger te gaan werken op Raouleiland bij Nieuw Zeeland. Aardbevingen zijn aan de orde van de dag, de vulkanen zijn zeer actief, het terrein is ontoegankelijk, het werk inspannend en monotoon, de post wordt onregelmatig bezorgd etc. Ervaring met bergbeklimmen en ambachtelijk talent zijn van voordeel! Het gebied beslaat 29,4 km2 ... Ga er maar aan staan!
En zo is er bij elk eiland wel iets te vertellen.


Judith Schalansky heeft met dit boek een grote schat aan informatie geleverd met daarbij verrassende en soms zeer vermakelijke tekst.
Fantastisch boek.

ISBN 9789056724900 Hardcover 144 pagina's Uitgeverij Signatuur februari 2014

© Dettie, 8 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het jaar dat ik op hen allemaal verliefd werd
Use Lahoz


De in Parijs wonende Sylvain Saury, eind twintig, loopt een beetje met zijn ziel  onder zijn arm. Hij voelt zich stuurloos en weet niet hoe hij zijn toekomstige leven zal inrichten. 
De reden van Sylvains malaise is Heike, zijn ex-vriendin waar hij enkele leuke jaren mee heeft doorgebracht en nog steeds erg gek op is. Met deze Heike in zijn achterhoofd heeft hij een slecht betaalde baan als journalist in Madrid geaccepteerd want daar woont en werkt Heike...
Voordat hij vertrekt gaat hij naar monsieur Tatin die een expert is in harten repareren. Zijn moeder en Sylvain varen blind op zijn adviezen, hoe gek die ook voor een ander ook mogen klinken.


'Leef zonder angst, wees jezelf. Ik zorg wel voor je moeder. Rustig aan met alcohol, maar drink wel met overtuiging. Afgesproken? En bovenal het hart is er om te gebruiken. Doe er iets mee!'
'Afgesproken.'
'Rook je de laatste tijd nog wel eens?'
'Nee, nauwelijks.'
'Nou, dat zou je wel moeten doen... anderhalf pakje per dag, vanaf zonsopgang... dat zal je door de eerste maand heen helpen.'
'Ik zal het doen, monsieur Tatin.'


En zo vertrekt Sylvain naar Madrid dat hem tot zijn verwondering past als een dierbare jas. Hij ontmoet er enkele oude studievrienden en maakt nieuwe vrienden en heeft het zeer naar zijn zin. Maar Heike spookt steeds door zijn hoofd, hij durft haar nauwelijks te bellen, hoe zal ze reageren op zijn komst naar Madrid? 


In de lift van zijn appartement vindt Sylvain een manuscript. Hij begint het te lezen en kan nauwelijks meer stoppen. Het verhaal fascineert hem, het is bijzondere familiegeschiedenis die met veel humor en mededogen geschreven is. Van wie is het manuscript? Wie zijn die mensen waar het verhaal over gaat?
Door het manuscript, dat wij mee mogen lezen, wordt alles anders voor Sylvain. Het verhaal roept gevoelens en emoties op die hij niet kende.
Sylvain gaat zijn leven met andere ogen bekijken en hij komt in allerlei onverwachte, grappige, enerverende situaties terecht die hem zelf verbazen. Eén ding is zeker, monsieur Tatin had gelijk, het hart is er om te gebruiken... Maar wat doet Sylvain ermee?


Sylvain's moeder, Heike, monsieur Tatin, Sylvain's vrienden en Sylvain zelf, het zijn stuk voor stuk bijzonder personages die je bijblijven.
Het is een heerlijk, vlotgeschreven, humoristisch, vrolijk, soms absurdistisch verhaal.
Een boek dat je met een glimlach dichtslaat en waarna je even met je hand over de kaft strijkt om het optimisme wat het verhaal uitstraalt even vast te houden. Lezen!


ISBN 9789045204949 Paperback 303 pagina's Uitgeverij Karakter januari 2014
Vertaald door Johan Rijskamp

© Dettie, 6 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Twee wegen
Per Petterson

Vroeg in de ochtend, ruim voor de meeste mensen zich naar hun werk begeven, vindt een toevallige ontmoeting plaats. Op een brug nabij Oslo komt een gloednieuwe, grijze Mercedes tot stilstand naast een ietwat haveloos geklede visser. De visser herkent de bestuurder van de luxe auto onmiddellijk, ook al zijn er vijfendertig jaren voorbij gegaan sinds de laatste keer dat ze elkaar zagen. Gedurende zijn jeugd was Tommy immers zijn beste vriend.

De naam van de visser is Jim. Een jaar geleden was hij net begonnen bij een nieuwe werkgever maar het ging mis. Jim kreeg last van hevige paniekaanvallen en sindsdien zit hij thuis. Sinds een maand of drie begeeft hij zich regelmatig in de vroege ochtenduren naar de brug waar hij opgaat in de anonimiteit van de vissers. Niemand stelt vragen en dat is precies wat Jim wil. Maar nu is zijn ritueel ruw onderbroken door de ontmoeting met Tommy. Jim wordt overvallen door een stortvloed van emoties.

Ook Tommy is geraakt door het onverwachte weerzien met Jim. Gedurende zijn jeugd was Jim de constante factor in zijn leven. Jim was er altijd. Jim was een trouwe vriend, een gevoelige jongen. Als Tommy weer eens een flink pak slaag van zijn vader had gehad, mocht Tommy bij zijn beste vriend in bed slapen. Jim groeide veilig op bij zijn beschermende moeder, een vader is er nooit geweest. De moeder van Tommy nam de benen en liet haar vier kinderen achter bij hun agressieve vader. Regelmatig botvierde de humeurige man, die door zijn werk als vuilnisman over een enorme spierkracht bezat, zijn woede op zijn kinderen. Op een dag ging hij echter te ver en Tommy vocht terug.

Nadat Tommy zijn vader te grazen nam, verdween ook vader uit het leven van de vier kinderen. De dertienjarige Tommy nam de taak van gezinshoofd op zich maar daar trapte de kinderbescherming niet in. De kinderen werden uit huis geplaatst, alleen de zesjarige tweeling mocht bij elkaar blijven. Tommy kwam bij Jonsen in huis. De vrijgezelle Jonsen was dan misschien geen vaderfiguur maar hij was wel een vriend. Tommy voelde zich prettig bij hem. De tweeling zag hij nog regelmatig maar het voelde alsof ze niet langer familie van elkaar waren. De meisjes bloeiden op in hun nieuwe gezin. Ze veranderden terwijl Tommy gewoon Tommy bleef. Met zijn zus Siri hield hij wel contact, ook al keurde haar nieuwe pleeggezin dat af. Tommy en Siri hielden van elkaar.

Tommy en Jim zijn inmiddels midden vijftig. Op hun achttiende stopte het contact abrupt. Is er iets voorgevallen tussen de twee vrienden? Waarom verbraken zij plotsklap hun hechte band? De toevallige ontmoeting op de brug maakt bij beide mannen veel los. Het verleden dringt genadeloos in het heden door. Het laat zich niet langer verdringen. Tommy is nu een geslaagde zakenman terwijl Jim, die een goede opleiding volgde, door de Sociale Verzekeringsbank onder druk wordt gezet omdat hij al een jaar thuiszit. Jim begrijpt niet waar de paniekaanvallen vandaan komen, net zoals hij nog steeds niet weet waarom hij jaren geleden in het ziekenhuis belandde. Voor welke waarheid is hij op de vlucht?

Twee wegen vertelt het bewogen verhaal van twee gewone mannen. Hun jeugd is misschien niet alledaags geweest maar opzienbarend was het nu ook weer niet en dat is juist de kracht van dit verhaal. Waar andere auteurs gebruik maken van fraaie, bloemrijke taal, beschikt Per Petterson over het – niet te onderschatten - talent om de vertelstijl eenvoudig te houden. Hij vertelt het verhaal zoals het is, zonder opsmuk en zonder dure woorden. De eenvoud van het verhaal biedt ruimte aan een prachtige diepgang waardoor het verhaal je niet meer loslaat.

Het verhaal wordt ook vanuit het perspectief van de zus en moeder van Tommy verteld. De lezer weet hierdoor meer dan Tommy en Jim zelf. Per Petterson verstaat tevens de kunst om een groot deel van het verhaal tussen de regels door te vertellen. Twee wegen doet de lezer jubelen een zeldzaam goed boek in handen te hebben. Indrukwekkend.

ISBN 9789044526431 | paperback | 315 pagina's| Uitgeverij De Geus | maart 2014
Vertaald door Marin Mars

© Annemarie, 31 maart 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altBrandlucht
Erik Vlaminck

Als Nederland en België elkaar treffen is dat zoiets als ‘twee geloven op een kussen, daar komt de duivel tussen’. Het kan niet goed gaan...
Dat geldt ook voor gemengde huwelijken, zelfs als die op neutraal gebied plaatsvinden, dat laat Erik Vlaminck toch doorschemeren in dit verhaal. Al van af het begin weet je : dit gaat fout, en dat heeft ook zo zijn gevolgen voor Elly, de dochter van de Hollandse en de Vlaming.


Elly staat centraal, zij vertelt met flashbacks over het leven van haar ouders, terwijl ze in het heden zorgt voor de bejaarde moeder, bij wie het nooit goed is.
Zij wonen in Saint Thomas, een stadje in Canada, waar Tony Verkest en Mina uit Zundert zijn neergestreken na hun huwelijk. Op afstand van de Vlaamse kolonie in Delhi, en dat blijkt niet voor niets zo te zijn gebeurd. Zowel Tony als Mina hebben hun geheimen, die altijd aanwezig zijn op de achtergrond.
Elly kiest de kant van haar vader: hij heeft altijd aandacht  voor zijn ‘zonnebloemeke’, ze mag delen in zijn hobby, duiven houden, terwijl haar moeder altijd op hem zit te vitten. ‘Echt Hollands’ zegt Vlaminck: Mina, die heimwee heeft naar het dorpse leven in Zundert, is streng katholiek, en dwingt haar dochter melk te drinken, en ’s nachts washandjes over haar handen te dragen tegen het krabben: eczeem.


‘Door dat levenslange melk drinken hebben Hollandse mensen allemaal lange tanden en zijn ze een half hoofd groter dan bijvoorbeeld de Belgen, die ophouden met melk drinken zodra ze kunnen lopen en spreken.’


Als Elly op zoek gaat naar haar verdwenen vader, ontdekt ze veel over zijn verborgen leven.
Ze interpreteert het als verraad, en neemt wraak. Of ze er iets mee op schiet? Verguisd door haar moeder, verraden door haar vader, hoe slecht kun je het treffen. Maar het kan nog erger: ze is zwanger als ze terugkeert in Canada, dochter Linda wordt geboren.
Opnieuw worden de verhoudingen op scherp gezet, en door het onvermogen om met elkaar te communiceren, de misverstanden die niet uitgesproken worden en de verkeerde keuzes die ze maken, lijkt het leven van geen van de drie vrouwen een gelukkig leven te kunnen worden.


Het is stilistisch een sterk verhaal, maar dat maakt het lezen ervan lastig. Steeds weet je dat je bepaalde dingen gemist hebt, niet goed begrepen - zoals de personages in het verhaal -  met dien verstande dat de lezer terug kan bladeren. Maar zoals gezegd: dat leest niet zo prettig. Dan moet het hele boek nog maar eens gelezen worden.
Maar het is geen vrolijk verhaal, de sneue personen zijn verdoemd, misschien al wel vanaf hun geboorte.
Wat ook erg Hollands is, is gezelligheid, dat ontbreekt hier ten enenmale.


Erik Vlaminck (Kapellen, 2 juli 1954) is roman- en theaterauteur.
Als romanschrijver kreeg Vlaminck bekendheid met een zesdelige romancyclus over het ongewone leven van gewone mensen in het Vlaanderen van de 20e eeuw. (Later gebundeld in drie delen: Langs moederszijde, Langs vaderszijde, Langs schrijverszijde.) Doorbraak bij een ruim lezerspubliek kwam er in 2008 met Suikerspin en in 2011 met Brandlucht.


ISBN 9789028424227 |Paperback|224 pagina's |Uitgeverij Wereldbibliotheek| augustus 2011

© Marjo, 26 maart 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Het jurkje van Paul
Philippe Grimbert

“Toen hij omhoog keek, zag hij het jurkje. Eén enkel jurkje, op een hangertje, midden in de etalage, tegen een achtergrond van watergroen papier. Een kinderjurkje, smetteloos wit, model overgooier, met op het inzetstuk drie roosjes die leken op de rozen in de potten. Drie tere knopjes met meteen daaronder platte plooien die doorliepen tot de onderste zoom. De stof was luchtig en doorzichtig als een linnen sluier; hij ademde de koelte ervan uit.”

Vanaf het moment dat hij het jurkje zag, kon Paul nergens anders meer aan denken. Hij zag het kledingstuk voor het eerst toen hij tijdens de lunchpauze van een bijscholingscursus een wandelingetje maakte. De rest van de cursusweek bezocht hij dagelijks de etalage van de winkel POÈME waar het jurkje hing. Waarom hij het deed, wist Paul niet maar op de laatste cursusdag kocht hij het jurkje.

Thuis legde Paul de luxe verpakkingsdoos met daarin het witte jurkje klaar om aan zijn vrouw Irène te laten zien. Zal ze lachen om zijn dwaze inval? Dan maakt een ongemakkelijk gevoel zich van hem meester want Paul kan de aankoop van het jurkje niet verklaren. Waarom heeft hij het gekocht? En waarom in de maat van een zesjarig kind? Hij heeft weliswaar een dochter maar Agnès is al een volwassen vrouw. Paul durft het jurkje niet langer aan Irène te laten zien en verstopt het in zijn kledingkast. Het smetteloze, witte jurkje wordt door zijn antracietkleurige pak en een marineblauwe blazer aan het zicht onttrokken.

Een dag na de wonderlijke aankoop denkt Irène ineens aan de oproep van het Rode Kruis waarin om gebruikte kleding wordt verzocht. Monter begint ze met het uitzoeken van de kledingkasten en stuit tot haar grote verbijstering op het witte jurkje. Paul is niet thuis op het moment dat Irène de ongewone ontdekking doet en in eerste instantie besluit Irène heel verstandig om haar echtgenoot direct na diens thuiskomst over het vreemde kledingstuk aan de tand te voelen. Dan gaat haar fantasie met haar op de loop en Irène wordt opgeslokt door de meest gruwelijke gedachtes. Is Paul een viezerik die opgewonden raakt van een dergelijk kledingstuk of heeft hij misschien een buitenechtelijk kind?

Wanneer Paul thuiskomt kan Irène hem eindelijk om opheldering vragen. Maar Irène zwijgt en Paul zwijgt terug. Vanaf dat moment zakt het tweetal langzaam weg in een moeras van vertwijfeling. Sinds hij het jurkje in zijn bezit heeft, denkt Paul terug aan zijn jeugd, aan zijn vader die hem zo vroeg ontnomen is. Ook Irène denkt sinds de ontdekking van de jurk aan haar kindertijd. Ze werd als jong meisje bij haar oom en tante gedumpt omdat haar ouders een lange reis gingen maken. Irène voelde zich buitengesloten en afgedankt door haar vader en moeder. Ze veranderde in een verdrietig kind. De lange reis die haar ouders maakten bleken een verzachtende bewoording te zijn van iets nog veel ergers. Irène praat er nooit over, ook niet over het diepe dal waarin haar gemoed zich dikwijls bevindt. Zowel Irène als Paul denkt aan de jaren waarin ze probeerden een tweede kindje te krijgen.

Een klein wit jurkje drijft Paul en Irène uiteen. Paul snapt maar niet waarom hij het jurkje heeft gekocht en voelt de aanwezigheid van het  geheime kledingstuk steeds zwaarder op zich drukken. Irène vertrouwt  haar man niet meer en beschouwt het jurkje als een vijandige indringer. Paul en Irène praten niet meer met elkaar en er ontstaan barsten in hun relatie. Het onschuldige jurkje lijkt hen naar hun ondergang te voeren. Herinneringen aan het verleden en wantrouwen nemen de overhand.

Het jurkje van Paul is een rauw, pittig en aangrijpend verhaal over een eens gelukkig echtpaar dat wegkwijnt door een onbezonnen aankoop. Het jurkje staat symbool voor heel veel meer dan slechts een kledingstuk. Deze novelle neemt slechts 124 pagina’s in beslag maar toch was ik er even mee zoet. Het is geen lichtvoetig verhaal en de schrijfstijl van de Franse auteur Philippe Grimbert is gedurfd. De reden waarom Paul het jurkje heeft gekocht wordt uiteindelijk uit de doeken gedaan maar is ondergeschikt aan wat het jurkje met Paul en Irène doet. Het jurkje van Paul lijkt aanvankelijk een eenvoudige vertelling maar het is in werkelijkheid zeer diepgaand. Zwaar maar fraai.

ISBN 9789462370340| luxe paperback | 124 pagina's| World Editions NL| maart 2014
Vertaald door Jan Versteeg

© Annemarie, 22 maart 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kenau
Vrij naar de gelijknamige film
Tessa de Loo


De titel Kenau verwijst naar Kenau Simonsdochter Hasselaer, de vrouw waar we het woord kenau aan te danken hebben.
Kenau woonde in de zestiende eeuw in Haarlem waar ze na de dood van haar man zorg droeg voor de voortzetting van zijn scheepswerf en houtbedrijf. Met krachtige hand bestierde ze de bedrijven en met succes.


Het geromantiseerde verhaal over Kenau begint in 1572. Het land is in oorlog, de spanjolen rukken op.
Claes, een neefje uit Naarden, komt uitgeput aan bij het huis van Kenau en meldt dat de spanjolen, onder leiding van de Don Frederik, de zoon van de hertog van Alva, zijn hele familie en de rest van de bevolking uitgemoord hebben nadat deze zich verzameld hadden in het stadhuis om hun eed van trouw aan de koning van Spanje, Filips de Tweede, af te leggen. Het stadsbestuur had zich na een langdurige belegering overgegeven en had een flinke afkoopsom betaald opdat de burgers gespaard zouden blijven... Maar de spanjolen kwamen hun belofte dus niet na.
Claes wilde die eed niet afleggen en was thuis gebleven. Nadat hij ontdekte wat er gebeurd was, vluchtte hij in paniek naar zijn tante om hen te waarschuwen, want het volgende doel is Haarlem.


Haarlem bereidt zich daarna voor op de komst van de spanjolen. Kenau, zelf overtuigd katholiek, ontdekt tot haar verbijstering dat haar geliefde dochter Geertruide zich aangesloten heeft bij de calvinisten. Ze is verliefd geworden op de zoon van de charismatische, charmante calvinist Wigbolt Ripperda, de gouverneur van Haarlem.  Deze geloofsovertuiging kost haar dochter en zijn zoon het leven, beiden sterven op de brandstapel. Hun gezamenlijke leed schept een band...
Vanaf die tijd is het geloof van Kenau tanende en de haat tegen de spanjolen enorm. Kenau ziet Cathelijne, haar andere dochter, niet staan, zij is de dochter uit een eerder huwelijk waar Kenau liever niet aan herinnerd wordt. Dat haar dochter ook verdriet heeft om haar zus wil ze niet zien. Cathelijne keert zich dankzij de kille houding steeds meer af van haar moeder.


Uiteindelijk is het zover, de spanjolen staan voor de poorten van Haarlem en een langdurig beleg volgt. Onder geen beding wil Haarlem zich overgeven aan de gehate vijand. De verdediging is fel en krachtig. Het is ook dankzij deze verdediging dat Kenau de geschiedenis in gaat als de vrouw die aan de leiding stond van een door haar opgetrommeld vrouwenleger. Met hand en tand, beter gezegd, met zwaarden, kokende olie en teer verdedigen deze vrouwen hun geliefde stad. Het vreemde is dat Cathelijne van haar moeder niet mee mag helpen op de vestingmuren... Geeft Kenau dan toch meer om haar dochter dan ze wil toegeven?
Kenau doet nog veel meer om Haarlem te behouden en dwingt door haar handelingen bij het stadsbestuur respect af maar ook, tot haar afgrijzen, bij Don Frederik. De gevolgen zijn afschuwelijk.


Op zich is het een meeslepend verhaal dat prettig wegleest. Had Kenau niet daadwerkelijk bestaan dan was het mogelijk een lekker fantasievol verhaal over een moedige vrouw geweest. Maar omdat je weet dat ze daadwerkelijk geleefd heeft en wat ze gedaan heeft, komt dit verhaal er niet mee weg. Juist omdat de nadruk wordt gelegd op het strijdbare van de vrouwen zijn de romantische toespelingen over Ripperda en Kenau nu misplaatst. Het lijkt of er romantische en seksuele spanning in het verhaal verwerkt móest worden om het allemaal wat aantrekkelijker maken en dat werkt eerder averechts. Het maakt van het boek een meer tegen het sentiment neigende roman dan een goed historisch verhaal over een enorm krachtige vrouw.
Bovendien lijkt Kenau mij interessant en vrijgevochten genoeg om het alleen te redden en was haar leven zelf al boeiend genoeg.
De vermeende gevoelens voor Ripperda en wat haar later overkomt halen deze sterke, moedige vrouw juist naar beneden. Kenau verdient meer dan dit. In mijn ogen was het beter geweest als Tessa de Loo een eigen roman had geschreven rond deze vrouw dan dit vrij zoetige aftreksel gebaseerd op de film.


Zie ook http://www.kenaudefilm.nl


ISBN 9789029588461 Paperback 301 pagina's Uitgeverij Arbeiderspers oktober 2013

© Dettie, 17 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altMoord op de noordelijke bergweg
Anila Wilms


‘De Albanese staat en zijn leidende figuren zijn zonder enige twijfel corrupt. Maar oorlog en dood heeft men in dit land altijd heel serieus genomen.’

Het stuk land dat nu Albanië vormt, heeft al een woelig verleden.  Tot 1912 maakte het deel uit van het Ottomaanse Rijk, maar voor de sultan was het maar een uithoek, en terwijl de pasja’s zich verrijkten leed de bevolking armoe. Tijdens de Eerste Balkanoorlog (1912-1913) verklaarde Albanië zich zelfstandig (op 28 november 1912, te Vlorë), maar de andere Balkanstaten waren niet van zins dat te erkennen en Griekenland, Servië en Montenegro maakten aanspraak op grote delen van het Albanese gebied.
Italië en Oostenrijk-Hongarije hadden daar ook wel zin in, en het kleine landje werd gedurende de Eerste Wereldoorlog aan alle kanten bestookt. Begin 1916 werd Albanië bezet door Oostenrijk-Hongarije in het noorden, en door de Bulgaren in het oosten van het land. Montenegro viel aan in Noord-Albanië.
Na de wapenstilstand in 1918 werd Albanië eindelijk met rust gelaten, en erkend als een zelfstandige staat. Van rust was evenwel geen sprake, en met onderhavig boek ‘moord op de noordelijke bergweg’ onderneemt Anila Wilms een poging de verhoudingen duidelijk te maken. Het is geen thriller of zelfs maar een spannend boek - of je moet politiek spannend vinden - maar het begint wel degelijk met een moord.


In 1923, op een eenzame weg in het onherbergzame noorden worden twee jonge mannen doorzeefd met kogels. Zij zijn dood. De chauffeur van de door hun gehuurde auto overleeft ternauwernood maar is een aantal dagen niet aanspreekbaar. Als hij wél kan vertellen wat er gebeurd is, is er al geen redden meer aan, want als blijkt dat de slachtoffers  Amerikanen waren, breekt de hel los.
In de noordelijke berggebieden geldt de ‘Kanun’: bloedwraak en gastvrijheid.


‘Naar het gewoonterecht van de bergen, ook wel canon of Kanun genoemd, wordt moord of een moordpoging zonder uitzondering met de dood vergolden. Daarnaast hebben we nog de verheerlijking van de vriendelijke vreemdeling. Bloedwraak en gastvrijheid zjn de twee pijlers van de codex. Een gast vermoorden is het ultieme misdrijf.’


Alle partijen bemoeien zich er mee: de Raad van Afgevaardigden, veelal Albanezen die uit het buitenland teruggekeerd zijn toen het land zelfstandig ging worden, met Fuad Herri als premier versus zijn grote tegenstander bisschop Dorotheus, ieder met een eigen agenda, en azend op de heerschappij over het land.


De man die min of meer de hoofdpersoon van het boek is, is Julius Grant, Amerikaans ambassadeur.
Hij is als alle westerlingen, die met een goedbedoelde arrogantie er van uit gaan dat ze met open armen ontvangen worden. Maar op de achtergrond zit de wens om nog méér te hebben: meer geld, meer macht. Zijn missie is dan ook - overigens net als die van de Britse ambassadeur!- om olieconcessies los te peuteren. Zonder die vermoede oliebronnen zou het westen geen greintje belangstelling hebben voor dit land met zijn eigen regels, eigen zeden en normen, zo anders dan die van het westen. De Kanun wordt terzijde geschoven, omdat men het niet begrijpt. En dat leidt bijna tot een burgeroorlog, waarbij zelfs gesproken wordt over ingrijpen door de geallieerden.

Achterin staat kort vermeld dat dit verhaal gebaseerd is op een historische gebeurtenis. Ook zonder dat is het een ongelooflijk interessant boek, al was het maar omdat ik ook in het westen ben opgegroeid. Het schetst het onbegrip tussen oost en west, een ernstige zaak waarbij humor echter niet geschuwd wordt. Alleen al de manier waarop Grant neergezet wordt: als een harlekijn, goed bedoelend, maar totaal niet begrijpend.
Dit  boek is een must voor politici, vooral degenen die zich bezighouden met buitenlandse zaken.

Anila Wilms (Tirana, 1971) woont sinds 1994 in Berlijn en schreef deze roman zowel in het Duits al in het Albanees.


ISBN  9789461642110 |paperback |217 pagina's |Uitgeverij van Gennep| januari 2014
Vertaald uit het Duits door Dineke Bijlsma

© Marjo, 6 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het belang van schone ramen
Frits Criens


Het kiezen van een pakkende titel kan Frits Criens niet ontzegd worden; Het belang van schone ramen. De titel klopt ook nog eens precies met de inhoud van het boek, al kun je je dat als lezer bij aanvang nog niet voorstellen.
Het boek begint al even pakkend, want al op de eerste pagina wordt de hoofdpersoon, Viktor Bayan, opgewacht door de dood in hoogsteigen persoon, die gekleed is in een duur Italiaans maatpak. Gevoel voor smaak kan de dood niet worden ontzegd.
Zijn boodschap is duidelijk; morgenavond klokslag tien voor zes zal hij Viktor komen halen. Op de vlucht slaan is zinloos. Viktor gaat er van uit dat het loos alarm is, maar besluit voor de zekerheid toch enkele maatregelen te nemen. Hij maakt een lijst met prioriteiten die voor die tijd nog gedaan moeten worden;


1.      Fanatiek zoeken naar een oplossing om de
         dood tegen te houden
2.      2 flessen jonge klare en kratje bier kopen
3.      Een bestemming vinden voor de piano
4.      Ramen lappen
5.      Voordeur schilderen
6.      Zich onder voorbehoud afmelden bij de instanties


Als lezer vraag je je die eerste pagina’s voornamelijk af waar je in vredesnaam in terecht gekomen bent, maar langzaam tekent zich een beeld af van Viktor, zijn omstandigheden en zijn verleden en wordt de situatie duidelijker. Viktor heeft een manische stoornis. Enkele maanden terug is zijn moeder overleden, met wie hij een hechte, volgens zijn psychiater een ongezond hechte, band had.
Na haar dood is hij gestopt met zijn medicatie en begonnen met drinken, dit zonder medeweten van zijn psychiater dokter Karlof die hem lithium en andere medicatie voorschreef.
Viktor heeft een grote aversie tegen al deze pillen, ze maken dat hij zich vlak voelt en niet meer zichzelf. Hij verwijt dokter Karlof dat hij door het slikken van die pillen veel belangrijke momenten gemist heeft van het ziek zijn en sterven van zijn moeder. Het is genoeg geweest, hij wil leven zonder pillen en nu zijn moeder er niet meer is om toezicht op zijn medicijngebruik te houden ziet hij zijn kans schoon. Hij voelt zich heerlijk, sterk en euforisch. Eindelijk is hij weer zijn oude zelf.


De combinatie van drank en het stoppen met de pillen brengen hem al snel in een staat van manie waarin waan en werkelijkheid door elkaar lopen en iedere rem wegvalt. De enige die nog een rem vormt is de stem in zijn hoofd die hij ‘Vittoh’ noemt, de naam die hij zichzelf gaf als kind. Vittoh kalmeert hem en probeert hem af te remmen en tot rede te brengen, maar hoe verder het verhaal gaat, hoe stiller de stem van Vittoh wordt.
Viktor is niet meer te stuiten, hij waant zichzelf de uitverkoren profeet van de god Bayan, die gekomen is om de wereld te redden, hij stort hij zich in megalomane projecten om zijn tuin ontoegankelijk te maken voor de naderende dood en dompelt zich onder in argwaan en achterdocht over de hele wereld die complotten smeet om hem, Viktor Bayan, van zijn missie af te houden, terwijl hij ondertussen bij non-stop alcohol tot zich neemt.


Als lezer hap je intussen regelmatig naar adem. Criens sleept je aan je haren mee het verhaal in. Je voelt de waanzin van Viktor en je voelt de dood naderen die hem op de hielen zit. Het boek gaat niet alleen over iemand die een bipolaire stoornis heeft en ontremd is, maar ook over angst voor de dood en het ontlopen daarvan. Kun je de dood te slim af zijn, of trek je hem door er zo voor op de loop te zijn juist aan?


Criens heeft zich door gesprekken met mensen met een bipolaire stoornis en vermoedelijk ook door heel veel lezen, een beeld gevormd van deze ziekte en heeft dat knap weten om te vormen tot een personage waar je ondanks alles sympathie voor krijgt. De psychiatrische verpleegkundige die hij dit boek na afloop liet lezen vertelde hem dat Viktor Bayan zomaar morgen haar werk binnen zou kunnen wandelen. En ook ik zag hem voor me, Viktor Bayan.
Al lezend wilde ik vooral doen wat niemand in dit boek echt lijkt te lukken… hem stoppen en tot kalmte manen.

Een boeiend boek wat indruk maakt en wat ondanks de ernst en de razernij van het verhaal je af en toe een glimlach ontlokt. Een boek dat na afloop nog even doorraast in je hoofd.


ISBN 9789079226160  Paperback  296 pagina's Uitgeverij LVD-U Heerlen maart 2014

© Willeke, 7 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Australië op blote voeten
Marlo Morgan


Marlo Morgan is een vijftigjarige Amerikaanse arts, gespecialiseerd in acupunctuur. Ze is uitgenodigd om een paar jaar les te geven en cursusmateriaal te schrijven in het kader van het programma voor sociale gezondheidszorg in… Australië!
Eenmaal in Australië gaat het lot van de jonge Aboriginals haar zeer aan het hart. Ze worden gediscrimineerd, kunnen geen werk vinden, ze willen echter hun oude gebruiken en overtuigingen niet opgeven, ondanks alle hulp die ze aangeboden krijgen. Marlo heeft daarna een een project opgezet om een stel jonge Aboriginals aan inkomen te helpen en dat is een groot succes.

Die dag heeft ze een lunchafspraak met een Aboriginalstam en ze hoopt dat ze echte Aboriginalgerechten voorgeschoteld zal krijgen. Keurig gekleed in een splinternieuw abrikooskleurig mantelpakje, op hoge hakken, het haar geblondeerd en perfect opgebrachte make-up staat ze te wachten op de man die haar zal ophalen. Groot is haar verrassing als dat een Aboriginal in korte broek en rafelig hemdje is, die in een oude open jeep rijdt.


Na een eindeloze rit van enkele uren stoppen ze bij een gebouwtje opgetrokken uit ijzeren golfplaat. Daar moet ze eerst gereinigd worden...
Ze weet wel dat ze vies is van de reis maar reinigen... Ze moet haar kleren uittrekken en krijgt een lap stof, die ze om zich heen moet wikkelen. Daarna wordt ze 'uitgerookt' en dan is ze rein. Al haar persoonlijke bezittingen worden verbrand, inclusief camera, creditcards en papieren.
Pas dan mag ze het gebouwtje in en wordt ze voorgesteld aan de stamoudste. Ooota, de man die haar ophaalde, vertaalt alles in het Engels. Er wordt gezongen en gedanst en Marlo wordt onderworpen aan allerlei proeven. Deze doorstaat ze glansrijk en ze mag mee op walkabout. Ze zal drie maanden door Australië trekken samen met de Aboriginalstam.  Ooota vertelt:


'Alles is geregeld. Iedereen die het moet weten, zal het weten. Mijn volk heeft jouw kreet om hulp gehoord. Als iemand van de stam tegen je had gestemd, zouden we deze tocht niet maken. Je bent getest en geaccepteerd. Hoe buitengewoon groot die eer is, kan ik niet uitleggen. je moet die ervaring meemaken. Het is het allerbelangrijkste dat je in dit leven kunt doen.'


Wat de man bedoelt, begrijpt Marlo niet, ze weet alleen dat ze middenin een Australische woestijn staat, ze kan niet anders doen dan meelopen.

En zo begint de voettocht op blote voeten door Australië. Natuurlijk kost het Marlo veel moeite, ze is helemaal niet gewend aan dit soort leven en aanvankelijk verwacht ze ook dat ze na een of twee dagen weer teruggebracht zal worden naar haar luxe hotel. Maar Ooota maakt haar gelijk duidelijk dat de reis echt drie maanden zal duren. Marlo maakt zich druk om haar kinderen, wat zullen ze ongerust zijn! En hoe moet het met de huur en haar werk? Ze kan niet zomaar wegblijven. Maar alles is geregeld…

Marlo leert enorm veel tijdens haar verblijf bij de Aboriginals. Zij vertellen haar dat alleen de Aboriginals nog oermensen zijn, de rest zijn mutanten, dat zijn mensen die ver van hun origine verwijderd zijn geraakt. Het is voor Marlo verbijsterend om te ontdekken hoe intens de Aboriginals met de natuur samenleven. De Aboriginals weten bijvoorbeeld altijd waar water te vinden is, ze horen het water door hun oor op de grond te leggen of ze zien aan minuscule tekens in het zand waar eten te vinden is. Ze kennen de werking van planten en kruiden en hebben zo hun eigen verbluffende geneeswijzen ontwikkeld. Ze benaderen het leven op een heel andere manier dan zij.


Ze behandelen alles wat in de natuur voorkomt met groot respect. Niets wordt weggegooid, alles wordt gebruikt of aan de aarde teruggegeven. Volgens hen heeft alles wat op deze planeet bestaat een reden. Voedsel dient zich aan, en daar maak je gebruik van, je gaat er niet naar op zoek.
De mensen krijgen namen naar hun talent. Verjaardagen vinden ze raar, ouder word je vanzelf wel, maar beter worden na een ziekte dát is iets om te vieren. Kortom, Marlo leert alle zeden en gewoontes èn heilige rituelen van de Aboriginals opdat zij het kan doorgeven aan de wereld. Zodat alles bewaard blijft...

Het boek veroorzaakte vijftien jaar geleden een sensatie, Marlo deed het namelijk voorkomen alsof zij werkelijk drie maanden met de Aboriginals was opgetrokken. Nu staat achterin het boek dat het fictief werk is, geïnspireerd door haar ervaringen in Australië.
Maar eigenlijk doet het er niet toe. Het hele verhaal laat zien hoe ver mensen verwijderd zijn van hun natuurlijke habitat. Het laat zien hoe er in de westerse wereld alles aan de oppervlakte blijft hangen, alles overdekt is met een laag glazuur, dat voor eventjes aanlokkelijk en lekker maar niet blijvend is. Indrukwekkend verhaal dat stemt tot nadenken.


ISBN 9789022988947 Paperback 200 pagina's A.W. Bruna  jubileumeditie november 2012  32e druk
1e druk 1995 vertaling Rie Neehus

© Dettie, 5 april 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het lied en de waarheid
Helga Ruebsamen


In dit prachtige boek lezen we het verhaal over de bizarre gebeurtenissen die plaatsvonden in de jeugd van Louise Benda. Het wordt verteld met de stem en de blik van het toentertijd zeer jonge meisje.


Louise is in 1934 geboren op Java, Indonesië. Haar moeder Helene is een blonde, mooie, mondaine vrouw die haar tijd doorbrengt met lezen, theedrinken met 'theemevrouwen' en schrijven. Louise lijkt totaal niet op haar moeder maar wel op Margot de zus van mammie Helene. Tante Margot is, in tegenstelling tot de blonde, lange, dunne Helene, mollig en breed en heeft donker kroeshaar. Margot woont bij haar zus in en werkt enkele dagen per week in de kliniek van Louises vader. De zussen zijn gek op elkaar en zoeken altijd elkaars gezelschap op.
De vader van Louise is een hardwerkende arts, Louise ziet hem zelden.


'Omdat papa zo vaak weg was, kon ik eerst moeilijk geloven dat hij echt bij ons hoorde en ik heb zelfs een hele tijd gedacht dat zijn bed in de kliniek stond en niet bij ons thuis.
Hij was geen dagmens, want hij was er overdag niet. Hij was geen nachtmens, want hij was er vaak ook 's nachts niet. Hij kwam thuis of vertrok, dat waren belangrijke ogenblikken.'


Louise houdt van haar ouders en tante, ze houdt van het huis, de bomen, de geuren, de vogels, de roep van de tokkèh, van de oude waringinboom en het mooie sprookjesachtige verhaal dat rond deze boom geweven is.
De nachtmensen zijn voor Louise net zo belangrijk als de dagmensen. De nachtmensen praten zachtjes en verwennen haar met roze siroop zoveel als ze wil.


'Overal mocht ik aankomen. Overal mocht ik naar kijken.
Als ik iets zei, kirden ze vrolijk of klakten ze bewonderend met hun tong. Ze vroegen mij nooit iets, maar ze gaven wel altijd antwoord. Wij spraken honderduit, de nachtmensen en ik, of we elkaar nu woord voor woord verstond of niet.
Nachtmensen droegen namen van het werk dat ze overdag deden, baboe, kokki, djait, djongod, kebon. Ze hadden ook nog wel andere namen; die zangerig klonken; die kende ik ook.
Die hoefde ik nooit hardop te zeggen. Als ik die alleen maar dacht, dan kwamen de nachtmensen al.


In de nacht is alles mysterieus, zweven de verhalen, de geuren en de goden in het rond. Dan is de wereld geheimzinnig en voor de fantasierijke Louise is het allemaal even heerlijk griezeliggruwelijk, gelukzalig geweldig.


Alles verandert met de komst van oom Felix, de broer van papa, de verloofde van tante Margot. Oom Felix is een charismatische, bruisende, levendige, muzikale, goedgebekte man. Precies het tegenovergestelde van zijn broer. Louise is gek op haar oom.
In haar kinderlijke onschuld vertelt ze enthousiast iets over hem waardoor haar hele paradijselijke wereldje op zijn kop komt te staan. Het tropische sprookje is afgelopen.


In deel II, het is 1939, zit de dan vijfjarige Louise op het 'geluksschip' de Garoeda, het is het schip dat haar ouders, tante Margot, haar nieuwe broertje Simon en pleegzusje Tinka naar Europa zal brengen. Op het schip maakt ze kennis met de fascinerende meneer Benjamin. Veel begrijpt ze niet van deze man, die het liefst alleen is. Hij duldt alleen Tinka en Louise om zich heen. De twee meisjes gaan hun eigen gang, er wordt weinig op ze gelet. Tinka sluit zichzelf vaak op in haar hoofd, ze wil terug naar haar land maar zal in Europa een dansopleiding krijgen. Dansen is haar lust en haar leven. Louise begrijpt steeds precies wat Tinka voelt als ze haar ziet dansen, de volwassenen zien dat niet.
De meisjes zijn getuige van diverse heftige gebeurtenissen op het schip waarvan ze op dat moment de betekenis niet begrijpen. Dat zal later pas tot hun doordringen.


In Deel III woont Louise met tante Margot, haar vader en Tinka in het huis van oma in Nederland, de moeder van haar vader. Mammie Helene is met de baby doorgereisd naar Engeland... De overgang van het warme, tropische paradijs naar het koude, kille land is groot. De volwassenen lopen met zorgelijke, witte gezichten. De mannen met hun zwarte pakken en baarden en vader praten urenlang met elkaar.
Oma zelf is op zijn zachts gezegd heel apart. Alles kan in haar enorme huis. Iedereen is welkom, maar zij heeft wel de wind eronder. Oma is geweldig.
Louise en Tinka krijgen een kindermeisje Aleida. Ze is net een vosje vindt Louise. Ze heeft een slim vossenkopje, en ook haar stuntelige maar toch sierlijke loop lijkt op dat van een vos. Aleida is sterk, Aleida, is groot, Aleida is vrolijk. Aleida is fascinerend.
De meisjes wennen, maar de 6 jaar oudere Tinka wil nog steeds terug, Louise raakt in een soort niemandsland. Waar hoort ze thuis? Het warme, onbezorgde, vrolijke leven van de tropen is weg. Een koud, in angst levend land kreeg ze ervoor terug. Toch went ze langzaam aan haar nieuwe leven. Maar ook bij oma veranderd er alles. Louise hoort mensen huilen en roepen en schreeuwen... Tinka, waar ze alles mee deelt verdwijnt, die aparte, lieve oma wordt ziek en tante Margot is terug naar Java. Opnieuw raakt de kleine Louise haar vertrouwde wereld kwijt.


In deel IV vertrekt de inmiddels bijna tienjarige Louise met papa en Aleida naar Waterland, naar het huis van Aleida's ouders. Ze moet heel stil zijn, ze mag geen lawaai maken zegt papa, niemand mag weten dat ze daar zijn. Het is dan dat Louise besluit dat ze het allemaal wel best vindt, het is genoeg geweest. Ze verandert zichzelf in slome Louise, ze is lief en braaf en praat en lacht en doet wat mensen willen dat ze doet. Alleen 's nachts als iedereen slaapt komt de boze, opstandige, onstuimige, briezende Louise tot leven. Ze wordt weer een nachtmens, samen met de andere nachtmensen...


Het enorm knappe van dit boek is dat Helga Ruebsamen consequent vasthoudt aan de stijl van de verteller. Dankzij deze manier van schrijven maken we alles mee gezien door de ogen van het kleine meisje dat veel zaken nog helemaal niet begrijpt. Dankzij haar naïeve onschuld worden de loodzware gebeurtenissen bijna een soort bijzondere, spannende avonturen. Pas nadat je het boek dichtgeslagen hebt, besef je pas goed wat dat kleine meisje allemaal heeft moeten doorstaan. Hoe egoïstisch haar moeder was, hoe apart en liefdevol papa en hoe humoristisch en warm oma en tante Margot waren.  Het is een boek dat je bijblijft, een boek dat je even op je grondvesten laat schudden.
Een prachtig verhaal. Het heeft alles in zich om een klassieker te worden, als het dat al niet is.


ISBN 9789025443627 paperback 463 pagina's uitgeverij Atlas Contact 24e druk, februari 2014
(1e druk september 1997)

© Dettie, 28 maart 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altEen vriendschap
Philippe Grimbert


'Wat ik nog zal zien, zullen jouw ogen zien, wat ik nog zal horen, zul jij even duidelijk horen als ik. Dit is mijn dagboek, Mando, alles staat erin, je zult zien dat je het zelf had kunnen schijven, dit dagboek, dat zijn wij, dat is ons leven! Dat is nu echte vriendschap: geheel en al de ander zijn. Zo is het tussen ons tweeën altijd geweest en zo zal het blijven tot onze dood, en zelfs daarna...’


Loup, de ik-verteller, en Mando zijn vrienden voor het leven. Vanaf het moment dat zij elkaar ontmoeten op vierjarige leeftijd zijn ze verknocht aan elkaar. Hoe is het mogelijk dat aan zo’n mooie vriendschap een eind komt?
Dat is het verhaal dat Philippe Grimbert ons gaat vertellen in dit boekje.


Hij focust op Loup. Achteraf vind ik het jammer dat niet ook het verhaal belicht wordt door Mando. Die jongen lijkt zoveel interessanter. Nu blijft er een waas over het verhaal, want veel wordt niet duidelijk. Loup begrijpt niet waarom Mando hem op een bepaald moment zomaar uit zijn leven stuurt. Waarom kunnen ze geen vrienden blijven ook al gaan hun levens een andere kant op?
In hun jeugd is er al iets voorgevallen, waarover nooit meer gesproken wordt: ze zouden samen op vakantiekamp gaan, maar op het laatste moment bleef Loup weg, hij had al heimwee voor hij vertrok. Mando komt terug met een gebroken pols, en weigert er veel over te vertellen. Loup durft niet aan te dringen uit schuldgevoel. Hoewel zij over dit incident schijnbaar zonder problemen heen stappen, is er toch een basis gelegd voor onzekerheid, die pas na hun puberteit weer de kop opsteekt, als ze gaan studeren.


Loup verdiept zich in de psychoanalyse (het verhaal speelt in de woelige jaren zestig in Parijs, en de freudiaan Lacan (1901-1981) speelt een rol in het verhaal), Mando gaat rechten studeren. Mando begrijpt niets van het enthousiasme van zijn vriend, ziet het als verraad en vertoont claimend gedrag, en als Loup een paar keer een afspraak afzegt om zijn eigen leven te leiden, breekt hij door middel van een brief definitief met hem.
Loup is verbijsterd, maar blijft opportunistisch: dan heeft hij meer tijd voor de psychoanalyse en andere belangrijke personen in zijn leven - zijn tante Tine, die hem opgevoed heeft, en Gaby, een oudere dame die hem een onbekende kant van Parijs laat zien. -
Maar dan komt er na maanden stilte, weer een bericht van Mando. Loup moet handelen.
Dan pas ontdekt hij wat hun vriendschap voor Mando betekende.


Philippe Grimbert (Parijs, 1948) is behalve schrijver ook psychoanalyticus. Hij studeerde psychologie in Nanterre, had zijn eigen praktijk en werkte met autistische en psychotische jongeren.


ISBN 9789044515909 |hardcover |158 pagina's |Uitgeverij de Geus| september 2011
Vertaald uit het Frans door Jan Versteeg

© Marjo, 24 maart 2014

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER