Nieuwe boekrecensies

Rozen en rook
De zegen van weemoed deel 3
Theo Monkhorst


In 2050 reist de vijfendertigjarige Walid Fransman naar Frankrijk, waar zijn grootvader hem een huis heeft nagelaten. Walid was er al eerder, 30 jaar terug. Hij herinnert zich een dorp met een paar honderd inwoners. De burgemeester was een handelaar in spijkers toen, maar dat zal wel veranderd zijn, zoals de hele wereld veranderd is.


Steeds meer technologische uitvindingen nemen het leven over. Het heeft voordelen: het lawaai en de stank zijn uit steden verdwenen, nu er zwevende elektrische huurauto’s zijn. Maar het centraal gezag, de Autorité Central, afgekort CA, is gebaseerd op verstand en controle en niet op gevoel of intuïtie.  Deze superintelligente autoriteit houdt iedereen in de gaten, openlijk, maar ook door middel van spionnen - ook cyborgs, half-robots - en met drones, die vaak niet eens herkenbaar zijn als drones. Robots regeren, sociale betrokkenheid is zeldzaam. Precies om wat ze zijn, zijn kunstenaars verdacht, want kunst is ongrijpbaar.


Mensen hebben een basisloon gekregen, maar Walid had dat niet nodig, hij had het een en ander geërfd van zijn grootvaders. Hij is geboren in Nederland, opgegroeid in Cambridge en Londen, waar hij een reputatie als dichter heeft. Walid wil een eigen leven leiden, en onafhankelijk van een bekende naam bekend worden om wie hij is. Hij noemt zich dan ook Walid Tueni.


In Frankrijk  leert hij mensen kennen: De fietsenmaker/kunstenaar Maurice en diens dochter Julia; De boer Stefan en zijn broer Karl; Lisa, Hiromi, stuk voor stuk mensen met een verhaal. En soms zijn ze niet wie ze op het eerste gezicht lijken, iets waar Walid tot schade en schande achter komt.
Ook ontdekt hij dat de CA meer in de pap van zijn leven te brokkelen had - en heeft - dan hij wenselijk acht. Hoe kan hij er voor zorgen dat hij onzichtbaar wordt voor hen?
Dit alles wordt uit de doeken gedaan in het eerste deel dat ‘Vrede’ heet. Het tweede deel is Oorlog’, en is een verslag van de strijd die Walid met medestanders aangaat tegen de technologische overheersing.


‘Een boom kraakte, geritsel van een snelle vos door de afgevallen bladeren. Duizenden mieren verrichtten ondergronds hun noeste arbeid. Vrij, dacht Walid, dieren zijn vrij. Alleen mensen houden elkaar gevangen. Ik ben een mens gestuurd door onmenselijk mensen. Ik wil een beest zijn. Een vrij beest dat mensen bevecht. Dat wil ik. DAT WIL IK.’


Het boek is een aanklacht tegen de zich steeds verder ontwikkelende technologie, waarin de aandacht voor cultuur steeds meer ondergeschoven raakt. Dat zien we helaas in deze tijden om ons heen gebeuren, dus fictief is het allemaal niet. Er is ook een rol weggelegd voor de liefde, dat immers ook een ongrijpbaar iets is voor een technologische maatschappij.
En even iets om over na te denken in deze tijd waarin immers ook over een basisloon gesproken wordt:


'Toen vijf jaar geleden de éénkindwet werd uitgevaardigd, vonden we dat vreemd, maar eigenlijk begreep niemand wat het inhield. Vooral de mannen interesseerde het van geen kant, die waren alleen maar bezig met virtual reality, spelletjes, porno en sport. Zonder kinderen was het een stuk rustiger, zeiden sommige kerels. Maar wij vrouwen kregen op den duur door wat het betekende, vooral nadat de eerste gevangenisstraffen voor het krijgen van een tweede kind werden opgelegd en helemaal toen kinderen werden weggehaald en verplichte abortussen werden uitgevoerd. Wij begrepen eigenlijk al vrij snel dat de wet het huwelijk ondermijnde en gezinnen vernietigde. De invoering van het basisloon had daar al een aanzet toe gegeven. Mannen die niet meer werkten, hoefden nergens meer voor te zorgen. Bovendien kwamen ze wel door de staatsvoorzieningen aan hun gerief. Dus wij vrouwen kregen door dat er geen gemeenschapsgevoel meer was. Ieder kon voor zichzelf zorgen en de zorg voor kinderen zou grotendeels verdwijnen. De basis van onze beschaving, vrijheid, gelijkheid en broederschap stond op het spel. Vrij waren we alleen voor de schijn, de CA bepaalde in feite ons leven.'


Hoewel Rozen en rook een zelfstandig verhaal betreft, kan het gezien worden als het vervolg op de dubbelroman ‘De zegen van weemoed’. Walid Fransman is de kleinzoon van de schrijver Pieter Fransman uit de dubbelroman. ‘Rozen en rook’ speelt in 2050 en daarmee vormen de drie romans tezamen zowat het overzicht van een eeuw.


De Haagse schrijver Theo Monkhorst publiceerde romans, poëzie en toneelstukken. Zijn werk werd opgenomen in tal van literaire tijdschriften.


ISBN 9789062657872 | paperback | 368 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 4 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Klabbertoet
Jaap Gerritsma


'Dit verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen, maar voorvallen zijn soms ook verdicht.' schrijft Jaap Gerritsma in zijn dankwoord. Vervolgens noemt hij Annemiek Roumen 'met wie ik een bijzondere tijd doorbracht op de Hubertushof in Zuid Limburg. Jammer dat het lot ons, dobberend op een boomstam op de levenswaterweg, naar verschillende zijarmen heeft laten afdrijven.'


Om deze vrouw draait het hele verhaal, te beginnen op de dag dat Jaap Gerritsma, nadat Annemiek (Anne) uit het huis vertrokken is, weer terugkeert in Hubertushof. Anne's persoonlijke spullen zijn weggehaald evenals haar schilderijen. Dat haar jas er nog hangt snijdt hem door zijn ziel, maar het geeft hem ook hoop, betekent dat, dat er toch nog een opening is?


Anne en haar man waren vroegere bevriend met Jaap en zijn vrouw. Anne en Jaap hadden ook, tot wederzijds genoegen, samen een buitenechtelijke relatie. Ze verloren elkaar later deels uit het oog maar na beider scheiding kregen ze weer contact wat uitmondde in een huwelijk. Zowel Anne als Jaap waren inmiddels wel twee zonen rijker, Gargan (19) en Dennes (Anne) en Wolf en Fries (Jaap). Jaap heeft zijn kinderen alleen grootgebracht waarop hij met trots en tevredenheid terugkijkt. Maar Anne's zoon Gargan is degene die volgens Jaap de breuk in hun huwelijk veroorzaakte.


"Hier aan deze oude houten tafel vonden de eerste schrijnende gesprekken plaats over Gargan toen hij net aan de academie was gaan studeren, nu alweer een tiental jaren terug. Toen werd de kiem gezaaid voor de ellende tussen Anne, Gargan en mij waar we nooit echt greep op kregen. Nooit goed uitgesproken conflicten die onderaards door bleven woekeren zoals de schimmels van de honingzwam die in de tuin van onze geliefde walnoot heeft geveld. Ik wrijf over het houten blad. Hier lagen haar armen, daar stond haar mok. Daarnaast de asbak."


Gargan ziet Jaap als de man die de oorzaak is van de scheiding van zijn ouders. Anne gaat daar niet tegenin. Gargan stookt, insinueert, manipuleert, ontwricht. Daarnaast is Gargan een jongen die zwaar leunt op zijn moeder. Zij haalt, tot ergernis van Jaap, steeds de kooltjes uit het vuur als Gargan zich weer eens in de nesten gewerkt heeft. Jaap is van mening dat Gargan eens op eigen benen moet gaan staan, hij is tenslotte negentien. Een wolvenmoeder stuurt haar jongen op gegeven moment ook weg... Maar Anne is geen wolf en weigert naar Jaaps mening en suggesties te luisteren, wat hen uiteindelijk uit elkaar drijft.


Ik sprak een taal die Anne niet hoorde. En zij een taal die ik niet hoorde. We waren geen luisteraars voor elkaar, waardoor we elkaar nooit konden bereiken. Twee drenkelingen op een eigen vlot die van elkaar afdreven. Geen ankerketting om je aan vast te grijpen, geen boei om aan te haken. Alleen zijn met je eigen hulpgeroep.


En nu is Jaap dus terug in hun huis. Er lopen twee jonge poesjes zonder moeder rond die verzorging nodig hebben, er is een walnotenboom ofwel de klabbertoet die ziek is dankzij de honingzwam en er is dat rode jasje... Allen vormen de symboliek over afscheid nemen en verwerking.
Tijdens het onttakelen van de klabbertoet, wat prachtig beschreven wordt, ziet Jaap steeds meer de gelijkenis met hun huwelijk. Zijn huwelijk is net zo ziek als de boom. De bescherming van de boom, het gebladerte, is weg, er rest alleen nog een stam en een paar kale takken. Maar het werkelijke omhakken van de geliefde klabbertoet vraagt uiteindelijk nog veel kracht, energie en inzicht...
En dan is het rode jasje ineens weg... en de poesjes verdwijnen ook uit beeld...


Op zich is het een knap verhaal  dat vernuftig is opgebouwd. In feite is het kappen van de klabbertoet het hoogtepunt van het verhaal. Het is moeilijk om dat ding op een goede manier te laten vallen... je voelt in die beschrijving de persoonlijke pijn en de worsteling die Jaap doorstaat om zich staande te houden. Toch vraag je je af waarom dit boek geschreven is. Wil Jaap alsnog zijn zegje doen over zijn huwelijk? Wil hij alsnog gehoord worden? Het is duidelijk dat Jaap vindt dat hij gelijk heeft en dat maakt hem minder sympathiek. Het is wel duidelijk dat hij Anne erg mist, dat hij nog steeds om haar geeft, misschien zelfs wel verder wil, maar alleen wel zonder haar zoon. Maar Anne is moeder...


Er staan verder veel fraaie zinnen in het boek, zinnen waar je even lekker op kunt kauwen.
Maar wat me wel erg stoorde, is het taalgebruik of liever gezegd het woordgebruik. Zoals o.a.:


[...] voelde ik mijn onmacht bij alles wat gebeurd was visceraal. blz 11
[...] en zich voornamelijk bezig hield met apaiseren als ruzies uit de hand liep. (er staat echt liep). blz 21
Maar je voelt de overmeestering in je menselijk cambium naderbij kruipen. blz 44
Daar stond hij, boosaardig, kilo's criadillas schommelend tussen de benen blz 51
Sorteren is een rustgevende klus. Heerlijk nominaal blz 74
[...] omdat ik besef dat ik er alleen voor sta en haar hypervigilante spieden moet ontberen
Onze slaapkamer waar ik alleen kwam te liggen voelde als een purgatorium met een louteringsledikant blz 101


Het lijkt wel het Groot Dictee der Nederlandse taal waarin ook woorden voorkomen die je normaal zelden tot nooit gebruikt. De woorden passen naar mijn gevoel niet in het verhaal. Het maakt het gewild intellectueel waar het niet zo zou moeten zijn.


Verder is de eindredactie slordig, er staan tenenkrommende afbrekingen van woorden in het boek, zoals kazernes-ysteem blz 72 en sti-hlhelm blz 76. 
Maar het is toch vooral het extravagante, hoogdravende woordgebruik dat het verhaal minder persoonlijk maakt. Het schept afstand. En dat is jammer voor een verder goed en weldoordacht verhaal.


ISBN 9789493048201 | Paperback met flappen | 113 pagina's | Uitgeverij TIC | juni 2020

© Dettie, 1 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De catalograaf
Een liefdesgeschiedenis
Diana Tjin


Edgar, als catalograaf werkzaam bij de Universiteitsbibliotheek, gaat met pensioen. Dat wordt hem aangezegd, hij heeft geen keuze, maar zijn werk is zijn leven. Het brengt orde en regelmaat. Wat moet hij nu met al die vrije tijd, met die leegte? Hij trekt zich terug in het vakantiehuisje dat zijn ouders hun leven lang hadden, in Groet.


Een toevallige ontmoeting geeft weer een doel aan zijn leven. Meneer Charles zoekt een catalograaf, om zijn verzameling automatons te ordenen. Dit is wat een catalograaf doet:  materialen als boeken, films, games, spelmaterialen, e-boeken catalogiseren. En automatons dus, mechanische speelgoedjes of robotjes, heel oud of modern, gemaakt met behulp van de modernste technologische middelen.
Terwijl hij het aanbod in overweging houdt, neemt hij eerst tijd om zijn eigen leven ook eens te ordenen…


Hij vertelt over zijn ouders en zijn grote familie, Surinaams, deels met Chinese wortels, deels Joods. Edgar wist niet precies hoe het allemaal zat, en zijn moeder gaf geen duidelijke antwoorden. Maar dat ze buitenbeentjes waren, dat werd hem ook door zijn omgeving ingepeperd.
Wat was er precies aan de hand met zijn moeder? Waarom liep het mis tussen zijn ouders? Wie is hij, wat is zijn afkomst? Alles op een rijtje zetten brengt hem misschien inzicht en begrip.


Buitenstaanders waren ze, des te meer omdat zijn moeder een eigen leven wilde: zij is kunstenaar, vindt ze, geen huissloof. Zijn vader vindt het maar niks: de mensen zouden denken dat hij niet voor zijn gezin kan zorgen! Als het haar zus wel lukt - zij wordt advocaat! - belandt Edgars moeder in een langdurige depressie, waar ze ten slotte op eigen kracht uit weet te komen. Maar dan laat ze zien dat ze sterk is: zij weet wat ze wil en dat zal gebeuren...


Het draait om het aloude probleem, de traditionele rolverdeling, door de vrouw als verstikkend ervaren, terwijl de man een ander leven als een bedreiging ziet. Tussen zijn ouders veroorzaakt het een kloof, en al is de liefde tussen hen niet over, het huwelijk is voorbij. Het gezin is gebroken en de jongen voelt zich een buitenstaander tussen hen in.

Geen wonder dat orde en regelmaat precies dat is, wat hij nodig heeft. Hij verwacht niet dat in een huwelijk te vinden, hij blijft zijn leven lang alleen. Bij meneer Charles – wat moet die man toch met die jonge honden? – ontmoet hij Maria. Is dit een laatste kans? Kan hij - nu hij zijn eigen leven geordend heeft en denkt te weten wie hij is – een beetje chaos toelaten?


‘Een liefdesgeschiedenis’ is de ondertitel, maar als lezer heb je niet het idee dat het een romance is. Eerder dan van zijn ouders, en zelfs dat is maar summier. Veel meer is het een zoektocht naar identiteit, met als neventhematiek de traditionele rolverdeling binnen een huwelijk. Kan de buitenstaander wel meedoen in wat het leven heet?


Het verhaal kabbelt rustig maar gestaag naar een einde, er is nauwelijks een spanningsboog, omdat de thematiek belangrijker is. Het verleden speelt vanzelf een grotere rol dan het heden, de hoofdpersoon moet daar immers orde in aanbrengen.
Diana Tjin heeft in dit boek veel gegevens uit haar eigen leven gebruikt.


Diana Tjin (Amsterdam, 1961) heeft Klassieke Talen gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en is werkzaam als Erfgoed catalografe bij de Universiteitsbibliotheek. Haar beide ouders zijn afkomstig uit Suriname. Ze debuteerde met de roman 'Het geheim van mevrouw Grünwald'.


ISBN 9789062657940 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 20 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het moois dat we delen
Ish Ait Hamou


Vanaf de eerste bladzijde van dit boek besef je dat er iets gebeurd is wat onherstelbaar is. Maar wat? De sfeer is bedrukt, beklemmend, angstig. Niet zoals in een thriller maar van binnenuit. Iemand heeft het heel zwaar en probeert verder te leven maar is enorm bang en beschadigd. Het vertrouwen in mens en maatschappij is verdwenen en moet voorzichtig weer opgebouwd worden, maar kan dat nog wel?


Heel voorzichtig stapt Soumia, de jonge vrouw om wie het hier handelt, het dagelijkse leven weer in. Ze heeft net vijf jaar gevangenisstraf achter de rug, ze wordt een terrorist genoemd terwijl ze dat niet is. Ze is wel heel naïef, veel te goed van vertrouwen, geweest, ze deed iets wat ze voor ieder ander ook gewoon zou doen, helaas waren voor de vrouw de gevolgen verschrikkelijk. Maar niet alleen voor haar, ook haar broertje en vader zijn meegesleept in het ongewilde drama. Er wordt nauwelijks gesproken in het gezin, niemand kan omgaan met de gevolgen van het gebeurde.


Het broertje wordt gepest en geslagen op school, vader verliest zijn baan. De vrouw vindt het verschrikkelijk en wil hen tweeën helpen om de gevolgen van haar daad te verzachten. Ze kan zich niet langer in huis schuilhouden. Ze móet haar weg in de buitenwereld weer zien te vinden, maar dat is dan wel in een maatschappij die haar uitkotst.


Gelukkig is niet iedereen haatdragend, er zijn mensen die haar verhaal geloven. Een van hen is Hassan, de eigenaar van de buurtwinkel. Hij geeft de vrouw werk voor een paar uur en laat de vrouw boodschappen bezorgen o.a. bij een oude man Luc, een weduwnaar die zijn vrouw nog dagelijks mist. Luc herkent haar onmiddellijk...


"Ik schreeuw naar haar, zo luid als ik kan maar ik weet dat het veel te zacht klinkt. Mijn mond kan die ontploffing niet aan. De woorden volgen elkaar zo snel op dat ik ze zelf niet meer begrijp. Ik roep met zoveel vuur en gig als mogelijk is. Dat ze moet oprotten. Dat ze terug moet naar haar eigen land. Ik doe al wat ik kan om dat vriendelijke gezicht van haar te bekladden. Mijn geschreeuw jaagt haar weg. Ik hoor de deur dichtslaan.
Het is weer stil."


Toch heeft Luc ook iets anders gezien en herkend en dat is vooral de enorme eenzaamheid die ze uitstraalt. De vrouw is kapot van de scheldpartij, de man ook, beiden moeten nadenken over wat er gebeurde. Uiteindelijk herstelt het contact zich, en met dat het vertrouwen bij de vrouw toeneemt ontvouwt zich langzamerhand het adembenemende drama wat zich in hun beider leven heeft afgespeeld. Het contact werkt helend.  Maar als de dreiging ontstaat dat de vrouw haar dubbele nationaliteit gaat verliezen, haar Vlaamse paspoort kwijt zal raken, kwetst haar dat enorm.
Toch moet ze door en dat doet ze ook, maar de maatschappij, de buitenwereld is er ook nog....


Dit is zo'n boek dat je even moet laten bezinken, na het lezen moet je iets stils gaan doen om alles te overdenken. Het verhaal toont aan dat de wereld niet vol zit met begripvolle Hassans en zich openstellende Lucs. Het laat zien dat mensen niet naar elkaar willen luisteren, niet elkaars verhaal willen horen. Dat vooroordelen sterker zijn dan de waarheid... En dit alles wordt ons geleverd in mooie, bijna verstilde taal, waardoor het verhaal nog meer impact heeft.
Een verhaal dat je lang zal bijblijven.


Ish Ait Hamou won in 2016 de prijs van Gelijkheid.


ISBN 9789022336953 | Paperback met flappen | 270 pagina's | Uitgeverij Angèle | oktober 2019

© Dettie, 13 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Djinn patrouille op de Paarse Lijn
Deepa Anaparra

Het leven van een kind in een sloppenwijk (basti) in een grote stad in India kan je niet bepaald ideaal noemen en al zal de negenjarige Jai heus wel aangeven dat hij graag rijk(er) zou willen zijn, eigenlijk heeft hij het best naar zijn zin. Dat is tenminste de conclusie die je trekt als zijn verhaal leest.


Zijn ouders werken allebei, zodat hij veel vrijheid heeft. Omdat hun moeder werkt in de luxe wijk, heeft zijn vijf jaar oudere zus Runu de verantwoordelijkheid over allerlei huishoudelijke klusjes, en over Jai, maar dat laatste neemt ze niet altijd even nauw. Zij droomt namelijk van een carrière in de sport, en daarvoor moet ze iedere dag trainen, ze heeft geen tijd voor een eigenwijs, ondernemend broertje dat toch niet naar haar luistert.


Als er een kind spoorloos verdwijnt is Jai meteen alert. Zeker als hij ziet hoe de politie niet van plan is iets te doen, terwijl ze er toch niet vies van zijn om steekpenningen aan te nemen! Hij is dol op detectiveseries, en hij zal de verdwenen jongen, die bij hem in de klas zit, wel vinden. Hij vraagt zijn vrienden Faiz en Pari hem te helpen. Faiz neemt het niet serieus, ook niet als er meer kinderen verdwijnen. Hij heeft ook niet zo veel tijd, hij moet werken, maar hij is er ook van overtuigd dat de kinderen ontvoerd zijn door djinns, Mesjokke en Kruispunt-ki-Rani bijvoorbeeld. En tegen djinns kun je niets beginnen.
Pari daarentegen is een grote hulp: zij stelt vaker dan Jai lief is de juiste vragen, als ze bij mensen navraag gaan doen!
Pari heeft net als Runu een droom: zij wil gaan studeren, misschien dokter worden. Daarom doet ze haar huiswerk ook trouw. Jai en Faiz doen dat niet en zij spijbelen ook vaak.


Het ene kind na het andere verdwijnt. Jai en Pari blijven zoeken in de basti, op de vuilnisbelt, langs de Paarse Lijn (de metrolijn) en proberen de onverschillige politie te activeren. Mensen worden bang, ze willen hun kinderen binnen houden, wat niet al te best lukt.
Of het speurwerk van de kinderen resultaat heeft, valt ook te betwijfelen.
En dan verdwijnt Runu…


Door Jais zwerftochten en gesprekken met de bewoners krijgt de lezer een goed beeld van het leven in een sloppenwijk, waarboven een deken van vieze smog hangt. Er is ook de constante dreiging van de bulldozers, misdaad en corruptie telen wierig, er heerst armoe, en er is niet iedere dag genoeg te eten, terwijl hetgeen er wel is, niet echt gezond is. Water hebben de onderkomens niet, daar staan de mensen enkele keren per dag voor in de rij. Voor sanitair moeten ze ook naar een badhuis. Er wordt in het boek dan ook vaak gezegd dat de kinderen er ongewassen bij lopen en dat hun kleren vies en vuil zijn.
Mensen proberen hun kostje bij elkaar te scharrelen, door op straat hapjes te verkopen, kinderen doorzoeken de vuilnisbelt in de hoop iets waardevols te vinden.
En daarnaast vertelt Jai over de luxe woonwijk, naast de basti, die de sloppenbewoners uitbuiten als waren ze slaven.


Toch is er niet alleen ellende: er heerst saamhorigheid, vriendschap. Die wordt nu op de proef gesteld doordat er aanvankelijk alleen hindoekinderen verdwijnen: de moslims krijgen de schuld. Angst jaagt de verdeeldheid aan. Duidelijk is ook hoe ook het moderne India nog steeds een enorme tweedeling heeft en hoe dit door tradities in stand gehouden wordt: een meisje hoort in huis, een jongen moet werken. En dat terwijl de realiteit laat zien dat ook vrouwen moeten werken om het gezin te onderhouden.


Deepa Anappara is journaliste. Zij groeide op in Kerala, Zuid-India. Voor haar stukken over de impact van armoede en religieus geweld op de educatie van kinderen won ze meerdere prijzen. Dat zij er in haar debuutroman voor gekozen heeft om een negenjarig joch te laten vertellen over het leven in de sloppenwijken is een gouden greep. Natuurlijk had ze ook een informatief boek kunnen maken, maar in deze vorm bereikt het zoveel meer mensen. Achterin staat een verklarende woordenlijst voor de Hindoestaanse woorden.
Het boek is goed geschreven en zit qua vorm prima in elkaar: ze vertelt de verhalen over de djinns, en geeft ieder verdwenen kind even een eigen stem, zonder te verklappen wat er met hen gebeurd is.
Een detective, een actuele informatieve roman en een aanklacht tegen de situatie in de sloppenwijken, dat is ‘Djinn patrouille op de Paarse Lijn’.
Een aanrader.

ISBN 9789048848362 | paperback | 384 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | februari 2020
Vertaald uit het Engels door Anneke Bok

© Marjo, 7 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De laatste trein naar vrijheid
Meg Waite Clayton

Truus Wijsmuller-Meijer was een heel bijzondere vrouw. De wapenfeiten die Meg Waite Clayton in dit toch al lijvige boek aanhaalt, is maar een deel van wat ze allemaal gedaan heeft. Haar huwelijk is kinderloos gebleven en ze had de volledige steun van haar echtgenoot.


Geboren in april 1896 was ze in de bloei van haar leven toen haar in 1933 gevraagd werd om familieleden van Joodse kennissen op te halen uit Duitsland, waar intussen Hitler aan de macht was gekomen. En Hitler schijnt gezegd te hebben: ‘als jullie zo gek op Joden zijn, waarom wil je die van ons dan niet hebben?’


De grenzen bleven helaas gesloten, ook die van Nederland. Na de Kristallnacht (9 op 10 november 1938) werd de situatie nijpender. Dan besluit de Britse regering om Joodse kinderen tot 17 jaar uit nazigebied op te nemen voor een tijdelijk verblijf. Zij schakelen Truus in, die dan al eerder kinderen gesmokkeld heeft. In totaal zal ‘tante Truus’ meer 10.000 Joodse kinderen uit Oostenrijk en Duitsland redden door hen persoonlijk op te halen.


Het verhaal hoe ze onverschrokken naar Adolf Eichmann stapte is legendarisch. Eichmann was een Duits-Oostenrijks SS-functionaris in het Derde Rijk en er erg op gebrand op  het Duitse Rijk te zuiveren van Joden. Hij gaf Truus toestemming, maar dan moest ze binnen een paar dagen in één keer 600 kinderen meenemen. Eentje meer of eentje minder? Dan ging het niet door. 
Hij verwachtte het niet, maar het lukte haar, ze kwam met alle kinderen aan in Nederland, 500 van hen reisden direct door van Hoek van Holland naar Engeland, de rest wat later. De ouders mochten niet mee - Engeland zei: we hebben al genoeg werklozen - zodat de meeste kinderen de oorlog overleefden om tot de ontdekking te komen dat zij wees waren. Vanaf het moment dat Engeland de oorlog verklaarde met Duitsland, konden er geen Kindertransporten meer plaatsvinden.


Truus Wijsmuller-Meijer, die na de oorlog diverse onderscheidingen ontving, onder andere van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren bleef actief in het verzet en in de politiek, met nadruk op hulp aan kinderen, maar daar gaat dit boek verder niet over.
Meg Waite Clayton heeft dit deel van haar leven verwerkt in een roman, waarbij ze verschillende verhaallijnen creëert.


Stephan Neumann is de zestienjarige zoon van een succesvolle chocoladefabrikant in Wenen. Hij wil toneelschrijver worden, en brengt zijn vrije tijd dan ook vaak door in het theater. Als Wenen onrustig wordt - de nationaalsocialisten wilden president Dollfuss afzetten; hij werd in juli 1934 vermoord - verplaatst Stephan zich vaak door de tunnels die zich onder de stad bevinden. Hij weet daar uitstekend de weg. Dat laat hij graag zien aan Zofie-Helene, de kleindochter van de kapper, die behalve een wildebras ook een wiskundig genie is. Haar vader is uitgever van een krant, die zich duidelijk uitlaat tegen de nazi’s.
Er bloeit iets op tussen de twee, maar de dreiging van buiten neemt hand over hand toe, waardoor ze andere zorgen hebben.


Stephan is Joods, maar niet praktiserend. Helaas maakt dat geen verschil. Eerst wordt zijn vader opgepakt, dan worden hun huis en bezittingen geconfisqueerd en moeten ze verhuizen naar de Joodse wijk. Stephans moeder is ziek, ze heeft niet lang meer te leven, en ze wil dat haar zoon en diens broertje Walter naar Engeland gaan. Als tante Truus op zoek gaat naar 600 Joodse kinderen, wordt Walter vlot op de lijst gezet, maar Stephan is dan eigenlijk te oud. En Zofie-Helene is niet Joods…

Het is vanaf het begin wel duidelijk dat de kinderen op reis zullen gaan, maar hoe, dat wordt nog een heel verhaal! En het is zeker niet zonder gevaar.
Het verhaal laat je niet snel los, de sfeer van die tijd wordt goed weergegeven, net als de dreiging die Joden boven het hoofd hing en de wanhoop van de moeders die hun kind meegaven aan onbekenden, niet wetend wat de toekomst zou brengen.
En natuurlijk is er de kracht van die Nederlandse vrouw: Truus Wijsmuller-Meijer, die koppig en volhardend er in slaagde zoveel kinderen te redden. (en zoveel ook niet, helaas) Daarnaast wordt er ook aandacht besteed aan cultuur en kunst in Wenen in die tijd, met name aan Stephan Zweig, de man van wie de hoofdpersoon een fan is en die eerder al naar Londen uitweek.


Meg Waite Clayton (Washington DC, 1959) heeft intussen zes boeken op haar naam, maar dit boek is het eerste dat in het Nederlands vertaald werd.


ISBN 9789402704815 | paperback | 440 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | januari 2020
Vertaald uit het Engels door Karin de Haas

© Marjo, 3 juni  2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Prinsessen in het Prinsenhof
Historische roman over het Maaseik van de 18e eeuw
Piet Poell


Maaseik is tegenwoordig een gemeente in het noordoosten van de Belgische provincie Limburg.
Ten tijde van het verhaal over het Prinsenhof, dat halverwege de achttiende eeuw gebouwd werd in Maaseik, bestonden Nederland en België niet als zodanig.


Het land van Loon - de streek die ongeveer het huidige Belgisch-Limburg omvat – was net als de rest van Europa herstellende van de Tachtigjarige oorlog. De ellende was voor de bevolking nog niet voorbij, terwijl er al weer nieuwe oorlogen op stapel stonden. De Hollandse Oorlog (1672 - 1678), de Negenjarige Oorlog (1688 - 1697), de Spaanse Successieoorlog (1702 - 1713) en de Zevenjarige Oorlog (1756 - 1763) putten het land uit. Belastingen werden steeds maar verhoogd, oogsten mislukten. Een mensenleven was niet veel waard, vrouwen niet veilig voor de rondtrekkende troepen, die hun eigen kostje bij elkaar moesten zien te scharrelen.
Staatsen, Engelsen, Spanjaarden, Pruisen, Oostenrijkers of Fransen, hun legers wisselden elkaar af, het maakte voor de bevolking weinig uit. En het zijn niet de boeren en arme burgers die geschiedenis schrijven, dat zijn in die tijd de adel en de geestelijkheid, en de bevelhebbers van de legers.


Piet Poell daarentegen laat de geschiedenis van Maaseik, met als kern het Prinsenhof, vertellen door de gewone mens, met name door drie sterke vrouwen, oma, dochter en kleindochter, te weten: Françoise, Marie-Louise en Emma, de ‘prinsessen’ van het Prinsenhof. 
Zijn boek verloopt niet chronologisch, hetgeen je vooraf al in het stukje ‘Leesinstructies en kleine genealogie’ kunt lezen.


Deel een gaat over Emma. Zij staat voor de tijd van de Franse Revolutie (1798) die zijn tentakels uitstrekte tot ver in het Noorden, waarin kloosters opgeheven werden door de Franse overheersers. Emma was non, maar moet haar kostje nu bij elkaar scharrelen door haar lichaam te verkopen. Zij is zo ongeveer de privé-hoer van Commissaris Dodé, de gehate zetbaas van de Fransen, die fel antikatholiek is, maar niet aarzelt om Emma tot zijn seksspeeltje te maken. Emma op haar beurt is niet te beroerd om zijn tegenstanders te helpen hem uit de weg te ruimen.


Het Prinsenhof is in die tijd al geruime tijd in verval. De inboedel is verdwenen, maar de gebouwen staan er nog. Min of meer. Emma is er graag, haar grootmoeder en moeder woonden er.


Emma aan het woord tegen een priester die voor haar gevallen is:


‘Schei uit met die preek, ik ben geen dolend schaap! Ik ben alleen heel kritisch in de liefde en het werk dat ik doe maakt me met de dag kritischer. Zoek een brave echtgenote en nodig mij af en toe eens uit op de thee. Zal zij verrast van opkijken! Nee, Anselmus, de wereld steekt vol vooroordelen en vastgeroeste ideeën en ik ben er zeker van dat God Zijn schepping zo niet bedoeld heeft. En ik ga dat valse wereldbeeld niet in stand houden met jou! Ik ben niet van plan om mij een rol als huissloof op te laten dringen, alleen omdat dat volgens de goegemeente voor een vrouw zo hoort! Ik heb in het volle leven gestaan en ik heb in het klooster gezeten en ik verzeker je, lieve Anselmus, als het aan mij ligt, zit ik straks zo weer in het klooster. Vrouwen zijn in het zogenaamde volle leven aangeschoten wild, dat je  òf kunt misbruiken òf aan banden moet leggen. In een huwelijk bijvoorbeeld, broedplaats voor de volgende worp van slachtrijpe armoedzaaiers! ‘


In haar verhaal stipt Emma al aan wat in de volgende delen verteld zal worden, over haar familie.


In deel twee is Jeremy Cardigan de ik-verteller. Hij is de zoon van de gelijknamige Engelse soldaat die verder trok met het leger en zich nooit meer liet zien. Hij werd geboren in 1706, ten tijde van de Spaanse Successieoorlog, waarin Maaseik door de Staats-Britse troepen van Marlborough wordt bezet. (opmerkelijk feit: de hertog van Marlborough wordt tot de dag van vandaag in de Maasstreek verbrand in de vorm van een pop, hertog ‘Malbroek’ voorstellende).
In zijn verhaal lezen we over de nieuwerwetse ideeën van de Verlichting, door sommigen omarmd, door anderen verguisd; over de prins-bisschop Theodoor van Beieren (1703 - 1763), de man die in 1753 het Prinsenhof als jachtslot/buitenverblijf liet bouwen. Jeremy is daar als bouwer bij betrokken.
Het zijn dan nog goede tijden voor Maaseik, al profiteert de gewone man daar niet van.
Jeremy huwt Louise en krijgt met haar dochter Françoise, de oma van Emma, op wie deze laatste zo gesteld was.


Françoise is de verteller in het derde deel. Zij heeft prins-bisschop van Beieren nog gekend, en vertelt hoe na zijn dood in 1763 de opvolger D’Oultremont geen boodschap had aan Maaseik, waardoor het stadje hard achteruit kachelde. Waar Emma alleen een vervallen paleis zag, en Jeremy als bouwer het zag groeien, zag Françoise de bloeiperiode. Zij ziet de Revolutie komen:


‘Het hele systeem moest omver geschopt worden. Hij bleef maar schoppen. Welk systeem? Leeghoofden die in vorstenhoven zetelden zouden de straat op gesleurd worden als het volk eenmaal in opstand kwam, maar ze riepen het zelf over zich af. Wacht maar, zei hij, tot de mensen echt hun gezond verstand gaan gebruiken en zelfs de hypocriete klerikalen van de kansel trekken – ik zag de heilige huisjes bezwijken en een stroom van bloed en neergesabelde koppen uitbreken; de kerkpoorten openden zich om de stroom door te laten en de duivel had zij slachtoffers voor het oprapen!’


Françoise ziet ook het einde van het Prinsenhof komen, tien jaar na de dood van Theodoor van Beieren is er al niet veel meer van de oude glorie over. Ze slijt haar dagen te midden van de vergane glorie, maar het Prinsenhof staat te koop.
In het begin van de negentiende eeuw zal het tenslotte afgebroken worden. Emma leeft dan nog.


‘Na meer dan een halve eeuw nutteloos bestaan sinds de dood van Theodoor van Beieren, vijfentwintig jaar nadat ze in Frankrijk Marie-Antoinette hebben opgeruimd., ‘la belle reine’, iets minder dan vijfentwintig jaar nadat de revolutionairen elkaar hebben opgeruimd, vier jaar nadat minder visionaire geesten Napoleon hebben opgeruimd en nu bestaat het Prinsenhof alleen nog maar als stoep in de Bostraat en als bankje op de Markt. Het zou een lege, schrijnende plek moeten hebben achtergelaten in het hart van Maaseik, maar de burgers lijken opgelucht dat ze het overleefd hebben.’


Als de lezer eenmaal zover is gekomen in het verhaal, dan zou hij of zij ook wensen dat we dat Prinsenhof nog in al zijn glorie hadden kunnen gaan bekijken, zo zit het verhaal over het paleis, en vooral over de bewoners daarvan in ons hoofd. Helaas. Het is er niet meer.


Door het verhaal van Piet Poell komt de achttiende eeuw zoals het in Maaseik was tot leven. Maar het leven van de gewone man zal overal hetzelfde geweest zijn. Het is immers nog steeds zo. Nog steeds zijn mensen corrupt, kleingeestig, voelen ze zich meer dan een ander of houden ze eigenzinnig en star vast aan hun eigen ideeën. Nog altijd is er het verschil tussen rijk en arm, is er machtsmisbruik. Er verandert eigenlijk niets.
Maar gelukkig is de mens is ook in staat om te overleven, om lief te hebben, en door te zetten en optimistisch stand te houden.


Het boek is zoals gezegd verdeeld in drie delen plus een extra kleiner deel van Emma als toegift. Er zijn foto's toegevoegd, onder andere een plattegrond van het toenmalige Maaseik, en er is een voorwoord van de eigenaar van de huidige Hoffkliniek, waarvan de voordeur zich precies bevindt op de plaats van de achterpoort van het paleis. Piet Poell moet er een flink karwei aan gehad hebben om al deze informatie te vinden en te ordenen, en dan ook nog in te wikkelen in een goed lopend en boeiend verhaal. Er komen geregeld Limburgse woorden voor, zonder verdere vertaling, maar dat is ook niet nodig.
In dit lijvige boek weet Piet Poell een sfeer op te roepen zoals die er in de achttiende eeuw best geweest kan zijn. In een goed historisch verhaal gaat het om een feitelijke juiste achtergrond waarin een mens zich staande moet zien te houden. In Prinsessen in het Prinsenhof is dat het geval.


Piet Poell schreef columns voor het Belang van Limburg. Hij bereisde de wereld en heeft zijn hart verpand aan het Vlaamse Maaseik. Hij schreef eerder: De Romantische route (roman van een reis door Mexico), Rosaura (heftige biografie van zijn Colombiaanse vrouw), Limburg Blues (verhalen) en Porno Británico (hilarische roman).

ISBN 9789493048188 | paperback | 600 pagina's | Uitgeverij Tic | april 2020

© Marjo, 24 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lieg met mij
Philippe Besson


Philippe Besson heeft al twintig boektitels op zijn naam staan, maar toch is dit mijn eerste Besson en ik wil ze nu gelijk allemaal lezen vanwege zijn mooie ingehouden manier van schrijven.


Door dit vermoedelijk autobiografisch getinte boek, werd ik ook nieuwsgierig naar de achtergrond van deze de schrijver maar er is weinig Nederlandse of Engelse informatie te vinden, op een met feiten gevulde pagina op Wikipedia na. Het enige wat ik te weten kom is dat hij in Frankrijk een welbekende en veelgelezen  politiek geëngageerde schrijver is (Hij steunde o.a. Macrons verkiezingscampagne) Bovendien is hij literatuurcriticus, dramaturg en tv-animator. 


Lieg met mij,
in het Frans Arrête avec tes mensonges wat meer “stop met je gelieg" betekent, begint in het geboortedorp van Besson en is geschreven ter nagedachtenis aan Thomas Andrieu (1966-2016) de plaatsgenoot en hoofdpersoon in dit boek. De verteller is Philippe Besson, een succesvol schrijver die in Parijs woont en terugblikt op zijn jeugd, met name de jaren op het lyceum waar Philippe en Thomas, in het onbeduidende geboorteplaatsje Barbezieux, hun opleiding volgen. Phillipe schrijft:


"Ik ben zeventien.
Ik weet niet dat ik nooit meer zeventien zal zijn, ik weet niet dat de jeugd niet blijvend is, dat hij maar een ogenblik duurt en dan verdwijnt, en als je je dat realiseert is het te laat, is het voorbij, dan is hij vervlogen en ben je hem kwijt, toch voelen sommige mensen om me heen het aankomen en zeggen het, de volwassenen herthalen het, maar ik luister niet naar ze, hun woorden glijden langs me heen, blijven niet hangen, als water langs de veren van een eend, ik ben een sukkel, een zorgeloze sukkel. "


De achtergrond van Philippe en Thomas is verschillend. Philippe is de zoon van een schoolhoofd, Thomas is boerenzoon, zijn moeder is een Spaanse arbeidersdochter. In bijna alles is het verschil tussen de twee merkbaar. De fijngevoelige Philippe weet al dat hij homoseksueel is, "Het is duidelijk dat ik op jongens val. Maar ik ben nog niet in staat die woorden uit te spreken." Hij begluurt en bewondert Thomas, dat is de jongen die altijd een beetje apart staat, maar wel autoriteit uitstraalt. Philippe is verliefd op afstand maar vermoedt dat Thomas hem zelfs nooit opgemerkt heeft.
Groot is de verrassing als Thomas hem op die winterochtend in 1984 op school, als ze een moment alleen zijn, aanspreekt en een plaats en tijd afspreekt in een café aan de rand van de stad.


"Ik zal lang aan dat moment terugdenken, het moment waarop de jongen met een zelfverzekerde pas verschijnt. Ik zal eraan terugdenken als aan een ideaal tussenmoment, een uitzonderlijk kort ogenblik waarin de omstandigheden perfect waren, een bijna onwaarschijnlijke buitenkans. Het had ook gekund dat ik niet alleen was gelaten door mijn vrienden, dat hij de zijne niet had kunnen overreden om alvast te gaan, dat het moment niet had plaatsgevonden. Er zou vrijwel niets voor nodig zijn geweest."


Op de vraag van Philippe "Waarom ik'. volgt het bijzonder antwoord "Omdat jij heel anders bent dan de anderen, omdat je ontzettend opvalt zonder dat je het doorhebt, omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven'. Deze zin zal de kern van hun relatie vertegenwoordigen.


De jongens spreken op de gekste plaatsen met elkaar af. De seks is goed en heftig. Maar alles moet stiekem. Thomas wil niet dat iemand van hun relatie weet. Toch beleven ze samen de grootsheid van een eerste serieuze liefde.
Het is helaas wel een verborgen liefde die geen kans van bestaan heeft. De uitspraak van Thomas blijkt profetisch.
We volgen beider levens en maken kennis met de tragiek van de tijd die met name Thomas niet mee zat. Zijn verhaal is schrijnend.


En dan is er die dag zo'n twintig jaar later, tijdens een interview over zijn laatste boek, ziet Philippe een jongen lopen in de lobby van een hotel. Thomas! Het is Thomas! Dat kan helemaal niet, want hij is niets veranderd... Hij is nog net zo jong als toen!


Besson heeft met dit boek een ode geschreven aan zijn eerste grote liefde. Maar of het allemaal echt zo gegaan is, zullen we nooit weten, hij is tenslotte schrijver en op de eerste pagina's van het boek schrijft hij, zittend in de hotellobby:


Ik verzin levens bij mensen die weggaan, die binnenkomen, ik probeer me voor te stellen waar ze vandaan komen, waar ze heen gaan, ik heb het altijd leuk gevonden om dat te doen, om levens te verzinnen bij onbekenden die ik nauwelijks heb ontmoet, om me te interesseren voor mensen die ik niet ken, het is bijna een tic, ik geloof dat het al in mijn jeugd is begonnen, ja het was er al toen ik nog heel jong was, nu weet ik het weer, het verontrustte mijn moeder, ze zei: hou op met je leugens.


Het boek is wel opgedragen aan de in de in 2016 gestorven Thomas maar misschien heeft Besson alles verzonnen, misschien is alles waar, misschien kon het verhaal nu pas geschreven worden, na Thomas' dood. Philippe Besson is de enige die het weet, maar de de waarheid doet er eigenlijk niet toe. Besson heeft namelijk in dit boek de pijn van een verloren liefde en hoe verder te moeten leven schitterend weten te verwoorden. Je leeft mee, voelt de verliefdheid, het hunkeren, het verdriet van beide jongens/mannen. Uiteindelijk sla je het boek met weemoed dicht. De tragiek van het geheel maakt je nederig.
Kortom, een indrukwekkend verhaal van een schrijver die zijn vak meer dan goed verstaat.


ISBN 9789403186108 | Hardcover | 158 pagina's | De Bezige Bij | mei 2020
Mooi vertaald door Martine Woudt

© Dettie, 14 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De matrasdrager
Maria Philippens


Vijf lange verhalen waarin de hoofdpersoon voor een keerpunt komt te staan en nog niet weet hoe hij/zij verder moet. In het eerste verhaal ‘Een waardeloze getuige’ kijkt de hoofdpersoon terug op zijn leven:


‘Soms, wanneer emoties en beelden vervagen en ruimte maken voor feiten, is de tijd een zegen. Het eerste jaar na die meedogenloos geëindigde zomervakantie drongen zich vooral bijzaken aan me op: zoals een al te gedetailleerde wegenkaart het overzicht belemmert, zo verloor ik de kern uit het oog. Pas nu kan ik de ware aard van de gebeurtenissen zien, waarom alles is gegaan zoals het ging.'


De laatste zin is van toepassing op alle vijf de verhalen. Waarom maakt een mens bepaalde keuzes? Daar kom je niet altijd achter.


In dit eerste verhaal vormt de aanslag op de Boulevard des Anglais in Marseille waarbij een vrachtwagen inreed op de mensen die daar liepen het keerpunt. De hoofdpersoon is net als zijn vader opticien geworden, tot tevredenheid van zijn ouders. Ook zijn vrouw vindt er een levensdoel in. En och, hij heeft een best leventje. Maar nadat hij getuige is geweest van de aanslag is het evenwicht verstoord.


Verhaal twee is het titelverhaal waarin het kunstwerk van Philip Aguirre Y Otegui – De matrasdrager (zie coverfoto) voor de ommekeer zorgt. Mathijs en Cathy zijn gescheiden. Cathy kon het autistische gedrag, het perfectionisme van haar man niet langer verdragen. De kinderen gaan in het weekend naar hem, tot hij op een keer zonder bericht niet thuis blijkt te zijn.
Twee verhaallijnen: Cathy vertelt waarom zij wilde scheiden en hoe zij moet dealen met de in de steek gelaten kinderen die op zoek gaan naar hun vader. En we volgen Mathijs, wiens leven een puinhoop is.


‘Je scheiding van Cathy ligt toch al een poos achter je. Jullie zitten nu in rustiger vaarwater, dacht ik zo.’ Zijn baas draaide irritant met zijn stoel achter zijn bureau, dat een volslagen chaos van rondslingerende paperassen was. Zelfs de vloer oogde als een verwaarloosd archief.
Mathijs begon te zweten. Ontsnappen aan de wanorde in deze overvolle ruimte was onmogelijk.’


In een museum valt zijn oog op het kunstwerk. Het raakt hem tot op het diepst van zijn ziel.


In het derde verhaal ‘De laatste alinea’ zijn Carlien en Raoul een stel, tot zij er achter komt dat hij tegen haar gelogen heeft. Carlien is niet zomaar teleurgesteld, ze voelt zich bedrogen. En bedrog, dat kan ze niet hebben. Twee jaar later ambieert ze een bepaalde functie op kantoor, maar een collega is een geduchte concurrent voor die baan. De beslissing die zij neemt gaat tegen haar aard in, maar zal vast het gewenste resultaat hebben. Of toch niet?


‘Het blaten van de kalveren’ is het vierde verhaal waarin een arts de hoofdrol heeft. Hij heeft een drukke praktijk, maar wil niet toegeven dat hij het werk niet meer aan kan. Hij probeert de wens van de patiënt te laten prevaleren boven regels en het verstand, terwijl hij de schreeuw om hulp van zijn eigen lijf negeert.


‘Wiegend op het water’, het laatste verhaal gaat over een school op het asielzoekerscentrum. De betrokkenheid van de juf is groot. Te groot in de ogen van haar omgeving, vooral haar echtgenoot. Christine mag in haar handen klappen dat Lucas haar niet laat vallen. Want waarom gaat zij zo veel verder dan haar rol op het AZC is?

In het leven van de personages is ergens iets fout gegaan, en het is de vraag of dat hersteld kan worden. Daardoor zit er spanning in de verhalen, die nergens melodramatisch worden. Philippens laat de mens zien in al hun onvermogen maar ook hun kracht.


Maria G. J. Philippens (1952, Valkenburg-Houthem) debuteerde in 2013 met de roman ‘Genoeg geluk’. Deze verhalenbundel is haar tweede boek. Als zij niet schrijft is zij communicatie- en loopbaanadviseur. Die achtergrond komt in de verhalen wel naar voren. De rol van communicatie is in alle verhalen significant aanwezig.


ISBN 9789086664887 | paperback | 244 pagina's | Uitgeverij Mosae Libro | februari 2020

© Marjo, 12 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het zal je moeder maar wezen
Karin Bruers


Een komisch familiedrama als aanklacht tegen onze moderne maatschappij: als geen ander zet cabaretière Karin Bruers dat neer op een manier die je vanaf de eerste pagina tot de laatste pagina van haar boek meesleurt in een geschiedenis die je nooit mee hoopt te maken. En dan heb je je zeker geamuseerd, misschien wel hard gelachen om de talrijke komische situaties, maar er schuurt iets. Wat klopt er niet? Gaan wij, een beschaafd volk, echt zo om met onze ouderen? Helaas is het zo. De familie Bruers is geen uitzondering, geen geval apart.


Het is natuurlijk ook moeilijk: als je vader of moeder gaat dementeren en niet meer zelfstandig kan wonen, dan heb je niet zo veel opties. Ofwel je bent als mantelzorger beschikbaar, waarbij je je eigen leven op een laag pitje moet zetten. Ofwel je zoekt een plekje in een verzorgingshuis. Heb je geluk, dan is dat een moderne instelling, met ruime kamers en een prima verzorging, helaas nog zeldzaam. Dus je doet het met wat je geboden wordt. Maar als het probleem zich voordoet bij onze ouders, vergeten we gemakshalve dat we dit zelf nooit zouden willen als je de dingen gaat vergeten. Als je niet meer precies weet hoe alles er aan toe gaat. Karin Bruers vertelt in dit boek haar persoonlijke verhaal, berustend op wat zich nog geen tien jaar terug heeft afgespeeld, maar gefictionaliseerd.


Als hun moeder begint te dementeren, besluiten de oudere broers en zussen haar onder te brengen in een tehuis. De betrokkene is het er mee eens, maar denkt aan een klein huisje met een tuintje. Tja. Wachtend op een plekje wordt moeder alvast naar de dagbesteding gebracht. ‘Je wordt er bezig gehouden, waarmee was niet belangrijk.’ Met andere woorden: er wordt niet gekeken naar wat de oudere leuk zou vinden om te doen. Mensen die hun hele leven gewerkt hebben, nuttig bezig waren, moeten nu een schilderwerkje gaan doen of een bloemstukje maken.  
Omdat de broers en zussen haast wilden maken, hebben ze hun moeders klachten overdreven, wat tot een hogere indicatie leidt. Het plekje dat aangeboden wordt, in Zijdehof, is dan ook op een gesloten afdeling.


‘Daar zat mama in haar eentje in elkaar gedoken op de rand van een ziekenhuisbed aan een papieren zakdoekje te frommelen.
Een steek in mijn hart. God weet hoelang ze daar al zo zat. Een schemerig troosteloos kamertje, zo klein, net groot genoeg om een kanariepietje blij mee te maken. Grijs vinyl op de vloer, afwasbaar wit structuur behang, een designloze plafonniere, een smal hoog raam dat uitkeek op een blinde muur en iets lager op een zwart bitumen dak. Er viel geen straaltje licht van het mooie weer naar binnen.’


Voor wie dit herkent, is er begrip voor wat Karin vervolgens doet. Ze ontvoert tegen de uitdrukkelijke wil van haar broers en zussen haar moeder en neemt haar mee naar haar eigen huis. Haar eigen gezin en een jongere zus helpen haar vervolgens om de situatie draaglijk te maken voor iedereen. Moeilijk, soms onmogelijk, maar het gaat lang goed. Intussen probeert Karin een andere plek te vinden, waar ze gelukkig in slaagt.


De ontvoering leidt tot een familievete, met onverkwikkelijke ruzies, waarbij Karin zich fel en zonder blad voor de mond uit. Ongetwijfeld is ook haar felheid een van de oorzaken van de onenigheid, maar wie haar een beetje kent, weet ook dat achter haar grofheid een groot hart schuilt.
Wat het oplevert is een tegelijk komisch en dramatisch verhaal:


‘Nou maak ik het toch mee. Weet je wat die vrouw zegt?’ Ze wees snel in de richting van Francien ‘Dat ik haar moeder ben.’ Ze keek me met een blik vol ongeloof aan.
‘Zei ze dat?’
‘Ik heb het maar zo gelaten, want ik vond het zo zielig.’ Mama keek vol medelijden richting de keuken.
‘Dat is zeker zielig.’ zei ik.
Een paar weken geleden zou ik nog gezegd hebben: ’Zij is ook een kind van u.’ maar op een gegeven moment had ik geen puf meer voor discussie.
‘Hoeveel kinderen heb ik dan wel niet?’
‘Vijf’.
’Ja, ja. Iedereen wil mijn kind zijn. Ik ben er nog geen tegengekomen die ik zelf zou willen.’


Natuurlijk wil Bruers de lezer vermaken, maar het oogmerk is vooral dat mensen er van leren dat dit niet de goede manier is om om te gaan met onze ouderen. Zoals zij zegt in een interview:


‘We zorgen niet voor elkaar. Dat vind ik hartverscheurend. Ik pleit voor een basisinkomen voor iedereen zodat er tijd is om er voor elkaar te zijn. Mensen werken hard en de aandeelhouders steken alle winst in hun zakken. Alles draait om werk. Als er dan ineens voor ouders moet worden gezorgd, is er geen tijd en vallen families uit elkaar. Moeder zei vroeger ook niet: O, ik zal eens in mijn agenda kijken. Ja over zes dagen heb ik tijd om jou eten te geven.’


Karin Bruers is schrijfster en cabaretière. Ze tourde inmiddels met vijf solovoorstellingen door het land, is lid van de Comedytrain en bedenker van de Socialsofa en Socialsalon. In 2013 debuteerde ze met de verhalenbundel Brigadier oversteekmoeder.


ISBN 9789048826865 | paperback | 208 pagina's | Uitgeverij Lebowski | april 2020

© Marjo, 29 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER