Nieuwe boekrecensies

altElsie en Mairi
Ivan Petrus Adriaenssens


Ivan Petrus Adriaenssens (1969) heeft een passie voor de Eerste Wereldoorlog. Hij leerde zijn tekentalent vervolmaken terwijl hij studeerde aan de 'Hogeschool Gent' in de richting Kunst- en animatiefilm.
Hij werd al snel een veelgevraagde artiest. Aan televisieshows werkte hij mee en naast de stripreeks 'Orphanimo!!' waren ook de 'Boeboeks' - en 'Pit en Puf' - reeks deels van zijn hand.


En dan komen de passies samen. Na een tweetal reportageboeken, getekend, geschreven en rijk voorzien van foto’s - 'Odon, oorlogsdagboek van een IJzerfrontsoldaat' en 'Maurice Braet, het leven van een geniesoldaat tijdens WO I' - kwam de eerste graphic novel over de Eerste Wereldoorlog: 'Afspraak in Nieuwpoort'.
Onderhavig boek is de tweede graphic novel, het waargebeurde verhaal over de meisjes Elsie Knocker en Mairi Chisholm, bijgenaamd de engelen van Flanders Fields.


Als de oorlog uitbreekt voelen ze zich geroepen de oversteek te maken naar Vlaanderen. Daar werken ze in verschillende noodhospitalen, maar al snel trekken ze een conclusie: als zij de gewonden ophalen aan het front, zijn die arme jongens vaak al overleden door de woeste rit die ze moeten maken naar het hospitaal. Ze moeten zélf naar het front.  Natuurlijk worden ze voor gek verklaard, veel te gevaarlijk. Maar ze zetten door, en aan het front te Pervijze hebben ze hun verbandpost, het Cellar House, tot het gas hen bijna noodlottig wordt.


Zowel Mairi als Elsie houden een dagboek bij, en die komen in handen van een uitgever in Londen.
Die kent nog een vrouw die niet van plan is onderdanig te zijn aan haar verloofde: Geraldine Mitton. Zij gaat een boek schrijven over de twee vrouwen. Dat wordt het ook in werkelijkheid uitgegeven boek The Cellar-house of Pervyse. De schrijfster heeft ook in de graphic novel een rol,
we lezen hoe haar pogingen de vrouwen te ontmoeten als ze weer eens in Londen zijn om geld in te zamelen steeds maar mislukken.


De tekeningen van Adriaenssens zijn niet fraai in esthetische zin, maar wel mooi in hun realistische duidelijkheid. Ze laten alles zien, en ook al zijn het dan ‘maar’ tekeningen, de gruwel komt toch wel over.
In een epiloog vertelt de schrijver in een gewone tekst het verhaal nog eens, met extra informatie onder andere over hoe het de vrouwen erna verging.


ISBN 9789401411301 | hardcover | 120 pagina's| Uitgeverij Lannoo |  april 2014

© Marjo, 28 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet verdriet van Eline
Jan-Paul Bresser


Een verhalenbundel, ik ben er over het algemeen niet kapot van, ik heb liever een verhaal dat langer duurt. Maar voor Jan-Paul Bresser maak ik graag een uitzondering. Nu heb ik gelezen dat deze schrijver in juni van dit jaar overleden is, wat een verlies!
Hij heeft nog wel een brievenroman voltooid die in het najaar uitkomt, en die zal ik zeker lezen, want ik heb genoten van zijn verhalen.


In zeventien verhalen schetst Jan-Paul Bresser een leven in Den Haag, zoals hij het gekend moet hebben. De verhalen staan op zich maar zijn ook met elkaar verbonden, doordat personages terugkomen in andere verhalen. Zoals de man met zijn haar in een paardenstaart, die in de bus zit waarin zich een vrouw bevindt die de koker met de as van haar moeder meeneemt naar een stuk van Den Haag, waar haar moeder nog niet dood gevonden wilde worden. De dochter spreekt de koker toe, ze huilt, terwijl ze treurt om het feit dat haar moeder het leven van haar dochter niet wilde accepteren. Werken met allochtonen, en nog lesbisch zijn ook, het was een schande.
In het andere verhaal lezen we hoe de man met de paardenstaart haar opmerkte, en haar verdriet aanvoelde. Zelf voelde hij zich ook eenzaam en alleen, en treurde om een verloren leven.


Dit is een terugkerend thema in de verhalen: het zijn vaak levens die geleid werden zoals dat toen niet anders kon, maar waar men in het heden spijt van heeft. Had het anders gekund? Ach nee. Jan-Paul Bresser heeft kritiek op de maatschappij. Maar geeft toe dat het vroeger helemaal niet zo veel beter was. Toch:


'Het is heel simpel, leven is een kwestie van mentaliteit. Ouders moeten kinderen daarin een voorbeeld geven. Ik herinner me nog goed dat hij zei dat veel kinderen niet meer voorgeleefd krijgen dat er grenzen bestaan: dit is eerlijk en dat is oneerlijk.'


De verhalen spelen in Den Haag, het is onontkoombaar dat er gesproken wordt over de allochtonen, en daar is het mooiste verhaal dat van de jonge non die het kind van een moslima ontvoert. Het is grote paniek, iedereen komt toegelopen, alle nationaliteiten zijn vertegenwoordigd en allemaal zijn ze verontwaardigd. Maar de bedoeling van de non... zo mooi. Ja, dit verhaal is voor mij het hoogtepunt in de bundel.


Het zijn verhalen met een kern van waarheid, waaromheen een verhaal verzonnen is. Mooie verhalen wat inhoud betreft, maar ook prachtig geschreven. Over ouderdom, vooroordelen en Den Haag in al zijn facetten. Bijna dan toch. Aanrader!


ISBN 9789041418043 | Hardcover | 206 pagina's| Uitgeverij Anthos | oktober 2011

© Marjo, 24 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom Ferdinand niet lang alleen bleef
Barbara Constantine

Een echte feel-good roman over de oude boer Ferdinand, die sinds het vertrek van z'n zoon en schoondochter met hun 2 kinderen alleen op een grote boerderij woont.


In het begin van het boek redt hij z'n buurvrouw Marceline van een gas-vergiftiging. We maken verder kennis met Marceline in een volgend hoofdstuk en zien op een gegeven moment Ferdinand, die de aandacht trekt van Muriel, door haar over z'n stok te laten struikelen. Ook met haar maken we in een hoofdstuk verder kennis. Zo loopt het verhaal door, waarin regelmatig andere figuren even een rol gaan spelen.


Als het dak van Marceline blijkt te lekken, biedt Ferdinand haar aan dat ze wel wat spullen bij hem kan stallen. Later trekt Marceline met haar ezel, haar oude kat en haar hond, bij Ferdinand in, omdat hij haar woonruimte aanbiedt. Zo wordt het huis langzaam weer gevuld. Ook een oude vriend van Ferdinand, Guy die na de dood van z'n vrouw zichzelf verwaarloosd, wordt er bij gehaald. Zo komt er meer leven in de boerderij en heeft iedereen een taak.
Er komen 2 oude dames wonen, die vroeger een elektriciteitszaak in het dorp hadden. Een van de dames is dement en daar de zorg te veel wordt, betrekt ook de leerling-verpleegster Muriel, een kamer in de boerderij. In ruil voor haar hulp bij de verpleging, kan ze hier komen wonen, hetgeen haar goed uitkomt, omdat ze zonder woonruimte zit. Zo blijft de gemeenschap zich uitbreiden, want later komt ook de jonge landbouwstudent Kim op de boerderij.


Het is een gezellig boek, met soms wat kleine tragiek. Het verleden van Marceline is overigens wel echt tragisch, maar de tragiek blijft over het algemeen toch wat oppervlakkig. Soms vind ik het verhaal wel een beetje te veel van toevalligheden in elkaar hangen, maar al met al is wel een aardig boek, dat na de geboorte van Paulette, de dochter van Muriel, vrij abrupt eindigt. Ik zou graag willen weten hoe het verder ging op de boerderij.


Er zitten wat mij betreft toch wel wat te veel open eindjes aan het verhaal. Niet alles hoeft altijd afgerond te worden, maar dit verhaal blijft toch een beetje hangen aan het einde, alsof de schrijfster niet wist hoe ze er een eind aan moest maken. Toch heb ik wel van het boek genoten, al schept het, ondanks de problemen in het huwelijk van Roland (de zoon van Ferdinand) en Mireille, die gaan scheiden, misschien wel een wat al te idyllisch beeld.


ISBN 9789022574515 | Paperback | 237 pagina's | Boekerij| juni 2015
Vertaald door Saskia Taggenbrock

© Renate, 22 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Toen boeken nog boeken waren
Jonathan Galassi


De liefde voor het boekenvak verpakt in een roman.


De Amerikaanse uitgever en gewaardeerd dichter en uitmuntend vertaler Jonathan Galassi, directeur van Farrar, Straus and Giroux laat in dit boek op speelse manier de ins en outs van de uitgeverswereld, zoals die was in de vorige eeuw, herleven.


Hoofdpersoon is Paul Dukach die zijn levenslange liefde voor literatuur en poëzie als puber ingelepeld kreeg door Morgan Dickerman, de boekverkoopster in zijn geboorteplaats Hattersville. Dat was in de tijd dat boekverkopers nog echte boekverkopers waren...


"Zij stimuleerde zijn literaire belangstelling, ze begeleidde hem in wat hij las, en bood hem een onontbeerlijk venster op de grote buitenwereld.  [...] Morgan was degene die op een middag in november de dichtbundel Striptease van Ida Perkins in Pauls handen drukte [...]


Vanaf dat moment leest en verzamelt Paul haar werk en al het overige dat betrekking heeft op Ida Perkins. Hij wordt de fanatieke expert, bij hem kun je terecht met je vragen over haar. Zijn grote droom is haar eens persoonlijk te kunnen spreken, maar dat ziet hij als een utopie, dat zal nooit gebeuren.
Het is dezelfde Morgan die hem indirect na zijn universitaire studie aan een baan helpt bij Howland & Wolff waar zijn talent als redacteur naar voren komt. Later helpt zij hem aan zijn droombaan, Paul wordt redacteur bij de prestigieuze uitgeverij Purcell & Stern.
Homer Stern is zijn directe baas en Paul en hij hebben een uitstekende verstandhouding. De flamboyante Homer vaart blind op het oordeel van Paul.


Wat volgt is het verhaal over het reilen en zeilen van de uitgeverij. Purcell & Stern (P&S) heeft enkele Nobelprijswinnaars in haar stal evenals auteurs die de Pulitzer prijs, de National Book Award of de National Book Critics Awards in de wacht hebben gesleept. Homer en Paul hebben een ongekende liefde voor hun vak en de schrijvers zijn voor hen als geliefde familieleden.


" "Wat zou het uitgeversvak fantastisch zijn zonder de verrekte auteurs" beklaagde een ontgoochelde collega zich een keer. Maar daar was Paul het niet mee eens. Hij trok zich de grillen van de egocentrische auteurs die overdreven aandacht vroegen wel aan, maar verkeerde toch in de zevende hemel als hij ze kon helpen om hun werk ter wereld te brengen. Hij werd gekweld door twijfels - over zijn eigen talent, over de vraag of hij wel geschikt was voor de liefde, of hij wel gemaakt was voor het geluk - maar hij twijfelde geen seconde aan de waarde van wat hij deed."


Toch beschrijft Paul met licht cynisme, hoe gek je eigenlijk moet zijn om dat werk te doen. Het wordt slecht betaald en de uren zijn vaak lang. De glorie gaat naar de auteur. Maar het is de liefde voor literatuur die hen allen drijft. We lezen over de onderlinge strijd tussen de grote uitgeverijen, met name die tussen P & S en Sterling Wainwright, de grote concurrerende uitgever. We lezen over het afpikken van auteurs.  Maar ook over de grote vreugde bij het ontdekken van een nieuwe veelbelovende schrijver.


Het is ook Sterling die zijn achternicht Ida Perkins in zijn uitgeversstal heeft tot grote frustratie van Paul en Holmer. Ida's poëzie is geliefd bij jong en oud. Er zijn artikelen aan haar gewijd, zowel in The Rolling Stone (muziektijdschrift) als in de grote literaire- en vrouwenbladen wat een uitzonderlijk verschijnsel is bij poëzie. Sterling weet van de expertise van Paul betreffende Ida Perkins en daarom verzoekt hij hem iets uit te zoeken, hij heeft iets gevonden wat betrekking heeft op Ida's leven maar begrijpt de betekenis er niet van. Dit verzoek leidt uiteindelijk tot de droom die uitkomt. Paul heeft een afspraak met de inmiddels bejaarde Ida in haar woonplaats Venetië. Hij zal haar eindelijk spreken! Dat bezoek zal tot een grote omwenteling in veel levens leiden...


Hoe bijzonder het onderwerp ook is, toch vond ik het boek aanvankelijk niet makkelijk leesbaar.  Volgens recensies in Amerikaanse kranten heeft de schrijver zijn eigen uitgeverij als uitgangspunt genomen en dat vormt misschien ook wel het startprobleem van dit boek. Voor Amerikanen zal het vol verwijzingen zitten naar bekende, bestaande uitgeverijen en redacteuren etc. maar mij zeiden ze niets op enkele namen na zoals bijvoorbeeld Susan Sontag, Jonathan Franzen, en Oprah Winfrey. Er worden in eerste instantie zoveel namen genoemd en zoveel kennis rond het uitgeversvak tentoongespreid en zo'n grote aanloop naar het verhaal zelf gemaakt dat je bijna door de bomen het bos niet meer ziet. Het verhaal is soms zelfs een beetje rommelig.

Wat je toch doet verder lezen is de licht cynische toon die de schrijver in zijn boek hanteert. De schrijver toont een grote liefde voor zijn vak, maar door het hele boek heen geeft hij ook op die relativerende, onderkoelde toon aan dat je alles niet al te serieus moet nemen.
Bijna hilarisch wordt bijvoorbeeld het jaarlijkse bezoek aan de Frankfurter Buchmesse beschreven waar vooral veel schijnbaar nonchalant gebabbel plaatsvindt en veel gedronken wordt maar ondertussen een enorme omzet wordt gemaakt aan verkoop- en vertaalrechten. In het boek wint zelfs een Nederlandse essayist, Dries van Meegeren, de Nobelprijs voor literatuur. En dat terwijl die arme Nederlandse schrijver Hendrik David, die prijs  al jaren verwachtte en elk jaar op de ochtend van de bekendmaking geduldig naast de telefoon zat!
Als Paul Dukach, inmiddels ouder en wijzer, terugkijkt op zijn leven is het ook met die cynische blik, een mens is maar een mens (of toch ietsje meer?). De rode draad door het boek vormt de dichteres Ida Perkins. Zij maakt eveneens dat je verder wilt lezen, zij blijft ondanks haar schijnbare, bijna onbeschaamde, openheid, een mysterie waar je meer over wilt weten.


Verder toont de schrijver door middel van zijn romanfiguur Paul zijn bezorgdheid over de toekomst van de literatuur. Via een relatie van Paul die werkt bij een uitgeverij die allen maar wil verdienen aan auteurs in plaats van hen begeleiden, stimuleren en bijstaan, kan hij deze bezorgdheid ventileren.
Het is ook duidelijk te merken dat de schrijver de poëzie een warm hart toedraagt en in zijn boek misschien wel een langgekoesterde wens laat uitkomen. De, overigens levensecht neergezette, dichteres Ida Perkins  (ik beken, ik heb gegoogled op haar naam) verkoopt namelijk een enorm aantal poëziebundels, wereldwijd zo'n 700.000 stuks. Ook de pers volgt Ida constant, ze is het paradepaardje, dé vrouw van de wereldwijde literatuur, wat in werkelijkheid bij poëzieschrijvers nooit voorkomt. Aan het eind van het boek staat zelfs een beknopte biografie van Ida Perkins die doorloopt tot 2021... waardoor je weer met beide benen op de grond wordt gezet.


Kortom, het is - gelukkig-  geen smeuïg scandaleus verhaal over alle perikelen binnen een uitgeverij geworden maar een verrassend boek dat je na lezing even op je in moet laten werken om de volheid ervan te ervaren. Een boek om meerdere keren aandachtig te herlezen.


ISBN 9789025443979 | Paperback | 238 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | augustus 2015

© Dettie, 19 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Peyton Place
Grace Metalious


Peyton Place, wie kent het niet, ook al is het alleen van naam, de eerste soap op televisie. Ik ging als meisje van ca. veertien jaar zelfs na de dag van uitzending een uur eerder naar school om met vriendinnen en klasgenoten de aflevering door te nemen. Hoe zou het verder gaan met Allison MacKenzie (gespeeld door Mia Farrow)? Zou ze de rijke, knappe Rodney Harrington (Ryan O'Neal) nu eindelijk krijgen of niet? En die Betty Anderson (Barbara Parkins), dat was me er ook eentje... Zelf vond ik de lieve, zachtaardige Norman (Christopher Connelly) heel leuk. Maar de kille moeder van Allison Constance Mackenzie (Dorothy Malone) en die knappe dokter Rossi (Ed Nelson) waren ook het bespreken waard en dan had je nog die man met die mooie droevige ogen, die bij de krant werkte...
Kortom we genoten toentertijd van Peyton Place, mensen bleven er voor thuis, afspraken werden gemaakt voor en na de uitzending maar niet tijdens de uitzending, dan moest er gekeken worden.


Later hoorde ik dat de serie naar een boek (geschreven in 1956) was gemaakt en dat het boek nogal choquerend was. Toen ik de knalrode cover van het boek zag waarop een meisje zich wellustig in de armen van een man werpt was ik ook geschokt. Dat soort dingen gebeurde niet in 'mijn' Peyton Place, waar het hooguit bij een kuise zoen bleef. - Zo'n cover verwees toentertijd naar de categorie pikante boeken, die werden door nette mensen niet gelezen. -
Maar nu is het boek opnieuw uitgegeven in een hernieuwde vertaling en, bedacht ik me, tussen 1956 en 2015 zijn de normen en waarden enorm veranderd. Hoe zou het boek nu overkomen? Zou ik weer zo meeleven, zou het verhaal me weer zo aanspreken? Vol verwachting begon ik te lezen.


Het ging natuurlijk over de fragiele, tere, dromerige Allison die verliefd is op Rodney, maar Rodney ziet meer in de onstuimige knappe Betty maar Betty is niet zo happig. De aardige Norman daarentegen is gek op poëzie én Allison, maar zij ziet hem als vriend, meer niet. Allison blijkt het onwettige kind te zijn van Constance en haar toenmalige getrouwde minnaar, maar dat weet Allison niet en Constance durft het haar niet te vertellen. Inmiddels is Constance verliefd op de nieuwe schooldirecteur Michael Kyros en hij op haar. Hij wil dolgraag met haar trouwen maar Constance, die zegt dat ze weduwe is, houdt het af, als hij het verhaal over haar minnaar hoort dan wil Michael haar vast niet meer. Kortom, het verhaal is een echte soap.

Peyton Place blijkt dus een stadje waar roddel en achterklap de grootste bron van vermaak vormen. De muren hebben oren. Er gebeuren bizarre dingen; een meisje wordt verkracht door haar vader, een stel mannen sluiten zich wekenlang op in een kelder en laten zich helemaal vollopen met drank met alle gevolgen van dien, een ander meisje raakt zwanger door Rodney maar wordt afgekocht door zijn steenrijke vader, de dominee heeft een ernstige geloofscrisis, enz. enz. Toch kabbelt het verhaal een beetje voort, er zit geen enkele diepgang in, je wordt niet het verhaal in getrokken. Het boek begon me uiteindelijk flink tegen te staan en aan het begin van het laatste deel - het boek bestaat uit drie delen - hield ik het voor gezien. Het was genoeg zo. Ik hoefde niet nog meer van dit. Het lezen werd meer een inspanning dan een ontspanning.


Het verhaal bestaat namelijk voornamelijk uit intriges en bizarre voorvallen. Wat toentertijd heel nieuw was is nu een van de vele verhalen zoals Jackie Collins of Judith Krantz die kunnen schrijven, hoewel zij wat minder expliciet zijn. Als je van dat genre houdt dan heb je aan Peyton Place een lekker boek, maar het viel mij erg tegen, mogelijk vanwege mijn hooggespannen verwachtingen, jammer maar helaas.
Het boek is overigens wel prima vertaald door Jetty Huisman.


Zie ook: Peyton Place televisieserie (Wikipedia)


ISBN 9789046819067 | Paperback | 416 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | juni 2015

© Dettie, 11 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altZeg maar dat we niet thuis zijn
Rashid Novaire


Na zeven jaar wil Milan den Hartog, bijna dertig, alleenstaand, wel eens wat anders dan mensen begeleiden bij de begrafenisondernemer. Milan wil mensen helpen, hij is meelevend en gedienstig, blijft altijd rustig. Zijn werkgever ziet hem niet graag gaan, en vraagt hem om nog een laatste week. De week begint met een ontmoeting in de trein.


‘Toen ik aanbood om haar alsnog te helpen het trapje af te dalen of te bestijgen, begon ze een warrig gesprek. Ze was onderweg naar een adres dat ze vergeten was, zei ze, maar ze wist zeker dat ze op gevoel het huis in Weert zou vinden. (-)
‘Bedankt voor je hartelijkheid. Nee, corrigeerde ze zichzelf, je menselijkheid.’
En daarna geheimzinnig: ‘Onthoud maar. Alles gebeurt in drie dimensies.’


De woorden van een onbekende vrouw aan wie hij zijn hulp aanbiedt blijven in zijn hoofd rondspoken. Drie dimensies? Welke dan? Ook zou hij graag iemand hebben die op de tast zijn huis zou kunnen vinden.


Zijn eerste zaak betreft een repatriëring. In Diemen-Zuid overlijdt een Koerd, Mohammed Jahangir.  Vanuit zijn doodskist schrijft hij e-mails aan Milan, ‘de Nederlander die hem gaat helpen’, die Milan echter niet bereiken. Ze blijven steken in de spambox. De man is een vluchteling. Hij wil begraven worden in zijn geboortestreek, in het noorden van Iran. Milan heeft vaker zulke zaken bij de hand gehad, maar de papieren kloppen niet. Jahangir heeft ‘een wit leugentje’ gebruikt bij zijn aanmelding in Nederland.
Een ander sterfgeval betreft een jonge man van Molukse afkomst, waarbij de moeder Milan een tas in handen duwt met de woorden: ‘wat er in zit is behoort mij niet toe. U mag er mee doen wat u wilt’.  Maar er zit geld in, 30.000 euro. Hij neemt het aan, maar wat moet hij er mee?
En dan is er nog de warrige zaak van de verdwenen oma. Mevrouw Al-Khattabi is gerepatriëerd naar Marokko, maar haar kleinzoons willen haar terug in Nederland hebben.
Terwijl hij druk doende is deze drie zaken tot een goed einde te brengen, denkt hij na over zijn privé-leven. Is er iemand die op de tast zijn huis kan vinden?


Het verhaal is, omgeven als het is door magie, ietwat bizar. De zaken van drie allochtone mensen verlopen niet volgens de regels. En de arme Milan, zelf half allochtoon, doet zijn best iedereen iedereen te helpen. Maar mensen hebben een eigen, soms ludieke, oplossing voor hun problemen.
‘Zeg maar dat we niet thuis zijn’. Is het een aanklacht? Is de Nederlander niet thuis als vreemdelingen om hulp vragen? Is die vraag buitensporig, moeten de regeltjes misschien niet altijd zo strikt opgevolgd worden?


Het is een prachtig veelomvattende roman. Het zet je aan het denken. Zijn wij te strikt en te star?  Maar, wat als je je niet aan de regels houdt?
Gelukkig geeft de heer Jahangir aan dat hij blij was veertien jaar in Nederland te hebben gewoond...

‘Ik ben overleden op u, Nederland, maar ik ken u niet zo goed. Nederland is natuurlijk wel een leuk land met veel culturen. Er zijn allerlei soorten inwoners. Er is ook nog de cultuur van de Hollandmensen zelf. Die zitten in cafés die er een beetje donker uitzien van binnen. Ik ben er niet geweest. Ik heb nooit zo goed gelet op Nederlandse mensen.
Sorry. ‘

ISBN 9789041425799 | Paperback | 176 pagina's| Uitgeverij Ambo-Anthos | augustus 2015

© Marjo, 10 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=Opa Skype
François d'Épenoux

‘Ze laten hun kont zien, hebben ringen in hun neus, eten met hun handen, drukken zich uit in gebrabbel, gaan op de vuist bij de minste onenigheid, heupwiegend op binaire ritmes… Roept dat niks bij jou op?’
‘Ehh…’
Bij mij wel: het holentijdperk! Eeuwen beschaving en dan dit! Dat is niet treurig. Dat is ijzingwekkend!’

De vader van de veertigjarige Jean  heeft een hekel aan moderniteiten. Hij hemelt het verleden op en walgt van het hedendaagse leven. De Ouwe, zoals Jean hem noemt, houdt koppig aan het verleden vast. Vroeger was alles beter:

‘Jonge vrouwen die geen heilige waren maar ook geen hoer. Elegante mannen – heb je gezien wat ze dragen? Auto’s die lekker naar leer en bakeliet roken, naar vakantie en de N7. Obers in de cafés, échte obers. Smerissen naar wie nog werd opgekeken. En een voorjaarswarmte die niets zorgwekkends had, niets abnormaals, omdat die geenszins een voorteken was van toekomstige rampen… Begrijp je?’

Jean begrijpt het wel. Er is sprake van een joekel van een generatiekloof. Daarnaast staat de koppigheid van de Ouwe een warm contact tussen vader en zoon in de weg. De Ouwe is niet alleen ouderwets, hij is ook moeilijk in de omgang. Jean durft zelfs zijn vriendin Leila, met wie hij al twee jaar samen is, niet aan hem voor te stellen. Leila heeft Marokkaanse roots en volgens de Ouwe is een relatie tussen een Fransman en een Marokkaanse vast niet traditioneel genoeg. Toch moet Jean eraan geloven. Leila is zwanger. Jean schrikt ervan. Een kind? Hij?

Op het moment dat Jean de kleine Malo voor het eerst in zijn armen houdt, is hij al zijn angst voor het vaderschap vergeten. Zijn zoon is een waar wonder, een prachtig kind. Jean houdt op slag van hem. Voor de Ouwe vormt de eerste kennismaking met Malo ook de eerste kennismaking met Leila. Hij is oprecht in zijn kleinzoon geïnteresseerd maar tussen hem en de temperamentvolle Leila botert het niet. In de jaren die volgen komt daar geen verandering in. De Ouwe ziet zijn kleinzoon vrijwel nooit.

Zes jaar later kent de Ouwe zijn kleinzoon nauwelijks maar een opmerkelijk verzoek zal daar verandering in brengen. Jean heeft net een nieuwe baan en Leila gaat op familiebezoek in Marokko. Er is oppas voor Malo nodig. Mag hij een maand bij zijn opa komen logeren? De Ouwe is stomverbaasd maar hapt meteen toe. Eindelijk mag hij zich om zijn kleinzoon bekommeren. Niet veel later wordt Malo bij het huis van zijn opa afgeleverd. Het zesjarige jongetje uit Parijs en zijn zevenenzeventigjarige opa zijn in het landelijke Lacanau volledig op elkaar aangewezen. Het huis van de Ouwe is van luxe verstoken. Het leven speelt zich buitenshuis af. In de weken die volgen zal het leven van Malo en de Ouwe voorgoed veranderen.

Opa Skype is een hartverwarmend verhaal dat ik met een grote glimlach op mijn gezicht heb gelezen. Ik heb genoten van de prettige verhaalsfeer, de scherpe dialogen en het verhaal over de zomerse logeerpartij. De kleine Malo haalt het beste in zijn opa naar boven. Auteur François d'Épenoux hanteert een schrijfstijl vol rasechte Franse humor. Vermakelijk bijdehand. Zo moest ik erg lachen om het verzoek van de Ouwe aan Malo om hem voortaan “Oparia” te noemen. De Ouwe is immers geen doorsnee opa.

Opa Skype bestaat uit drie delen. Het eerste deel gaat over Jean die met het (aanstaande) vaderschap leert omgaan. In het tweede, en mooiste, deel komt de logeerpartij aan bod. Het derde deel sluit het verhaal op ontroerende wijze af en gaat over Malo, Jean en de Ouwe. Opa Skype is een verrukkelijk feelgood-roman over familieperikelen, een onoverbrugbare generatiekloof en een onbevangen kind dat zijn opa ook weer even kind laat zijn. Een verhaal met een lach en een traan dat in 2014 met de Prix Maison de la Presse bekroond werd. Heerlijk!

ISBN 9789401603669 | paperback | 271 pagina's| Xander Uitgevers  | juni 2015
Vertaald door Carolien Steenbergen

© Annemarie, 6 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Rake klappen
Luke Wordley


Sam Peddington woont met zijn moeder Janet in een van de ergste achterstandswijken van Romford, een buitenwijk van Londen. Zijn vader is drie jaar geleden overleden en zijn moeder is langzamerhand in de greep van koning alcohol geraakt.


Sam is slim en kan veel bereiken, hij gebruikt geen drugs, hij valt niemand lastig, alleen zorgt zijn opvliegende karakter er keer op keer voor dat hij in de problemen komt. Zo gauw iemand hem uitdaagt of treitert, beukt hij er op los. Janet is nauwelijks aanspreekbaar en na nieuw incident waarbij Sam zijn woede opnieuw niet kon beheersen besluit hij weg te lopen, naar zijn oude huis, de boerderij, waar hij woonde toen zijn vader nog leefde. Maar daar wordt hij weggejaagd en zo belandt hij weer terug in Romford.


Het is Robbie Dixon die Sam daar in de High Street ziet lopen, dat is op zich net zo opmerkelijk, maar Robbie ziet 3 skinheads op de jongen af komen lopen, en een van hen geeft Sam een duw, wat dan volgt is verbijsterd voor Robbie. Sam knalt onmiddellijk zijn vuist in de jongen zijn gezicht en die stort, kronkelend van de pijn, op straat, maar de andere twee laten het er niet bij zitten... Ze beginnen op Sam in te beuken. Het is Robbie die de twee met een paar rake treffers tijdelijk weet te stoppen. Hij trekt Sam snel weg en de twee zetten het op een lopen. Ze springen de bus in en  rijden regelrecht naar Ilford High Street, naar Mario, de verzorger van het bokscentrum, die de verwondingen van Sam bekijkt. Het is daar dat Sam tot rust komt, hij weet het meteen, hij heeft zijn plek gevonden, hij gaat boksen!

Jimmy Ambrose ziet gelijk dat Sam een natuurtalent is. In de jongen schuilt een enorme woede die hij weet te gebruiken bij het boksen. Robbie, Sams redder in nood, kan uitstekend boksen maar zal nooit Sams niveau bereiken. En zo begint het verhaal rond de zegetocht van Sam denken we...
Wat Sam namelijk niet weet is dat zijn moeder Janet enorm in de problemen zit, ze wordt bedreigd en weet zich geen raad meer, met alle desastreuze gevolgen van dien. Het zijn Jimmy en diens vrouw Gloria die Sam en zijn moeder keer op keer opvangen en begeleiden. Hun hartverwarmende, liefdevolle zorg maakt het leven van de twee wat minder uitzichtloos.


De schrijver heeft een mooi beeld neergezet van Sam die niet als een stakkertje overkomt maar wel als een jongen die zijn weg zoekt en die niet goed weet te vinden. Jimmy en vooral zijn vrouw vinden hun kracht in het geloof. Voor elke wedstrijd bidt Jimmy voor de goede afloop, niet in de zin van winnen maar wel dat iedereen op een eerlijke manier de wedstrijd bokst en ongedeerd uit de strijd komt. Dat verbaast Sam en hij moet er weinig van weten.
Gloria vindt het moeilijk dat Sam keer op keer zijn enorme woede gebruikt in de bokspartijen. Sam is meedogenloos, een boksmachine.
Maar Jimmy geniet, eindelijk coacht hij een potentiële kampioen. Toch maakt ook hij zich zorgen, Sam is nooit blij met een overwinning, eerder teleurgesteld. Wat mankeert dat joch? Ook weet Jimmy dat hij om de verkeerde redenen met Sam bezig is, het zijn de frustraties van Jimmy zelf die hem leiden, niet Sams belangen... Ook het bidden schiet er steeds vaker bij in en na enkele heftige gebeurtenissen slaat zelfs de twijfel over het geloof toe. Het zal tot zijn verrassing Sam zijn die Jimmy verder weet te helpen...

Het is een mooi verhaal over vriendschap, medeleven en empathie en de rol van een geloof in iemands leven. Mogelijk speelt dit laatste voor een enkeling een te belangrijke rol maar persoonlijk vind ik het gedrag van Jimmy en Gloria heel overtuigend neergezet. Vooral Gloria is onwankelbaar, het vertrouwen in haar geloof en het gebed komt zeer oprecht en natuurlijk over.
Het verhaal zelf is meeslepend, het pakt je beet en laat je niet los tot je het eind van het boek bereikt hebt. Alles is zo beeldend weergegeven dat je in feite de film al voor je ogen ziet verschijnen. Ik heb het soms harde maar ook aangrijpende verhaal met veel plezier gelezen.


ISBN 9789043524483 | Paperback | 318 pagina's | Uitgeverij Kok | 26 mei 2015

© Dettie, 1 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altThe Pink Suit
Nicole Mary Kelby


Presidentsvrouw Jacky Kennedy droeg op 22 november 1963, op de dag dat haar echtgenoot om het leven kwam, een opvallend roze mantelpakje. Het is dat pakje dat het onderwerp van deze roman vormt. Om het maar meteen duidelijk te stellen: dit is historisch, net zoals het modehuis dat het pakje vervaardigde echt bestaan heeft.
Ook is historisch verantwoord dat Jackie Kennedy haar kleding graag in Parijs kocht, en dat men in het Witte Huis daar op tegen was: het moest Amerikaans zijn.
De oplossing: Chez Ninon stond bekend om het kopiëren van onder andere de ontwerpen van Coco Chanel. Zo ook ‘the pink suit’, dat op verzoek van Maison Blanche (=het Witte Huis) nagemaakt werd voor the first lady. Deze roman vertelt het verhaal van begin tot eind: van ontwerp, lap stof, tot en met kant en klaar pakje en hoe het na 22 november met het bebloede pakje afliep.


De uit Ierland afkomstige Kate dweept met de first lady. Van alle kledingstukken die al door Chez Ninon gemaakt zijn, heeft ze kopieën gemaakt, voor haar zus die toevallig dezelfde maten heeft.  Als de opdracht binnenkomt voor het roze pakje, is ze dolblij: zal ze nu eindelijk bij een passessie haar idool ontmoeten?
Het pakje is natuurlijk volledig handwerk en de stof is van een ruw bouclé dat niet makkelijk te verwerken is.  Kate naait haar vingers zowat stuk.
In de maanden dat ze daarmee bezig is, leren we haar kennen: haar leven als hardwerkende immigrant – ze stuurt haar vader in Ierland de helft van haar salaris - , de omgang met de slager, die haar graag als zijn vrouw wil, hetgeen dus voor hem automatisch inhoudt dat ze ook aan zijn zijde zal werken in de winkel. En natuurlijk de gang van zaken in het modehuis, waar de eigenaressen op een heel eigen wijze de boel bestieren. De concurrentie tussen modehuizen is groot.  En al zijn de eigenaressen van Chez Ninon dus vrouwen, het is niet vanzelfsprekend dat een vrouw blijft werken na haar huwelijk, en al zeker niet zelfstandig.
Zo is naast het verhaal over the first lady en het maakproces van het mantelpakje, dit boek ook het verhaal van de American dream.
Een interessant en boeiend verhaal, met een beeld van de tijdsgeest.


Feit: alles van de moordaanslag wordt bewaard in een hermetisch afgesloten ruimte in het Nationaal Archief in Washington. In deze kamer wordt ook het roze, met bloedvlekken besmeurde kostuum van Jacky bewaard; het mag pas 100 jaar na de moordaanslag tentoongesteld worden, uit piëteit voor de nabestaanden.


Nicole Mary Kelby
(Florida) studeerde creatief schrijven en literatuur. Ze schrijft romans en korte verhalen, en gaf al les aan universiteiten in Ierland, Florida en Minnesota.


ISBN 9789492168016  | Paperback | 288 pagina's| Uitgeverij Karmijn | mei 2015
Vertaald uit het Engels door Hilke Makkink

© Marjo, 25 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

height=De nieuwe kok
Julia Franck

Als ze tijdens het diner van het ene moment op het andere onzichtbaar zou worden, zouden haar gasten dat niet opmerken. De dertigjarige vrouw die het hotel bestiert voelt zich verstoken van alles en iedereen. Haar moeder was een sprankelende vrouw met diverse minnaars en de vaste gasten die het hotel aandoen grijpen elke gelegenheid aan om haar te prijzen. Steeds opnieuw benadrukken de al wat oudere gasten dat haar moeder formidabel was.  Tijdens het ophemelen van haar moeder laten ze ook steevast blijken dat zij zelf in niks op haar moeder lijkt.

Het hotel is nu van haar. Ze heeft het van haar moeder geërfd. Nou ja, eigenlijk klopt dat niet helemaal maar ze is de enige die er het fijne van weet. Samen met Berta, die min of meer bij de inboedel van het hotel hoort, zorgt ze voor keurig schoongemaakte kamers en een net, zij het kleurloos, hotel. Berta mag haar niet, dat is duidelijk. Moet ze haar moeder dankbaar zijn voor het hotel? Iets anders kent ze niet. Ze heeft haar hele leven, in de schaduw van haar moeder, in het hotel gewoond. De wereld eindigt voor haar bij de winkels waar ze boodschappen doet. Ze is een grijze muis die nooit enige vorm van liefde heeft gekend.

In de loop der jaren zijn de vaste gasten van het hotel in oude mensen veranderd. Vooral madame Piper is al behoorlijk op leeftijd. Ze bezoekt het hotel met grote regelmaat om in nostalgische mijmeringen over de voormalige hoteleigenaresse, een goede vriendin, weg te zinken. Tegen de dochter van haar overleden vriendin verzucht ze vaak dat het jammer is dat ze niet wat meer op haar moeder lijkt. Kan ze niet eens een jurkje aandoen? Mevrouw Piper ruikt vaak naar urine en zweet en ze vindt het heel normaal dat ze door de jonge hoteleigenaresse gewassen en aangekleed wordt. Dat de eigenaresse dat zelf helemaal niet normaal vindt, interesseert niemand.

Aan dichter Anton Jonas heeft de hoteleigenaresse een grondige hekel. Toen ze nog maar een klein meisje was, heeft hij haar vreselijk gekwetst. Hooghartig kraakte hij een door haar geschreven gedichtje af waardoor haar zelfvertrouwen een flinke knauw opliep. Het ergste was misschien nog wel dat haar moeder hem bijviel.

Soms lijkt het wel of de nieuwe kok haar opmerkt. Hij komt uit Cuba en steeds vaker droomt ze over dat land. Hoe zou het zijn om in Cuba te wonen? Hoe zou het zijn om het hotel achter te laten? De nieuwe kok is wat bazig. Hij overhandigt haar steeds vaker uitgebreide boodschappenlijstjes. Dat ze geen tijd heeft om boodschappen te doen, lijkt hij niet te horen. De nieuwe kok heeft grootse plannen met het hotel. Dat het hotel al een eigenaar heeft, lijkt hem niet te deren. Hij zendt tegenstrijdige signalen uit. Wil hij nu wel of niet het bed met haar delen?

En dan deelt een nieuwe gast haar mee dat ze hem de verkeerde kamersleutel heeft gegeven. De kamer die hem toegewezen is, is nog niet schoongemaakt en bovendien ligt er een dode man in. Er is een gast overleden. Een jonge knul nog. Plichtgetrouw belt ze de politie. De kamer wordt verzegeld en dan vertrekken de politiemensen halsoverkop naar een spoedklus. Het lijk blijft liggen. Eigenlijk zou ze stampij moeten maken en ervoor moeten zorgen dat het lichaam weggehaald wordt maar ze heeft er de puf niet voor. In haar hoofd rijpt een plan, een plan om zich voorgoed van het hotel te ontdoen. Misschien verhuist ze wel naar Cuba.

De Duitse schrijfster Julia Franck brak door met het boek De middagvrouw. Onlangs is ook haar debuutroman De nieuwe kok naar het Nederlands vertaald. In deze roman komt het schrijftalent van Franck al duidelijk naar voren. In 142 pagina’s worden zes dagen uit het leven van de hoofdpersoon beschreven. Het is al meteen duidelijk dat het gaat om een vrouw die nooit liefde heeft gekend. Een vrouw die door haar moeder emotioneel verwaarloosd is. Een beschadigde vrouw met een niet al te best karakter. Het spreekwoord “Stille wateren hebben diepe gronden” is volledig op haar van toepassing. Achter haar zwijgzaamheid en onopvallendheid gaat een duistere persoonlijkheid schuil.

Lukt het de hoofdpersoon om eindelijk van de vrijheid te proeven? Je gunt het haar maar haar plan van aanpak zal desastreus voor de hotelgasten zijn. De kleurloze hoofdpersoon, de mistroostige sfeer en de onsympathieke gasten zorgen vreemd genoeg voor een kleurrijk geheel. De nieuwe kok is intrigerend.

ISBN 9789028426269 | paperback | 142 pagina's | Wereldbibliotheek |  augustus 2015
Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben

© Annemarie, 22 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe sjamaan van Sevilla
Govert Derix


Félix Quint is een beroemd regisseur. Hij staat op het punt zijn meest recente film te presenteren in Cannes. De ultieme film die de mens los moet schudden, die de kijk op de wereld zal veranderen. Voorgoed. Psychedelic Festival Ouverture is de toepasselijke titel, en niemand heeft ook maar een idee wat men te zien zal krijgen. Er waren geen trailers, geen posters, geen interviews. Men wacht in spanning af...


Vijf jaar eerder: Félix Quint en zijn tweelingbroer Gabriel Quint zijn bijzondere mensen, beiden op zoek naar de essentie van het leven. Félix is bipolair, zoekend naar genezing verslaafd geraakt aan drugs, die makkelijk te verkrijgen zijn in de wereld waarin hij verkeert. Gabriel is ook op zoek, naar rust en geluk en zoekt dat in de muziek, hij is flamencogitarist. Hun basis ligt in Sevilla, waar Gabriel het liefst op de daken zit en speelt.


Dan wordt Félix vanwege zijn verslaving benaderd om een geheimzinnige thee te proberen. De thee die men de ‘wijn van de ziel’ noemt is afkomstig uit de Braziliaanse jungle, en er zijn mensen die beweren dat men door middel van deze thee contact kan leggen met ‘iets hogers’. Het zuivert, geneest, is uiterst heilzaam.
Er zijn instanties die daar lucht van krijgen en het in de gaten houden.  Zou er immers iets hogers bestaan, dan wil men alles daar van weten. Het wordt gevaarlijk geacht: de aanwezigheid van een goddelijke essentie verhindert controle. Maar ook als het brein zelf de geest bedenkt, met andere woorden: als de wereld van de geest niet meer is dan een effect van de drug op fysieke hersenen, dan betekent dat dat men via psychedelische middelen een totale controle kan krijgen. En is supervisie van hogerhand wenselijk.


Maar het is niet de verslaafde Félix die de jungle in trekt, maar zijn ‘pure’ broer Gabriel die door de ervaringen met de thee uitgroeit tot sjamaan, en de thee  aan de man brengt in de Westerse wereld. Terwijl Gabriel ‘opperste helderheid’ ervaart, bevindt Félix zich in Amsterdam, en beleeft daar hallucinerende avonturen.  Is dit alles toeval of de 'hand van God'?
Nog een tweedeling: terwijl in Sevilla Gabriel de president van Amerika zal ontvangen, staat in Cannes Félix op het punt de rode loper te betreden.
Het kan niet anders: net als de toeschouwers die niet kunnen wachten op de vertoning van de film, wacht de lezer in spanning af om dan de verbijsterende apotheose te ondergaan.


Ik ontdekte dat de psychedelische thee echt bestaat, het heet ayahuasca, maar die naam wordt in het boek nergens genoemd. En eigenlijk doet het er ook niet toe. Het is vooral een ideeënroman, over goed en kwaad, over toeval of hogere inmenging, over drugs en, heel bijzonder: over de broer van Columbus en het manipuleren van geschiedenis. Is de mens in staat volledige controle te houden over de wereld? Is er iets goddelijks of verzinnen we het zelf? Antwoorden krijg je niet, maar stof tot nadenken is er volop.


‘Psychedelisch’ waarschuwt de felgekleurde omslag , maar qua verhaal valt dat reuze mee. Dat verhaal vereist even wat doorzettingsvermogen, de lezer heeft niet meteen door waar het boek eigenlijk over gaat. Maar zodra de vaart er in komt leg je het niet meer weg. En de vragen die opgeroepen zijn blijven nog lang hangen.


Het boek is onderverdeeld in 117 hoofdstukken waarvan 112 de naam van een scheikundig element dragen. Dit is natuurlijk niet zomaar. Zoals niets in dit boek ‘zomaar’ is. Over ieder woord, over iedere scène is terdege nagedacht, alles heeft betekenis, het is  een zeer doordacht geheel. Zo moet het eigenlijk ook gelezen worden, maar voor de lezer die daar geen behoefte aan heeft, blijft er een duidelijk leesbaar en spannend verhaal over.


Govert Derix (Horst, 1962) is filosoof, was onder meer columnist van Maastricht Dichtbij en auteur van vele boeken. Zijn eerdere romans Sterrenmoord en Gods Geschenk oogstten veel lof. In 2004 verscheen van zijn hand ‘Ayahuasca’, een kritiek van de psychedelische rede : filosofisch avontuur in het Amazonegebied.


ISBN 9789491561498 | Paperback | 256 pagina's | Uitgeverij Tic | mei 2015

© Marjo, 21 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altToen kwamen de wolven
William Giraldi


‘De wildernis hier zit in ons,’ zei ze. ‘In alles.’


Keelut, ‘een nederzetting aan de rand van de wildernis die openstond voor de wildernis en zich er tegelijkertijd tegen verzette.’  Het hoge noorden van Alaska wordt weer een winterseizoen lang ondergedompeld in een harde winter. IJzige kou, heftige sneeuwval, korte donkere dagen, de bewoners ondergaan het lijdzaam.
Maar dan komen de wolven naar beneden uit de heuvels en nemen kinderen mee. Een jongen spelend met zijn slee, een meisje dat dicht langs de hutten liep, en nu opnieuw een jongen, de zesjarige enige zoon van Medora en Vernon Slone. Haar man is in het leger gegaan, hetgeen ze hem zeer kwalijk neemt, al weet ze dat hij dat deed omdat  hij als hij bleef zijn gezin niet kon onderhouden.


De zestigjarige Russell Core, natuurschrijver en wolvenexpert, krijgt een brief van een radeloze moeder die dan toch tenminste de overblijfselen van haar zoon terug wil.  Core is alleen. Zijn vrouw ligt te vegeteren in een verzorgingshuis, met zijn enige dochter heeft hij nauwelijks contact. Er is niets in zijn leven dat zijn aandacht vraagt. En zo reist hij af naar Keelut.


‘Hij draaide zich om en wierp een blik op het middelste deel van het dorp – het was geen weg, maar een schoongeveegd  en gefatsoeneerd pad tussen twee rijen hutten, aan het einde waarvan een rond, met steen geplaveid dorpsplein leek te liggen, dat nu half schuilging onder bergen sneeuw. Aan zijn rechterkant stond een houten watertoren met een onderkant van rode baksteen. Nu in de winter had niemand daar iets aan. Daarachter stond een brommende hut met een generator die de gemeenschap van elektriciteit voorzag. In de oranje gloed van de ruiten van de hutten zag hij hier en daar ronde gezichten die naar hem tuurden. De lucht leek bijna te koud om in te ademen.’


Medora vraagt hem de roedel hongerige wolven op te sporen. En te doden. Core wil geen wolven doden, hij respecteert ze, en bewondert ze. Hij weet: een wolf beschermt zijn leefgebied, waar de mens zomaar is binnengedrongen. Het dier doodt niet om te doden, maar wordt gedreven door een dodelijke honger, en nu de mens zelf zo dichtbij gekomen is, zijn ze een makkelijke prooi. Natuurlijk begrijpt hij ook de wanhoop van de ouders, het is een dilemma.

En terwijl hij zoekt naar een mogelijkheid om de wolven te beschermen, ontdekt hij de duistere kant van de mens, een wezen dat nietsontziender en wreder is dan welk dier ook.


‘We zijn een klein dorp. We hebben hier al genoeg problemen gehad.’
’Met de wolven. Ik weet het, mevrouw. Het spijt me.’
‘O, je weet het? Nee, je denkt dat je het weet. Problemen vanaf het begin, bedoel ik. Al voordat een van ons hier was. Je barricadeert de deur tegen de wolven, maar waarom niet eerder tegen beesten met de ziel van verdoemde mensen, tegen mensen die zichzelf verdoemd hebben tot beesten?  Vertel me dat maar eens.’


Het is een prachtverhaal in de stijl van Cormac McCarthy, met weergaloze sfeertekeningen en met een genadeloze ontleding van de mens. De manier waarop hij in enkele droge, korte zinnen een vreselijke situatie schetst geeft een enorm schokeffect. Weergaloos! Je voelt de ijzige kou die door het klimaat veroorzaakt wordt, naast de donkere kou die zich  in de diepste krochten van de mens bevindt.
Het is geen opwekkend verhaal, maar de ruwe schoonheid van de stijl overtuigt de lezer van wat William Giraldi ons te bieden heeft.
Hij maakt duidelijk dat ook wij deel uit maken van die natuur en dat vergeten we wel eens. Die harde, meedogenloze natuur, nietsontziend, wild maar ook mooi en lieflijk, dat is de mens ook. We willen graag aannemen dat het donkere in de mens een aberratie is, een foutje, maar dat is het niet. We zijn natuur, met al het goede, maar ook het kwade.


ISBN 9789048826971 | Paperback | 192 pagina's| Uitgeverij Lebowski | juli 2015
Vertaald uit het Amerikaans door Irving Pardoen

© Marjo, 14 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altMens vs natuur
Diane Cook


De maatschappij is niet zoals Diane Cook die voor ons schetst, maar het zou zo maar zo kunnen zijn. Haar verhalen zijn absurd, en tegelijk realistisch.


In het eerste verhaal is sprake van opvanghuizen, waar mensen opgevangen worden die buiten het patroon van een gezin vallen. Wezen, alleenstaande vrouwen en mannen, het Plaatsingsteam haalt hen weg uit hun vertrouwde omgeving. Dagelijkse benodigdheden mogen ze meenemen, de rest van de bezittingen wordt verkocht om te betalen voor een nieuw leven. Een weduwe krijgt als het ware een bruidschat mee. In het opvanghuis worden ze klaargestoomd voor een nieuw leven; cursussen, tips om er aantrekkelijk uit te zien, maar ook om het verleden te vergeten. En dan maar wachten tot ze ‘gekozen’ worden.
Het realistische zit ‘m in het feit dat weeshuizen zo werken. Het absurde – voor ons toch – is dat nu ook alleenstaande mannen en vrouwen in zo’n huis moeten wachten op een nieuw leven.


En zo gaat het ook met de overige verhalen: op het eerste gezicht is alles heel normaal. Maar... steeds is er die kracht van de natuur. In bovenstaand verhaal is dat de behoefte aan liefde. 


Er is dat verhaal over een vrouw die terwijl de wereld om haar huis heen steeds dieper in het water zakt en mensen verdrinken, zich vastklampt aan het inzicht dat zij had om zich veilig te stellen, te zorgen voor voorraad. Moet zij die die wanhopige overlevenden nu zomaar daarvan laten delen, hen binnenlaten terwijl ze alles zullen verpesten? Laat ze maar verzuipen. Zij hebben geen voorzorgen getroffen! Ze ziet toe hoe haar buurman wél arme sloebers probeert te helpen, de domkop. En dan klopt die ene man aan.


En dat meisje dat zo wanhopig graag bevriend wil zijn met dat andere meisje, en voldoet aan haar wensen zonder te beseffen waarom het meisje dat van haar vraagt.


Er is een moeder die met alle macht die ze heeft probeert te voorkomen dat haar kind gestolen wordt. En die als dat mislukt het bij een volgend kind opnieuw probeert. Ook al leggen andere moeders zich er bij neer - ooit zullen ze een kind mogen houden, zeggen ze - zij wil haar kind zèlf opvoeden.


Er is een groep jongens die in een bos met elkaar strijden om hun volgende maaltijd. Het lijkt op het verhaal van de jongens in ‘lord of the flies’, maar dan nog grimmiger. Ook het titelverhaal heeft elementen van het verhaal van Golding: Drie vrienden in een roeiboot die verdwalen op een meer, hun voorraden raken op en ze vertellen elkaar verhalen, al of niet fictief. Ze raken gedesoriënteerd, krijgen hallucinaties, en weten niet meer wat echt is en wat niet.


Allemaal verhalen die rustig beginnen, en dan een onverwachte wending krijgen. Een verhalenbundel die je maar beter niet voor het slapen gaan leest. Er is geen sprake van lugubere monsters die je belagen, geen donkere schimmen die in de nacht opduiken: het gevaar voor de mens schuilt in de mens zelf. En dat is veel griezeliger. Het zijn verhalen over de mens in al zijn naaktheid, met altijd een fatale afloop voor één of meer van hen. Er is geen redden aan. Ze zijn aan zichzelf overgelaten, in een harde wereld, waarin de sterkste overwint. Maar wie de sterkste is, dat is niet altijd duidelijk.


Diane Cook (1976) debuteert met bundel verhalen, die op je gemoedsrust werken. Zij wijst de lezer er op hoe dun het laagje beschaving eigenlijk is. Haar verteltrant is geloofwaardig en je beseft: je kan maar beter niet in situaties terechtkomen waarin zij haar personages laat verzeilen. Maar hebben we dat wel in de hand?


ISBN 9789400504271 | Paperback | 506 pagina's| Uitgeverij Meridiaan| maart 2015
Vertaald uit het Engels door Kees Mollema

© Marjo, 10 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Big Brother
Lionel Shriver


Pandora woont met haar man Fletcher en zijn kinderen Cody en Tanner in New Holland in Iowa. Pandora heeft een succesvol cateringbedrijf gehad, dat ze verkocht heeft. Momenteel heeft ze een bedrijf dat exclusieve poppen maakt. De poppen worden gemaakt naar het evenbeeld van degene voor wie ze bestemd zijn en bevatten een apparaatje, waarmee ze allerlei uitspraken van deze persoon kunnen doen.
Fletcher is eerder getrouwd geweest met Cleo, de moeder van zijn kinderen. Zij was aan crack verslaafd en Fletcher is daarom van haar gescheiden. Hij heeft in de kelder van het huis een meubelmakerij, waar hij niet bijzonder succesvol mee is. Hij maakt weliswaar mooie dingen, maar die zijn duur en de mensen hebben er over het algemeen geen geld voor over. Hij wil graag de controle houden en is een beetje obsessief met z'n gewicht bezig.


Op een gegeven moment krijgt Pandora een telefoontje van een vriend van haar broer Edison. Edison is een jazz-pianist en de vriend speelt saxofoon. Edison woont bij z'n vriend in huis, maar diens huis is nogal klein en er is te weinig ruimte. Daarom vraagt hij of Edison bij haar kan logeren, tot hij weer op tournee gaat. Zonder dat haar man dit weet, gaat ze hiermee akkoord. Dit zorgt natuurlijk al voor enige ruzie, omdat Fletcher niet bijzonder gecharmeerd is van Edison.
Als ze haar broer van het vliegveld gaat halen hoort ze een paar mensen praten over een vreselijk dikke man, die in het vliegtuig zat. De toon waarop dit gebeurd is allesbehalve vriendelijk. Op het moment dat de bewuste man in een rolstoel door de hal van het vliegveld wordt geduwd, blijkt dit haar broer te zijn. Hij kan nog wel lopen, maar door zijn omvang gaat dit zo langzaam, dat men er maar voor heeft gekozen om hem even in een rolstoel te transporteren.


De komst van Edison laat z'n sporen na in het leven van Fletcher en Pandora. Waar Fletcher alles doet om op gewicht te blijven, fietsen en gezond, maar niet al te smakelijk eten, is Edison een vreetzak, die regelmatig op loopt te scheppen over de muzikanten waar hij mee gewerkt heeft. Bovendien maakt hij vaak een puinhoop van de keuken, waar hij vreselijk uitgebreide maaltijden bereidt. Tot overmaat van ramp gaat Edison op een gegeven moment op een door Fletcher gemaakte stoel zitten, die niet bestand is tegen zijn gewicht. Het is een van de eerste meubels die Fletcher gemaakt heeft en hij is er dan ook erg aan gehecht.
Voor Pandora blijft hij haar broer, voor wie ze het min of meer opneemt. Fletcher, die zelf enigst kind is, begrijpt niets van de band tussen broer en zus. De enige die gek is op Edison is Cody, die piano speelt. Op een gegeven moment stuurt Fletcher een foto van het gezin, samen met Edison naar de vader van Pandora en Edison. Edison ontdekt dit na een telefoontje van z'n vader, die helemaal niet weet dat hij zo dik is geworden en dit komt de stemming natuurlijk niet ten goede.


Na twee maanden zal Edison weer vertrekken, want dan wacht er een Europese tournee. Op het moment dat de datum van vertrek dichterbij komt, blijkt er van een tournee geen sprake te zijn. Pandora wil haar broer niet zomaar terug naar New York sturen, want bij de collegamuzikant waar hij gelogeerd heeft, is hij eigenlijk niet meer welkom en hij heeft dus geen plaats waar hij naar toe kan. Ze stelt voor dat hij in New Holland blijft, om af te vallen. Zij zal een appartement voor hen beiden zoeken en hem financieel ondersteunen, tot hij weer een normaal gewicht heeft. De voorwaarde is echter wel dat hij inderdaad z'n uiterste best zal doen om af te vallen. Zij zal hem daarbij coachen. Zelf wil ze ook wat afvallen. Deze stap wordt door Fletcher niet bepaald met gejuich begroet. Hij vindt dat ze verplichtingen heeft jegens hem en de kinderen en begrijpt niet dat ze haar broer graag wil helpen. Voor hem is haar broer een hopeloos geval, die nu eenmaal verslaafd is aan eten, zoals Cleo verslaafd was aan crack. Hij zegt dan ook tegen Pandora dat hij niet weet of ze nog bij hem terug kan komen als het project met haar broer afgelopen is. Met Edison sluit hij een weddenschap af, dat het hem niet lukt om af te vallen tot z'n oude gewicht. Als het Edison wel lukt, zal Fletcher een hele chocoladetaart opeten.


In het tweede deel van het boek beginnen Edison en Pandora aan de afvalrace. Ze verblijven eerst in een hotel en gaan op zoek naar een appartement, waar ze kunnen wonen. Dat is nog niet zo eenvoudig, want iedere keer als de verhuurder van een beschikbaar appartement Edison ziet, is het appartement plotseling niet meer beschikbaar. Uiteindelijk lukt het overigens wel om iets te vinden. Er wordt afgeslankt met drankjes en het advies is om na 3 maanden even een pauze in te lassen. Op een gegeven moment vindt Pandora een lege pizzadoos in de vuilnisbak, hetgeen betekent dat Edison zich niet aan de afspraken heeft gehouden. Ze laat zich toch ompraten en het afvallen gaat verder. Gaandeweg krijg je het gevoel dat het een en ander niet goed af kan lopen. De relatie van Pandora met Fletcher loopt min of meer stuk en er wordt misschien wat al te fanatiek gelijnd. Cody komt regelmatig bij Pandora en Edison, die haar pianoles geeft. Pandora heeft namelijk een piano voor Edison gehuurd, zodat hij daar wat afleiding mee heeft.


En dan komt het korte derde deel, dat wat mij betreft toch wel een flinke teleurstelling is. Het was een mooi boek, waarbij je aan de ene kant hoopt dat alles weer helemaal goed komt, terwijl je aan de andere kant het gevoel hebt dat er ergens iets fout zal gaan, hetzij doordat Edison het uiteindelijk toch niet volhoudt, hetzij doordat het dieet 'm uiteindelijk de das omdoet. Of gewoon, doordat de gezondheid van Edison al te zeer geleden heeft door z'n eetgedrag. Als alles weer helemaal goed zou komen, zou het misschien ongeloofwaardig zijn. Zonder het derde deel, of met een iets ander derde deel, zou ik het inderdaad een heel goed boek hebben gevonden, maar nu kan ik het toch niet eens zijn met de uitspraak "'Wellicht haar beste boek tot nu toe' - The Guardian", die op de achterkant staat.


ISBN 9789025444440 | Paperback  | 414 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | november 2014

© Renate, 5 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De vergeten prins
Lucas Zandberg


Willem van Oranje Nassau, zoon van Willem III en koningin Sophie, halfbroer van de latere koningin Wilhelmina, daarover gaat deze roman. Wiwill, zo genoemd door zijn vrienden, is een vrij onbekend gebleven telg van de Oranjefamilie en dat is precies wat Lucas Zandberg zo aantrok, zoals hij in een radio-interview laat weten. Hoewel hij zich wel aan de geschiedkundige feiten hield, leverde die betrekkelijke onbekendheid hem namelijk de vrijheid, het karakter van WiWill naar zijn hand te zetten.


We ontmoeten de inmiddels zesendertigjarige WiWill voor het eerst in Parijs, ver van het verstikkende leven in Nederland. Zijn ouders hebben een vreselijk huwelijk en bovendien voelt WiWill er niets voor om zijn vader op te volgen, ondanks de gedegen opleiding en geestelijke begeleiding van jonkheer en voormalig gouverneur Eduard de Casembroot.
WiWill geniet zeer van de vele pleziertjes die het Parijse leven hem te bieden heeft. Maar als hij besluit zijn geliefde, operazangeres Emilie Ambre, in huis te nemen komt dezelfde jonkheer hem berispen en vertellen dat zijn financiële toelage ingetrokken zal worden indien WiWill de relatie met Emilie niet beëindigt. WiWill neemt daarop een bijzonder besluit, hij zal Emilie meenemen naar Nederland en haar voorstellen aan zijn vader. Niet wetende wat voor toestanden hij daarmee op zijn nek zal halen...


Uiteindelijk loopt alles heel anders dan WiWill verwacht had. Maar dan ontmoet hij gravin Mathilde van Limburg Stirum (Mattie) en zij blijkt de liefde van zijn leven. Met haar wil hij verder, met haar wil hij trouwen. Maar de koning geeft geen toestemming ondanks zijn eigen bizarre, liederlijke leven vol seksuele uitspattingen. WiWill moet van de koning trouwen met iemand van koninklijke bloede, wat WiWill natuurlijk weigert, het is Mattie of niemand. Hij heeft altijd al gezegd dat hij zal trouwen uit liefde en maakt nu zijn uitspraak ook waar, hij is zelfs bereid afstand te doen van de troon.
De weigering van de koning - en de Raad van Ministers -  leidt tot allerlei lastige verwikkelingen waarbij WiWill voor moeilijke keuzes geplaatst wordt.


Het bijzondere is dat WiWill in dit verhaal begeleid wordt door Johannes, zijn lakei en enige vriend. Johannes kent WiWill door en door. Hij is het die achter de schermen allerlei zaken discreet weet te regelen en de kroonprins ten alle tijden bijstaat in zijn bijzondere leven. Johannes gaat zelfs mee, gekleed in afdankertjes van WiWill, naar feesten waar ook WiWills goede vriend Edward, de kroonprins van Engeland, veelal aanwezig is. WiWill heeft af en toe een neerbuigende houding naar Johannes, wijst hem soms zijn plek maar de lakei slikt dan even en gaat onverstoorbaar door met zijn werk en biedt WiWill constant zijn onvoorwaardelijke vriendschap en trouw aan.


Het is deze combinatie, de vriendschap tussen de, overigens fictieve, nuchtere Johannes en de emotionele kroonprins van Oranje die het verhaal prachtig in balans houdt.  Het is puur genieten. Lucas Zandberg heeft zich zo ingeleefd in die tijd, die omgeving en die situaties dat je het gevoel hebt een tijdreis gemaakt te hebben. Als het boek uit is moet je weer even omschakelen naar de eenentwintigste eeuw.
Leuke bijkomstigheid is natuurlijk, dat dankzij dit boek de vergeten prins voorgoed uit de vergetelheid gehaald is.
Na Mayling en Mijn leven is van mij  heeft Lucas Zandberg opnieuw een erg prettig en goed geschreven boek geleverd, het lijkt wel of zijn schrijven steeds beter wordt. Ik heb zeer genoten van dit mooie verhaal.


Lucas Zandberg
(Langezwaag, 10 oktober 1977) is een Nederlandse schrijver. Zijn romans hebben veelal een biografische en/of historische kern. Na een stilte van drie jaar verscheen in 2015 De vergeten prins. Deze roman is een mengeling van feit en fictie, losjes gebaseerd op een periode in het leven van de Nederlandse kroonprins Willem van Oranje-Nassau.


ISBN 9789029538800 | Paperback | 224 pagina's | Arbeiderspers | 30 juni 2015

© Dettie, 5 augustus 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altUP
Myrthe van der Meer


‘Wat ik feitelijk heb gekregen, is levenslang. Toen ik nog gewoon depressief was, kon ik nog geloven dat elke depressie de laatste was.’ Ik aarzel. ’Nu blijkt dat er na elke depressie weer een nieuw dal komt, word ik altijd weer up, altijd weer down.’


In het voorafgaande boek over een opname op de psychiatrische instelling, de PAAZ, zoals dat boek ook heet, beschreef Emma haar maandenlange opname nadat ze depressief opgenomen was. Depressief, met die diagnose leerde ze leven. Er waren medicijnen voor, die ze braaf zou slikken, dus het leven lachte haar weer toe. Ze heeft intussen ook een nieuwe baan gevonden, nadat ze de laatste vanwege die langdurige opname kwijt was.
En nu gaat ze dan naar een afspraak met de psychiater, die zoals afgesproken was,  de laatste zou zijn. Eerst langs de apotheek.


‘Dit zijn ze dan.’ Een stapel doosjes wordt in mijn richting geschoven met het herhaalrecept er boven op. ‘Tasje nodig?’
Ik schud mijn hoofd en voel hoe mijn hart opspringt als ik mijn tas weer sluit. Pillen, herhaalrecept, ik heb alles wat ik nodig heb. En zelfs al had ik dat niet, dan maakt het ook niet uit. Vandaag mijn laatste gesprek met de psychiater, morgen de vrijheid.’


Ze begrijpt er niets van als de psychiater zo verschrikt reageert als ze zegt dat ze de pillen gaat halen en een vijzel gaat aanschaffen. Het is zo logisch als wat: ze gaat er juist voor zorgen dat ze nooit meer depressieve gevoelens zal hebben. ‘Het is geen wanhoopsdaad, ik kies uit vrije wil de beste optie.’ De verbijsterde psychiater laat haar opnemen. Daar zit ze weer, op dezelfde afdeling. Met andere patiënten. Hoe legt ze dit uit: aan haar vriend, aan haar familie, aan de nieuwe werkgever...

Ze krijgt een nieuwe diagnose, manisch-depressief, een ziekte men in haar geval moeilijk onder controle kan krijgen. Nieuwe medicijnen geven akelige bijwerkingen. Hoe moet je verder met je leven als je nooit zeker weet of wat je voelt wel echte gevoelens zijn. Word je immers niet altijd geregeerd door je ups en je downs.

Zoals in het eerste boek wordt ook hier een ernstig verhaal op een lichtvoetige manier verteld.
Als de rillingen over je lijf lopen wanneer ze vertelt hoe ze al enkele keren op het punt heeft gestaan er een eind aan te maken, als ze vertelt hoe haar hallucinaties en wanen overkomen, als ze vertelt over de problemen van andere patiënten, steeds is er die humor, waardoor niet de zwaarte vermindert, maar wel de dreun.


Myrthe van der Meer (pseudoniem, 1983) werkte als redacteur toen ze na een burn-out vijf maanden lang op een PAAZ opgenomen werd. Over deze ervaring schreef ze haar debuut PAAZ.


ISBN 9789044347203 | Paperback | 352 pagina's| Uitgeverij The House of Books | februari 2015

© Marjo, 31 juli 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER