Nieuwe boekrecensies

Reisverslag van een kat
Hiro Arikawa


Ik ben een kat. Een naam heb ik nog niet.- Er schijnt in dit land een eminente kat te zijn geweest die dat ooit heeft gezegd. Hoe eminent die kat werkelijk is geweest weet ik niet, maar ík heb wel een naam. Op dat punt win ik het van hem. Of die naam mij bevalt is een ander verhaal. Hij staat namelijk in schril contrast met mijn geslacht.


Aan het woord is Nana, een kater, die vanwege een knik in zijn staart genoemd is naar het Japanse cijfer zeven. Als baasje heeft hij Saturo Miyawaki gekozen, de eigenaar van de zilverkleurige minivan met de prettige zonverwarmde motorkap waar Nana bij voorkeur zijn middagdut op deed.
Saturo merkte op een dag, na het boodschappen doen, Nana op en zocht gelijk, gek als hij op katten is, gelijk wat te eten voor de zwerfkat die als twee druppels water lijkt op Hachi, (cijfer  acht) de kat uit zijn jeugd. Uiteindelijk geeft hij Nana een van de plakken vlees die op zijn sandwich zitten. Wat Nana het volgende doet opmerken:


"Je bedoelt dat ik dit zo moet opeten? En die hand van je, als ik een dichterbij probeer te komen, dan... Maar zo'n grote homp vlees krijg ik niet al te vaak voorgeschoteld, dus hm, ik denk dat we een deal hebben.
Zodra ik van het stuk vlees begon te schrokken, gleed er een stel vingers onder mijn kin en achter mijn oren. Hij krabde me zachtjes. Soms sta ik mensen van wie ik eten heb gekregen toe om me heel eventjes aan te halen, maar deze jonge vent deed het wel erg gewiekst."


Al het vlees van de sandwich wordt aan Nana gegeven.

"In ruil voor zijn offerande liet ik me naar hartelust aaien tot het langzaamaan tijd werd om de tent te sluiten. Maar juist toen ik mijn poot wilde heffen om hem weg te werken, zei hij gedag.
[...] Nou ja zeg, ook zijn timing was gewiekst"


Nadat Nana aangereden werd en Saturo hem verzorgde besluit Nana in te blijven maar natuurlijk wel op zijn voorwaarden. Er moet samen wel gewandeld worden...
Ze zijn hevig verknocht aan elkaar en hebben het goed samen.

Maar na vijf jaar gebeurt er iets waardoor Saturo voor Nana een ander thuis moet zoeken. Hij heeft diverse vrienden gemaild die toegezegd hebben voor Nana te willen zorgen. En zo komt het dat ze samen in de zilverkleurige minivan stappen en op reis gaan. Want Saturo wil wel met zijn eigen ogen zien dat Nana het naar zijn zin heeft.

Vanaf dit moment verandert de toon van het boek. Waar aanvankelijk alles vanuit het perspectief van Nana vertelt werd, wordt nu het verhaal afgewisseld met vertellingen over en door de mensen die Sakuro opzoekt en komen we te weten waardoor hij een band met hen heeft.  In feite vormen deze vertellingen het levensverhaal van Saturo, een leven dat niet makkelijk is geweest. Het zijn soms ontroerende of schrijnende verhalen. Duidelijk is wel dat alle mensen erg veel om Sakuro geven vanwege zijn zachte karakter, zijn vriendelijkheid en milde manier van dingen bekijken.


Ondertussen moet Nana bekijken of het hem bevalt bij deze mensen en dat verwoordt hij op zijn eigen markante, licht cynische kattenmanier. Het valt niet mee zo'n beslissing te nemen als je eigenlijk helemaal niet weg wil...


En dan komen we er achter waarom Saturo afstand moet doen van Nana. Natuurlijk wist Nana dat allang! Zoiets voelen katten aan, zegt hij, maar toch... eens zal de reis voorbij zijn en de beslissing genomen moeten worden.  Maar Nana zet alles op alles om hun reis zo lang mogelijk te rekken.


Het is een boek waarin prachtig de onvoorwaardelijke liefde tussen mens en dier weergeven wordt, maar ook een boek over vriendschappen die toevoegen, die staan als een huis. Hiro Arikawa heeft dit op een erg mooie manier weten te verwoorden.
Meer moet er niet over het boek gezegd worden. Gewoon lezen!


ISBN 9789026341281 | hardcover | 239 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | april 2018
Uit het Japans vertaald door Sander Schoen

© Dettie, 16 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kukolka
Lana Lux

Ze noemen haar Kukolka, wat popje betekent, maar eigenlijk heet ze Samira. Ze groeit op in een kindertehuis in de jaren negentig in de Oekraïne. Een hardvochtig bestaan met weinig liefde, heel veel regels, veel pesterijen en vernedering en veel straf. Ze heeft één troost daar, haar vriendin Marina. Maar Marina wordt geadopteerd door pleegouders en verhuist naar Duitsland. Ze houden contact en Kukolka wil vanaf dat moment maar één ding… ook naar Duitsland, bij Marina zijn en het goed hebben. Ze krijgt een pakket uit Duitsland en een brief van Marina waarin staat dat ze ook bij hen in Duitsland moet komen wonen, er staat al een logeerbed wat je onder haar eigen bed kunt schuiven voor haar klaar. Ze vlucht, zeven jaar oud, uit het kindertehuis, en komt op straat terecht. Daar ontmoet ze Rocky die zich over haar ontfermd. Ze komt terecht in een leegstaand huis met andere kinderen, zonder stroom, gas, licht, water of toilet, maar met een eigen sofa om te slapen. Ze raakt als snel bevind met de oudere Lydia die zich over haar ontfermd.


Rocky laat de kinderen bedelen en zakkenrollen, en Kukolka  met haar lange zwarte haren en grote blauwgroene ogen behaalt hoge dagopbrengsten. Rocky is gek op haar. Hij belooft haar dat hij een deel van het geld van haar opbrengsten apart zal leggen om voor haar te sparen zodat ze een treinkaartje naar Duitsland kan kopen en naar Marina kan. Deze belofte blijkt uiteraard op leugens gestoeld, wat tot een diepe ontgoocheling leidt als ze dat ontdekt. Als Kukolka terwijl ze staat te zingen op straat de knappe Dima tegenkomt, die zich over haar wil ontfermen, laat ze dan ook alles achter en gaat met hem mee. Ze is dan tien jaar.


Dima neemt haar mee naar Duitsland, waar hij woont en schimmige zaken doet. Ook hij doet mooie beloftes, hij zal voor haar op zoek gaan naar het adres van Marina. Al lezend dreint het woord “loverboy”, wat in het boek nergens voor komt, inmiddels al bladzijdes lang dreigend door je hoofd. En niet ten onrechte. Dima deelt haar op feestjes met zijn vrienden, maar daarnaast komen al snel de klassieke verhalen over schulden die hij heeft en dat hij het niet overleefd als zij hem niet helpt, één keertje maar, en voor ze het weet komt ze in de kinderprostitutie, kinderhandel en vrouwenhandel terecht.


Je hart breekt bij het lezen van dit boek keer op keer. Kinderen die drugs gebruiken om te overleven, kinderen die uitgebuit worden en aangezet tot bedelen en zakkenrollen, kinderen die honger lijden, kinderen die dood gaan, pedofilie, kinderprostitutie van zéér jonge meisjes. Het wordt expliciet beschreven en je houd het er bijna niet droog bij, terwijl je tegelijkertijd razend bent… op systemen wereldwijd die kinderen tussen de mazen van het net door laat glippen waardoor ze in een niemandsland terecht komen waar iedereen misbruik van hen kan maken en aan hen kan verdienen, op de daders die weerloze meisjes misbruiken en uitbuiten, op de klanten van zulke jonge en kwetsbare meisjes, op de wereld waarin zulke gruwelijke zaken op een dergelijk grote schaal gebeuren dat er hele industrieën van kinder- en vrouwenhandel  omheen gebouwd zijn, en op iedereen, inclusief mezelf, die wel weet dat dit soort dingen op zulke grote schaal gebeuren, maar niets doet.


Het is een confronterend en hartverscheurend boek. Geen ontspannen literatuur voor het slapen gaan en wellicht ook niet voor alle lezers geschikt. Je wilt het als lezer niet weten, je wilt de confrontatie met zoveel leed en misbruik uit de weg gaan. Maar het gebeurt, en het moet op de kaart gezet blijven worden. Dit boek zal daar zeker aan bijdragen en is in die zin een belangrijk boek.


Dat Kukolka al op bladzijde één je hart steelt, en dat er toch nog een soort van happy end in zicht is, hélpt wel gelukkig. Al breekt op de laatste bladzijdes helaas nog één keer je hart.


Lana Lux werd in 1986 geboren in de Oekraïne. Op tienjarige leeftijd vluchtte ze met haar ouders naar Duitsland. Ze studeerde voedingswetenschappen en volgde een toneelopleiding. Kukolka is haar debuut.

ISBN 9789046823569 | Paperback | 301 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | mei 2018
Vertaling Marcel Misset

© Willeke, 7 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het sneeuwmeisje
Rene Denfeld


‘Weet je wat angst is? Het sneeuwmeisje wel.
De binnenkant van angst was als de binnenkant van een vochtige dierenvacht. Een verse huid had witte sliertjes, glom van het vet en had nog een herinnering aan bewegende spieren. Die waren trouwens nog steeds in de buurt – in de pruttelde stoofpot. Die naakte, kwetsbare, opgerekte huid.
Zo voelt angst, wist sneeuwmeisje. Als je bent gevild en iedereen bent kwijtgeraakt en een vervanging zoekt voor je ingewanden. Als iemand zomaar zijn hand erop kan leggen, boven op het vocht, en jij alleen maar kunt hopen dat die hand het best met je voorheeft.
Zo voelt angst aan.’


Madison was voor haar verdwijning erg geïnteresseerd in sprookjes. Het was voor haar een vanzelfsprekende keuze om herboren te worden als sneeuwmeisje, toen ze als vijfjarige met haar ouders een kerstboom ging uitzoeken in het bos hoog op de berg en ze hen niet meer terugvond. Een vreemde man nam haar mee.


Als Naomi Cotttle haar gaat zoeken woont Madison al drie jaar bij die man die ze Mr. B noemt. Hij zegt geen woord, sluit haar vaak op in een kelder onder de blokhut, maar zorgt verder redelijk goed voor haar. Al die jaren hebben haar ouders de hoop niet opgegeven dat ze gevonden zal worden. Die hoop neemt toe nu Naomi er is. Zij heeft een gedegen opleiding gehad tot detective, eentje die zich ook in moeilijke omstandigheden kan redden. Ze wordt ‘kindvinder’ genoemd want dat is wat ze doet.  Dat komt door haar eigen achtergrond. Ooit was ook zij een kind dat kwijt was, maar van de tijd voor ze werd gevonden weet ze nauwelijks meer iets. Af en toe zijn er dromen, die details prijsgeven. Ze weet wel dat ze eigenlijk ook op zoek is naar zichzelf als ze naar verdwenen kinderen zoekt.


Terwijl ze in de bergen van de Rocky Mountains waar ooit goudzoekers woonden, maar nu alleen nog maar pelsjagers, stuk voor stuk de bewoners van dat onherbergzaam gebied op zoekt, komt haar pleegmoeder te overlijden. Dat betekent dat ze ook nog een persoonlijke keuze moet maken, want haar maatje en pleegbroer heeft een baan aangeboden gekregen buiten Oregon. Hij stelt haar voor de keuze: hem accepteren als partner, of hij vertrekt. Hem accepteren betekent tevens zichzelf accepteren. En dat is nu juist zo moeilijk voor haar. Dus concentreert ze zich eerst maar op de kinderen, speciaal op Madison.


Je kan dit boek een thriller noemen, een heel bijzondere literaire thriller. Maar veel meer is het een psychologische roman, over de gevolgen van een ontvoering. Wat doet het met een kind om ruw uit je vertrouwde wereld gerukt te worden en wat zijn de gevolgen als je opgroeit. Je zou kunnen zeggen dat deze kinderen aan PTSS lijden. Natuurlijk zal dit niet voor ieder kind hetzelfde zijn, en staan Madison en Naomi niet model. Niettemin geeft het een inzicht in de menselijke geest. Ook die van de dader. Waarom doet hij wat hij doet?


Symbool voor de menselijke geest staat het onherbergzame gebied, waar overleven een uitdaging is. Iemand die aan PTSS staat voor eenzelfde uitdaging: hun vreselijke ervaringen verwerken tot een handzaam geheel. De gehanteerde stijl is direct, met voldoende en zeker geen onnodige details. Als er beschrijvingen van de natuur gegeven worden, is dat in relatie met wat die natuur doet met mensen.


De schrijfster laat alle belangrijke personages hun verhaal vertellen, en wisselt daar regelmatig in, zodat de spanning goed bewaard blijft. Terwijl je leest geeft zij kleine ‘geheimpjes’ prijs, waardoor je de ontknoping aan kunt zien komen. En dat hindert niet, want dat uiteindelijke einde is niet waar het haar om gaat.


Rene Denfeld is een Amerikaanse auteur. Door haar werk als onderzoeksjournalist heeft ze een goede kijk op mishandeling en geweld in gezinnen. Ook heeft ze gewerkt met slachtoffers en daders in gevangenissen en heeft ze in haar gezin pleegkinderen opgenomen. Ze is zodoende op de hoogte van alle facetten die zij in deze psychologische roman naar voren laat komen.


ISBN 9789402700824| hardcover | 216 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | maart 2018
Vertaald uit het Engels door Mieke Trouw

© Marjo, 27 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRoza
Olivier Willemsen


In 1959 werden op de Djatlovpas in het Oeralgebergte de lichamen gevonden van negen jonge mensen. Zij waren bergbeklimmers, op weg naar de top van de Otorten. Het is tot op heden een raadsel hoe zij om het leven zijn gekomen. Toen het eerste vijftal gevonden werd, droegen ze nauwelijks tot geen kleding, ze lagen niet bij elkaar, en hun tent was opengesneden. Van binnenuit. Hadden ze de beschutting van hun tent zo halsoverkop verlaten? En waarom dan?  Ook leek het of er iemand in een boom was geklommen, er waren takken afgebroken. Twee maanden later werden de anderen gevonden, in een ravijn verderop, zwaar toegetakeld.


In Roza gaat een Nederlandse student op zoek naar de waarheid achter deze geschiedenis. Maar het is lang geleden, en het is Rusland, een land dat zijn geheimen niet graag prijs geeft. Hij ontmoet Roza Andreja Onilova, nu een oude vrouw.


Na de inleiding begint het boek met haar verhaal, een terugblik op die tijd. Met haar ouders en broertje Oleg woont zij in een izba, een houten boerenwoning. Roza, dan twaalf jaar, is bevriend met Boris, de zoon van de slager. Zij zagen de studenten voor het eerst in de gymzaal van de school in Serov, waar ze onderdak hadden gevonden, voor ze op pad zouden gaan. Rusland is dol op zijn helden: de groep kwam in de klas om zich voor te stellen. Daarbij maakt Roza oogcontact met een van de vrouwen, die haar later een blauw steentje in de hand duwde. De groep werd uitgezwaaid, niemand zag hen terug. Zijn ze aangevallen door beren? Of vermoord door de stam bergmensen? En wat was dat felle witte licht dat de mensen zagen? En wat betekende het gesprek dat Roza afluisterde?


Toen de studenten dood gevonden werden veranderde de sfeer in het stadje. Er liepen mannen in zwart uniform met wapens en mensen werden opgepakt. Als soldaten aan hun deur staan, weet Roza te ontkomen. Samen met Boris vlucht zij weg uit Rusland. Zijn zij werkelijk het doelwit van een geheime militie, die mensen vermoorden om een geheim een geheim te laten blijven?


Als de Nederlandse student de hoogbejaarde Roza weet op te sporen blijkt zij in Coos Bay, Oregon te wonen. Haar zoon waarschuwt: haar geheugen is niet meer wat het geweest is. Haar verhaal lijkt te kloppen met de feiten die bekend zijn, maar daar ligt het probleem: kloppen die feiten eigenlijk wel? Kun je vertrouwen op de informatie die zoveel jaar geleden naar buiten is gekomen? Dat was pas tijdens de periode Gorbatsjov. Er kan veel gesjoemeld zijn. In hoeverre kloppen de feiten die wij als nu als waar aannemen echt of zijn ze misschien toch fictief? Misschien is het enige echte feit wel dat de negen jongeren dood zijn?


Dat is de grote vraag en het levert een boeiend verhaal op. Waan of werkelijkheid? Mystificatie of onbetwistbare feiten?
Willemsen speelt met de lezer, maar dat levert een leuk en boeiend spelletje op!


Olivier Willemsen (1980) groeide op in het Brabantse dorp Haps aan de grens met Duitsland. Hij studeerde geschiedenis aan de UvA en werkt nu als tekstschrijver en columnist voor debatcentrum De Balie. Olivier Willemsen debuteerde in 2014 met de roman "Morgen komt Liesbeth'.


www.olivierwillemsen.nl


ISBN 9789463360418 | Paperback | 192 pagina's |Uitgeverij De Harmonie | maart 2018

© Marjo, 21 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altOorlogskind
Mechtild Borrmann


In 1947 is Hamburg een puinhoop, zoals heel Duitsland eigenlijk. In de winter sterven veel mensen van honger en kou, het is een strijd om te overleven.


Dat is het ook voor de vijftienjarige Hanno Dietz, die zich de man in huis voelt. Niet dat ze echt een huis hebben; Hanno, zijn zus Wiebke en moeder Agnes proberen te overleven in de enige kamer van hun huis die na de bombardementen nog enigszins bewoonbaar is. Zijn vader is sinds 1942 vermist. Terwijl hij op zoek is naar brandhout doet Hanno een gruwelijke vondst: het beeld van het lijk dat hij aantreft in de puinhopen zal hij zijn leven lang bij zich dragen. Toch legt hij niet meteen de link met de dode vrouw als zijn zusje aan komt zetten met een verdwaasd jochie van een jaar of drie. Ze nemen hem mee, zorgen voor hem en later zal Agnes Dietz hem legaliseren als Joost Dietz.


Eerder, in 1945, speelt het verhaal van Clara Anquist en haar familie, die er net niet in slagen op tijd te vluchten voor de Russen, die hun landgoed Uckermark confisqueren. Clara’s vader wordt gevangen genomen, zijn zoon is vermist en zijn schoondochter en haar kinderen vluchten met Clara en hun kokkin Wilhelmine en haar dochter. Helaas worden enkelen van hen slachtoffer van nietsontziende Russische soldaten, en zo is het een uitgedund groepje dat probeert te ontsnappen aan de Russische overheersing. Vader Heinrich heeft connecties in Spanje, daar willen ze heen.


En dan is er de verhaallijn van 1992. Anna, getrouwd met Thomas, is de dochter van Clara. Maar die vertelt niets over het verleden, ze wordt zelfs woest als Anna toch op onderzoek uit gaat. Ze was al een drinker, nu dreigt een levercirrose. En dan verbaast het Anna als haar moeder die nooit van hulp heeft willen horen, zich nu ineens op laat nemen in een kliniek! Heeft dat iets te maken met het verleden?
Tijdens haar bezoek aan het landgoed dat ooit van de familie was, komt Anna in contact met Joost Dietz.

Drie verhaallijnen die elkaar afwisselen, en een verbijsterend verhaal onthullen. Zelfs een oude (echte) moordzaak, de Trümmermörder, speelt een rol.


Een groot deel van dit meeslepende verhaal is gebaseerd op de werkelijkheid. Ook een aantal personages heeft werkelijk geleefd. Joost Dietz bijvoorbeeld, en de familie Anquist. 


Terwijl zij hun verhaal vertelt, toont Mechtild Borrmann hoe er chaos heerste aan het einde van de oorlog, die nog lang daarna voortduurde. Het was voor velen erg moeilijk om te overleven, terwijl het voor anderen een uitgelezen kans was om bepaalde dingen te verdoezelen of onder te duiken in de losgeslagen massa.
Er zijn feiten die je als lezer aan voelt komen, maar de uiteindelijke ontknoping is onverwacht.
Het is vooral de historische waarheid die dit boek heel bijzonder maakt. Het belicht net weer een andere kant van de oorlog.


Mechtild Borrmann (Keulen, 1960) begon pas na een carrière als dans- en theaterpedagoog, gestalttherapeut en personeelsmanager met het schrijven van romans. Ze ontving voor haar eerdere werk in Duitsland al de gerenommeerde Friedrich-Glauser-Preis en de Deutscher Krimi Preis. In Frankrijk ontving ze de Grand prix des lectrices van ELLE Magazine.

ISBN 9789400508651 | hardcover | 288 pagina's | A. W. Bruna| april 2018
Vertaald uit het Duits door Olga Groenewoud

© Marjo, 10 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altParadijs bij het dashboardlicht
Robert van Eijden


‘Ik ben een oude olifant, dacht hij, een oude, vermoeide olifant die niet meer in staat is om te vluchten als de stropers komen met hun jachtgeweren. Dik, traag en gerimpeld, dat ben ik.’


Jan de Vries, bijna vijftiger, ziet zichzelf in de spiegel.
Ooit studeerde hij rechten en dacht een glansrijke carrière tegemoet te gaan. Maar halverwege interesseerde zijn studie hem niet meer. Toch studeerde hij af, gevolgd door drie jaar werkeloosheid. De baan die hij nu nog steeds heeft is op ict-terrein, waar hij na een omscholing in terecht kwam. Het waren goede tijden, Jan had er geen rekening mee gehouden dat het wel eens anders kon worden.


Jan heeft een relatie met Nathalie, die al net zo verveeld in het leven staat als hijzelf. Zij verdiept zich in oude magazines, drinkt gin-tonics, en als compensatie voor de agendaseks met Jan, gaat ze op onderzoek uit ‘of ze nog in de markt ligt.’


Zijn baan misschien wel op de tocht, een relatie die niet meer bevredigt, wat is er dan nog voor Jan? De muziek misschien. Samen met zijn maat Chris verzorgt hij regelmatig muziekavonden, vooral op bruiloften. Jan krijgt een lumineus idee (vindt hij zelf): als ze nu eens een keer per maand zelf een dansavond organiseren, helemaal naar eigen idee? Met een eigen muziekkeuze?


Het lijkt nog te lukken ook, er komt inderdaad een feestavond. Na een verhaal met zoveel treurigheid verwacht je niet dat het Jan en Chris werkelijk gaat lukken.


Het is een verhaal vol verwijzingen naar allerlei BN-ers, muzieknummers en televisieprogramma’s. De titel slaat natuurlijk op het zeer bekende nummer van Meat Loaf. Het nummer duurt maar liefst acht en een halve minuut, te lang om op te dansen. Dus heeft Jan het nummer ingekort tot een behapbare lengte, geschikt voor de doelgroep van zijn feest.


Een being of ageroman: als vijftiger ben je dus oud, moet Jan concluderen, terwijl hij - niet eens zonder succes - op zijn werk de confrontatie aangaat met de jonge stagiaires. Een verhaal, een roman, moet iets losmaken bij de lezer. Liefst een emotie laten voelen, nieuwsgierig maken, of een aha-erlebnis veroorzaken. Ook dit boek roept iets op, maar het is vast niet de bedoeling geweest van de schrijver dat zijn lezer verveling en ergernis zou ervaren.


De positieve opmerking die ik bij dit boek heb is dat het zeker niet slecht geschreven is, en goed in elkaar steekt wat betreft afwisseling. Maar de beoogde – veelal zwarte - humor is niet de mijne, en als dit boek bedoeld is als maatschappijkritiek, dan komt dat niet zo over. De stijl is vaak rauw, en vrouwonvriendelijk. Al staat daar tegenover dat de schrijver zijn mannelijke hoofdpersonen ook niet ontziet.
Dat ik het boek helemaal niks vind, dat kan dus helemaal aan mij liggen.


Beluister het interview (npo) met de schrijver over dit boek.


Robert van Eijden (1971) is freelance tekstschrijver. In 2015 debuteerde hij met Boek dat genomineerd werd voor de Bronzen Uil.


ISBN 9789038804491 | Paperback | 256 pagina's | Nijgh & van Ditmar| april 2018

© Marjo, 6 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Zondagskind
Alsof opgroeien nog niet genoeg is
Judith Visser


Twaalf jaar geleden las ik Tegengif, het debuut van Judith Visser, een apart boek dat toentertijd veel stof deed opwaaien vanwege de inhoud. Het verhaal ging namelijk over een jong meisje dat de prostitutie in gegaan was nadat ze haar grote liefde met een andere vrouw in bed betrapt had.  Persoonlijk vond ik het geen slecht verhaal, het boeide wel, hoewel het her en der nog wat rammelde, wat een debutant vaak eigen is. Ook het vervolg Tinseltown was apart en goed geschreven. Maar de twee boeken waren verhalen over dezelfde jonge vrouw maar er bleef afstand. Je voelde je niet betrokken, het was verstrooiing, prettig leesbaar, toch maakte het een blijvende indruk.


En nu las ik Zondagskind en ben bijna verbijsterd over de groei van Judith Visser. Het is nauwelijks te geloven dat zij dezelfde schrijfster is van boeken als Tegengif en Tinseltown. Hoewel die in hun genre zeker niet slecht zijn, staat Zondagskind mijlenver van deze boeken af. Het steekt er met kop en schouders bovenuit. Dit is het échte werk.


Na de inleiding trek Judith Visser je gelijk de wereld in van Jasmijn Vink, geboren in 1978. Jasmijn vertelt ons haar verhaal. Je voelt je gelijk betrokken bij het vierjarige kind dat de wereld niet erg begrijpt. Ze voelt zich prima bij haar moeder en Senta, haar hond. Ze kan al lezen en luistert graag naar sprookjes die op bandjes ingesproken zijn. Ze heeft moeite met spreken tegen vreemde mensen, daarvoor moet ze ze eerst beter kennen. Maar kinderen moeten naar school, en dat blijkt een ramp voor Jasmijn te zijn. De eerste dag is verschrikkelijk.


Het felle licht kraste in mijn ogen. Overal waren stemmen, zo luid alsof ze allemaal tegelijk in mijn oor schreeuwden.
'Geef terug!' riep ene jongen, die Ramon heette.
'Nee!' Colette rende weg. Ze hield een brandweerautootje hoog boven haar hoofd.
Ramon stormde brullend achter haar aan.
'Pak me dan als je kan!' Colette maakt gillende sirenegeluiden. Zij vond het hier blijkbaar wél leuk.
Ik zat op de grond in de poppenhoek en drukte mijn handen tegen mijn oren.  De vloer dreunde van Ramons gestamp. Zijn rode trui flitste voor mijn ogen, dezelfde kleur als die van de brandweerwagen in Colettes handen en de wangen van Mathilde. De hele wereld was rood, en de kleur sloeg tegen mijn hersenen. Bam-bam-bam. Ik kneep mijn ogen dicht.[...] De trillingen van de grond kropen in mijn lichaam. Mijn tanden klapperden.


Jasmijn loopt onmiddellijk weg. Dit is teveel, deze kakofonie van geluiden, indrukken, prikkels, kleuren, het is véél te veel. Het is duidelijk dat er iets met Jasmijn aan de hand is. Maar het zijn wel de jaren tachtig. Er werd nog weinig aandacht geschonken aan kinderen die anders dan andere kinderen reageerden. Volgens de algemeen heersende opvattingen zal Jasmijn wel wennen aan school en dan zal het wel beter gaan.

Natuurlijk is dat niet zo. We volgen Jasmijns leventje, gezien door haar ogen en het kan haast niet anders dan dat je meeleeft met het meisje dat zich met veel moeite staande houdt in een voor haar onbegrijpelijke wereld. Ze snapt niet waarom ze naar school moet, waarom ze niet mag lezen in de klas, waarom Senta niet mee mag naar school.
De juf heeft moeite met het zwijgzame kind dat eigenlijk haar leeftijd ver vooruit is. Ze begrijpt het stille meisje niet, verbiedt haar dingen die voor Jasmijn een noodzaak zijn om alles aan te kunnen. Ze wil bijvoorbeeld dat Jasmijn hand in hand met andere kinderen loopt, dat is veiliger, maar Jasmijn kan het niet. Alleen oma, papa, mama en haar broer mogen haar aanraken.
Het is allemaal aanstellerij volgens de juf...


Moeder en Senta zijn Jasmijns grote rustpunten. Moeder accepteert Jasmijn volledig, ze laat het kind met rust, zegt dat 'ze nu eenmaal zo is' maar weet niet hóe belangrijk haar gedrag voor Jasmijn is. Jasmijn heeft behoefte aan regelmaat, aan ijkpunten. Ze wil de wereld begrijpen maar dat lukt maar niet. Ze gebruikt ook een bijna volwassen taal, die benadrukt hoe anders haar belevingswereld is van de kinderen om haar heen. Ze wil zo graag dingen snappen, erbij horen maar ook met rust gelaten worden.


En zo lezen we het ontroerende verhaal over een meisje dat opgroeit tot jonge vrouw, die langzamerhand haar draai probeert te vinden en zichzelf leert te accepteren, hoewel dat niet makkelijk is. Haar omgeving begrijpt haar en vooral haar gedachtegang niet en dat is voor Jasmijn weer onbegrijpelijk.


Judith Visser heeft zonder het woord te noemen prachtig de innerlijke strijd van iemand die het aspergersyndroom heeft, weergegeven.  Het knappe is dat Jasmijn geen stakkertje is geworden, integendeel, het is een sterke meid die doet wat ze kan in de voor haar zo onbegrijpelijke wereld. Met vallen en opstaan komt ze steeds verder en zie je haar groeien en opbloeien. Het is vooral omdat het verhaal vanuit Jasmijn zelf verteld wordt dat het zo'n impact heeft.
Het boek moest na lezen even een paar dagen bezinken en gaf veel stof tot nadenken. Prachtig! Ik heb in geen tijden zo'n invoelend en goed geschreven boek gelezen. Elk woord staat op zijn juiste plek. Vooral lezen!


Judith Visser (1978) kwam er op volwassen leeftijd achter dat ze het syndroom van asperger heeft. Door haar ervaringen kon zij dit boek ook schrijven. Het is bijna een monument voor mensen met het syndroom van asperger maar ook geeft het enorm inzicht in het syndroom voor mensen die het niet hebben. Een prachtig bewaarboek.


ISBN 979402701173 | Paperback | 478 pagina's | Harper Collins | april 2018

© Dettie, 12 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Tussenpersoon
Maan Leo


Een onbekende Nederlandse man in Qatar laat een Nederlandse escortgirl overkomen om met haar een week in op de bovenste verdieping van een chique hotel te vertoeven. We ontmoeten de dame, Audrey is haar werknaam - haar echte naam komen we niet te weten - op het vliegveld. Al vanaf de eerste pagina wordt duidelijk dat ze alles onder controle heeft, ze is tot in de details voorbereid, make-up, haar, lingerie, kleding, alles voor iedere mogelijke gelegenheid en situatie en alles met militaire precieze in haar koffer gepakt. Aangekomen op hun hotelkamer blijkt haar opdrachtgever nog afwezig en begint het wachten en vervelen, iets wat een voorbode van de komende dagen blijkt te zijn; hij gaat en het is onduidelijk wanneer hij thuiskomt. Zij wacht en verveelt zich, leest de Koran op het nachtkastje en vergrijpt zich aan de M&M’s van de minibar.


De man blijkt vanaf het begin ongrijpbaar, hij vertelt niets over zichzelf, maar omschrijft zichzelf als tussenpersoon. Dat kan van alles zijn, bepeinst ze, een dealer, een pooier, een heler, een spion, maar ook een ambassadeur, een onderhandelaar of een mediator. Al vermoedt ze eerder dat zijn professie met duistere zaken te maken heeft.


Vanaf het eerste moment verloopt alles anders dan ze zich voorgesteld had. Ze is gewend de controle te hebben, de macht in het spel, maar de rollen lijken deze keer omgedraaid. Er ontstaat een psychologisch spel waarin hij de macht heeft en zij juist meer en meer haar grip verliest op alles waar zij goed in is. Op alles ook waar ze haar eigenwaarde uit haalt. Ze wil gezien worden, ze wil aanbeden worden, ze wil verbinding maken, maar het lukt niet. Ze wil winnen van deze man, maar hoe harder ze haar best doet, hoe meer terrein ze verliest en hoe minder de tussenpersoon geeft, hoe harder zij gaat werken. Het brengt haar uit haar evenwicht, ze voelt zich uit haar rol gevallen. Het is een machtspel waarin de grenzen steeds een beetje verlegd worden, en uiteindelijk verliest ze ook zichzelf.


Steeds wordt, als terloops, in het boek een link gelegd met een andere man in haar leven die onbereikbaar is, haar vader die vroeg in haar jeugd weg ging en net als de tussenpersoon nooit echt te bereiken is. Het zet je aan het denken. Doet ze daarom wat ze doet? Om gezien te worden, erkend te worden? Want dat is wat ze het meest zoekt in haar bestaan en in haar werk; erkenning. Daarbij wil ze de macht hebben, de controle, maar precies dat is wat bij de tussenpersoon niet lukt en haar tot radeloosheid drijft. Hij ontneemt haar alles waar ze goed in is en op een gegeven moment zelfs letterlijk alle attributen en make up die ze daarvoor nodig heeft. Alles waar ze haar eigenwaarde en identiteit aan ontleent. Is ze nog wel wie ze is, als ze niet meer kan waar ze zo goed in is. Wat blijft er zonder die façade van haar over? Ze voelt zich onthecht en vervreemd van alles, van hem, maar vooral van zichzelf.


De setting van het boek is, juist daarom, ijzersterk gekozen, er zijn waarschijnlijk weinig plekken op de wereld zo vervreemdend en tegenstrijdig als Qatar. Ultramoderne wolkenkrabbers die onder middeleeuwse omstandigheden worden gebouwd, mannen met een bedoeïenmentaliteit die zaken doen in een postindustriële samenleving, de extreme hitte buiten, de aicro-kou binnenshuis. En zij als zwoele dame in de straten van Doha, waar de meeste vrouwen in zwart gehuld zijn waarbij slechts hun ogen te zien zijn. Haar innerlijke ontreddering en tegenstrijdige gevoelens in combinatie met het eindeloze lethargische wachten sluiten perfect aan bij deze onthechte omgeving, waar ook de moraal zichzelf tegenspreekt. Officieel mag er niets, maar onder de bovenlaag gebeurd er van alles. Alles is paradoxaal. Wat zij doen is per wet verboden, maar gebeurd tegelijkertijd op grote schaal omdat, zoals de tussenpersoon het zo mooi uitdrukt, de moraal van het emiraat een bepaalde elasticiteit bezit, die ook nog eens van persoon tot persoon weer verschild. Het versterkt de vervreemding en onthechting van Audrey die meer en meer haar evenwicht en grip op de situatie en zichzelf verliest.


Het is een intrigerend boek over macht en identiteit. Over dat als je alles verliest waar je je identiteit uit haalt, of dat nu uiterlijk is, of waar je professioneel goed in bent, je ook jezelf totaal kunt verliezen. De seksscènes zijn zeer expliciet, wat mij betreft iets te, maar dat kun je met de thematiek van het boek wellicht verwachten. Hoewel het, mede daardoor, niet het soort boek is wat mij doorgaans aanspreekt, intrigeerde het boek me toch. Het is goed geschreven en het zet je aan het denken over motieven en identiteit. Wat zijn de diepste drijfveren van een mens? En wat gebeurt er met je als dat waar je je eigenwaarde uithaalt, wegvalt. Mede door deze essentiële vragen bleef ik lang nadat ik het uit had toch nog over dit boek peinzen. Wat bij mij altijd een goed teken is.


ISBN 9789046823163 | Hardcover | 224 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | mei 2018

Willeke, 5 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Beneden
Leonora Carrington


Leonora Carrington is een van de beroemdste surrealistische kunstenaars ter wereld, bekend om haar sprookjesachtige schilderijen vol androgene wezens, imaginaire dieren en mythische verschijningen. Op haar negentiende, in 1937, ontmoet zij de twintig jaar oudere, getrouwde, kunstenaar Max Ernst en vertrekt met hem naar Parijs. Als de oorlog uitbreekt wordt Ernst gearresteerd en gevangen gezet. Leonora vlucht met vrienden naar Spanje, maar de gebeurtenissen hebben grote invloed op haar geestelijk gestel, ze loopt totaal vast in haar angsten, haar werkelijkheid begint meer en meer te vervormen en ze ziet overal samenhang in toevallige gebeurtenissen. Als de auto van haar vriendin vastloopt, herkent ze daar zichzelf in…


Ik hoor Catherine zeggen; ‘De remmen zijn vastgelopen!’ Ook ik was van binnen vastgelopen door krachten die ik niet kon beheersen, krachten die ook de mechaniek van de auto hadden lamgelegd. Het was de eerste keer dat ik me vereenzelvigde met de wereld buiten mijn lichaam. Ik was de auto. De auto liep vast door mij, omdat ikzelf tussen Saint-Martin en Spanje was vastgelopen. Mijn eigen macht deed me huiveren. Op dat moment was ik alleen nog toe aan mijn eigen zonnestelsel; dat van anderen, waarvan ik nu weet hoe belangrijk het is, zag ik nog niet.


Eenmaal is Spanje wordt ze door haar familie gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting in Santander en wordt behandeld door dokter Morales, die haar geestelijk krankzinnig verklaart. Bij aankomst vecht ze als een tijgerin met de chef de clinique om zich te verzetten tegen opname. Ze wordt ter kalmering verdoofd met Cardiazol, een behandeling die ze nog vele malen zal moeten ondergaan en die epileptische aanvallen kan uitlokken. Na drie dagen wordt ze, met leren riemen vastgebonden, wakker in een ziekenhuisbed. Ze weet niet of ze zich in een ziekenhuis bevindt, of in een concentratiekamp en begrijpt niet waarom ze ligt vastgebonden als een wild dier. Ze herinnert zich niets van haar gewelddadige uitbarstingen.


Tijdens de opname worden haar wanen en hallucinaties steeds sterker en echter. Ze denkt nog steeds dat de wereld, net als de auto van haar vriendin, is vastgelopen en dat het haar taak is om alle boze krachten te overwinnen om de wereld weer op gang te brengen. Ze is er van overtuigd dat de arts en zijn zoon meesters van het universum zijn, machtige tovenaars die hun macht misbruiken om angst en terreur te zaaien. In een later stadium ziet ze vader Morares als de planeet Saturnus, zijn zoon als de Zon en zichzelf als de Maan, een onmisbaar deel van de Drie-eenheid. Ze denkt dat nu Christus dood en begraven is, zij zijn plek op aarde moet innemen omdat de Drie-eenheid zonder vrouw dor en onvolledig is geworden. Ook is ze er van overtuigd dat ze een reïncarnatie van Koningin Elizabeth is, waar ze zich van moet bevrijden door haar beeltenis na te bootsen…


In een vlaag van helderheid begreep ik dat het noodzakelijk was de figuren die in mij huisden uit te bannen. Maar alleen het besluit om Elizabeth te verjagen bleef overeind. Zij was het personage wat me het meest van allen tegenstond. Ik kwam op het idee haar beeld in mijn kamer na te bouwen; een tafeltje met drie poten fungeerde als benen, daarop zette ik haar stoel als lichaam en op die stoel weer een karaf die haar hoofd voorstelde. In die karaf stak in dahlia’s en rode en gele rozen- het bewustzijn van Elizabeth. Daarna trok in haar mijn kleren aan en bij de poten van het tafeltje plaatste ik de schoenen van Frau Asegurado. Ik had een wezen geconstrueerd zodat ze mij kon verlaten.  Ik moest me ontdoen van alles wat mijn ziekte me had gebracht, al de persoonlijkheden verstoten en zo aan mijn bevrijding beginnen.


Na haar ontslag belandt ze in Lissabon waar ze met hulp van Peggy Guggenheim asiel aanvraagt voor Mexico. Renato Leduc, een Mexicaans diplomaat stelt zich garant voor haar. Ze trouwen om de visumaanvraag te versnellen,wonen een tijdje in New York en vestigen zich in 1942 definitief in Mexico. Renato en zij gaan als vrienden uit elkaar en ze hertrouwt met de Hongaarse fotograaf Emeric Weisz, met wie ze twee kinderen krijgt. Ze blijft in Mexico tot haar dood in 2011.


Na de oorlog schrijft ze over haar opname in de psychiatrie dit autobiografische verslag van haar waanzin. De titel verwijst naar de hel van Dostojevski en Rimbaud. Tegelijkertijd worden de diepten - beneden -  voorgesteld als een bestaande veilige plek, een toevluchtsoord op het terrein van de kliniek, waar ze van droomt naar toe te gaan omdat daar de gruwelijke behandelingen en de martelende injecties met Cardiazol zullen ophouden.


Deze uitgave is een tweede versie. In 1942 schreef ze een eerste korte Engelstalige versie die ze probeerde uit te laten geven, maar waar geen belangstelling voor was. Het manuscript ging verloren, maar een vriend spoorde haar aan een nieuwe versie te schrijven, in 1942, drie jaar na haar opname.


Het boek is volledig gebaseerd op haar herinneringen, wanen, hallucinaties en psychoses en neemt ons dan ook mee tot in de diepste krochten van de menselijke ziel naar een wereld vol kwellingen waar wij ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Haar realiteit lezen is verbijsterend en vervreemdend, vooral ook omdat ze er zelf van overtuigd was dat niemand anders dan zij zag wat er werkelijk aan de hand was. Daardoor is het een ongemakkelijk en confronterend maar ook vooral een ontzettend aangrijpend boek. Wie op zoek is naar ontspannende literatuur te vermaak, kan dit boek beter laten liggen, maar voor wie geïntrigeerd is door de verwarring waarin de menselijke geest kan verkeren, zal zelden van zo dichtbij een inkijkje krijgen als in dit boek.


ISBN 9789492086624 | Hardcover | 112 pagina's | Uitgeverij Orlando | mei 2018
Vertaald door Lisette Graswinckel en Nelleke van Maaren

© Willeke, mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altLief van je
Roanne van Voorst


‘Ongeveer een halfuur nadat mijn broertje zijn eerste zoen kreeg, is hij onder de Van Marelbrug op het wateroppervlak te pletter geslagen.'


Een krachtige openingszin die de lezer meteen het verhaal in trekt. Maar meteen daarna wordt tot in de finesses vertellen wat er precies met een lichaam gebeurt bij zo’n val, en dat zou weer kunnen afschrikken.
Gelukkig wordt snel opnieuw de nieuwsgierigheid gewekt: de verteller van dit verhaal zit bij de rechter, die aan haar vraagt of ze nog iets te zeggen heeft.


'Ik weet niet hoe ik zomaar vanuit de lucht moet beginnen met spreken. Het zou zoveel makkelijker zijn als iemand anders eerst iets tegen me zou zeggen wat zo waar en gemeen is dat boosheid mijn schaamte opzij zou drukken. Dan zou ik nu helemaal niet twijfelen of ik wat wilde zeggen en weke woorden ik dan precies zou gebruiken – mij mond zou vanzelf beginnen te bewegen, mijn lippen zouden zich openen, de zinnen zouden zichzelf schreeuwen, ze zouden mijn mond uitstromen als kots.’

Dat relaas gaan we dan nu lezen…
Rêve Chaulk studeert nog niet zo lang aan de universiteit, en stond op het punt om bij haar vrienden Abby en David te gaan wonen. De dood van haar broer Justin, twee jaar jonger, verhindert dat


Maar thuis waar Justins aanwezigheid in alle ruimtes voelbaar blijft terwijl haar ouders hardnekkig hun best doen om gewoon door te gaan met hun leven, kan Rȇve het niet harden. Ze meldt zich bij het leger, zonder dat eerst te overleggen. Haar ouders dachten dat ze iedere dag colleges volgde, en zij begrijpen deze stap niet. Maar Rȇve vertrekt zo snel ze kan, op missie. Alles om maar niet thuis te hoeven zijn waar ze constant herinnerd wordt aan wat ze gedaan heeft. Wat dat dan wel is, dat komt later pas.


De verteller, Rȇve dus probeert uit te leggen hoe haar leven verlopen is, hoe de band met Justin was, en waarom ze zich zo schuldig voelt.  Ze springt heen en weer in de tijd: het gaat over het opgroeien met haar broer, haar gevoel van verantwoordelijkheid als ze zag hoe haar zo slimme broertje steeds meer een onaantrekkelijke nerd werd en aldus behandeld werd door zijn leeftijdgenoten. Deed zij er zelf ook niet aan mee? Dan is er de tijd van zijn overlijden en de rouw die haar ouders niet konden delen, zodat zij een uitweg zocht in het leger dat ging vechten in Syrië. Waren haar motieven wel zo zuiver?
En dan volgt de periode daarna. Na een verwonding komt ze terug in Nederland, waar ze al haar ervaringen moet verwerken. Dat blijkt niet zo gemakkelijk.


Dit is een indringend verhaal dat vooral draait om wat het betekent om een angststoornis te hebben. In een nawoord legt de schrijfster uit hoe iedere militair die thuis komt in meer of mindere mate last heeft van PTSS, hetgeen zich kan uiten in psychische maar ook fysieke klachten. 


Misschien was het beter geweest om bij een verhaal over PTSS niet ook nog eens het verhaal over schuld te verwerken dat stamt uit het eerdere burgerleven. Het geeft wel de reden aan waarom het meisje bij het leger gaat en werkt versterkend wat betreft de angststoornis, maar als de verhaallijnen zo door elkaar lopen wordt het voor de lezer minder overzichtelijk. Dat komt gelukkig wel weer goed als je het boek uit hebt en alles op zijn plek gevallen is.


Roanne van Voorst (1983) is antropoloog en schrijver van fictie en non-fictie. Met haar korte verhalen won ze eerder de Indische Bladzijdeverhalenwedstrijd en de NPO- schrijfwedstrijd.


ISBN 9789492037763| Hardcover | 216 pagina's | Uitgeverij Brandt | december 2017

© Marjo, 16 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom het zo aantrekkelijk is om gelukkig te zijn
Lorenzo Marone


"Mijn zoon is homo.
Hij weet het. Ik weet het. Toch heeft hij het me nooit opgebiecht. Op zich niets mis mee, er zijn zoveel mensen die wachten tot hun ouders dood zijn voordat ze zich laten gaan en vrijuit hun seksualiteit beleven. Maar voor mij gaat die vlieger niet op, ik ben van plan het nog hele lang vol te houden, nog zeker een jaar of tien. Als Dante uit de kast wil komen, zal hij zich dus niets aan moeten trekken van ondergetekende. Ik vertik het om voor zijn seksuele geneugten de pijp aan Maarten te geven."


Zo begint dit prachtige boek. Aan het woord is Cesare Annunziata, een oude, eigenwijze mopperkont. Niets lief oud mannetje van 77 jaar. Hij is cynisch en heeft overal commentaar op. Maar diep in zijn hart weet hij precies wat zijn zwakke plekken zijn en vooral wat zijn onhebbelijkheden zijn. Die maskeert hij achter zijn gebrom. Hij heeft een dochter Sveva en bovengenoemde zoon Dante. Sveva is alles voor hem, Dante hangt er een beetje bij.


Als er een positieve kant zit aan de omgang met mijn zoon, is het wel dat ik bij hem niet hoef te doen alsof, ik kan mezelf zijn, de knorrepot die ik altijd ben geweest. Dante gaat ondanks mijn overduidelijk onaangepaste gedrag gewoon zijn gang en trekt zich niets aan van wat ik in zijn aanwezigheid doe of zeg. Alsof hij zich een soort harnas heeft aangemeten waar elke uitlating of actie van mij op afketst en terugstuit.
'Hoe is het met je zus? Heb je haar nog gesproken?[...]

Ik zou onderhand moeten weten dat het enige waar Dante niet tegen kan, de enige zin die door zijn pantser heen dringt, is wanneer ik naar zijn zus vraag.[...]


Maar Cesare weet niet waar hij anders over moet praten met zijn zoon. Dante heeft hém immers nooit iets verteld over zijn homoseksualiteit, aan zijn inmiddels overleden vrouw wél. Maar het is wel Dante die boodschappen brengt en bezorgd is, zijn vader heeft immers onlangs een hartinfract gehad. Eigenlijk is Cesare ook best trots op zijn aantrekkelijke zoon. Hij vertelt zelfs "Sveva was altijd mijn oogappel, maar nu zou ik niet kunnen zeggen waarom eigenlijk."


Cesare woont in Napels in de wijk Vomero. Hij heeft een 'verhouding' met de ca. 60 jarige Rossana, een ex-verpleegster die nu als vrouw van lichte zeden haar inkomen bij elkaar sprokkelt.  In het appartementencomplex waar hij een huis huurt, kent hij twee mensen. Eleonora Vitagliano, de nieuwsgierige, buitenissige kattenvrouw en zijn vriend Marino, die recht onder hem woont. Maar onlangs is er een nieuw jong stel in het appartement naast hem getrokken. De vrouw heet Emma en zij intrigeert Cesare. Ze is mooi, vriendelijk maar ook afstandelijk, dat vindt Cesare niet erg, daar ligt zijn fascinatie niet aan maar er is iets mis in dat huis naast hem. Heel erg mis.


Cesare wil er feitelijk niets met het jonge stel te maken hebben, hij is gesteld op zijn rust en is bang voor lawaaierige feestjes en dergelijke, maar niets van dat al. Hij hoort niets. Ze zijn nagenoeg onzichtbaar. Maar dat verandert... Cesare vertrouwt het niet en na wat wikken en wegen besluit hij in te grijpen...


"Ik denk dat ik het er met Marino over ga hebben, misschien krijgt hij een idee.
Al is de kans groter dat morgen de zon niet opkomt."


Wat volgt is een pijnlijk en ontroerend verhaal rond Emma, Dante, Sveva, Marino en Rosanne. Cesare maakt zijn opmerking over zichzelf: "Ik ben zachtmoedig geboren, maar zal sterven als bullebak." totaal niet waar. Alleen wil hij dat van zichzelf niet weten. Hij zet alles op alles om Emma te helpen en ondertussen probeert hij ook met zijn zoon en dochter op goede voet te blijven door in zichzelf brommend al hun goede bedoelingen te accepteren. Hij schippert en laveert door alle woelige en minder woelige baren heen. Er gebeuren mooie maar ook verschrikkelijke dingen, het maakt Cesare weker, zoals hij het zelf noemt, wij zouden het woord 'liever' gebruiken. Uiteindelijk slaat onverwacht het noodlot toe en zit Cesare vol zelfverwijt. Maar toch, ondanks alles, blijft de oude knorrepot hangen aan het leven. Want hij weet waarom hij leeft en waar hij van houdt, en dat is heel veel!


Dit alles wordt prachtig en levensecht verwoord door Lorenzo Marone (1974), het was bijna een schok zijn portret te zien. Je verwachtte niet die jonge man maar een portret van een oude, beetje norse man, het portret van Cesare! Een mooier compliment kun je niet geven. Lezen dit boek!


Lorenzo Marone (Napels, 1974) werkte tien jaar lang als advocaat voordat hij begon met het schrijven van korte verhalen. Hij won daarmee al enkele prijzen, maar zijn echte doorbraak kwam met Waarom het zo aantrekkelijk is om gelukkig te zijn, een bestseller in vele landen.


ISBN 9789044636079 | Paperback | 251 pagina's | Uitgeverij Prometheus | april 2018
Uitstekend vertaald door Hilda Schraa en Manon Smits

© Dettie, 9 mei 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER