Nieuwe boekrecensies

Duvelsprie
Jos Bours


Het verhaal dat de lezer vanaf de eerste pagina in zijn greep heeft begint in 1721, als Anna, bijna zestien jaar oud, samen met haar grote liefde Jean, tien jaar ouder, van Hombourg op weg gaat naar Schinnen, waar familie van Jean woont. Zij zijn nog maar twee weken de ouders van Joes en omdat ze niet getrouwd zijn niet welkom meer bij haar ouders in Menckenheim.
Onderweg ontmoeten ze een marskramer, Jacques, die hen waarschuwt niet naar Schinnen te gaan.
Onzin, vinden ze, maar wist Jacques dat Jean al zo snel plotseling zou overlijden?


Nu staat ze er alleen voor. Een ongetrouwde moeder zonder inkomsten. Vriend en toeverlaat is de pastoor, oom van Jean, die het gezinnetje zo veel mogelijk de helpende hand toesteekt. Pastoor Petri is er voor de armen, vindt hij.  Anna zal zijn hulp nog hard nodig hebben. Het lot is haar niet goed gezind, ze zal in haar leven veel vijanden hebben.


‘Wat is dat toch met mij? Overal waar ik kom, gaan er mensen dood. Ook hier in dit huis, waar ze mij accepteren zoals ik ben. Vanaf het eerste moment! Ze zien me als één van hun. Alleenstaande vrouw. Meisje. Moeder. Weduwe met een klein kind. Een erm prie.’


De streek waarin het verhaal zich afspeelt is voor ons onherkenbaar, grenzen zijn anders, het Limburg zoals wij het nu kennen, is versnipperd. Schinnen bevond zich op Oostenrijks grondgebied, en voor wie de grond te heet onder de voeten werd was er niet erg ver weg een gebied waar de Oostenrijkers niets te vertellen hadden. Er was een feodaal systeem:


‘De landheer heerst, de schout bestuurt, samen met zijn schepenen – de rijkste boeren van het dorp. Mensen laten zich uitspelen en verraden elkaar voor een paar centen.‘


Armoe, onderdrukking en inperking. De Heren en de Kerk zijn de baas. Arme mensen zijn alleen nuttig om nog meer uit te buiten. In het begin van de achttiende eeuw is er oorlog, nu eens hier dan weer daar. Soldaten moeten voor hun eigen kostje zorgen en plunderen. Het was de tijd van de Bokkenrijders zoals de bendes in de Landen van Overmaas genoemd werden. De strooptochten en afperserijen waren over het algemeen gericht tegen boerderijen en pastorieën op het platteland.

In deze tijd leefde Anna. In deze wereld moest zij het zien te redden. Zij moet keuzes maken, voor zichzelf en haar zoon en van een felle jongedame, niet op haar mondje gevallen – duvelsprie – verandert zij in een berekende jonge vrouw. Maar anders was zij misschien niet vermeld geraakt in de stamboom van zijn echtgenote, waar Jos Bours haar gegevens vond!


Jos Bours (1946) vertelt ons een kleine geschiedenis, zoals we die niet bij de geschiedenisles op school leren. Daar gaat het over macht en rijkdom van de heersers, over oorlogen en het verleggen van grenzen. Nooit horen we iets over de mensen die daar leefden, voor wie dat ongetwijfeld gevolgen moet hebben gehad. Maar zijn zij geen mensen zoals wij nu ook zijn?
Zij moeten leren omgaan met de omstandigheden, die wel totaal anders waren dan nu, maar vriendschap, liefde, haat en jaloezie, dat is van alle tijden.


De historische achtergrond is natuurlijk toegespitst op Limburg, de omgeving van Schinnen. Het taalgebruik past daar ook bij. Voor wie de ‘vreemde’ woorden niet begrijpt staat er achterin een woordenlijst. Daar vind je ook de betreffende stamboom, kaarten uit die tijd, en het onderzoek dat aan het boek vooraf ging. En welk deel op feiten berust, en wat fictie is.


Jos Bours wisselt vaak van personage, als ook van persoonsvormen, hetgeen het verhaal nog extra verlevendigt. Goede dialogen, en absoluut geen saaie uitweidingen of beschrijvingen zoals je misschien in historische boeken zou verwachten. Bours weet het prima te doseren.
Het heeft als gevolg dat je in de voetsporen van Anna zou willen dwalen daar door de streek, die nu onherkenbaar veranderd is.
Gelukkig is er het boek, zodat we toch in de geschiedenis kunnen duiken.


ISBN 9789079226450 | paperback | 365 pagina's | Uitgeverij Leon van Dorp | april 2018

© Marjo, 13 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De buurman
J.J. Voskuil


J.J. Voskuil is het meest bekend geworden door zijn geweldige zevendelige 'Bureauserie' - Een sterk autobiografisch relaas, over de menselijke verhoudingen op en rondom een wetenschappelijk instituut, gewijd aan folkloristisch en dialectisch onderzoek, in de jaren 1957-1987 (gemodelleerd naar het P.J. Meertens-instituut, waar Voskuil lange tijd werkzaam was) -.  In de Bureauboeken speelden de telefoongesprekken van Maarten/Voskuil met zijn vrouw, de bijzondere, ongrijpbare Nicolien, een flinke rol. In 'De buurman' lezen we meer over de gang van zaken bij dit stel thuis.


Nicolien en Maarten Koning krijgen in dit verhaal nieuwe buren. Nadat in het achterhuis jarenlang een bedrijfje gezeten heeft, trekt er nu een alleenstaande man in. Op een zaterdag rond middernacht worden de meubels overgebracht en een tijdje later hangt er een nieuw naambordje bij de brievenbus met daarop de naam Drs P. Stallinga. Dat moet een Fries zijn, stelt Maarten tot ergernis van Nicolien vast. Maar Nicolien is verder wel tevreden. "Voor mannen die alleen waren, had ze bij voorbaat sympathie."


Er gebeurt daarna weinig. De Drs. is een schuwe man van in de zestig die, zo gauw hij mensen in het gemeenschappelijk portaaltje hoort gauw de deur dichttrekt, hij wens duidelijk geen contact. Maar dat alles verandert als  P. Stallinga op een dag een 'logé' krijgt. De extraverte Peer. Maarten schat hem zo rond de vijfendertig jaar. Dat Peer geen logé is, blijkt na een paar maanden als er een nieuw naambordje verschijnt met de namen Petrus Stallinga, Peer van der Graaf. Evengoed merken Maarten en Nicolien weinig van hun buren.


Maar op een dag belt Nicolien Maarten op zijn werk. Ze meldt dat ze thee heeft gedronken bij de twee heren en Nicolien heeft besloten dat deze mannen als zijnde homoseksueel tot de underdog behoren en de underdog ontroert haar.
Vanaf die tijd wordt er over en weer thee gedronken - of wat sterkers - . De zich vaak op de tweede plek geplaatst voelende Nicolien is erg blij met het contact met haar nieuwe vrienden. Nu is ze eindelijk eens niet het vrouwtje van.... Zij zijn tenminste geïnteresseerd in háár, dat komt ze zelden tegen in de heterowereld...


Maarten is minder gecharmeerd van zijn nieuwe buren. Petrus vindt hij stug en narrig en Peer is nietszeggend. Maar Maarten mag geen kwaad woord over ze zeggen. Nicolien wordt bijna hysterisch als Maarten commentaar op hen heeft. 'Hou je bek! Ik accepteer het niet dat je zo over ze praat! Dat komt door je moeder, zij was ook een homohater!' zijn de veelvuldige kreten van haar. Het kan er bij haar niet in dat Maarten ze gewoon niet mag, ondanks zijn vele pogingen het uit te leggen.


Maarten heeft altijd al moeite gehad met oppervlakkige gesprekken te moeten voeren en vraagt daarom tijdens de wederzijdse bezoeken veel aan de twee mannen, tot grote ergernis van Nicolien. En hierin heeft ze een medestander want Petrus houdt ook niet zo van dat 'gepsychologiseer'. Peer daarentegen is onbevangen, vertelt veel, en laat pikante privéfoto's zien wat op zijn beurt Petrus weer gênant vindt.
Toch is er vrij intensief contact tussen het viertal. Gezamenlijke etentjes, uitstapjes etc. Het gaat allemaal leuk... Maar langzamerhand ontstaan er barstjes in de omgang.


Maarten houdt welwillend contact met ze vanwege de lieve vrede thuis en van Petrus hoeft het ook niet zo allemaal. Het zijn Peer en Nicolien die de omgang draaiende houden. Nicolien is buitengewoon op het stel gesteld en ook al hebben ze soms eigenaardige, niet vriendelijke trekjes dan praat ze dat nog goed, zoals de keer dat Peer weigerde voor de katten te zorgen.


"Peer wil niet voor de katten zorgen. zei ze verbluft. Hij vindt dat ik dat had moeten vragen en er niet vanuit had mogen gaan dat zij dat wel deden.'
'Maar zo ver was het toch nog niet?'
'Nee, dat dacht ik ook.' Ze zweeg even. 'Ik denk dat hij bang is dat er over hem gelopen wordt, zei ze tenslotte. Omdat het een underdog is natuurlijk. Underdogs worden altijd uitgebuit.


Het kan in feite niet anders dan dat deze omgang met de buren mis moet gaan, ze verschillen teveel. En dat gebeurt ook, langzamerhand wordt het contact minder vriendelijk, minder begrijpend, zelfs grimmig. Maar Nicolien blijft geloven in háár vrienden. Maarten en Nicolien kibbelen derhalve heel wat af over de twee mannen en daarbij komt de onnavolgbare 'logica' van Nicolien tot lichte ergernis en wanhoop van Maarten goed naar voren.


Het mooie is, dat Maarten Koning/Voskuil, op zijn eigen bijzondere manier, zijn beschouwingen kan verwoorden. Hij analyseert de buren, hun gedrag, hun merkwaardigheden en hun oppervlakkigheid. Maartens kracht ligt echter vooral in het weergeven van de gesprekken tussen hemzelf en Nicolien, die veel om elkaar geven maar in feite elkaar nooit écht begrijpen omdat hun logica zo verschillend is:

We kwamen terug uit Frankrijk met in mijn rugzak geitenkaasjes voor Peer en Petrus die we in Langogne gekocht hadden.
"Ik wou eerst even bij Peer en Petrus langs, om te zeggen dat we terug zijn,' zei ze in de trein. 'Dan brengen we morgen die kaasjes wel.'
'Goed.'
'Je zegt het niet erg overtuigd.'
'Ik vind het goed.'
'Ben je her er niet mee eens soms?'
'Nee, ik vind het best.'
'Wat had jij dan gedacht?''
'Ik had er niet over gedacht.'
'Maar je vindt toch zeker ook dat we het even moeten gaan zeggen?'
'Dat is aardig ja'
'Maar je had er niet over gedacht.'
"Het lijkt me beter dat jij dat regelt.'
'Maar daarom kun jij er toch ook wel over denken?'
'Wat schiet ik daar nou mee op? Als ik anders zou denken zouden we ruzie krijgen. Regel jij het nou maar. Ik vind het allemaal best.'
'Dus je hebt iets anders gedacht?'
'Ik heb niets gedacht.'
'Dan gaan we niet!'


Juist dit soort conversaties maken het boek zo aantrekkelijk, het is af en toe zo onlogisch dat het bijna hilarisch-  en ook triest -  is. Maar ook de onverwachte uitschieters van Maarten zoals de keer dat deze vrij behoudende, beetje afstandelijke, laconieke man razend op zijn vrouw wordt of in heftige discussie gaat met Petrus - wat Nicolien natuurlijk vreselijk vindt - houden het boek boeiend en levendig.


Het was lang geleden dat ik een boek van J.J.  Voskuil gelezen had en het voelde als een groot cadeau, een thuiskomen, dat ik er weer een in handen kreeg en kon lezen. - Ik had gelijk heimwee naar de Bureauboeken. - Maar het is altijd wel moeilijk om van een boek van een schrijver die zo mooi de echtheid, in feite de essentie, van alles kan weergeven een recensie te schrijven want eigenlijk wil je àlles wel citeren en àlles benadrukken om het bijzondere, het speciale, van de schrijver en het boek aan te geven. Dat is onmogelijk, je kunt het unieke alleen ervaren door het te lezen. Vooral doen! is mijn advies.


Zie ook de opname van De Plantage - Bij Voskuil thuis  (55.40 minuten) over de boeken van Het Bureau, Bij nader inzien en Maarten Koning/Voskuil én Nicolien.


ISBN 9789028241930 | Paperback | 304 pagina's | G.A. Van Oorschot | maart 2012

Dettie, 12 augustus 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De opgejaagden
Dima Wannous


Soelaima woont in Damascus. De man met wie ze een relatie heeft, heeft ze vijftien jaar eerder leren kennen in de wachtkamer van een psycholoog. Omdat Nassiem gevlucht is voor de oorlog en zich nu in Duitsland bevindt, is er nauwelijks nog contact, tot hij haar een manuscript stuurt van eigen hand, met in de hoofdrol een meisje. Het bevreemdt haar: het lijkt wel of hij hààr levensverhaal vertelt! Dat manuscript wisselt met de verhaallijn waarin Soelaima vertelt over het nu, over haar angst om haar vermiste broer, over haar moeder die weduwe is.


‘Tot op de dag van vandaag weet ik niet of ze hem heeft gemist. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze eigenlijk wel vrede heeft met zijn dood (= van de echtgenoot). Ze heeft nooit tegen me gezegd dat zijn dood haar gelukkig maakte, maar ik zag het aan haar ogen, haar lichaam en haar geest. Op een keer heeft ze me verteld wat het betekent als je uitgeput en gesloopt wordt door angst. Ze zei dat ze samen met hem tweeëndertig lange jaren van angst had beleefd.‘


Dit is de reden dat ze nu ‘als een zielig hoopje mens onder een dunne deken op de bank ligt, en steeds weer dezelfde zin leest.’ Ze is niet echt haar verstand verloren, zegt Soulaima, maar doen alsof helpt haar haar leven te leiden. ’Gevlucht voor de angst’ zegt haar dochter.
Voor Soelaima is er dat roze pilletje om met haar angsten te kunnen leven.


‘Ik ben Soelaima. Wie ben jij? Wanneer ik thuis een paniekaanval krijg ren ik als een gek naar mijn kamer. Dan ga ik voor de wandspiegel staan en kijk naar mijn gezicht en de weerkaatsing van mijn ogen. Ik raak in de spiegel mijn hoofd aan met mijn ogen, terwijl ik met mijn vingers over het koude oppervlak strijk. Ik raak mijn neus en mijn wangen aan, maar mijn gezicht voelt niets. Ik word bang. Ik ben de vrouw in de spiegel, maar ik voel haar niet.’


Haar verhaal is verward, ze is bang, ze weet niet wat ze heeft aan Nassiem, aan hetgeen hij schrijft. Ze treurt om haar vader, maakt zich zorgen om haar broer, en ziet hoe behalve haar eigen leven ook de wereld om haar heen in stukken uiteen valt.
Het geweld, de toenemende haat tussen soennieten en alawieten, de scheldpartijen en dreigende taal, de revolutie en de totale afwezigheid van vrijheid, het vormt de achtergrond van een leven dat uiteenvalt, en waarvan niemand weet wat droom, nachtmerrie of werkelijkheid is. Zoals de omslag al laat zien: totale versplintering. In haar verhaal wordt dat eveneens heel duidelijk.


Dima Wannous (Damascus, 1982) studeerde Franse literatuur aan de Universiteit van Damascus en in Parijs, en schreef voor verschillende Arabische en buitenlandse kranten, waaronder The Washington Post. In 2008 publiceerde zij haar debuutroman The Chair. Haar roman De Opgejaagden met oorspronkelijke titel Al Khaifoun, is uit het Arabisch vertaald staat op de shortlist voor de Internationale Prijs voor Arabische Fictie 2018.


ISBN 9789056726089 | paperback | 207 pagina's | Moon| april 2018
Vertaald uit het Arabisch door Djuke Poppinga

© Marjo, 23 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Wat Alice vergat
Liane Moriarty
 

Alice maakt een smak in de sportschool. Ze is even van de wereld, en als ze weer bijkomt is ze er van overtuigd dat ze negenentwintig is. Maar haar vriendinnen zijn haar veertigste verjaardag al aan het plannen.


Dat is een groot probleem: ze kent die vriendinnen helemaal niet! Waar is Sophie gebleven? Bovendien: een sportschool? Wat moet ze daar, zij die een hekel heeft aan sporten? En wat is ‘steps’ in vredesnaam? Het duizelt Alice allemaal, ze denkt dat ze zwanger is van hun eerste kind, dat ze ‘Rozijntje’ noemt. Stel je voor dat je dan ontdekt dat je al drie kinderen hebt!
Als ze haar zus Elisabeth opbelt, verwacht ze steun en medeleven. Maar Elisabeth doet heel koel tegen haar, en ook daar begrijpt Alice niets van. Maar het ergste moet nog komen: Nick, haar echtgenoot, die is haar echtgenoot niet meer?? Hoe kan dat nou? Hij is de man van haar leven!

Ze zal het moeten accepteren: ze leeft in 2008, en ligt in scheiding met Nick. En er is een man die denkt dat hij haar nieuwe vriend is!

‘Wat mag ik hebben, mam?’
Alice keek om zich heen, op zoek naar haar eigen moeder.
‘Ma-ham, ‘zei Tom.
Alice schrok. Zij was de moeder.’


Het verhaal wordt vanuit drie vertelperspectieven verteld: er is het relaas van Alice die zo goed en kwaad als het gaat probeert haar leven op de rails te krijgen, zonder toe te geven dat ze zich niets meer herinnert. Dat levert af en toe hilarische scenes op, want haar kinderen zijn dus niet gek, en profiteren er van… maar als hun ouders weer bij elkaar komen, zoals Alice volhoudt, dan vinden zij dat prima!
Dan zijn er de blogs van (stief)grootmoeder Frannie, die in een complex voor ouderen woont, maar zich nog heel actief voelt en gedraagt, en zelfs aanbidders heeft! Dat zij deze blog bijhoudt is al heel bijzonder, op haar leeftijd, en ze krijgt nog reacties ook.
En dan is er de zus, die graag de tien jaar die Alice kwijt is uit haar eigen leven zou willen schrappen. Het was voor haar niet zo’n prettige periode. Maar eigenlijk voor Alice ook niet. Er is veel gebeurd, veel veranderd.


Zomaar tien jaar van je leven vergeten, het lijkt wel een tijdreis. In geval van Alice is dat terug in gelukkiger tijden. Het besef dat ze de afgelopen periode alles een beetje verziekt heeft, is een schok. Ze wil helemaal niet de Alice worden die haar omgeving nu kent. Maar hoe krijgt ze haar oude leven terug? Want zij is dan misschien wel haar herinneringen kwijt, de mensen in haar omgeving niet! Daar tegen opboksen is een leuk gegeven: hoe zet je alles weer op poten?


Een romantisch drama om lekker mee te ontspannen. Een verhaal vol met hilarische situaties, maar toch met die serieuze ondertoon. Want je kan zomaar zonder dat je er erg in hebt je eigen leven verzieken…


ISBN 9789400509658 | Paperback | 484 pagina's | Moon| april 2018
Heruitgave van What Alice forgot (2009)  Vertaald uit het Engels door Anna Livestro

© Marjo,  10 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Vreemdelingen met dezelfde droom
Alison Pick


Na de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse Rijk gesplitst bij de Vrede van Sèvres. Groot-Brittannië kreeg het mandaat – een soort voogdij - over het land waar Joden zich konden vestigen: Palestina, oftewel in het Hebreeuws 'Erets Jisraeel'.
Vanaf 1919 trokken vele zionisten vanuit allerlei landen daarheen, en stichtten er kibboetsen. Natuurlijk protesteerden de Palestijnen, maar zij moesten plaats maken. Toen vonden de eerste schermutselingen plaats, maar daar gaat dit boek niet over. Wel noemt Alison Pick de kibboets Kinneret, de op één na oudste. De kibboets werd gesticht in 1913 door Oost-Europese immigranten op de grond van een in 1908 door de World Zionist Organization gestichte landbouwnederzetting.


De zionisten over wie Alison Pick gaat vertellen worden geleid door David, die met zijn vrouw Hannah om redenen die pas later uitgelegd worden, vertrokken is uit Kinneret.
Hij begint met een kleine groep, maar al snel komen er anderen bij, mensen die eenzelfde droom hebben, idealisten, die er van uit gaan dat algemeen bezit boven persoonlijk bezit gaat. Vrouwen en mannen zijn gelijk, zij zullen samen het land bewerken en hun tijdelijke tenten vervangen door een gedegen kibboets (=leefgemeenschap). Kinderen worden gezamenlijk opgevoed en er is een keukenploeg die voor de gezamenlijke maaltijd zorgt.


Een van de vrouwen is Ida, die behalve nog erg jong, in haar idealisme vaak naïef is. Ze is nog maar net met de groep aangekomen of haar oog valt op de man op wie zij verliefd zal worden: Levi. Zo mogelijk is Levi nog idealistischer, en als Ida probeert de twee kandelaars die ze van thuis heeft meegenomen, achter te houden in plaats van ze als gemeenschappelijk bezit aan David te schenken, beseft ze dat de jongeman daar zeer ontstemd over zal zijn. Het lijkt inderdaad hun prille liefde aan te tasten.


Door Ida’s ogen zien we hoe de groep zich ontwikkelt, hoe ze zich staande proberen te houden in een verzengende hitte die een grote droogte veroorzaakt. Hoe ziektes als malaria hen kwellen en er geen medische kennis is, laat staan dat er voorzieningen zijn. We stellen met haar vast dat mensen niet geschapen zijn voor het communisme. Een droom hebben is één, die realiteit laten worden is toch echt iets anders. Ida  is zelf ook niet helemaal zuiver op de graat. Eerst is er al de kwestie van de kandelaars, dan sluit ze vriendschap met een moslimvrouw, hetgeen David niet goed zou keuren.


‘Het verbijsterde haar, om de tastbare plek te zien waar hun tenten in het begin waren opgetrokken, waar ze die eerste dag waren aangekomen, de bocht in de rivier waar ze hun toevlucht hadden gezocht tegen de hitte waaraan ze nooit gewend zouden raken. Het leek wel of ze, als ze maar goed genoeg keek, de contouren kon ontwaren van haar vroegere ik, zittend op de oever met haar voeten in het water en Levi’s arm rond haar schouder. Die ik lag maar een klein stukje achter haar in de tijd. Ze had een deur willen hebben waar ze doorheen terug had kunnen stappen.’

 
En dan gaat het verhaal over in het relaas van David, de leider. Maar het verhaal gaat terug!
Het is hetzelfde tijdsbestek dat we door de ogen van Ida al gezien hebben, en het komt nu opnieuw voorbij. Natuurlijk is de blik van de man anders, ook omdat hij meer ervaring heeft, en over leiderskwaliteiten beschikt. Vragen die bij het verhaal van Ida in het hoofd van de lezer kwamen worden soms beantwoord, andere komen er voor in de plaats.
Voor David zelf is het geen pluspunt dat hij nu het uitgangsperspectief is, Heel erg sympathiek was hij al niet, nu beginnen we hem te doorgronden: hij is niet de leider die hij wil zijn, hij valt teveel op vrouwen – en denkt daar mee weg te kunnen komen ‘alles is van iedereen toch?’
Verkeerde beslissingen liggen aan de basis van zijn vertrek uit Kinneret, en ook nu lijkt hij de foute beslissingen te nemen.


Voor we er achter komen hoe dat afloopt verandert het vertelperspectief opnieuw en gaan we wederom terug in de tijd. Dit keer wordt hetzelfde tijdsbestek gezin door de ogen van Hannah, vrouw van David. De kijk van een vrouw is heel anders dan die van een man, en omdat Hannah al minder idealistisch is dan Ida, is haar blik een stuk helderder en verhelderend voor de lezer.


Zionisten hebben eenzelfde droom, maar de titel slaat natuurlijk ook op het driedubbele gezichtspunt. Dat die verhalen ondanks dat ze over dezelfde feiten gaan, toch boeiend blijven is de kracht van deze roman. Toch vond Alison Pick het nog niet genoeg: er is ook nog een ik-figuur. Iemand die in de proloog vertelt dat ze dood is, en dat iedereen denkt dat ze zelfmoord heeft gepleegd. Als een soort regisseur hangt ze boven de verhalen. Ze maakt er deel van uit, doordat ze een bijfiguur is in alle drie de verhalen, maar daarnaast grijpt ze in als ze dat nodig vindt, geeft aanvullingen of maakt het juist onduidelijker. Deze figuur zorgt voor een extra spanningslijn. 


De kern wordt gevormd door het historische verhaal van de zionisten, over hoe dromen uit elkaar spatten, omdat zij ook maar mensen zijn. En omdat ze één grote fout maken: het negeren van het feit dat er al bewoners zijn in het gebied waar zij zich gaan vestigen!
Het gaat over menselijk falen, maar ook over kleine successen. Over liefde en hoop, over de rol van het geloof, en de niet te onderschatten rol van de vrouw.


Alison Pick (Toronto, 1975) is dichter en auteur. Ze is meest bekend om haar roman Donderdagskind, waarmee ze in 2011 genomineerd werd voor de prestigieuze Man Booker Prize.

ISBN 9789492086648 | Paperback | 384 pagina's | Orlando |maart 2018
Vertaald uit het Engels door Miebeth van Horn

© Marjo,  2 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het Japanse winkeltje
Isabelle Artus


De titel geeft al aan waar Pamela werkt, in een piepklein winkeltje aan de quai Malaquais in Parijs waar ze o.a. bonsaiboompjes verkoopt en deze ook, op verzoek, verzorgt. Vooral de bonsai Tang Gaozong  - door haar vernoemd naar de Chinese keizer - heeft haar speciale aandacht. Ze leest het boompje zelfs voor.

Pamela 'wilde al geisha zijn sinds ze de leeftijd had om iets te willen worden'. Ze raakte als kind al gefascineerd door Yoko Tsuno, een stripfiguurtje, en heeft zich uiteindelijk helemaal in de leefstijl van geisha's verdiept en handelt, kleedt en leeft ook als een geisha. In het winkeltje draagt ze de make-up en de kleding van deze vrouwen. Verder heeft zich de rituele manier van thee schenken eigen gemaakt, verstaat ze de kunst van ikebana (Japans bloemschikken) en leert ze Japans kalligraferen van de vrouw van haar Japanse 'peetvader' en weldoener. Elke dag leert ze bij totdat ze uiteindelijk de perfecte geisha zal zijn. Ze weet dat ze nog een lange weg te gaan heeft. 


Daarnaast maken we kennis met de Bretonse Thad. Als kind was hij gefascineerd door de cowboy gespeeld door Steve McQueen en de 'Sprinkhaan' uit tv serie Kung Fu. Hij was beide! Maar later raakte hij geïnspireerd door het boek De steen en de sabel (een levensgids, zowel op spiritueel als krijgsgebied) waarin de Weg van het zwaard werd toegelicht. Nadat hij dat verhaal gelezen had leefde hij volgens de richtlijnen van het boek. Dat moraal niet hoog in het vaandel stond maakte hem niet uit. Thad is nu een echte samoerai, een krijger, en die laat zich niet afleiden door vrouwen.


Maar als Thad het Japans winkeltje bezoekt, is te begrijpen dat bij beiden de vonk levensgroot overslaat. Alle twee zijn ze immers geheel gefascineerd door Japanse oude tradities en kunstvormen. Hij ziet hoe bijzonder en verfijnd zij is. Hij weet na zijn bezoeken aan Japan hoeveel moeite het kost om een goede geisha te zijn. Hij ziet dat haar make-up, kleding en gebaren tot in de perfectie zijn verzorgd. Zij ziet in hem onmiddellijk de man die begrijpt wie zij is en waarom.


En zo gebeurt het dat, ondanks Thads afkeer voor een binding met een vrouw, het altijd verrassende lot beslist dat Pamela en Thad voor elkaar bestemd zijn en de twee krijgen een relatie die alle verwachtingen overtreft. De band die ze hebben is intens. Maar Thad verdwijnt soms en zegt niet waarheen hij vertrekt. Iets voor zijn werk, meer wil hij daarover niet kwijt. Wij als lezer weten wel wat zijn werk inhoudt, werk voor een samoerai... Maar Thad kan zijn werk niet meer goed doen, het gaat hem tegenstaan. Hij weet dat zijn liefde voor Pamela teveel gevoel in hem oproept en gevoel hebben kan niet bij wat hij doet. "Hij had geen keus meer, hij moest nu weggaan, de manier vinden om al dat geweld dat in hem school te laten verdwijnen."
En zo komt het dat Thad op een dag vertrokken is... "Ik ga weg, sorry", is de enige verklaring die Pamela te lezen krijgt.


Pamela is compleet kapot, totaal radeloos. Het kan niet en mag niet dat het zo eindigt en ze besluit Thad te volgen naar Japan, want dat hij daar zit, staat voor haar met honderd procent zekerheid vast. En zo vertrekt ze naar Japan, een land waar ze nooit is geweest en zelfs de taal niet spreekt.


We volgen vervolgens de twee afzonderlijk, Thad voert een heftige strijd met zichzelf evenals Pamela die haar hoge verwachtingen over Japan enorm moet bijstellen. Ze leren beiden de les van hun leven... Beiden missen elkaar enorm, maar als zij elkaar tegen alle verwachting in zouden terugvinden zijn zij dan nog wel dezelfde mensen die ze zo liefhadden?


Natuurlijk is het een liefdesverhaal maar wel een bijzondere. De Japanse sfeer en het peilloze mysterie van een diepere soort aantrekkingskracht dat de twee omringt maakt dat het boek uitstijgt boven andere boeken in dit genre. Naast de relatiesfeer komen we ook veel te weten over de Japanse tradities en met name over het leven van de geisha's en hun betekenis in Japan. Het leest als een verfijnd sprookje met realistische ondergrond. Lezen!


ISBN 9789028427358 | Paperback | 255 pagina's | Uitgeverij Wereldbibliotheek | mei 2018

© Dettie, 19 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Heldere mist
Yolande Belghazi-Timman


Opgroeien in de jaren zestig, dat was nog eens wat. Dat was de eerste popmuziek; dat was de geschiedenisleraar die opeens zijn baard liet staan en alleen nog maar met zijn voornaam wilde worden aangesproken; dat was ontwakend politiek engagement, bewustzijn over burgerrechten, ongelijke behandeling van vrouwen en de oorlog in Vietnam.


In Heldere mist, de tweede roman van Yolande Belghazi-Timman, komt het allemaal voorbij en Noor Elderson, de hoofdpersoon van het boek neemt het ook allemaal bloedserieus, maar toch is het niet meer dan achtergrond, want Noor heeft belangrijker zaken aan haar hoofd.
Ik bedoel dit niet badinerend: voor een meisje van 14, 15, 16 is het belangrijker hoe haar klasgenoten over haar roddelen; of ze voor een schoolfeestje een nieuwe, felgroene jurk zal kopen of toch gewoon haar spijkerbroek zal dragen; of een jongen, of een leraar, nu wel of niet met bijzondere aandacht naar haar kijkt. En voor Noor is het zelfs een zaak van leven of dood – tegen het einde van het boek ook letterlijk- want zij is hypersensitief, gelooft dat ze onder een ongelukkig gesternte is geboren, en is dus onzeker over alles en iedereen. Wat er om haar heen gebeurt komt binnen zonder filter, en het gevolg is een niet-ophoudende stroom van twijfels, argwaan, misverstanden en conflicten. Wat ook niet helpt is de scheidslijn die door het gezin met vijf kinderen loopt, een liefdeloze moeder en een vader die zich eigenlijk alleen thuis voelt in zijn eigen hoofd.


De manier waarop de auteur Noors identitaire worsteling beschrijft is verbluffend: het is alsof ze kon putten uit een geheim dagboek waarin tot in het kleinste detail de dagelijkse strijd om te overleven stond beschreven. Het gevolg is een niveau van authenticiteit, en daarmee geloofwaardigheid, dat ik niet eerder tegenkwam in een coming of age -roman. Wat Noor uiteindelijk overeind houdt zijn de sprookjes die zij zichzelf vertelt, het magische gevoel deel uit te maken van de kosmos die oneindig veel groter is dan haar eigen nietige wezen en, vooral, haar liefde voor buiten zijn en haar ontvankelijkheid voor het weer en de seizoenen.


‘Als ik de stad verlaat, wordt de lucht onnoembaar blauw. De anderen zijn ver. Het ruikt naar aarde en hooi en houtvuur. Verderop is ​een tractor bezig. De zon komt lager en doet de weilanden warmgroen oplichten. Voor me ligt een meertje. Ik leg mijn fiets in het gras en ga tussen de halmen zitten die vochtig en koel aan mijn handen zijn. ’


Een warme en poëtische roman die de jaren zestig op een onverwachte manier dichtbij brengen.


ISBN 9789492020246 | Paperback | 249 pagina’s | Uitgeverij Nieuwe Druk | juni 2018

© Hein-Anton van der Heijden, 12 augustus 2018​

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het Alice netwerk
Kate Quinn


Charlotte St. Clair is ongetrouwd en zwanger. Ze is ook pas negentien en in het jaar waarin dit verhaal speelt, 1947, nog minderjarig. Ze kan er dus weinig aan doen als haar moeder haar meesleept naar Zwitserland, om Het Probleempje te verhelpen.
Charlie, zoals ze zichzelf het liefste noemt, wordt niets gevraagd, maar ze weet ook eigenlijk niet of ze die vraag had kunnen beantwoorden. Er is niet een speciale geliefde, Het Probleempje is het gevolg van een periode waarin ze krampachtig de dood van haar geliefde broer probeerde te verwerken. Hij leed – zoals we dat nu weten - aan het PTSS-syndroom – en heeft zelfmoord gepleegd. Charlie voelt zich schuldig, had ze hem niet kunnen helpen?


Dit komt bovenop een ander schuldgevoel, dat te maken heeft met haar iets oudere nichtje Rose. Charlie en Rose waren vriendinnen door dik en dun, maar werden gescheiden door de oorlog. Rose was in Frankrijk, en sinds 1944 heeft Charlie niets meer van haar gehoord. Het enige wat ze heeft is een verslag van een zoektocht, met een naam eronder en een adres in Londen.


‘De afgelopen weken was ik zo lamgeslagen door de aanhoudende pech – Het Probleempje, het geschreeuw in het Frans van mijn moeder, het ijzige zwijgen van mijn vader – dat ik me overal naartoe had laten voeren. Ik zou zo van een klif gewandeld zijn, wezenloos en gezeglijk, en me pas halverwege bezorgd hebben afgevraagd waarom ik viel. (-)
Ik had me vastgeklampt aan een hallucinatie, een visioen dat ik nu al maandenlang af en toe had omdat mijn brein erin volhardde het gezicht van Rose op willekeurige blonde meisjes te plakken.’


In deze gemoedstoestand neemt ze een besluit als ze met haar moeder gearriveerd is in Southampton, vanwaar ze de volgende dag zullen doorreizen naar Calais. Charlie neemt de trein. Naar Londen om daar Eve Gardiner op te zoeken, de naam onder het verslag. Ze vindt het adres... En krijgt de schrik van haar leven als de deur opengaat en een magere vrouw haar onder schot houdt. Slierten haar hangen om haar verlopen gezicht, en ze heeft duidelijk gedronken. Charlie schrikt nog meer als ze de misvormde handen van de vrouw ziet. Maar zij is haar enige houvast, en ze vraagt om hulp.
Op het moment dat Charlie vertelt dat Rose in een restaurant werkte in Limoges, waar ene Monsieur René de scepter zwaaide, lijkt Eve wakker te worden.
Samen met Eve's verzorger, de Schot Finn Kilgore, ex-militair en autoliefhebber, vertrekken ze naar Frankrijk, in het spoor van Rose. En René, maar dat verhaal komt pas later.


Charlie en Eve vertellen hun verhaal om en om. Charlie over het heden, Eve over haar leven tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen zij werd gerekruteerd als spion in Lille, waar zij samen werkte met andere vrouwen met wie ze de Duitsers allerlei informatie wist te ontfutselen. De verhalen van Charlie en Eve vertonen parallellen, en de vrouwen vinden elkaar dan ook, ondanks allerlei problemen.


Het verhaal van Eve blijkt niet helemaal fictief. Het is gebaseerd op een spionage netwerk dat echt bestaan heeft in de eerste jaren van de Eerste Wereldoorlog: Het Alice netwerk. Degene met wie Eve veel te maken had noemt ze heel lang Lily, een naam die blijkt te staan voor Louise de Bettignies. En dat is geen onbekende voor iemand die meer van de Grote Oorlog weet.


Feit en fictie zijn met elkaar verweven, en in een nawoord kun je lezen wat die werkelijkheid geweest is. Dat een aantal personages echt geleefd hebben maakt het boek nog indringender, en dat was het eigenlijk al door de meeslepende manier waarop deze nog onbekende schrijfster haar verhaal ontvouwt.
Ze tekent ook de sociale omstandigheden en de positie van de vrouw zoals die veranderen door beide oorlogen, en legt daarbij de nadruk op sterke vrouwen. Vrouwen die zich er niet bij neerleggen dat anderen hun leven inrichten, maar zelf het heft in handen nemen.


ISBN 9789402700831 | Paperback | 480 pagina's | Harper Collins | april 2018
Vertaald uit het Engels door Arthur Wevers

© Marjo, 25 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het laatste uur
Minette Walters


Je bent een meesterverteller of je bent het niet! Minette Walters heeft haar sporen al verdiend met meer dan vijftien onvolprezen thrillers, maar nu met deze historische roman verdient ze de hoogste prijs!


De roman speelt in 1348. Engeland wordt geregeerd door koning Edward III, wiens regeerperiode gekenmerkt wordt door de Honderdjarige Oorlog. Maar ook door de Zwarte Dood, die vreselijke ziekte die heel Europa in de jaren 1347 tot 1351 overviel. De epidemie kostte wereldwijd tussen de 75 en 100 miljoen mensen het leven. Ook was het een tijd waarin het klimaat veranderde in wat nu de Kleine IJstijd genoemd wordt: lange koude periode met strenge winters en kortere zomers.


In 1315 was de Grote Hongersnood.  
Dat had gevolgen voor de algemene conditie van de mensen. Een minder goed immuunsysteem was een goede voedingsbodem voor de pest. En natuurlijk de onwetendheid: hygiëne was niet bepaald iets wat hoog in het vaandel stond, en dat insecten en knaagdieren ziektes konden overbrengen, niemand die dat wist.


Tegen deze achtergrond wordt het verhaal verteld van een Engelse Manor, Develish genaamd, bestuurd door Sir Richard. De boeren die voor hem werken zijn volledig afhankelijk van hem, in het boek worden ze slaaf genoemd, en hoewel lijfeigene vriendelijker klinkt, komt het op hetzelfde neer: absolute onvrijheid. Sir Richard is hardvochtig, en veeleisend, en vraagt meer van zijn boeren dan ze hem kunnen geven.
De enige die er in zijn ogen mee door kan is zijn dochter Eleanor, die dan ook de enige is die beweert van haar vader te houden. Pas als het te laat is beseft ze dat die paar uur die hij in haar gezelschap doorbrengt en de gunsten en cadeautjes, haar niet uit liefde ten deel vielen.


Ook de minachting die ze voelt voor haar moeder, Lady Anne, zal haar nog opbreken: haar moeder dringt er op aan dat ze leert lezen en schrijven, maar Eleanor vindt dat ze daar haar slaven voor heeft. Haar domheid speelt een grote rol als de manor net als de rest van Engeland – en Europa – overvallen wordt door de pest.
Sir Richard is een van de eerste die sterft. En terwijl de dood om zich heen grijpt komen de bewoners van de manor en de boeren die door Lady Anne binnen de muren  - en de gracht – zijn gehaald steeds meer tot het besef dat zij boffen met hun meesteres. Zij hamerde altijd op het belang van wassen; zij liet latrines graven, en hield ongedierte buiten de deur.


Maar Lady Anne is ook in andere opzichten een moderne vrouw. Zij wil niets weten van rangen en standen. Natuurlijk zijn er tegenstanders, waaronder de priester die hel en verdoemenis predikt. En degenen die denken dat als zij Lady Anne - als de ziekte verdwenen is - kunnen beschuldigen van 'foute praktijken' als goddeloosheid en ketterij dat zij daar zelf wel bij kunnen varen. Dochter Eleonora is haar felste tegenstander!


Het verhaal speelt zich ten dele af binnen de muren van Develish. Het andere deel verhaalt over de gevaarlijke avonturen van een man, Thaddeus Thurkell, die door zijn geboorte als bastaard verguisd wordt, maar vanwege zijn kracht en heldere verstand bij anderen zeer gewaardeerd wordt. Hij stelt zijn leven in dienst van Lady Anne en haar volgelingen, als hij buiten de manor op zoek gaat naar voorraden.


Lady Anne houdt een logboek bij, en een persoonlijk dagboek. Alsof dat de bronnen waren voor dit verhaal. Dat is natuurlijk een deel van de fictie, de schrijfster heeft zeer gedegen onderzoek moeten verrichten om de feodale maatschappij uit de tijd helder en duidelijk te kunnen beschrijven. Of er daadwerkelijk zulke slimme en daadkrachtige vrouwen waren, wie weet? En waarom niet? Het heeft in ieder geval een meeslepend verhaal opgeleverd, een verhaal over mensen. Mensen zoals die er in alle tijden waren, die moesten roeien met de riemen die zij ter beschikking hadden.


En schrijf je over mensen, dan schrijf je over emoties: jaloezie, liefde, vriendschap, verraad, hardvochtigheid, meedogendheid, hoop, angst, noem maar op.  
Minette Walters verloochent haar achtergrond niet: er wordt ook een moord gepleegd!


Minette Walters, (Bishop's Stortford, 1949) is een Engelse misdaadschrijfster. Ze publiceerde in 1992 met The Ice House haar eerste thriller en daarop volgde ongeveer jaarlijks een nieuw boek.  En nu, na jaren zwijgen dit fantastisch epos! Waar – en dat is heerlijk nieuws – een vervolg op komt!


ISBN 9789401608640 | paperback | 542 pagina's | Uitgeverij Xander| maart 2018
Vertaald uit het Engels door Fanneke Cnossen

© Marjo, 22 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een portret van Emily Price
Liefde, kunst & familiegeheimen in zonnig Italië
Katherine Reay


Emily Price mag graag dingen repareren. Niet alleen in haar werk als restaurateur, maar ook in de rest van haar leven. Zo probeert ze haar zus Amy, die het nooit lang volhoudt in haar banen, aan nieuw werk te helpen. Als hobby schildert ze zelf niet geheel onverdienstelijk, maar haar stillevens hebben net niet genoeg leven en bij haar portretten worden de ogen niet helemaal treffend.


Voor haar werk reist Emily van Chicago naar Atlanta, waar ze in een afgebrand huis, met name een muurschildering van een meisje op een schommel, moet herstellen. Door Joseph, een collega restaurateur, wordt ze in de stad opgevangen en naar het restaurant Picollo gebracht, dat van zijn oom en tante is. Daar ontmoet ze ook Benito, kortweg Ben, de broer van Joseph, die erg op hem lijkt. Al tijdens deze eerste ontmoeting vult ze een zin van Ben aan. Het gaat niet zo goed met het restaurant en Ben, die zojuist is overgekomen vanuit Italië, wil zijn oom en tante helpen. Hij wil zowel het menu als het interieur helemaal veranderen.


De volgende dag wordt Emily ontslagen. Het project dat ze nu doet, zal haar laatste zijn. Na haar werk rijdt ze naar Piccolo en in een opwelling biedt ze Ben aan om ook te helpen met het restaurant. Twee weken lang werkt ze overdag in een studio of in het afgebrande huis en gaat ze ’s avonds naar Piccolo, om daar de handen uit de mouwen te steken. Samen met Ben maakt ze plannen over hoe het restaurant eruit moet zien, koopt ze alle benodigdheden en gaat ze aan de slag. Tijdens het werken praten de twee voortdurend. Zo komt Emily te weten dat Ben eerst niet eens wist dat hij een oom en tante had, tot Joseph hem dat recent vertelde, en dat hij zijn broer al achttien jaar niet gezien had.


Ze wordt smoorverliefd op Ben. Als Amy ineens in Atlanta is, raakt ze bang dat haar zus Ben af zal pakken.


Alle jongens die ze op de middelbare school van me afgepakt had, trokken in een waas aan me voorbij. Een paar waren puur en alleen met mij uitgegaan om met mijn zusje te kunnen aanpappen. We leken weliswaar op elkaar, maar zij had iets wat ik niet had – vita. Ik was als Piccolo zoals het er voor Bens komt had uitgezien, terwijl zij het nieuwe Picollo was.


Emily heeft echter niets te vrezen, want na de twee weken vraagt Ben haar ten huwelijk. Ze zegt ja en de volgende dag geven ze elkaar het ja-woord. Omdat Emily toch geen baan meer heeft, kan ze direct met haar kersverse man mee naar Italië. Daar ligt haar toekomst.
In Italië aangekomen, bekruipt haar echter de twijfel. Het is allemaal zo snel gegaan, dat zaken niet zijn doorgesproken. Zo blijken Emily en Ben in het huis van Bens ouders te gaan wonen.


Boven aan de trap was het huis in twee stukken verdeeld. Hij wees naar één van de slaapkamers. ‘Dat is mijn kamer. Nu onze kamer.’ Hij praatte snel verder, maar na het woord onze hoorde ik niks meer. Bedoelde hij nou dat we hier zouden gaan wonen? Waarom hoorde ik dat nu pas?


Ben is steeds in familierestaurant Coccocino aan het werk. De ingrediënten van zijn gerechten en van het leven waren simpel. Water. Gist. Bloem. Zout, Liefde. Maar samen vormden ze een prachtig geheel.
Als Emily daar wil helpen, loopt ze iedereen alleen maar voor de voeten. Ze wordt door Italianen La moglie del pizzaiolo genoemd:  de vrouw van de pizzabakker. Bens moeder Donata lijkt haar totaal niet te mogen en met de gezondheid van Bens vader Lucio gaat het niet goed. Emily bemoeit zich met de beste intenties met haar schoonzus Francesca, maar ook dat valt niet goed bij Donata.


Maar langzaam vindt Emily haar weg. Ze maakt een portret van Lucio en restaureert een plafondschildering in de bibliotheek van het huis. Ze crost op een Vespa naar het dorp Montevello en in de omgeving. Op verzoek van Lucio herstelt ze in het geheim ook de overschilderde muurschildering in de kerk van het dorp, die Joseph daar lang geleden maakte. Naarmate ze meer wattenbollen en oplosmiddel gebruikt, vraagt ze zich af of ze met het blootleggen van de schildering ook het familiegeheim zal onthullen.


Het is een vrij lijvig boek (349 pagina’s met kleine letters) voor wat in wezen een dun verhaal is, maar dat is in het geheel niet storend. De auteur schildert zelf met woorden, laat je meeleven met Emily’s gevoelens en meegenieten van de mooie omgeving. Je raakt nieuwsgierig naar wat het familiegeheim zal zijn en hoe het Emily en haar nieuwe familie zal vergaan.
De titel van het boek is prachtig toepasselijk, omdat het verhaal een portret schetst van de hoofdpersoon, maar Emily zelf in het boek ook portretten maakt.
Een romantische roman, zonder (te) zoetsappig en voorspelbaar te zijn.


ISBN 9789029727983 | Paperback | 352 pagina's | Uitgeverij Kok | juni 2018
Vertaald door Patricia Pos

©Trenke Riksten-Unsworth, 3 juli 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het eeuwige leven
Matt Haig

‘Regel één is dat je niet verliefd wordt,’ zei hij. ‘Er zijn ook andere regels, maar dit is de belangrijkste. Niet verliefd worden. Niet verliefd blijven. Niet dagdromen over liefde. Als je je daar maar aan houdt, komt het wel goed met je.’


Hier spreekt Hendrich, de oprichter van het genootschap van de Alba’s, oftewel Albatrossen. In tegenstelling tot de gewone mens, die ze ‘eendagsvliegen’ noemen, verloopt het verouderingsproces bij de Albatrossen heel langzaam.
Er bestaat in werkelijkheid een ziekte die progeria heet: lijders worden vroeg oud en sterven jong, maar lijders aan de fictieve ziekte anageria doen precies het tegenovergestelde. Ze worden ook nauwelijks door ziekte getroffen. Ze kunnen wel ruim 700 jaar oud worden, maar omdat geen mens dat gelooft, weet ook niemand dat zij bestaan. Daar komt nog bij dat als het toch uit dreigt te komen, een ‘ongeluk’ in een klein hoekje blijkt te zitten, want dat regelt Hendrich dan.


‘Leven is het ultieme voorrecht, dus ik verkeer tussen de bevoorrechte personen op deze planeet. Jij zou ook dankbaar moeten zijn. Tot ver in het volgende millennium zul je hier zijn. Langer dan ik. Je bent een god, Tom. Een god op aarde. Wij zijn goden en zij zijn eendagsvliegen. Je moet van je goddelijke bestaan leren genieten.’


Ook Tom Hazard is een Alba. Hij is in 1581 geboren in Frankrijk, als Estienne Thomas Ambroise Christophe Hazard. Hij had al vele levens geleefd voor hij opgenomen werd in het Genootschap als ook nadat hij Alba werd. Nu heeft hij er genoeg van. Hij wil een gewoon leven. Hij is Tom Hazard, ongeveer veertig jaar, geschiedenisleraar op een school in Londen.  En dat wil hij blijven.


Maar Hendrich zit hem achter zijn vodden. Als lid van het Genootschap heb je namelijk verplichtingen, waar je aan moet voldoen in ruil voor bescherming, en hulp bij het verkrijgen van weer een andere identiteit. En hij heeft een troefkaart: Tom is namelijk in zijn eerste leven verliefd geweest op Rose, een eendagsvlieg, met wie hij een dochter kreeg. Marion. Tom liet vrouw en dochter in de steek, omdat hij vreesde voor hun leven. Had hij immers al niet de dood van zijn moeder veroorzaakt? 
Als hij jaren later terugkomt, heeft Rose de pest en zal spoedig sterven. Maar eerst laat ze hem beloven dat hij Marion zal zoeken. En vinden, want zijn dochter is net als hij, ze veroudert nauwelijks. Hendrich belooft Tom dat hij haar zal vinden, zoals hij vele anderen al gevonden heeft.


Tom zit klem: hij moet Marion vinden, dat heeft hij beloofd, en als hij Hendrichs hulp wil, moet hij opdrachten vervullen. En niet verliefd worden, regel nummer één? Hoe kun je zoiets voorkomen? Op zijn school leert hij namelijk Camille kennen…
Een onmogelijke opdracht en de liefde, zullen ze Tom de das omdoen?


Het eeuwige leven is een ontroerende roman met fantasy-elementen. Want anageria, zoals in dit boek beschreven bestaat niet. Het zou wel kunnen dat Matt Haig zich gebaseerd heeft op een soort wel bestaande ziektes waarbij kinderen niet oud worden vanwege een grove fout in de genen, maar dan heeft hij de verschijnselen zo aangepast dat er een vrij romantisch beeld ontstaat. Want eeuwenlang leven, in staat zijn je daadwerkelijk te herinneren hoe het leven was drie- , vier- of vijfhonderd jaar geleden? Zou je dat niet willen, als tegelijkertijd je lichaam niet noemenswaardig veroudert?


Matt Haig schetst de romantiek die met anageria verbonden is, maar laat ook de negatieve kanten zien: Hendrich heeft het Genootschap opgericht om zo de mensen te kunnen beschermen tegen wetenschappers die zouden willen weten hoe de verschijnselen ontstaan en zich ontwikkelen. Niet altijd voor de juiste doeleinden. Dat is een goed uitgangspunt, alleen blijkt Hendrich door te schieten in zijn opzet.
Tom wil een gewoon leven leiden, maar dat lijkt onmogelijk. Of kan het misschien toch?


‘Andere dieren kennen geen vooruitgang, wordt gezegd. De menselijke geest zelf gaat niet vooruit. We blijven dezelfde opgehemelde chimpansees, alleen met steeds grotere wapens. We beseffen dat we net als al het andere alleen maar een massa kwanta en deeltjes zijn, en toch blijven we onszelf onderscheiden van het heelal waar we deel van uitmaken, blijven we onszelf een betekenis geven die uitstijgt boven die van een boom, een rots, een kat of een schildpad.’


Behalve een prachtig verhaal, dat gaat over liefde en verbondenheid, de kracht van intermenselijke relaties, is het een roman met een boodschap. Hoogmoed kenschetst de mens. Kom maar eens van je voetstuk af, lijkt Haig te willen zeggen. Het leven door de eeuwen heen is een herhaling van zetten en we beseffen het niet en leren er dus ook niet van. Deze boodschap brengt hij op een heel prettige manier: we gaan in het verhaal van de ene tijd in de andere over, hij heeft meer een kleine gebeurtenis of een woord nodig om ons weer mee te nemen in de tijd, met sympathieke personages en biedt dan misschien toch nog hoop:


‘Het is duidelijk. In de ogenblikken die barsten van het leven, duurt het heden eeuwig en ik weet dat er nog veel meer hedens zijn om te leven. Dat snap ik. Ik snap dat je vrij kunt zijn. Ik snap dat je de tijd kunt stilzetten als je je er niet langer door laat leven. Ik verdrink niet meer in mijn verleden en ik ben niet meer bang voor de toekomst.’

Matt Haig (1975) is de auteur van vijf romans, waaronder de bestseller De Wezens. Zijn werk wordt gepubliceerd in meer dan dertig landen en de filmrechten van zijn debuut The Last Family in England (2004) zijn gekocht door de productiemaatschappij van Brad Pitt.
Een Jongen Met De naam Kerstmis veroverde al menig kinderhart. Het eeuwig leven zal dat bij de volwassenen doen.


ISBN 9789048840168 | paperback | 352 pagina's | Lebowski | april 2018
Vertaald uit het Engels door Monique ter Berg

© Marjo,  21 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Pleisterplaats Belleville
Peter Lenssen


‘Tijd is een monsterlijk mechaniek. Onbarmhartig accuraat. Wat er ook gebeurt, al sterven duizend geliefden, het raderwerk loopt door. Rimpelloos. Zonder ophouden. Wreed. Het knabbelt steeds een randje van de toekomst af. Hoe anders het verleden. Schimmel die niet te verwijderen valt. Barsten, richels, vuile kreuken. Het verleden is een weemoeddrager.’


Belleville, oorspronkelijk een zelfstandige gemeente, werd in 1869 door Parijs geannexeerd. Het is de wijk waar beroemde mensen als Edith Piaf en Maurice Chevalier geboren zijn, waar bekende romans gesitueerd zijn (Romain Gary). Er ligt een prachtig park in deze wijk, en de hoofdpersoon in dit verhaal, een journalist die schrijft – schreef, moet ik zeggen – over mensenrechtenkwesties en mensenrechtenactivisten, zwerft door deze wijk met zijn warrige stratenplan en beschrijft wat hij ziet.


‘Zeker in het begin verdwaald ik er geregeld. Ik hanteerde toen nog een rechthoek: de Boulevard de Belleville, de Rue de Belleville, de Rue de Ménilmontant en de Rue Pixérécourt. Ze vormden de zijden die, althans  voorlopig, de grens markeerden van mijn wandelingen. Ik bezocht winkelstraten, verlaten kasseisteegjes en kruiste steeds de trappen van het geaccidenteerde Parc de Belleville. Omhoog. Omlaag. Opdat ik in beweging was. Met de dwangmatigheid van een hamster in een draaiwiel.’


Paul rouwt. Hij is zijn grote liefde kwijt, zijn mooie John stierf aan kanker. Dat was op dezelfde dag als de aanslag op Charlie Hebdo, een nieuwsfeit waar Paul normaliter zeker aandacht zou hebben besteed. Maar nu kwam er niets uit zijn handen. Na een aantal maanden en een therapie die niet helpt, gaat hij op aandringen van zijn zus Martha naar Parijs, waar hij gelukkig was met John. Een vriend biedt hem zijn appartement aan. In Belleville.


Herinneringen bestormen hem. Overal is John. En via hem, die hem altijd steunde, zijn er ook de plekken waar Paul getuige was van onrecht die hij dan omzette in woorden. Vooral het verhaal van Aysel zit hem nog dwars. Zij, net vrij uit de Turkse gevangenis, neemt hem mee naar het Taksimplein in Istanbul, waar zij terecht komen in een oproer, die onverwacht hard neer wordt geslagen. Paul verliest Aysel in het gedrang uit het oog. Hij zoekt haar ook als hij weer terug is in Nederland, maar er is geen teken van leven en hij vreest het ergste.


Hij voelt schuld: hij heeft haar in de streek gelaten.
En weer dwaalt hij door de straten. Urenlang.


Tot eindelijk iets hem triggert om een wat contact te maken met de medebewoners. Een poes, een witte poes die iedere dag zijn appartement binnenkomt door het raam. Symbolischer kan haast niet. En dan op het moment dat hij weer open begint te staan voor de wereld, ontmoet hij Barry, een Amerikaanse fotograaf. Nieuwe kansen lijken zich aan te bieden…


Een korte inhoud doet dit boek geen recht. Haast op iedere pagina wordt de lezer geraakt, gegrepen, ontroerd of tot nadenken gedwongen. Peter Lenssen heeft met dit verhaal enkele schokkende gebeurtenissen uit een recent verleden met elkaar verbonden.


Het verhaal dreunt na, zoveel impact heeft het. Lenssen omschrijft waar nodig is, om weer te versnellen voor meer indruk op belangrijke gebeurtenissen. Heen en weer in de tijd gaan we, om te kunnen begrijpen waar Paul mee worstelt, de emoties voelbaar van begin tot eind.


Zomaar ergens openslaan: er is een gesprek met een Koerd: 'Het is een oorlog die nooit zal eindigen.'


In Istanboel met Aysel, zegt zij: 'Ik moet bekennen: niet eerder heb ik zoveel demonstranten op het Taksimplein gezien. Althans, ik heb het nooit meegemaakt. Mensen hebben geen angst meer.'


'Er was angst. Gevloek. Agressie die niet ophield omdat zij zich erin mengde. Het slokte haar op. Het moeras opende zich en klapte dicht. De bek van een moorddadig monster.'

Of heel simpel: 'Dit had John moeten meemaken.'


Peter Lenssen met ‘Pleisterplaats Belleville’ werd genomineerd voor de Halewijnprijs 2018, waarvan de winnaar in januari 2019 bekend wordt gemaakt. ‘De Halewijnprijs’ is een literatuurprijs van de stad Roermond, die jaarlijks toegekend wordt aan een literair talent dat, naar de mening van een deskundige jury, op grond van de kwaliteit van haar/zijn verschenen werk extra belangstelling verdient.


Een fantastisch boek dat niet alleen in Roermond, maar in het gehele Nederlandstalige gebied, en ook daarbuiten meer aandacht verdient!


ISBN 9789062659913 | Hardcover | 331 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | februari 2018

© Marjo, 18 juni 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER