Nieuwe boekrecensies

altDe klas
François Bégaudeau


‘Ik had het groepsuur ingeleid met de vraag of ze hun grieven wilden uiten, vervolgens uitgelegd wat grieven betekende, vervolgens gezegd dat ze ook het recht hadden hun vertegenwoordigers te vragen om hun globale instemming te laten blijken tijdens de rapportvergadering, vervolgens globaal uitgelegd door het tegenover lokaal te zetten, vervolgens als in een onderonsje met mezelf mijn duidelijke voorkeur voor het tweede te kennen gegeven. Toen, niet meer wetend wat te zeggen, op het belachelijke grote horloge van Huang gekeken en met een enorme opluchting gezien dat Jiajia met olympische krachtsinspanning haar vinger opstak.
- Ja Jiajia?
- Bent u praten klaar?
Het werd gezegd met allerlei gebaren, waarmee ze zich probeerde op te werken naar haar niet-moedertaal.
- Vraag je of ik nog iets te zeggen heb?
- Precies, ja, precies.


Dit is de stijl waarop het hele boek geschreven wordt, indringend en natuurgetrouw. Het boek dat gaat over een middelbare school in een oostelijke buitenwijk van Parijs. De leraar is de ik-figuur, en de schrijver doet voorkomen alsof hij dat zelf is. Nu heeft François Bégaudeau zelf wel les gegeven op dat niveau, dus hij weet waar hij het over heeft. Een klas vol kinderen die allerlei achtergronden hebben, soms zelfs nog niet lang in Frankrijk zijn, soms wel daar geboren maar met ouders die nauwelijks de taal beheersen.


Het verhaal: François is een jonge leraar Frans. Zijn goed bedoelde lessen over de taal lopen vaak uit op discussies, en ook ruzies, die hij dan weer in goede banen moet zien te leiden. Er zijn stukjes vanuit meerdere klasniveaus maar vooral van de klas waarvan hij klassenleraar is.
Tussen de verhalen over en met leerlingen staan ook stukjes over hoe het er in de lerarenkamer aan toe gaat, en dat getuigt ook niet bepaald van hoog niveau. De docenten zijn nauwelijks gemotiveerd, zuchten en steunen over het gebrek aan interesse en vooral het gedrag van hun leerlingen. Dico is een verhaal op zich!

‘Het duurde een tijdje voordat Dico achter de anderen de trap op liep.
- Meneer, kan ik nog van klas veranderen?
- Het is eerder de klas die van Dico wil veranderen.
- Kunnen leerlingen van klassenleraar veranderen dan?
- Schiet op.
Het grootste deel van de troep stond voor het natuurkundelokaal te wachten. Frida vertelde druppelsgewijs een verhaal, dat ingedronken werd door een halve kring meisjes.
- Dus ik zeg tegen hem ik ben je hoer niet en dus hij zegt…
- Vooruit, naar binnen.
Ik had slecht geslapen. Mohammed gaf Kevin een duw, die ostentatief uit zijn evenwicht raakte en tegen de eerste tafel links aanbotste toen hij naar binnen ging.
- Meneer, hebt u gezien hoe hij me duwde?
- Maakt me niks uit.
Dianka haalde me in bij de tafel.
- Meneer, ik heb het boek niet kunnen vinden.
- Welk boek?
- Wat u zei dat we moesten kopen, met die muizen.’


Je ziet het allemaal voor je, dat is zeker de kracht van dit boek. Jammer dat ik de film niet gezien heb! In 2008 is namelijk de verfilming Entre les murs in de bioscopen gemaakt. De schrijver speelde de hoofdrol in de verfilming van zijn eigen boek. De film werd bekroond met een Gouden Palm op het filmfestival van Cannes.


ISBN 9789022334171 | 256 pagina's | Uitgeverij Manteau| augustus 2017
Vertaald uit het Frans door Liesbeth van Nes

© Marjo, 17 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet labyrint der geesten
Carlos Ruiz Zafón


Het Kerkhof der Vergeten Boeken is een vierluik. Het labyrint der geesten is het afrondende deel, waar Carlos Ruiz Zafón ruim 800 pagina’s voor nodig heeft. Alle vragen zijn nu dan ook beantwoord. Het Kerkhof der Vergeten Boeken bevindt zich in en onder Barcelona. Het is een bijzonder geheel van gangen en trappen, planken vol met boeken, en de bezoeker kiest er een boek om er voor te zorgen dat het nooit meer vergeten zal worden.


In De Schaduw van de Wind, het eerste boek, was de hoofdpersoon Daniel Sempere, en het boek dat hij koos was van Julián Carax.
In het vierde deel is er ook sprake van een zeldzaam boek, dat Het labyrint der geesten heet. De schrijver is Julián Mataix. Niet dat de rol van dit boek zo groot is in dit vierde deel, maar de herhaling valt op.


Het is schier onmogelijk om ‘even’ te vertellen waar het verhaal over gaat, vooral omdat enige voorkennis van de eerdere drie delen er niet bij iedere lezer zal zijn. Dat hoeft ook niet per se, al lijkt het me wel prettiger. Er zijn in dit laatste deel personages die je eerder ontmoet kan hebben: Daniel Sempere, Fermín en Alicia Gris zijn de belangrijkste, maar er zijn vele anderen. Dus heel summier...


Alicia Gris is een alleenstaande jonge vrouw, die nogal wat verdovende middelen inneemt omdat zij veel last heeft van een oude wond. Zij is een vrouw die niet alleen door middel van haar schoonheid maar vooral ook met behulp van haar intelligentie de mannen om haar vinger weet te winden. Gezien de tijd waarin zij haar weg moet zien te vinden is zij een unicum, een heel interessante vrouw.
Ze onderzoekt de verdwijning van Mauricio Valls, politicus die eerder directeur van de gevangenis van Montjuïc was. In die gevangenis werden politieke vijanden opgesloten. Of vermoord. Alicia moet uitzoeken of een van deze gevangenen uit is op wraak, of dat er opnieuw politieke spelletjes gespeeld worden. Als zij een boek vindt dat verstopt zat in het bureau van Valls ontdekt ze een ingewikkeld web waarin de levens van die politicus en zijn familie verweven zijn met de familie Sempere.


Het is een complot dat in een andere tijd begonnen is en diverse lijntjes heeft naar de politieke roerselen in Spanje: de Burgeroorlog, het regime van Franco, de daarop volgende revoluties. Een achtergrond die veel stof biedt voor allerlei complotten en familieverwikkelingen, waar Zafón dankbaar gebruik van maakt. Dat het geheel ondanks alles toch goed te volgen blijft, is een kunst die niet iedere schrijver beheerst. Zafón wèl!


Het aantal pagina’s had zeker minder gekund, maar nu zitten er vele verwijzingen in naar eerdere verhaallijnen en herhalingen die er voor zorgen dat je als lezer de draad niet kwijt raakt. Dat doet de schrijver door steeds van vertelperspectief te wisselen en een eerder vermeld feit te verwerken binnen dit andere gezichtspunt.
Ook wordt er veel verteld over de achtergrond: politiek, architectuur, plus het stratenplan van Barcelona, zonder dat er echt lange saaie uitweidingen gelezen moeten worden.  De volzinnen van het personage Fermín zijn juist een bron van genot voor de taalliefhebber.


‘Breng je in ieder geval een roos voor me mee?’
‘Ik breng je een hele kar met de grootste en de geurigste, mijn duifje.’
‘En denk er aan mevrouw Bea er eentje te geven, want Danielito is hopeloos en vergeet het weer tot het te laat is.’
‘Ik heb de jongen te veel jaren de luiers gewisseld om vandaag strategische details van een dergelijke draagwijdte over het hoofd te zien.’
‘Beloof me dat je niet kletsnat zult worden.’
‘Als ik nat word, kom ik des te vruchtbaarder en productiever terug.’


Ook als het personage Fermin er niet is, bedient Zafón zich in zijn verhalen van een haast 19e-eeuwse stijl: lange zinnen, veel bijvoeglijke naamwoorden, met veel achtergrondinformatie en onderhoudende dialogen op zijn tijd. En voordat je het weet zijn die bijna 900 pagina’s gelezen...


‘Het leven ging ondertussen in zijn eigen tempo voorbij, tussen openbaringen en hersenschimmen, zoals te doen gebruikelijk, zonder al te zeer op ons, die allemaal op de treeplank meereizen, te letten. Ik genoot van een dubbele kindertijd: eentje die tamelijk conventioneel was, als zoiets bestaat en die door de buitenwereld wordt waargenomen; en de andere imaginair, de kindertijd die alleen ik beleefde. Ik had een paar goede vrienden, de meeste van hen waren boeken.‘


ISBN 9789056725815 | Hardcover | 848 pagina's | Signatuur| oktober 2017
Vertaald uit het Spaans door Nelleke Geel

© Marjo, 12 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altAls wij schurken waren
M.L. Rio


Het Dellecher Classical Conservatory is een instituut waar jonge mensen zich vier jaar lang verdiepen in de teksten van Shakespeare en leren hoe zij diens komedies en tragedies op het toneel moeten vertolken. Als het verhaal begint zijn er tien jaar verstreken na een dramatisch verlopen jaar: zeven vierdejaarsstudenten houden zich bezig met de tragedies zoals bijvoorbeeld Romeo en Julia, Caesar en King Lear. Hun dagen zijn vol Shakespeare, voor hen is er niets anders. Na drie jaar spreken ze zelfs met elkaar door middel van flarden tekst uit de toneelstukken van de bard.


Het leven van deze studenten ondergaat een dramatische verandering als een van hen dood wordt aangetroffen. Het is duidelijk dat een van de anderen de dader is. Maar hoe heeft het zover kunnen komen?
Joseph Colborne, de inspecteur die op de zaak werd gezet, bezoekt nu Oliver Marks, de ik-verteller, die een straf van tien jaar heeft uitgezeten. Colborne heeft al die jaren getwijfeld aan de waarheid van diens verhaal en nu hij met pensioen is, vraagt hij Oliver om hem eindelijk de ware toedracht te vertellen. Is Oliver echt de dader? Maar als hij dat niet is, waarom heeft hij dan al die jaren in de gevangenis doorgebracht?


Oliver zal zijn verhaal vertellen, op voorwaarden:


‘Ten eerste begin ik er pas mee als ik hier weg ben, niet eerder. Ten tweede mag het geen nadelige gevolgen hebben, voor mij noch voor iemand anders. Ik wil niet opnieuw in staat van beschuldiging gesteld worden. En tot slot: het is niet als excuus bedoeld.’


Dan volgt een verhaal dat opgebouwd is als een toneelstuk, met bedrijven en tonelen. 


Al doet het verhaal erg denken aan ‘De verborgen geschiedenis’, het is meteen ook heel anders. Shakespeare in plaats van de Griekse beschaving, maar wel een groepje studenten op een sektarisch college. 
De leerling-acteurs zijn behalve Oliver de meisjes Meredith, Filippa en Wren, en daarnaast Richard, Alexander en James. In het vierde jaar wordt de hechte vriendschap die zij voor elkaar denken te hebben danig op de proef gesteld.


Natuurlijk zijn de verhoudingen onderling niet gelijk, er is altijd meer gevoel voor de een dan voor de ander, en in dit laatste jaar worden die discrepanties op de spits gedreven. Er zijn verliefdheden en vriendschappen, die leiden tot jaloezie en wedijver. Er zijn al of niet beantwoorde verlangens, er ontstaat zelfs afkeer en vijandschap, emoties die ze nooit verwacht hadden binnen hun groepje en die naar buiten komen door zich in te leven in de tekst die zij bestuderen.


Misverstanden en veronderstellingen, plus alle emoties waar Shakespeare mee speelt in zijn stukken, het is allemaal zeer menselijk. Het is niet vreemd dat deze jongeren die Shakespeare ademen, al deze gevoelens sterker ervaren dan verwacht zou kunnen worden.
Zij citeren er op los, en zoals Oliver het verhaal vertelt zijn er steeds overeenkomsten tussen de geschreven teksten en hun eigen leven.


'Vervloekt jij,
' kraaide Philippa, 'jij valserik, jij poppenspeler!'
'Ai, spelen we zo het spel,' zei Meredith, 'ben ik te klein, jij barbierstok? Zeg op!'
'Ontstemd en verbolgen is zij een waardige tegenstander.
' antwoordde Philippa. 'Op school al een duivelin.'' Weer klonk er vals gelach.
'Laat u mij zo beledigen?' zei Meredith. 'Voorwaarts, ik zal haar krijgen!'


De jongelui zijn hier een spel aan het spelen in het water...
Voor wie geen liefhebber is van dit soort teksten is het een lastig boek, maar voor de fijnproever die wel geniet van zijn toneelstukken is het verhaal van begin tot eind een feest. De ingehouden spanning die groeit en groeit tot de uiteindelijke ontlading, de onderlinge verhoudingen, en vooral de vraag: wat is er nu eigenlijk gebeurd?


Literatuur en psychologie vormen de geslaagde bestanddelen van dit debuut van M.L Rio. Zij behaalde haar master als actrice aan King's College London en Shakespeare’s Globe.
We want more!


ISBN 9789025448516 | Paperback | 424 pagina's | Atlas Contact| oktober 2017
Vertaald uit het Engels door Anne Jongeling

© Marjo, 8 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altAngstaanjagend mooi
Taco Veldstra

In 1935, ruim voor de oorlog losbarstte, bedacht Heinrich Himmler, hoofd van de SS, het programma Lebensborn (Levensbron). Dit was naar aanleiding van het dalende geboortecijfer in Nazi-Duitsland.


In Noorwegen en in Duitsland werden kraamklinieken opgericht waar ongehuwde alleenstaande vrouwen die ‘bewezen en gegarandeerd zuiver’ waren, konden bevallen. Zuiver Arische meisjes werden opgeroepen om zoveel mogelijk kinderen te baren. Die werden veelal geadopteerd door hoge SS-officieren. Kinderen die niet aan de verwachtingen voldeden, door een tegenvallend uiterlijk, of een handicap liet men niet in leven. Het ging er immers om dat er kinderen met het juiste Arische uiterlijk geboren werden, met blauwe ogen en blond haar.
De vrouwen werden niet slecht behandeld, de medische zorg was prima, en er werden cursussen gegeven. Er waren zelfs onderscheidingen voor het aantal kinderen dat je kreeg.


Was de aanvankelijke opzet goed, later werden er ook Arisch uitziende kinderen ontvoerd uit bezette landen, omdat er niet genoeg aanwas kwam. En officieren, met name SS-ers, werden gestimuleerd om kinderen te verwekken.  Het project Lebensborn zou ook gestaan hebben voor bordelen waar speciaal uitgekozen vrouwen ter beschikking stonden voor SS-ers.


Taco Veldstra heeft onderzoek gedaan naar Nederlandse betrokkenheid, en schreef een geromantiseerd verhaal over het project Van Himmler.
Hoofdpersoon is de twintigjarige Pier, een blonde blauwogige Fries, recht van lijf en leden. Een sportieve jongeman, met vele talenten. Zijn vriendin is Marije, eveneens blond en goed gebouwd. En waar zijn vader voor waarschuwde gebeurt:


‘Pier, begrijp je nu mijn voorgevoelens? Ze zullen niet aarzelen om steeds meer westerse landen binnen te vallen en zogenaamd Arische moeders naar die Lebenbornfokhuizen te sturen.’

Pier en Marije worden ontvoerd en moeten meedoen aan het project. Ze worden gescheiden, ieder hebben ze een eigen taak, die ze maar vervullen. Verzet zou de dood betekenen, dat beseffen ze wel.


Zo krijgen wij een inkijkje in een facet van de Tweede Wereldoorlog dat maar weinig bekend is.  Na de oorlog werden de archieven vernietigd waardoor veel kinderen voortgekomen uit het programma hun biologische ouders niet konden achterhalen. Bovendien werden zij vaak met de nek aangekeken, dus ze verzwegen hun afkomst liever. Het verhaal is doorspekt met veel informatie: over allerlei sporten, over muziek en dichtkunst, en weetjes over de oorlog.

Met een proloog en informatie achterin het boek lijkt het boek vooral informatief, hetgeen een tegenstelling vormt het het verhaal, dat best sappig genoemd kan worden. Daar past dan de omslagfoto weer goed bij. Zo is het een goed toegankelijk verhaal geworden.


Taco Veldstra is vooral bekend als sportdocent. Daarnaast richt hij zich op het schrijven. Van zijn hand verschenen de boeken Tacoyo: anti-stresstraining, Liefdevol, Verzeker je tegen doodlachen en Het lichte meisje en Seneca/Metamorfose.


ISBN 9789089549839| Paperback | 200 pagina's | Uitgeverij Elikser | september 2017

© Marjo, 2 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altHet water komt
Gerda van Wageningen


Op 31 januari 2018 is het al weer vijfenzestig jaar geleden dat vooral Zeeland geteisterd werd door een storm met orkaankracht, die vanuit Schotland kwam. Gestuwd door de vrij smalle Noordzee dreef de storm het water omhoog, en in combinatie met een springvloed ontstond een stormvloed.
De dijken waren zwak. Rijkswaterstaat had zich de afgelopen decennia meer gericht op het aanleggen van de Afsluitdijk (1932) De Botlek en de Brielse Maas werden in 1950 afgedamd, en de Braakman volgde in 1952. Na de Tweede wereldoorlog waren er de herstelwerkzaamheden, en men ging er van uit dat de dijken het wel zouden houden als het nodig was.


In Schouwen-Duiveland - waar het verhaal in dit boek zich afspeelt - hadden de Duitsers de polders onder water gezet. De grond moest ontzilt worden, en zelfs al was het bekend dat de dijken zwak waren, er was niets aan gedaan. Dat kostte toen de stormvloed kwam - in heel het getroffen gebied - 1836 mensen het leven, tienduizenden dieren verdronken, er was een enorme schade aan huizen en wegen, 200.000 hectare grond stond onder water.
Na de ramp begon het opruimen van de enorme ravage, het bergen van de lijken en kadavers en opnieuw de ontzilting van de grond. Boerderijen moesten weer opgebouwd worden, complete dorpen herbouwd.


Het verhaal van Gerda van Wageningen concentreert zich op Schouwen-Duiveland, het eiland dat het langst op hulp moest wachten, omdat het in de rest van Nederland niet bekend was dat ook daar de ramp hevig had toegeslagen. Het is 1953: er was nauwelijks sprake van communicatiemiddelen, en wat er was aan telefoon en radio werd al snel onbruikbaar toen het water was gekomen. Een wrang detail is dat veel mensen wel naar de radio luisterden toen er gewaarschuwd werd voor de storm en de vloed, maar zij luisterden naar de verkeerde zender. Zij luisterden naar het feestelijke programma ter gelegenheid van de vijftienjarige verjaardag van prinses Beatrix… In Het water komt wordt beschreven hoe het leven was voor, tijdens en na de ramp.


Mimi de Roode is de enige nog thuiswonende dochter op een boerderij vlak bij het dorp Nieuwerkerk. Met haar, haar familie en vrienden wordt de ramp en alles daar omheen gepersonaliseerd.
Mimi is niet de inschikkelijke jonge dame zoals meisjes in die tijd hoorden te zijn, maar is bang dat ze zich er bij zal moeten neerleggen. Haar beste vriendin is Antje Smit, die als deel van een groot gezin in een arbeidershuisje woont, zij zijn arm maar Mimi vindt daar de gezelligheid die ze thuis mist. Antje gaat in het voorjaar trouwen, en Mimi vindt de broer van de bruidegom wel leuk, maar haar familie zet haar onder druk om te trouwen met de broer van haar schoonzus. En die ziet ze helemaal niet zitten.
Deze zorgen zijn volledig vergeten als in de nacht van 31 januari op 1 februari de polder volstroomt met water. De dijken zijn gebroken…

Van Wageningen schetst de sfeer van die tijd: de vrouw had zich te schikken in een onderdanige rol, de autoriteiten en de geestelijkheid werden als vanzelfsprekend gehoorzaamd, en traditie was belangrijk. Voor Zeeland bleek niet de Tweede Wereldoorlog katalysator waarop de grondvesten door elkaar geschud werden, hier was het de ramp van 1953 die het leven grondig veranderde.


Schouwen-Duiveland is bijna onherkenbaar veranderd: herbouw, nieuwbouw, ruilverkaveling en veranderde infrastructuur is een zichtbaar gevolg. Maar ook de mensen veranderden. Zij moesten leren leven met een vaak onbeschrijflijk leed. Zij moesten verwerken wat ze gezien hadden, leren leven met verlies. Dit alles kun je lezen tussen de regels van een integer geschreven verhaal, dat een historische streekroman genoemd wordt, maar meer is dan dat.
Het boek werd gepresenteerd in het Watersnoodmuseum van Ouwerkerk. http://www.watersnoodmuseum.nl/NL


Gerda van Wageningen (Zwijndrecht, 4 oktober 1946) is auteur van meer dan honderd familie- en streekromans. Haar liefde voor (regionale) geschiedenis vertaalt zich in historische romans, die zich niet zelden afspelen in de Hoeksche Waard waar ze zelf ook woont. Daarnaast schrijft ze moderne romans over actuele thema’s is een Nederlandse schrijfster van romantische en historische romans. Gerda werd in 2005 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ze schreef in haar carrière meer dan 100 boeken en verkocht ruim 2,5 miljoen exemplaren. In dit boek heeft ze verhalen van haar eigen familie verwerkt: haar vader kwam uit Schouwen-Duiveland.


ISBN 9789401911429 | Gebonden | 224 pagina's | Uitgeverij Zomer & Keuning | januari 2018

© Marjo, 30 januari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altEen klasse apart
Joanne Harris

‘Geschiedenis is niets anders dan het verhaal van degene die de beste verslagen heeft’

Wie dan het beste verslag heeft? De lezer heeft de keuze tussen het verhaal van Roy Straitley, leraar klassieke talen aan het jongensgymnasium St. Oswald en dat van een voorlopig anonieme brievenschrijver. Hij schrijft aan Mousey, van wie voorlopig ook onbekend blijft wie dat is.
Zijn schrijfsels beginnen in 1981, toen drie nieuwe jongens op het toneel van de school verschenen, de veertienjarigen Harrington, Nutter en Spikely, jongens op wie de leraren geen vat kregen. Ze waren anders. Zij renden niet door de gangen, zij hadden geen vlekken op hun uniform, zij voetbalden niet en hadden altijd hun overhemd in hun broek.


Straitley vertelt zijn verhaal twintig jaar later, als een van die drie jongens opnieuw op school verschijnt, maar nu als hoofd. Het voorgaande jaar is rampzalig geweest en heeft de school veel leerlingen gekost. Het is aan Johnny Harrington om de zaak weer op de rails te zetten. In zijn kielzog verschijnen nog meer ‘bekenden’ en andere jonge mensen. Vernieuwers, een doorn in het oog van de oudgedienden zoals Straitley.


Hij begrijpt het niet: wat is er mis met ‘in loco parentis’, handelen zoals je denkt dat ouders dat zouden doen, met je gezonde verstand de dingen regelen? Waar zijn al die hervormingen voor nodig: alles op documenten, erger nog alles online. Niet gewoon even binnenwippen bij degene die je wilt spreken, maar mailtjes sturen en afspraken maken. Ook zijn niet alleen de ouders maar vooral de leerlingen mondiger en dienen zij klachten in over van alles en nog wat, klachten die niet meer onderling uitgesproken worden, nee, de betreffende leraar moet zich verantwoorden bij het schoolhoofd.
Straitley wil niet in dat nieuwe gareel, en komt daar duidelijk voor uit. Er zijn collega’s die het wel met hem eens zijn, maar deze gevoelens en ideeën angstvallig verbergen.  Alsof dit allemaal nog niet erg genoeg is, blijken de rampzalige gebeurtenissen van twintig jaar geleden helemaal niet voorbij. Daar komen de dagboekaantekeningen aan Mousey te pas. Door deze brieven, en de herinneringen van Straitley komen tenslotte de twee verhaallijnen tot elkaar.


Op welke school ook is het altijd het thema pesten dat op de voorgrond treedt, in dit geval meer specifiek gericht op homoseksualiteit, een thematiek die des te zwaarder weegt omdat er geestelijken aan de school verbonden zijn met nogal strikte ideeën. Dat was in 1981 zo, en is in 2005 nog steeds het geval. Tot zover de roman. Er komt een thrilleraspect bij het verhaal doordat de jongere hoofdrolspeler last heeft van een niet nader omschreven Kwaal.


Een klasse apart is na Schaakmat (2006) en Blauwe ogen (2010) het derde deel in een trilogie, dat zich afspeelt in het fictieve plaatsje Malbry en met de jongensschool St. Oswald als decor. Dat Joanne Harris zelf jarenlang werkzaam is geweest op een jongensschool blijkt duidelijk uit de sfeer die zij in deze drie boeken neerzet: er heerst een stoffig en intellectueel klimaat, waarin logge dinosauriërs als Straitley proberen de hormonen van de jongeren in toom te houden.


‘Leraar op St. Oswald zijn betekende dat je altijd beschikbaar was, dat je tegelijkertijd leraar, maatschappelijk werker, speurneus, biechtvader, en soms zelfs vriend was.’


Een verhaal dat broeit en boeit, van begin tot einde. Waar de verhaallijn, die in 1981 speelt, vol raadsels en onuitgesproken feiten zit, is het verhaal van Roy Straitley boeiend door zijn ietwat hoogdravende toon, passend bij een leraar klassieke talen. Ook zijn vasthouden aan oude standaarden – die waren immers altijd goed? – komt sympathiek over.
Harris laat de lezer lang in spanning, door slechts mondjesmaat de feiten te onthullen, en pas op het einde de dingen in elkaar te laten passen. Het verhaal doet daarom chaotisch aan, maar houd vol: het is absoluut de moeite waard!


ISBN 9789026141812 | paperback | 416 pagina's | De Fontein| november 2017
Vertaald uit het Engels door Monique de Vré

© Marjo, 15 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De bruiloft
Nicholas Sparks


Door omstandigheden zat ik even zonder boeken en dat kan natuurlijk niet, dan ontbreekt er iets wat fundamenteel bij me hoort. Dus toen ik bij Kruidvat dit boek voor een paar euro's te koop zag liggen kocht ik het gelijk. Ik verwachtte een zoet, romantisch verhaaltje maar dat viel alles mee! Ik heb het met veel plezier gelezen.


Het verhaal begint een jaar na de dag dat Wilson Lewis zijn negenentwintigjarige trouwdag was vergeten. Hij vindt het heel erg, hij weet dat zijn vrouw gehecht is aan een teken van affectie op deze dag. Het bijzondere is juist dat Wilson nog net zo gek op zijn vrouw Jane is als op hun trouwdag zelf. Hij begrijpt het zelf ook niet dat hij totaal niet aan hun trouwdag gedacht heeft.


Door deze omissie beseft hij dat dit een teken aan de wand is en hij begint na te denken over zijn huwelijk en vooral wat Jane voor hem betekent. Hij merkt ook dat er kleine tekenen van afweer zijn bij Jane en de schrik slaat om zijn hart, ze zal toch niet genoeg van hem hebben? Ze zal toch niet bij hem weggaan. Hoe meer hij nadenkt over zijn leven met Jane hoe meer hij ziet dat de intieme band tussen hen aan het afbrokkelen is. De kleine grapjes, een blik die onmiddellijk begrepen wordt, de aanvulling... het is aan het verdwijnen en Wilson vindt het vreselijk. Hij beseft dat voornamelijk hij zelf daar debet aan is. Jane draaide voor alles op, hij had zijn vele werk. Hij had alles de laatste jaren teveel als vanzelfsprekend aangenomen.

Als Jane een paar dagen naar hun zoon gaat, stapt hij op zijn schoonvader Noah af. Wat moet hij doen om zijn huwelijk weer nieuw leven in te blazen? De lieve wijze Noah geeft op zijn manier advies. Hij vertelt over zijn vrouw Allie, over de tijd dat ze dement was en hij 'hun' gedicht aan haar voorlas. Dat was het enige wat ze nog herkende. Noah was niet zo lief als hij lijkt, bekent hij aan Wilson...


"Ik deed het ook voor mezelf. Een hoop mensen begrepen dat niet."[...]
"Weet je wat ik me het best herinner van de goede dagen?"[...] "Verliefd worden. Dat is wat ik me herinner. Op haar goede dagen was het alsof we weer helemaal opnieuw begonnen.[...]
Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat ik het voor mezelf deed. Iedere keer als ik haar voorlas, was het alsof ik haar het hof maakte, omdat ze soms, heel soms opnieuw verliefd op me werd, net als heel lang geleden. En dat is het meest fantastische gevoel dat er maar bestaat. Hoeveel mensen krijgen ooit die kans? Dat iemand van wie je houdt keer op keer verliefd op je wordt?"


Wilson weet wat hem te doen staat...
Wij als lezer weten echter alleen dat hij een plan heeft en dat hij aan dat plan werkt maar meer ook niet. Wel lezen we hoe Wilson bij zichzelf te rade gaat en zichzelf daarbij niet ontziet. Hij beseft steeds meer dat hij het erg af heeft laten weten en is erg bang dat hij te laat is... valt zijn huwelijk nog wel te redden?


Niet alleen de perikelen rond het huwelijk van Wilson spelen een rol in dit boek. Ook Noah en zijn overleden Allie leveren ene prachtige, ontroerende bijdrage aan dit verhaal. Maar het is vooral de lastige weg vol wroeging die Wilson moet afleggen die het verhaal zo aansprekend maken.
De zijdelingse verwijzingen naar de verrassing die her en der door het boek gestrooid zijn, prikkelen natuurlijk wel je nieuwsgierigheid maar ze vormen niet de hoofdmoot, toch wordt wel langzamerhand naar de onthulling toe gewerkt. En dan is het zover, de dag van de grote verrassing voor Jane is aangebroken en wat blijkt... niet alleen Jane is verrast, wij als lezer ook!


De bruiloft is een vervolg op The Notebook


ISBN 9789022583395 | Paperback | 272 pagina's | De Boekerij | 2005/2017
Vertaald door Annemarie Verbeek

Dettie, 10 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Thank you, Bwana
Graag gedaan, Afrika

ontwikkelingshulproman
Kees Hartog


Begin december 2016 ontvangt Ida Hartog-Rovers tot haar verbazing een mail van uitgeverij Aldus Boek Compagnie met de vraag of twee romans uit 1971 en 1976 van haar in 1996 overleden man Kees Hartog, over zijn tijd als ontwikkelingswerker in Zambia opnieuw uitgeven zouden mogen worden. Als lezer kun je je de vraag van de uitgeverij goed voorstellen, weliswaar zijn de romans inmiddels meer dan veertig jaar oud en is er in de wereld van het ontwikkelingswerk heel wat veranderd, maar toch zijn beide boeken nog steeds uitermate actueel. De vraag hoe je Afrika het beste kan helpen, en of je dat op de Europese, westerse manier moet doen, of meer vanuit de Afrikanen en de Afrikaanse traditie is een uiterst actuele. En is  Afrika eigenlijk wel gebaat bij onze goedbedoelde bemoeienis, of maken we de situatie onbedoeld alleen maar erger? Beide vragen staan centraal in deze, voor deze gelegenheid gebundelde, autobiografische, romans.


Het verhaal begint als Kees Hartog, jong en vol idealen, begin jaren zeventig naar Zambia vertrek om daar in een opleidingskamp voor jonge boeren les te gaan geven in tropische veeteelt. Vanaf de eerste bladzijdes verliest hij zijn hart aan Afrika en vooral aan de warme gastvrijheid van de Afrikanen, en de liefde voor dat continent blijft tot de laatste bladzijde van het boek afspatten. Natuurlijk loop hij zo nu en dan aan tegen logge systemen, corruptie, frustratie en de onmacht dingen te veranderen, maar hij legt de schuld daarvan vooral bij de Europeanen, die met een westerse blik op hoe vooruitgang in hun ogen hoort te zijn, eeuwenoude tradities en stamverbanden uit hun verband trekken, met alle gevolgen van dien.


De verhalen over zijn begintijd zijn bij vlagen hilarisch en met de nodige ironie en zelfspot opgeschreven. Het duurt even voor hij zijn draai vindt in het systeem, met leerlingen waarvan een deel niet kan lezen en schrijven en die een taal spreken die hij niet verstaat. Zijn eerste lessen brengt hij uit wanhoop moppen vertellend in het Nederlands door, maar al snel leert hij de taal en weet hij zich goed te redden. Hij voelt zich als een vis in het water, maar stelt zichzelf bijna vanaf het begin al de vraag of deze manier van helpen wel de juiste is. Hij neemt zich voor om in zijn lessen zoveel mogelijk uit te gaan van de bestaande Afrikaanse situatie en niet van zijn eigen Europese normen en waarden. Afrika moet zich in zijn optiek als Afrika kunnen verder ontwikkelen en niet omgevormd worden tot een gebrekkige imitatie van het in zijn ogen zo materialistische Europa.


Na verloop van tijd ontwikkelen zich in het opleidingskamp steeds meer problemen. De politiek doet zijn intrede en de verhouding tussen leerlingen en stafleden onderling komt daardoor behoorlijk op scherp te staan. Uiteindelijk barst de bom en wordt het te gevaarlijk om te blijven. Het doet Kees wederom beseffen dat als je eeuwenoude tradities en stammenverbanden in korte tijd wil vernietigen je de gevolgen van tevoren niet goed kunt overzien.


Na het opleidingskamp verlegt Kees zijn werkgebied naar de bush van Zambia, waar hij een twaalftal coöperaties gaat leiden. Aan enthousiasme van zijn medewerkers ontbreekt het niet, er is al een enorme hoeveelheid hectares grond ontgonnen, wat een ongelofelijke klus geweest moet zijn. Er zijn ook tractoren beschikbaar gesteld, maar die vormen meteen het probleem. Op de stugge bushgrond zijn ze in no-time kapot en de beloofde reparatiehulp duurt maanden. En zo dreigen de enorme hoeveelheden zaad en kunstmest die op basis van het werk dat de tractoren zóuden verzetten, en die met geleend geld waren aangeschaft, de coöperatie alleen maar heel diep in de schulden te drijven. Het zou de coöperatieven voor altijd kopschuw kunnen maken om verder te ploeteren in de landbouw en de trek naar de grote steden zou nog grotere vormen aannemen. En wat levert het de Afrikanen op? Dure tractoren die voorlopig meer teleurstelling dan welvaart brengen; tonnen dure ongebruikte kunstmest, bergen ongebruikt bestrijdingsmiddel en geen rendement. Kees ziet zijn aanvankelijk zo enthousiaste medewerkers de moed verliezen…


“Chanda had de moed verloren. Waarschijnlijk had hij zich teveel voorgesteld van de tractoren. Hij had zichzelf gezien als de ambtenaar die de stoot zij geven voor het op gang helpen van veertien gemoderniseerde, hoogproducerende landbouwcoöperaties. Hij begon nu tot het teleurstellende besef te komen dat zoiets er voor de eerstkomende jaren niet in zou zitten; misschien wel nooit.”


Ook hier zou het volgens Kees ánders moeten, meer op maat, meer op de Afrikaanse manier.  Hij droomt van het opzetten van een min of meer gesloten dorpseconomie, waarin de sociale verworvenheden van de hechte Afrikaanse samenleving als uitgangsbasis voor de verdere ontwikkeling van Afrika wordt genomen. Een Europese deskundige zou in dit verband nog wel degelijk goed werk kunnen doen, maar de verhouding van de altijd-beter-wetende-leraar zou moeten verandering in een verhouding van mens tot mens.


"We zouden de Afrikanen moeten helpen hun energie te gebruiken om hun dorpen nog mooier en leefbaarder te maken, in plaats van de mensen hun energie te laten steken in kostbare illusies die niets dan schulden opleveren. We moeten ons beter op ons werk voorbereiden, meer inzicht krijgen in wat er hier haalbaar is. We moeten de mensen zelf in hun ontwikkeling betrekken, veel meer met hen praten en volkomen eerlijk tegen hen zijn. Hen mee laten denken. Het is hún leven, hún ontwikkeling. "


Na twee jaar Zambia keert Kees Hartog terug naar Nederland waar hij op het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam toekomstige vrijwilligers die uitgezonden worden naar Afrika, begeleidt en zijn visie op ontwikkelingswerk met hen deelt. Samen met zijn vrouw vertrekt hij daarna naar Burkino-Faso waar hij jongopgeleide boeren begeleidt. Na terugkomst in Nederland krijgt hij een baan bij de Landbouwvoorlichtingsdienst en begint in 1990 samen met zijn vrouw een Kwekerij in bijzondere vaste planten. Hij overlijdt in 1996 aan longkanker. Pas 51 jaar oud.


Thank you, Bwana
is een op  milde toon geschreven, idealistisch boek, met ironie en zelfspot, en met heel veel warmte , liefde en betrokkenheid met het Afrikaanse continent. Hartog schuwt de scherpte toon in zijn kritiek op de westerse invloed niet, maar onderbouwt zijn argumenten goed en biedt alternatieven.  Zijn visie op ontwikkelingswerk is een zeer aansprekend, en maakt het boek ook in het huidige debat rondom ontwikkelingshulp het lezen meer dan waard!


ISBN 978 90 82501193 | Paperback | 388 pagina's | Uitg. Aldus Boek Compagnie | december 2017

© Willeke, 5 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Spel van Troost
Robert Vacher

De titel van dit boek is ontleend aan een ritueel in een dorp aan het Posomeer in Sulawesi Tengah in Indonesië, waar de hoofdpersoon van dit boek onverwachts getuige van is. Vrienden en familie zitten in een kring bijeen rond een opgebaarde dode en zijn onderling verbonden met een dunne draad. Ze schuiven langs de draad een ring naar elkaar door en iemand buiten de kring raadt wie de ring in zijn hand heeft, terwijl de hele nacht door het lied 'Djondjo Awa' gezongen wordt... Ga dan, neem hem mee, bescherm hem, begeleid hem. Met veel eerbetoon wordt er afscheid genomen om zo de kans te vergroten dat de gestorvenen meewerkt om de gewassen te laten gedijen en te voorkomen dat hij de levenskracht van de rijst meeneemt naar de onderwereld. De ziel van de dode gaat op reis en wordt door het gezang begeleid tot aan de rivier die de scheiding vormt tussen het aardse bestaan en het leven in het land van de voorouders.

Dit boek kent twee hoofdpersonen. Allereerst is er de anonieme ik-figuur, wiens reisavonturen we volgen, maar daarnaast is er als rode draad door het boek Joey Deville. Een Nederlandse jongen die er uit ziet als een Spanjaard. Onze ik-figuur ontmoet hem in Portugal en is meteen gefascineerd door deze Joey, een fascinatie die hem niet meer los zal laten en die hem uiteindelijk over de hele wereld zal brengen, al weet hij dat dan nog niet. Joey denkt en leeft op een manier die hij niet kent, hij trekt door de wereld zonder geld, zonder vaste woon en verblijfplaats en zonder al te langdurige contacten. Op zijn twaalfde is hij van huis weggelopen en sindsdien leidt hij een zwervend leven. Hij bezit alleen wat kleren, een slaapzak en een beetje tabak en leeft van wat mensen hem onderweg geven. Joey is niet alleen ontworteld, hij wíl ook helemaal geen wortels hebben. Het ergste wat hem kan overkomen is dat hij de vrijheid zou verliezen om op elk moment van gedachte te kunnen veranderen en zijn leven een andere draai te kunnen geven. Altijd moet hij verder, altijd lonkt er meer.


"Terwijl hij aan het woord was drong het tot me door dat Joeys kracht in de consequente keus lag om alleen te leven. Hij sprak uitsluitend namens zichzelf. Het stelde hem in staat elk moment toe te geven aan zijn grillen, vrijwel zonder principes en codes te zijn en, wanneer het niet anders kon, zonder scrupules. De les die uit het leven geleerd kon worden was simpel. Het ging erom zonder klacht steeds meer pijn te verdragen. Joey was vuurmaker. Maar ook in zijn binnenste brandde een vuur. Zijn beste momenten leken die waarop zijn eigen vuur met het vuur van het universum versmolt. Hij had een recalcitrante geest. Op argeloze vriendelijkheid kon hij met een sneer reageren. Hij kon iemand het masker van het gezicht trekken. Ambities waren een valkuil”


Joey en de ik-figuur trekken een tijd samen op tot hun wegen weer scheiden. Terug in Nederland ontmoet hij Eva, die Joey ook blijkt te kennen. Eva brengt hem in contact met Noor, de tante van Joey. Zij verteld dat Joey geboren is in Indonesië en het kind is van haar broer, een blanke planter in  Buara Blimbingen, en een Indonesische inlandse vrouw, Siti. Noor nam Joey als  twaalfjarige mee naar Nederland, omdat de situatie te dreigend wordt voor witte Nederlanders. Joey’s vader was toen al overleden, zijn moeder bleef achter. Noor heeft wroeging over de manier waarop zij Siti vroeger behandeld heeft, en biedt onze ik-persoon geld aan om haar in Indonesië te zoeken en het namens Noor goed met haar te maken. Een aanbod wat hij met beide handen aangrijpt.


De zoektocht geeft je als lezer een merkwaardige sensatie, omdat je al vermoed dat Joey zelf helemaal niet zo in zijn afkomst en zijn moeder geïnteresseerd zal zijn, het is meer de obsessie van de ik-persoon dan van Joey. Uiteindelijk slaag hij na een lange zoektocht toch in zijn missie en vervolgt hij met het geld van Noor Deville zijn reis verder naar India. In dit gedeelte wreekt zich een beetje de makke van het boek, namelijk dat hoewél we de reizen van onze ik-persoon volgen, Joey de eigenlijke maat der dingen is. Nu de speurtocht naar zijn moeder volbracht is, en Joey zelf even niet in beeld is, mist het verhaal zijn urgentie, en zakt, ondanks prachtige beschrijvingen van India, behoorlijk in. Daar komt pas weer verandering is als Joey zelf, toevallig ook in India, weer in beeld komt.


Na de eerste ontmoeting met Joey in Portugal had het verhaal voor de meeste van ons waarschijnlijk geëindigd… Zo gaat dat in het leven… je reist, je ontmoet iemand die je fascineert en je leeft weer verder. Maar hier gaat het anders, Joey verandert van een fascinatie langzaam in een obsessie en wordt het referentiekader bij alles wat onze ik-figuur doet. Hij vraagt zich alsmaar af of hij dat ook zou kunnen, permanent leven zonder geld, zonder thuisbasis, zonder zekerheid. Zijn reizen blijven reizen met een begin en een eind, hoe lang en ver hij ook weg gaat, uiteindelijk zal hij altijd weer terugkeren naar zijn basis, en zijn oude bestaan weer oppakken. Voor Joey zijn zijn reizen geen episode, het ís zijn leven, de enige vorm van bestaan die hij kent. En hoe hard de ik-persoon daar ook naar streeft, zo zal hij nooit worden…


“Op deze prachtige plek had ik nooit gezeten als ik met een zak met geld had rondgelopen. Opnieuw werd Joey in zijn gelijk bevestigd. Toch moest ik toegeven dat ik niet in staat was zijn onverschilligheid en moed blijvend te omhelzen. Ik was tijdelijk opgesloten in zijn huid die weldra te krap of te ruim zou worden. Een tijdlang kon ik het onzekere van een wild bestaan aanvaarden, maar op den duur lokte toch meer de alledaagse zekerheid van een meer uitgebalanceerd leven. Ik miste het talent om een monsterverbond te sluiten met het onzekere waardoor de grillen van het lot makkelijker greep op me kregen. Ik verzette me misschien tegen het lot. Joey leek de grilligheid van het leven te zoeken, te omhelzen, te koesteren. Hij stak zijn kop erin en deinsde nergens voor terug.”


En zo is er eigenlijk nog een derde hoofdpersoon, de reis zelf. Niet het reizen met een plan, het reizen om weer terug te keren, maar het reizen als doel op zich. Met alle consequenties van dien, met de aantrekkingskracht daarvan, en het gevaar. Over de keuze tussen die twee gaat eigenlijk dit boek. Het is een ode aan het reizen, aan de wereld die zoveel groter is dan wij denken. Aan de paden die buiten de onze geijkte reisgidsideeën gaan. Over de hardheid van het leven. Over de onthechting van het reizen, de zoektocht daarna en de vraag in hoeverre je dat eigenlijk moet willen en wat de prijs er van is.


Robert Vacher zwierf jarenlang door Azië en Afrika en verbleef regelmatig in Frankrijk en Spanje. Hij schreef diverse romans en een verhalenbundel en publiceerde in diverse tijdschriften. Spel van Troost verscheen oorspronkelijk in 2001 bij uitgeverij Prometheus onder de titel Kai en is voor deze nieuwe editie door de auteur geheel herzien.


ISBN 9789082501148 | Paperback | 382 pagina's |  Aldus Boek Compagnie| 1e druk 2001 (onder de titel Kai) /2e druk maart 2017/ 3e druk 26 februari 2018

© Willeke, 1 februari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altWaan en willekeur
J.T.B. Jansen


In deze bundel met verhalen – zes stuks – worden in chronologische volgorde elementen die te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog aangekaart. We beginnen met ‘Voorbij de catacomben’ in 1940, een verhaal dat eerder verscheen als novelle. Het gaat over een soldaat, die zich er niet van bewust is dat de capitulatie op dat moment een feit werd, en op een eigen manier strijd voert tegen de vijand. Zijn compagnie is hij kwijtgeraakt. Hij dringt een huis binnen, er is niemand meer. Geen Duitsers, soldaat of bewoner. Rust? Eindelijk rust?


‘Alleen ik,’ dacht hij en hij keek de kamer rond. Als ging de oorlog door totdat alle steden in puin lagen en de bewoners vermoord waren, niets zou hij er meer van zien en niets zou hij er meer van horen. Blind en doofstom zou hij zijn voor alle explosies. (-) Na het kabaal nu niets dan stilte, alsof zijn ogen bekleed waren met fluweel. Boven op een bed kon hij in slaap vallen en bijkomen van alle vermoeienissen. Als hij wakker werd, zou hij de ramen opengooien en de parfumlucht verdrijven. Soms zou hij nog naar de berichten op de radio luisteren, maar hij was vergeten waar het over ging.’


Het zal enigszins anders gaan als hij hoopte.


Dat is bij de hoofdpersonen in de andere verhalen ook het geval. Het zijn eenlingen die een manier moeten vinden om om te gaan met een veranderende wereld. Ze voelen zich tekort gedaan, of ze worden echt tekort gedaan. Xavier, de jongen in het verhaal ‘Kuuroord’, gaat op bezoek bij zijn zus die zich in een inrichting bevindt. De lezer die bekend is met de wandaden van de Duitsers, voelt de afloop aankomen, maar natuurlijk heeft de jongen geen idee.


Zo gaan we de oorlog door, en worden geconfronteerd met het feit dat er voor Joden en zigeuners, en - in de ogen van de bezetter nutteloze - mensen als bejaarden en geestelijke gestoorden weinig hoop was. Hun lot staat al vast, in het verhaal over Arthur wordt die dood al aangekondigd in de eerste zin, maar ook zonder aankondiging kan de afloop haast niet anders zijn. Daar komt nog bij dat de hoofdpersonen geen krachtige personen zijn die een weg uit hun ellende weten te vinden. Ze zijn geen bijzondere mensen: zij nemen het leven zoals het komt, hebben nauwelijks verweer.
Dat neemt niet weg dat alle verhalen beklemmend zijn. Niet vanwege de uitkomst dan, niet vanwege een spanning die je vindt in oorlogsboeken, maar door de schok die de verschrikkingen van de oorlog iedere keer opnieuw teweegbrengen en de psychologische impact op een mens.
En doordat het verhalen zijn over gewone mensen in bijzondere omstandigheden. Je vraagt je steeds af wat je zelf zou doen als je in zo’n situatie zat!

Er is een inleiding, die eigenlijk overbodig is. Door de verhalen wordt duidelijk wat de bedoeling is.


‘De mens is niet rationeel.’ ‘Wat deze personages niet kunnen inzien, is dat dit leven geen zin kent, slechts de waanzin die eenieder er zelf aan geeft.’
De schrijver vraagt in dat creditorium wie hij een dienst heeft bewezen met deze verhalen: ‘Het papier niet, mezelf niet en de lezer nog minder.’


Niet de lezer? Hoezo niet de lezer? Het zijn indringende, goed geschreven verhalen over het falen van de mens. Schrijver dezes kijkt uit naar meer van JTB Jansen, over welk onderwerp ook.


J.T.B. Jansen (Amsterdam, 1955) studeerde literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In 1985 debuteerde hij met de novelle ‘Voorbij de catacomben’.


ISBN 9789491773693 | paperback | 414 pagina's | Palmslag| november 2017

© Marjo, 24 januari 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER