Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

altEen held in onze tijd
Bert Bakker

Als achter de Hermitage in Amsterdam twee Russen zijn neergeschoten - waarschijnlijk een afrekening in het criminele circuit - gaat Geert Swaab, journalist, poolshoogte nemen op de plaats delict. Dat komt hem duur te staan. Hij wordt neergeschoten en bewusteloos afgevoerd naar het ziekenhuis. Door wie of waarom?


Lucy Munt, de voormalig secretaresse van hoofdpersoon Maarten Hecht, belt haar ex-chef met dit bericht. Hecht neemt onmiddellijk vanuit Lissabon, waar hij met vrouw en zoon woont, het vliegtuig. Hij is Swaab iets verschuldigd vindt hij, hij zal onderzoeken wat er gebeurd is.

Maarten Hecht is oud-wethouder te Amsterdam, en door Lucy en Gert uit Amsterdam weggeholpen toen hij instortte tijdens een raadsvergadering. Zijn carrière was ten einde, hij had zich misdragen en van zijn collega’s was geen enkele sympathie meer te verwachten. Zijn verleden heeft hem niet losgelaten al is hij tevreden met zijn nieuwe rustige leventje in Lissabon. Dus daar is hij, gekomen om zijn vriend te bezoeken en te helpen. Tot zijn verbijstering is Geert Swaab verdwenen uit het ziekenhuis. Zelfs de bewakingsfilmpjes waar zijn aanwezigheid op geregistreerd was, zijn gewist. Waar is Swaab gebleven? Wie heeft er belang bij zijn verdwijning? Samen met Lucy en een andere vriend, de activist Aäron van der Poel, gaat hij op zoek. Maar ze zijn hun leven niet zeker, er zijn meer kapers op de kust.


Intussen zijn de belevenissen in Amsterdam, vooral de fietstochtjes, voor Hecht een terugreis naar het verleden. Herinneringen aan zijn tijd in de raad, aan wat hij wel en wat hij niet voor elkaar heeft gekregen overvallen hem terwijl ze proberen Swaab te vinden en te redden.
Op deze manier is behalve Hecht vooral de stad Amsterdam de hoofdpersoon van dit verhaal. Het heden en verleden van het ontstaan van de stad vormen naast machtsspelletjes en gekonkel in de ambtenarij een belangrijke verhaallijn naast het thrillerachtige plot. En er is een lijntje over de Joden in de stad, als het over de voorouders van Hecht en Swaab gaat.


Persoonlijk houd ik daar van, als andere dingen dan alleen het plot belangrijk zijn en goed uitgewerkt worden zoals in dit boek zeker gebeurt. Het boek wordt dan ook terecht aangeprezen als een roman, niet als een thriller.
Het boek leest vlot weg, en boeit van begin tot eind.


Bert Bakker (1949) schrijft verhalen, essays, novellen en romans, hij is gepromoveerd in de sociale wetenschappen en woont afwisselend in Amsterdam en Zuid-Frankrijk.


ISBN 9789492241146 | Paperback met flappen|128 pagina's | Uitgeverij Magonia| januari 2017

© Marjo, 21 april 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De Wetenschap van Tara
Tim van de Veer

De zandraket is de superster van de moleculaire energie.


Een puike eerste zin voor een debuutroman, dat mag gezegd. Je zit met één klap meteen midden in de leefwereld van Nils Renkema, moleculair bioloog op de universiteit van Utrecht. Nils onderzoekt daar het verouderingsproces van planten, met name dus dat van de Arabidopsis thalania, de zandraket. Het is een veilige leefwereld, met voorspelbare collega’s en een vaste routine. Een prima omgeving voor deze wat wereldvreemde man. Maar in dat voorspelbare leven komt snel verandering als Slavko Živković, de conciërge van de universiteit, onverwachts overlijdt. Tot ieders verbijstering, vooral die van Nils, bevat zijn testament een afscheidsbrief voor Nils waarin hij hem vraagt zijn lichaam naar zijn geboorteland Servië te brengen. Bij de brief zit een foto van een oude vrouw en een fles met šljivovica, Servische pruimenjenever.


Waarom hij zijn laatste wens aan Nils toevertrouwt, is niet duidelijk, ook niet na lezen van het boek. Slavko deed weliswaar naast zijn werk op de universiteit op zaterdag vaak klusjes in huis voor Nils, maar van een band, laat staan een vertrouwelijke, was geen enkele sprake. Nils weet dan ook nagenoeg niets van de man. Toch neemt hij de opdracht aan, in eerste instantie met de gedachte iemand te vinden die Slavko nader staat dan hijzelf dat deed en de opdracht over te dragen, maar dat blijkt nog niet mee te vallen. Uiteindelijk maakt hij, in een oude Cadillac –Brougham Superior van de firma Steenbergen Rouwvervoer,  met de kist met Slavko achterin,  zélf de gehele reis naar Servië. Zijn tocht voert hem vanuit Utrecht naar België, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, en Hongarije.


Het leven van Slavko blijkt bevolkt geweest te zijn met een stoet van kleurrijke figuren. Hij ontmoet de vermeende broer van Slavko, enkele oude en soms grote liefdes, zijn voormalige beste vriend en een aantal wonderbaarlijke maffiosi. Doordat de reis van het eindpunt naar het begin gaat, ontvouwt het leven van Slavko zich in omgekeerde volgorde. Je verwacht gezien de tijd en plaats waarnaar Nils terug reist, Servië rond 1990, dat de oorzaak van Slavko’s vlucht naar het westen alles met de oorlog, of met zijn daden toen, te maken heeft, maar de oorlog blijkt verrassenderwijs meer een decor wat de omstandigheden schiep voor de keuzes die Slavko maakte, dan de uiteindelijke oorzaak.


Beetje bij beetje komt Nils steeds meer te weten over zijn voormalige collega, ook al omdat Slavko zelf vanuit zijn kist uitzonderlijk spraakzaam blijkt te zijn. Stukken spraakzamer dan bij leven. Het beeld wat oprijst lijkt dan ook per kilometer minder op dat van de wat teruggetrokken conciërge die hij in Utrecht kende.


Het boek is een onvervalste roadnovel  en doet met name bij de hilarische fragmenten soms vaag denken J. Kessels van P.F Thomése, maar het gaat ook over een man die zijn veilige leven en alles wat hij altijd met ijzeren hand onder controle hield, los moet laten en in een totaal andere wereld terecht komt. Of Nils na het volbrengen van zijn taak weer huiswaarts richting zijn oude leven in Utrecht zal weerkeren, vermeldt het boek niet, maar ik vermoed het niet. Zó ver buiten je veilige comfortzone treden is niet risicoloos. Maar dat kon in zijn geval, en misschien wel in dat van ons allemaal, wel eens meer winst zijn, dan verlies.


Tim van der Veer
is Head of Brand bij Oxfam International. Tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië reisde hij, voor de liefde, veelvuldig op en neer naar Belgrado en leerde zo het land van binnenuit kennen. De wetenschap van Tara is zijn debuutroman, eerder publiceerde hij al een hardloopboek Runner’s high.


ISBN 9789029509992 | Paperback | 220 pagina's | De Arbeiderspers | juni 2016

© Willeke, 25 maart 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe bushsoldaat
Edith Tulp


Thomas van Bakel was werkzaam in de catering toen hij Josi ontmoette, een verpleegster uit Oeganda. Na een vervelend voorval stopte hij met zijn werk, maar Josi bleef hij opzoeken, en ze  trok al snel bij hem in. Toen de trouwerij aan de orde kwam, wilde Josi dat in Oeganda vieren.
Net zoals voor haar viel Thomas ook voor haar land. Maar Josi wilde het liefst in Nederland blijven, ze gingen terug. Thomas wilde graag een schooltje stichten in Josi’s dorp, maar liep aan tegen het feit dat ieder familielid geld vroeg: geld voor de studie van een zoon; geld om een stukje land te kopen; overal vroegen ze geld voor – want westerlingen zijn rijk. Na de geboorte van zoon Sam, heeft Thomas een idee:


‘Wat zeg jij nou? Dat je in Oeganda wil gaan wonen?

Dat wil je toch helemaal niet?’
‘Ik heb zitten denken. Je hebt zoveel particuliere initiatieven, mensen die schooltjes en weeshuizen bouwen en dat proberen ze allemaal vanuit Nederland te doen. Ik vraag me af hoe goed dat gaat. Ik zat te denken dat als wij daar zitten, we hen tegen betaling kunnen helpen.’

‘Nou’, klonk het aarzelend. ‘Ik weet het niet. Het is niet makkelijk om daar te wonen en wat op te bouwen. Geloof me. Ik ben niet voor niets naar hier gekomen.’


Thomas slaat alle waarschuwingen in de wind, en ze vertrekken. Voor ze zover zijn komt er een Oegandese jongen op visite. Het is Mozes Owech, die in Europa was op verzoek van een ontwikkelingsorganisatie. Mozes is een ontsnapte kindsoldaat uit de terreurgroep van Joseph Kony, en vertelt zijn verhaal overal waar hij komt.
Eenmaal in Oeganda neemt Thomas contact met hem op, en samen bezoeken ze hulpprojecten om vooral de corruptie, in Oeganda volstrekt normaal, aan te pakken.


Tulp, die jaren in Oeganda heeft gewoond en gewerkt, heeft een vorm gekozen die doet denken aan een jeugdboek, met directe taal, veel verwikkelingen en wendingen. Dat is wennen, maar het werkt toch goed. Zij snijdt alle grote thema's in Oeganda aan in een ingenieus plot.
Maar Thomas heeft geen idee van wat Mozes allemaal doorgemaakt heeft, hij verzwijgt het een en ander, dat evenwel niet weg te stoppen valt. En zo valt de gewezen kindsoldaat in de handen van een prediker, die hem inzet om homo’s te bestrijden.


Het geheel vormt een goedlopend verhaal, dat door de prettige dialogen en een spanningsboog prima te lezen valt. En zo lezen we over een corrupt land, waar niets geregeld kan worden zonder iets onder de tafel door te schuiven. Een land dat verscheurd was door de burgeroorlog, waar het de trauma’s nog lang niet van verwerkt heeft.
Daarnaast schetst ze de cultuur en de manier waarop het Westen aankijkt tegen deze cultuur. Dat kan begrijpelijk niet zonder kritiek, maar er is nooit echt een beschuldigend vingertje.


Er zijn ook grappige scenes, zoals die in de beschrijving van een feest, waar de familie van Mozes was genodigd. Mensen die uit de bush komen, en geen weet hebben van hoe een toilet werkt, of dat een deurklink dient om de deur open te maken.


Tevens is duidelijk hoe de moderniteit de mens beïnvloed, niet altijd ten voordele: want iedereen wil die nieuwe snufjes hebben, en iedere blanke heeft geld. Toch?


De Bushsoldaat is geïnspireerd op ware gebeurtenissen. De personages in dit boek zijn fictief, maar de anti-homowetgeving zoals in dit boek beschreven is inderdaad eind 2013 door het Oegandese parlement geloodsd en begin 2014 in werking gesteld. Onder internationale druk werd daarbij de doodstraf vervangen door levenslange gevangenisstraf. Ook de invloedrijke artikelen die in dit boek aangehaald worden en de Amerikaanse evangelische inmenging in dit homo-debat, zijn in de werkelijkheid ook echt verschenen en gebeurd.


Edith Tulp reist als journaliste sinds 1989 veel naar Afrika en woonde een tijdje in Namibië en Zuid-Afrika. Zij schreef veel over Oeganda en het Verzetsleger van de Heer, dat veel kindsoldaten ronselt. De Bushsoldaat is haar romandebuut.


ISBN 9789062659197 | 320 pagina's | Paperback | Uitgeverij In de Knipscheer | april 2016

© Marjo, 13 maart 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe terugkeer van Ricardo Bonifacio
Chesley Rach


‘Het carnaval is voorbij. Wanneer de muziek is verstomd en de maskers zijn afgezet, moet Prins Carnaval sterven.’


Ricardo Bonifacio is hoogleraar sociologie te Leiden. Hij is evenwel geboren op Curaçao, waar zijn familie nog woont. Zelf is hij er al in zo’n dertig jaar niet geweest. Waarom zou hij, vindt hij, hij heeft er niets meer te zoeken. En toch, als een filmmaakster hem benadert, omdat zij een film wil maken over het carnaval op het eiland, begint het ergens toch te kriebelen. Hij is gescheiden, zonder kinderen, en heeft de tijd aan zichzelf. Als er iets meer ontstaat tussen Marlies, en hem, besluit hij mee te gaan. Als adviseur.


Eenmaal op het eiland komt het verleden in volle kracht terug. Zijn ouders zijn gescheiden, zijn moeder zit vol zelfbeklag, en heeft geen goed woord over voor haar ex, die intussen een nieuw gezinnetje heeft. Ricardo heeft dus een halfbroertje. Later blijkt er ook een halfzusje te zijn. Eigenlijk heeft Ricardo weinig zin om zijn vader te bezoeken, die hem en zijn moeder immers in de steek heeft gelaten. En heeft hij zijn vader niet teleurgesteld door niet in zijn voetsporen te treden? Hij wilde geen meubelmaker worden, hij wilde studeren. Maar toch: het is maar een een dorp, Curaçao, en iedereen weet allang dat hij er is. Ook zijn vader. Het zou niet netjes zijn om de man niet te bezoeken.


Terwijl de stad zich opmaakt voor het carnavalsfeest, worstelt Ricardo met zijn gevoelens en komen de geheimen uit het verleden op hem af. De film wordt gemaakt, hij is er niet echt bij nodig, en door zijn vreemde gedrag vindt de crew het prima dat hij andere dingen doet. Als blijkt dat hij net als zijn vader een kwade dronk heeft, keert ook Marlies zich van hem af. Haar zien met een ander maakt het natuurlijk nog erger, maart zelf is hij ook niet echt trouw. Het carnaval is een rommelig vrijgevochten feest, net als het verleden van Ricardo lijkt te zijn. En het heden ook nog.


‘Misschien is juist die nacht van carnaval de enige echte werkelijkheid, omdat wij achter de maskers pas onszelf kunnen zijn en juist achter deze façade al onze remmingen los kunnen laten?
Spelen wij normaliter niet een rol binnen de conventies van onze omgeving en de noodzaak om ons te conformeren aan mores van de heersende cultuur?’


Dit is precies het dilemma van Ricardo: moet hij conformeren, een rol spelen, of moet hij zijn gevoel, zijn hart volgen? Maar wat zegt dat hart dan? Echt duidelijk is het niet. Heeft dat te maken met magie? Met de brua, de toverij en het bijgeloof dat het volk van Curaçao nog lang niet achter zich gelaten heeft?


De Terugkeer van Ricardo Bonifacio is een broeierige roman over de tweedeling waar veel Antillianen mee te maken krijgen. Geboren en getogen op een van de eilanden, komen zij naar Nederland om zich verder te ontwikkelen en ontgroeien zo hun verleden. Denken ze. Maar je kan het verleden niet negeren, je moet er mee om leren gaan. Het kost Ricardo heel wat kruim en bijna zijn leven voor hij ontdekt wie hij is. Ontmoetingen met mensen uit zijn verleden en nieuwe kennismakingen versnellen onder invloed van het carnaval het tempo, wat ook in de stijl terug te vinden is.


De terugkeer van Ricardo Bonifacio is het literaire debuut van Chesley Rach (1952). Hij is geboren op Curaçao. Zijn vader kwam uit Suriname, zijn moeder uit Trinidad. Hij studeerde in Nederland, werkte enige tijd (als stedenbouwkundige) op Curaçao en ging vervolgens weer in Nederland wonen. Rach schildert ook: op de cover zien we een uitsnede van een van zijn schilderijen.


ISBN 9789062659432 | Paperback met flappen | 266 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | december 2016

© Marjo, 27 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altSchuim der aarde
Roxane van Iperen


Drie verhaallijnen in dit omvangrijke verhaal dat zich afspeelt in een zinderend heet Brazilië, de stad, de sloppen en het achterland.


Anjo, ongeveer 11 jaar, is opgegroeid in een schuur, ergens op de eindeloze zandvlakte, de sertão, waar hij met enkele andere jongens en een hond zo goed en kwaad als het gaat in leven probeert te blijven. Twee oudere mannen, net zo haveloos en verdoemd als de kinderen, gebruiken hen als slaafjes, louter en alleen omdat ze ouder zijn. Paria’s zijn ze, uitgestotenen, die af en toe bezocht worden door hoeren, die gelukkig wat voedsel meenemen. Anjo heeft het kleine meisje Alma in bescherming genomen, vanaf het moment dat zij gedumpt werd. Honger maakt de verhoudingen scherper. De kinderen vrezen voor hun leven. Als de jongen Alma niet meer kan beschermen, vlucht hij.
Verderop ligt de enorm grote stad, met zijn enorme sloppenwijken, waar de Organisatie het voor het zeggen heeft.


‘Er zit een zekere ordening in de wijze waarop de mensen hier bestaan, gecombineerd met een levenslust (-). De verschillende bairro’s hebben alle hun eigen luitenant met een rits personeel. Onder zijn toezicht wordt alles nauwgezet bijgehouden: infrastructuur, hoeveel bakkers, slagers, fruittentjes, rijstverkopers of hoeren de wijk herbergt. Zijn het er ter weinig, dan worden nieuwe aangewezen. Zijn het er teveel, dan moet een aantal hun activiteiten staken. Zo worden ook de baantjes in de bovenwereld bijgehouden: de naaisters, schoonmakers, kindermeisjes, chauffeurs, schoenpoetsers, hondenuitlaters en strontruimers die iedere ochtend als een eindeloze mierenstoet de berg afdalen, worden volgens strak stramien geregistreerd en gecontroleerd. De lange arm van de Organisatie reikt zelfs tot achter gesloten deuren. Mannen die hun vrouw mishandelen of hun dochters verkrachten, moeders die hun kinderen overdag thuis opsluiten als zij aan het werk zijn: de gevolgen variëren van een waarschuwing tot een doodvonnis. Zeker als iemand de fout begaat het wankele evenwicht binnen de bairro’s te verstoren, of erger nog: tussen de bairrio’s en de bovenwereld, grijpt de Organisatie keihard in.’


Maar af en toe wil de regering een daad stellen en dan pakken zij de Organisatie aan. Daar wordt op een dag het kindhoertje Lucy de dupe van. Zij wordt met vele anderen opgepakt. Lucy en Angelica, haar vriendin, wonen samen. Familie hebben ze niet, ze zorgen voor elkaar.
In een leven als dit is een kind niet welkom. Het wordt vaak meegenomen door Maria, de vrouw die voor mensen uit de stad die een kind willen adopteren hun wens vervult.


Via Maria is er de link met de derde verhaallijn: de agente Elizabet, getrouwd met de hoofdcommissaris van politie die vecht tegen de corruptie in zijn korps. ‘Een vrouw is pas volwaardig vrouw nadat ze heeft geworpen.’ En Elizabet raakt niet zwanger. Ze raadpleegt haar huishoudster, die, zelf afkomstig uit de sloppenwijk, Maria wel kent. Zo komt de jongen Edson in haar leven. Elizabets grote geheim.


Het vertelperspectief van Anjo is de ik-vorm. Zijn verhaal is nog indringender dan dat van de vrouwen, Lucy en Elizabet, over wie in de derde persoon verteld wordt.


De kern van alle levende wezens is overleven. Leven, overleven, hoe dan ook. Een hard bestaan maakt keiharde mensen. Voor de jongens in de sertão telt het leven van een ander nauwelijks, getraumatiseerd als ze zijn.
De drie verhaallijnen grijpen hier en daar in elkaar, en gaan steeds meer in elkaar over.
Niet alleen het verhaal, ook de schrijfstijl kruipt onder je huid. Van Iperen geeft angst een vorm:


‘Ik voel niets, dacht niets, maar tegelijkertijd leek het alsof miljoenen krioelende beesten een weg door mijn aderen zochten. En was niet genoeg ruimte in mijn lichaam. Ik dwong mezelf niet toe te geven aan de neiging mijn huid open te krabben om ze die ruimte te geven. Het gekriebel was gekmakend, ze zaten overal.’

‘Er zit een aap op mijn rug. Ze voelt zijn harige lijf tegen haart wervelkolom drukken, zijn pezige armen en benen strak om haar nek en middel geklemd. Als ze per ongeluk in de spiegel kijkt, kijkt hij over haar schouder mee en ontbloot zijn tanden. (-) Ze voelt hoe de aap op haar rug naar haar nek springt en haar hoofd bijna in haar bord duwt. Zijn vingers graaien aan weerszijden naar haar strot.’


Een keihard gruwelijk verhaal, over een door en door rotte maatschappij, waarin het bestaan nauwelijks nog menswaardig is. Het schuim der aarde, precies.Toch weet Roxane van Iperen enkele personen die zich daar staande moeten zien te houden een gezicht te geven, waardoor je met hen gaat meeleven. En dat terwijl je weet dat je misschien wel net als Elizabet nooit een fooi zou geven aan die zwervertjes die, als je stil staat bij de stoplichten, je ramen schoonpoetsen. En dat zijn dezelfde mensen…
Als een boek iets met de lezer doet, is het een goed boek. En dan is Schuim der Aarde een ontzettend goed boek. Het verplettert je!


Roxane van Iperen
(1976) is jurist, strateeg en publicist. Ze combineert een zakelijke adviespraktijk met onderzoek en publicaties, met name gericht op politiek, bedrijfsethiek en mensenrechten. Zo was ze ook adviseur voor de tv-rubriek Buitenhof en kwam ze min of meer spelenderwijs in de journalistiek terecht. Ze debuteert met dit ijzersterke boek Schuim Der Aarde.


ISBN 9789048824205 | Paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Lebowski | juli 2016

© Marjo, 26 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRetour Calypso
Matthijs Eijgelshoven


Gozo is een klein eiland dat bij Malta hoort. Als haar vader haar laat weten dat hij ongeneeslijk ziek is, komt Suzy voor het eerst in tien jaar terug op het eiland. Op Malta woont ze samen met Victor. Ze maken allebei schilderijen, en kunnen daar redelijk van leven.

‘De zon verschijnt boven Malta en nu het licht wordt, zie ik Gozo als een zwarte monoliet uit het water steken, en voordat alles wat in dat zwart verborgen zit, helder verlicht wordt, draai ik me om.’


Suzy heeft meer slechte dan goede herinneringen aan het eiland. Haar vader, Alfred, was een dwingeland. Hij stond zijn vrouw niet toe haar eigen leven te leiden. Ze ging er aan ten onder. En Suzy greep de komst van Victor met twee handen aan: wèg wilde ze!


Wat er allemaal in haar verleden gebeurd is, komt in flarden terug. Ze ontmoet mensen van vroeger, bezoekt plekken waar ze eerder was, en ontkomt niet aan de herinneringen aan haar moeder. Ze verbaast zich over het kleine meisje dat ze was, dat zo ijverig haar vader hielp in het restaurant dat hij nog steeds open houdt. Maar natuurlijk had ze als kind geen idee. Ze wist niet van de verlangens van haar moeder, ze had geen idee dat er buiten Gozo meer te ontdekken viel.


Tot haar eigen ergernis valt ze moeiteloos terug in een dienstbaarheid aan Alfred en aan het restaurant. Ze probeert er tegen te vechten. Maar als zelfs een stomme hark herinneringen oproept, als de flessen met drank zoals die in een restaurant staan, haar niet met rust laten, dan wil ze maar één ding: opnieuw verdwijnen. Maar ze kan haar steeds zieker wordende vader niet alleen laten. En ook moet ze dat trauma uit het verleden onder ogen zien.


Het boek zal niet voor niets de titel Retour Calypso hebben meegekregen. Calypso en Odysseus, een van de oude legenden die op dit eiland nog steeds in ere wordt gehouden, speelt waarschijnlijk een rol. Calypso is een nimf uit de Odyssee van Homerus. Zij, woonachtig op Gozo, schonk Odysseus gastvrijheid na zijn schipbreuk. De beminnelijke Calypso beloofde Odysseus onsterfelijkheid als hij bij haar zou blijven. Op het eiland bevindt zich de grot waar Odysseus een tijdlang door Calypso gevangen is gehouden. De grot speelt ook een rol in het verhaal.


Er is natuurlijk de symboliek. De moeder van Suzy voelde zich een gevangene, van haar man, van het restaurant. Net als Odysseus wilde zij weg. Net als Calypso hebben haar man en dochter haar moeten laten gaan. Ook Suzy zelf wilde weg, en wist te ontsnappen. Maar het kind, de jongen Daniël niet. Wie is dat jongetje voor wie een onduidelijke, maar belangrijke rol is weggelegd? Zal Suzy met zichzelf in het reine komen?


In korte hoofdstukken vertelt debutant Eijgelshoven een beklemmend verhaal. Het is fragmentarisch en geheimzinnig. Zoals het leven is, lijkt hij te willen zeggen. Kloppen onze herinneringen wel? De kern van het verhaal is de wens om te ontsnappen aan een benauwend leven. Vrij zijn. Maar wanneer ben je vrij?
Het is meer een verhaal dat vragen oproept dan dat ze beantwoord worden, een droefgeestig, maar mooi verhaal, met mooie zinnen, en een knap in elkaar gewrocht plot. Dat is het enige minpuntje: dat het verhaal soms nogal geconstrueerd aandoet.


Matthijs Eijgelshoven (1975) groeide op in Noordhorn en woont met zijn vrouw en twee zoons in Weesp. Hij studeerde geschiedenis in Groningen, Bilbao en Brighton en werkt als docent Nederlands en Engels in Amsterdam.


ISBN 9789035101012 | Hardcover | 218 pagina's | Uitgeverij Ambo Anthos | april 2001

© Marjo, 20 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe sarcofaag
uit het leven van een Amsterdamse rechter-commissaris
Fan Eberhard


Als Daniël Dumarin betrokken raakt bij de zaak tegen twee Marokkaanse broers, komt zijn verleden boven. Het huis waarin hij na de dood van zijn vader opgroeide is voor hem als een sarcofaag: zijn moeder wilde niets veranderen in het huis: geen stoel of tafel mocht van zijn plek, geen schilderij werd verhangen, het is alsof de tijd stil is blijven staan. Maar dat is het enige dat zijn moeder niet stilzet: de klokken. En zo verloopt de tijd normaal in een huis waar alles is gebleven zoals het ooit was.  En zijn vader was altijd aanwezig op de momenten dat zijn moeder haar opvoedende taak vervulde: ‘Jongen, je vader wil zoiets niet.’


‘Mijn ouderlijk huis begon op een sarcofaag te lijken. Ik leerde het begrip kennen in de eerste klas van de middelbare school bij de geschiedenis van Egypte. Een sarcofaag is een stenen grafkist, waarin de overleden farao omringd door kostbare gebruiksvoorwerpen en sieraden op zijn tocht naar de eeuwigheid gezelschap werd gehouden door zijn weduwe, kinderen en slaven, soms in het echt, soms gesymboliseerd door poppen.’


Als geen ander kent hij het begrip ‘onschuldschuld’. Natuurlijk kon hij niets aan de situatie veranderen, hij moest mee in het leven dat zijn moeder wilde leiden. Zou hij iets anders willen, dan was er een schuldgevoel. Hij kon haar niet alleen laten. Toen het eindexamen naderde, wist hij dat al zijn plannen om elders te gaan studeren op fantasie berusten. 


Daniël ontwikkelt een eigen morele code: thuis is alles wat zijn moeders verdriet vergroot, moreel fout en andersom. Zakgeld vragen is fout, want zijn moeder kan niet overleggen met zijn vader. Dus haalt hij het uit haar portemonnee.


De liefde was eveneens een probleem. Van een vriendinnetje zou zijn moeder ook verdrietig worden. De relatie met Wolf gebeurt in het geniep. Na een dramatisch voorval slaagt Daniël er in om zijn opleiding te voltooien. Hij is rechter commissaris te Amsterdam. In deze hoedanigheid betreedt hij het huis van het Marokkaanse gezin. Het overvalt hem: ook dit huis is een sarcofaag.
Hij voelt een verwantschap met de twee broers Bouzarouch, en waarschijnlijk komt het daardoor dat hij zich terughoudend opstelt. Of, zoals hij zegt tegen Renata van Noordt, de officier van justitie: hij fungeert als advocaat van de duivel. De zaak loopt danig uit de hand, en het feit dat er een beginnende romance ontstaat tussen Daniël en Renata maakt het allemaal niet gemakkelijker.


Dit verhaal is een misdaadroman, die speelt in Amsterdam: een duidelijk verhaal over hoe vooroordelen werken, hoe dingen vreselijk uit de hand kunnen lopen, met begrip voor deze Marokkaanse jongeren, die in een sarcofaag opgroeien. Het is meer een whydunnit dan een whodunnit, met een magisch-realistisch tintje, vanwege de vele toevalligheden. Of is het niet toevallig, is het een lotsbestemming?


Fan Eberhard (1947) werkte lange tijd in verschillende functies op de rechtbank te Amsterdam, de laatste tien jaar als kinderrechter. Voor die tijd woonde en werkte hij als sociaal advocaat in de Staatsliedenbuurt. De sarcofaag is zijn debuut.


ISBN 9789492241139 | Paperback | 268 pagina's | Magonia | oktober 2016

© Marjo, 17 mei 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altStromen die de zee niet vinden
Rob Verschuren


Elf korte verhalen die de lezer even laten stilstaan in het leven. Het zijn verhalen als anekdotes, een momentopname, maar wel een die herhaald kan worden. Als een pop-upverhaal, soms simpel, vaker complex.
Het zijn sfeertekeningen waarbij de setting niet altijd even duidelijk is. Maar dat maakt ook niet uit. De personages beleven een ongemakkelijk moment, ze zijn op zoek. En helaas vinden ze niet altijd: de stromen die de zee niet vinden.


Het lijken verhalen waarin niets gebeurt. Dat is ook zo, er gebeurt weinig, maar in ieders leven zijn een heleboel van dit soort momenten. Het is heel knap zoals Rob Verschuren die momenten uit licht, even oproept en ze dan weer te laten vallen. Als de golven waarop de personages meedrijven.


Het verhaal Krabnevel:

‘Twee parende krabben worden van de bodem van de Zuid-Chinese zee geveegd door een met blokken kalksteen verzwaard sleepnet en aan boord gehesen van een vissersboot die geregistreerd staat onder nummer QNG 96416-TS. Een visser genaamd Hai peutert ze uit de mazen en laat ze in een ton met zeewater vallen. Hij heeft bruine voeten met dikke, gekloofde tenen en bruine handen met witte littekens en hij denkt aan Phuong met de kalfsogen.‘


En dan blijkt dat deze visser en de vrouw waar hij aan denkt geen rol meer spelen. Het gaat om de twee krabben, en om twee restaurants die in een zijstraat van de boulevard verschijnen. Maar de toon is gezet, er heerst een melancholische sfeer, een vage neiging tot verliefdheid, die door de schrijver verrassend uitgewerkt in een mooie vergelijking, tussen de krabben en de restaurantjes.


In alle verhalen vind je mooie natuurbeschrijvingen, en eenzelfde haast stilstaande sfeer.


Rob Verschuren
(1953) debuteert met Stromen die de zee niet vinden. Vier van de elf verhalen werden al eerder gepubliceerd, onder meer voor het literaire tijdschrift Extaze. De hoofdstukken variëren in lengte van zo’n acht tot 25 pagina’s.


ISBN 9789062659456 | Paperback met flappen | 174 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | november 2016

© Marjo, 28 maart 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER


 

altGardi
Erwin Gaur


Alter ego Erwin Wesseling, ook schrijver wordt wakker in het bed van een vriend. Dè vriend? Dat is nog niet duidelijk. De man is er namelijk niet. Er is wel een kat, Chandler. Die is aan komen lopen en biedt tenminste nog enige gezelligheid. Waar is de vriend dan? En wie is hij? Dat zal langzaam verteld worden in deze novelle, die over liefde gaat met al zijn facetten: verlangen, jaloezie, heimwee, en wanhoop. Maar ook passie en geluk.


Een oplettende lezer kan weten waar het verhaal naar toe gaat, omdat het boek begint met een chronologische opsomming van de gebeurtenissen van die ene dag, 22 juli 2011, toen er iets vreselijks gebeurde in Noorwegen.
Die wetenschap doet aan de spanning niets af. Het is het punt waar naar toe geschreven wordt, maar het verhaal gaat over de relatie tussen Erwin en Gardi, toen die nog niet bestond, en toen die langzaam groeide, met alle ups en downs.
Er wordt een veeg uit de pan gegeven richting de moderne media die iedereen bekend kunnen maken, ook hen die het nauwelijks verdienen. Daar oreert Edwin Wesseling over als hij geïnterviewd wordt door een bewonderaarster. Ook zegt hij:


‘Afstand is noodzakelijk. Wat wel en niet werkelijk gebeurd is, moet in het midden blijven. (-)
Dat is de waarde van fictie. Juist door die onduidelijkheid. Door het artificiële kan een schrijver eerlijk zijn. Eerlijker dan in zijn meest intieme gesprekken of zelfs in een dagboek.
‘Een schrijver liegt de waarheid,’ misschien, maar de leugen redt hem van de schaamte; daar gaat het om.’


En dus kan het verhaal autobiografisch lijken maar niet zijn. Of andersom. Maar het doet er niet echt toe. Het is een helder, klein en indringend verhaal. Mooi is hoe de verteller zijn leven trefzeker en toch met afstand beschrijft, tegelijk ook vertellend over dat andere leven dat zo plotsklaps geëindigd is, een leven dat nog maar net begonnen was. Het is als een ode aan al die onschuldige slachtoffers van al die rampen die de laatste decennia de Westerse wereld overkomen.


Erwin Gaur is de schrijversnaam van Erwin Angad-Gaur (1970, Den Haag). Hij is de zoon van een Hindoestaanse vader en een Nederlandse moeder.
Hij studeerde Kunst en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en werkte als muziekproducer, zanger en componist/tekstschrijver met onder meer Bart Brandjes en zijn eigen band Radjinder (waarmee hij twee albums – Just another millionaire (2002); The World (2007) – en een DVD – Homogenous (2005) – uitbracht). Met het nummer Nice & Easy scoorde hij een kleine hitnotering in de Mega Top 100.


Deze kleine roman is zijn debuut.

ISBN 9789082656305 | Paperback | 96 pagina's | Uitgeverij Agmp | februari 2017

© Marjo, 23 maart 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altScoop!
Iris Houx


Esmée Evers, 25 jaar oud, verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt bij een roddeltijdschrift. Nu is ze daar ‘slechts’ redactieassistente, maar dat vertelt ze haar vriendinnen Do, Mei-Lan en Jasmijn niet. Hen heeft ze leren kennen tijdens haar opleiding. Het zijn nogal mondaine meiden, die hun uiterlijk erg belangrijk vinden, net als hun carrière. Esmée heeft geen rijke ouders, die haar opleiding betalen. En dus ook geen superfunctie met even super salaris. Daarom heeft ze haar eigen baan maar een beetje aangedikt.


Ze schrikt zich wezenloos als Jasmijn vertelt dat zij ook redactiechef is geworden! Bij hetzelfde roddelblad! Esmée probeert zich er uit te redden, maar de waarheid vertellen durft ze niet. De drie vriendinnen lachen haar altijd al zo makkelijk uit, omdat zij, Esmée dorps is in hun ogen. Ze draagt altijd precies de verkeerde kleren, onder andere nepjurkjes en tasjes. Het is ook zo: zij komt uit het kleinste dorp in Brabant, Avier. Maar ze heeft in datzelfde dorp wel een hele goede vriendin, Andrea, die haar begrijpt en dubbel en dwars steunt.


‘Jasmijn wordt je bazin! Je eigen vriendin wordt je bazin!’
Het is de bittere waarheid en Andrea kan er ook niets aan doen, maar haar geschoktheid wrijft alleen maar meer zout in mijn wond. Ik word Jasmijns assistente. Haar hulpje, haar slaafje.’

Andrea weet wel iets om haar gedachten een beetje af te leiden, ze moet morgen maar met haar mee. Vreselijk: Andrea blijkt zichzelf en Esmée aangemeld te hebben als vrijwilliger voor het dorpscomité. Kon het nog erger: een van de andere vrijwilligers is Rik, die ene jongen waar zij op school al smoorverliefd op was, en die haar ten overstaan van iedereen op een schoolfeest een blauwtje heeft laten lopen. Tja, tegen die tijd weten we al wel dat Esmée onzeker is en moeilijk nee kan zeggen. Ze is zo goedgelovig dat mensen gerust over haar heen lopen.


Als je dan ook nog weet dat het in haar relatie met Hugo precies zo gaat - wat de lezer allang in de gaten heeft, ziet Esmée absoluut niet -  dan weet je hoe het verhaal af gaat lopen. Dat zeg ik verkeerd: je weet wel wat de eindsituatie zal zijn, wie met wie en zo, maar de weg daarheen is nog een raadsel. Want hoe gaat deze jongedame het aanpakken op haar werk? Ze durft niet te vertellen hoe het werkelijk zit met haar baan, en Jasmijn profiteert nu al van haar deskundigheid, door zich te verstoppen achter haar ‘nieuwigheid’.


Jasmijn werkt zich in de nesten, en Esmée lost het op. Er is ook iets gaande bij het roddelblad, iets met scoops die een ander blad steeds eerder heeft dan hun eigen redactie. Terwijl Hugo een time-out vraagt en de organisatie in Avier in volle gang is, en Esmée dus noodgedwongen veel contact heeft met Rik, wordt besloten dat zij mee gaat met Jasmijn om in Parijs een soapsterretje te interviewen. En daar in Parijs wordt het een puinhoop, en is het opnieuw Esmée, die alles op moet lossen. Er staat een heleboel op het spel: haar relatie, haar baan, haar vriendinnen. Maar vooral : het geloof in zichzelf.

Iris Houx heeft vast enkele personen uit de werkelijkheid voor ogen gehad, maar het verhaal is natuurlijk fictief. Alleen de haat en nijd onderling, de jaloezie en het ellebogenwerk, dat is vast echt, zoals die man op het werk die haar naam maar niet kan onthouden ook erg reëel overkomt. En natuurlijk die twee showbizmannen, Jack en Timo! 
Het karakter van Esmée is ook realistisch: een onzeker dorpsmeisje dat haar weg moet zien te vinden in de grote boze wereld, maar eigenlijk vooral volwassen moet worden.

‘Een onweerstaanbare grappige roman over liefde en zelfvertrouwen’ staat op de omslag, onder de titel. Onweerstaanbaar is het verhaal zeker! En grappig ook. Met deze Nederlandse Bridget Jones is het smullen geblazen.


Iris Houx
is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.


ISBN 9789044349689 | Paperback | 448 pagina's | House of the Books | juni 2016

© Marjo, 27 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altKopvoeter
Kristof De Muynck


Op de flap:
Erwin Verschote trekt op een dag weg uit de stad om op het platteland een nieuw leven te beginnen. Hij komt er terecht tussen kleurrijke figuren. Er is Marre, de stugge boerin die hem een kamertje geeft op haar erf, Alma, de genereuze kleermaakster uit het dorp, en Antoine, de gevierde acteur. En dan is er nog Modest, de kopvoeter. Hij is al een maand of drie dood, maar hij becommentarieert nog steeds uitgebreid Erwins leven. Zo komen we te weten dat Erwin niet de vrijbuiter is die hij denkt te zijn. Voor hij het weet is hij de wereld binnengedrongen die zijn vader vlak na de Tweede Wereldoorlog is ontvlucht, een plek vol onverwerkte verhalen en onbeantwoorde vragen. Want wie was bijvoorbeeld Elza en wat is er met haar gebeurd?

--

Kristof de Muynck heeft een bizar verhaal geschreven met prachtige zinnen. Het boek zou zwart zien als je al die schoonheid zou arceren.


‘Nu moest hij zijn voeten eens verzetten om een beetje lucht toe te laten in zijn vochtige rubberen laarzen, waarin hij geen kousen droeg. Zijn verweekte tenen waren witgeblakerd van het dagelijkse schuren in de uitgesleten binnenkant. Zijn weke vel omzwachtelde zijn taaie zwartgerande teennagels. Voor geen geld zou hij ze ooit publiekelijk uitdoen. Een hoer die haar rijlaarzen aanhoudt tijdens het werk’.


Het duurt even voor je begrijpt wat hier in feite verteld wordt. Zoals ook hier:


‘Met de moed die hem ingegeven werd door een mok sterke koffie had Erwin zijn ochtendlijke belagers weer het matras in geslagen – terug naar het vage niemandsland, waar geen wetten of restricties gelden, maar waar je ook niet te lang kunt verblijven. ‘


‘Erwin schouwde haar rammelende geraamte als een beenhouwer die radeloos met zijn alaam tegenover een geatrofieerd stuk wild staat, dat aan het einde van een hongerwinter uiteindelijk toch nog geslachtofferd werd.’
‘De oudste duwde hij op het hakblok, dat net stabiel genoeg was om haar te dragen, en dreef Jan Klaassen door het vleesgordijn haar poppenkast binnen, tot hij het publiek hoort gillen.’


En dan de constructie. Dit stukje begint met een summiere samenvatting, maar het boek is zoveel meer dan het verhaal. De symboliek, de stijlvormen, teveel om op te noemen. Ook op de flap staat de informatie dat deze nieuwe schrijver al vroeg vertrouwd raakte met Homerus, en Ovidius. Dat is duidelijk van invloed op zijn manier van schrijven. En ook op het verhaal. Lees mee met de dode Modest die steeds in cursief lettertype de gebeurtenissen van commentaar voorziet en en passant ook nog in het verleden duikt, zodat we kunnen beginnen begrijpen hoe het verhaal in elkaar steekt. Dat is duidelijk een element uit de klassieken. Zoals het paard en het meisje dat ook zijn.
En de vele metaforen, die met de jacht te maken hebben, in vele betekenissen.
Nee, makkelijk is het boek niet, maar het is ongelooflijk boeiend om te ontdekken wat er aan de hand is. Je moet daarvoor goed tussen de regels door lezen.
Wat is er gebeurd daar op de grens van Veldebeke en Aardegem, dat nu nog zo’n impact heeft op het leven van de bewoners? Kan iemand nog weten wat de waarheid is? En hoe moet je daar dan mee omgaan?


Kristof De Muynck (1970) vindt dat hij kapper, paardenhouder, voormalig kostuummaker, cafébaas, modeontwerper en friturist is, maar schrijver? Dat durft hij nog niet te beweren. Dat mag toch best na een debuut als Kopvoeter, dat immers nog lang nadreunt.


ISBN 9789463101332 | Paperback met flappen | 288 pagina's | Uitgeverij Polis| mei 2016

© Marjo, 22 februari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altRavijn
Jasper van Buren


‘Het voelde alsof ik zojuist een sprong gemaakt had over een ravijn. Het was alleen onzeker of ik de overkant zou halen.’

Een jong stel komt op Tenerife wonen. Het is 1970, de tijd van generaal Franco.
De ik-figuur, Thomas Verhelst, heeft een baan gekregen bij de Britse firma Santa Cruz Wholesale. De verkoop dus. Bier en toffees. Thomas ontdekt al gauw dat de Spanjaarden er andere ideeën op na houden als het gaat om marketing. Ook blijken de Spaanse normen en waarden anders te zijn. Het begint al op kantoor. Van op tijd komen en afspraken nakomen is nauwelijks sprake.


Met Ramon Trujillo, zijn Spaanse collega, is vanaf het begin de omgang enigszins problematisch. Dat wordt erger als Thomas diens vrouw Nuria wel ziet zitten. Ook Thomas’ partner, Jet, is daar niet van gecharmeerd natuurlijk. Zij heeft het toch al moeilijk: in Spanje hoort een vrouw thuis, met haar kinderen en huishouden. Zij heeft niets te doen, en haar poging een dansschool op te zetten wordt niet gewaardeerd. Thomas daarentegen lijkt zijn weg wel te vinden. Het doet hun relatie geen goed.


Niet alleen het Tenerife van 1970 speelt een rol in het verhaal, ook Rotterdam, de stad waar Thomas geboren is, waar zijn vader een oorlogsheld was, en waar Thomas kennis maakte met het ruige leven.


‘Rotterdam, jij desolaat wederopbouwgedrocht dat ik met hart en ziel verdedigd had tegen Leidenaren die je het liefst in de achteruitkijkspiegel zagen, tijdens het bombardement op je centrum werd ik geboren, gelukkig ver buiten het bereik van de Heinkels in kakkineus Hillegersberg.’


Het verleden van Thomas met de verstoorde relatie tot zijn ouders, vooral zijn vader, speelt een steeds grotere rol. Thomas moet constateren dat hij niet zo veel anders is dan zijn vader en dat bevalt hem niet.


Deze debuutroman smaakt naar meer. De soms staccato-achtige stijl geeft swung aan de tekst, en terwijl er geen woord teveel staat, zijn er toch soms die mooie treffende vergelijkingen.


Jasper van Buren
(Schiedam, 1970) studeerde rechten aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is al jarenlang werkzaam als copywriter bij reclamebureaus. Zijn interesse in film, literatuur en alles wat niet Nederlands is, is direct terug te vinden in zijn werk. Ravijn is zijn debuutroman.
En bekijk de mooie omslag...


ISBN 9789492241115 | paperback | 168 pagina's | Uitgeverij Magnolia| september 2016

© Marjo, 24 januari 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER