Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

Tussenmens
Robert Kruzdlo


‘De roman is geschreven als een stream of consciousness, als een coming of age-boek van een zelfdenkend, zelfscheppend en zelfstandig opererend individu. Met een eigen stijl, een eigen kijk en een eigen verhaal.’


Deze cryptische vermelding staat op de omslag. Begin je te lezen dan denk je dat het allemaal wel meevalt.


Het eerste deel gaat over een jongen die zijn vader niet kent. Zijn moeder - een dierentemster - vertrekt met haar zoon uit Amerika, terug naar waar zij vandaan komt, Zuid-Limburg. In een villa woont hij met overgrootmoeder Pieter, grootmoeder An en zijn moeder Alice. Het is een eigenaardig huishouden, waar armoede en chaos heerst.
Het zijn de magere jaren na afloop van de oorlog. Als hij opgroeit zal hij zijn opvoeders leren kennen. Zijn moeder met haar eigenaardige leven, zwalkend van de ene man naar de andere, van het ene onzekere baantje naar het andere wazige bestaan als dierentemmer, al of niet in een circus.
De jongen gaat dan wel, dan niet naar school. Hij leeft in een heel eigen wereldje, begrijpt de wereld om hem heen nauwelijks. De eerste seksuele ervaringen overvallen hem, hij weet niet wat te doen. Hij heeft alleen die ene droom: hij wil naar Amerika.


‘Ik weet het niet, moeder nu ik er over nadenk wie en wat ik toen was, daar maakt het brein zich totaal geen zorgen over. Het doet geen moeite te willen weten wat er van mij geworden is. Ik kan het vragen, antwoorden doet het niet. Het gaat gewoon zijn natuurlijke gang.’


In dit eerste deel is er grotendeels sprake van een hij-perspectief. Frederick heet hij. Maar af en toe neemt de ik het over, soms in dezelfde zin, om daarna weer in de derde persoon over te schakelen. Toch blijft dit deel vrij coherent.
Dat verandert als deel twee begint, voorafgegaan door de opmerking:


‘Kunstenaars overdrijven om te worden gehoord. Daarom, dit boek is non-fictie en moet gelezen worden als fictie. Een nieuwe poging om het verleden te begrijpen.’


De schrijver is nu steeds de ik-verteller. Hij is in Amerika en verwacht gasten. Mensen die hij persoonlijk gekend heeft, of ‘hun kinderen, kleinkinderen, aanverwanten of zelfs vrienden.’ Maar als de gasten al verschijnen dan spelen zij geen rol van betekenis. Vanaf dit moment is de tekst inderdaad wat je verstaat onder een ‘stream of consciousness’.


‘Mijn breinpen, die ongrammaticaal met onzichtbare inkt over een wit vel papier van ondraaglijk licht gutst en vogelvrij de zee vol woorden vliegt, zijn weg toch altijd vindt, beweegt eerst mijn hand, dan ik, als slechts een verteller, een doorgever van taal, en hoeft mijn breinpen maar te schrijven, het schrijft, het en niet een ik.’


Mooie fragmenten, onbegrijpelijke stukken tekst, meestal zonder duidelijk onderling verband. Je zou het niet verwachten misschien, maar het blijft boeiend dit te lezen.


‘Wat gebeurt er allemaal in mijn brein? Weet ik niet. Er is evenwicht, soms niet, kneedbaarheid, en er zijn de dromen die alles nog eens overhoopgooien wat ik aan prikkels in mijn leven heb binnengekregen.Waarom legt een kunstenaar hierover niet verantwoording af en blijft hij maar onzin schrijven die de meesten onder ons zo zinvol vinden?‘


Het valt inderdaad voor de lezer niet mee om iets te maken van de ogenschijnlijke onzin. Soms zijn er fragmenten die je mooi kunt vinden en waar je een betekenis uit kunt halen. Maar het geheel?
We doen het maar met wat voor deel een geschreven staat:


‘Natuurlijk blijf je tot het einde toe zo eerlijk mogelijk de waarheid zoeken. Na jaren twijfelen ga je dit boek toch publiceren, zodat het nog tijdens je leven in jouw handen terechtkomt. Schrijven was een experiment om te genezen, te ontgiften en de wereld te vertellen wat er met jou op die verschillende stukjes aarde gebeurde.’


Waarvan akte.


Robert Kruzdlo (1949, New Jersey) studeerde aan de Amsterdamse Rijksacademie van beeldende kunsten en exposeerde sinds die tijd in diverse landen, waaronder de VS, België, Frankrijk, Spanje en natuurlijk Nederland. Hij woont op dit moment in Spanje.


ISBN 9789493048133 | paperback | 220 pagina's | TIC Uitgeverij | september 2019

© Marjo, 10 december 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De spindraad
Een bildungsroman
Paulus Snijders


Het boek geschreven door een auteur die daadwerkelijk zelf een bijdrage heeft geleverd aan de groei van Elsevier Science tot een wereldspeler, geeft weer wat de consequenties zijn als men als werknemer het concern beschouwt als iets eigens waar men ziel en zaligheid in kan stoppen. De valkuil van de 100  % inzet voor de baas is dat dit  een eenrichtingverkeer is, zoals iedereen weet die in dienst is geweest bij een grote commerciële firma. Arme hoofdpersoon. Hij krijgt dit pas laat door.


De geschiedenis van het concern als beschreven in het boek is er niet een van een parade van genieën in de wetenschap met briljante ideeën, maar het is eerder een verhaal van evolutie van een uitgeefconcern in bikkelharde concurrentie gewikkeld en een strategie daardoor - onder meer - van afknijpen van klanten, van de leveranciers van artikelen en van werknemers om winstmaximalisatie te behalen.


De auteur schetst de ontwikkelingen onder invloed van technologische veranderingen; een digitale revolutie waar de werknemers maar zelf een mouw aan dienen te passen hoe zij dit tijdig leren te beheersen. Traditionele structuren die razendsnel imploderen. Waar werknemers onder zware druk staan om te presteren kan dit ten nadele van het privéleven zijn. De auteur voert, in contrast, een collega vriend op die zich beter staande kan houden, juist doordat deze solitair door het leven gaat.


Voor lezers die ooit bij Elsevier hebben gewerkt zal het niet moeilijk zijn om de dramatis personae te ontmaskeren. Dit is ongetwijfeld ook een van de grootste pluspunten uit het boek. De herkenning. De auteur heeft een encyclopedisch geheugen over de ins en outs die speelden in de tijd dat hij in dienst was voor dit concern.


Het is de verdienste van de auteur dat hij een vleug fictie en subjectief beleefde geschiedenis razend knap heeft kunnen verwerken in hoofstukken die zich iedere keer lezen laten als cliffhangers. Dit boek verdient een hoge notering op leeslijsten van oud -Elsevier medewerk(st)ers maar tevens voor een ieder die de geneugten van het keiharde bedrijfsleven heeft mogen proeven.


Lees het eerste hoofdstuk, klik HIER


ISBN 9789463867825 | 227 pagina's | Paperback | Pachinco Publishing | maart 2019

© Annette van der Wel, Zaandam, 7 oktober 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Messias van niks
Michiel Cox


Normaliter valt er niet veel te beleven in het dorp Vuchelt, waar net als in vele andere kleine stadjes steeds meer winkels verdwijnen en de Kerk moet aanzien hoe steeds meer gelovigen hun overtuiging aan de wilgen hangen.
Maar eens in de drie jaar wordt er een processie gehouden, ter ere van Hadewijch, een vrouw die volgens de legende wonderen heeft verricht. Zij was een dichteres, een begijn en is het symbool van de stad. En al is zij nooit heilig verklaard, op de dag van de processie trekt het dorp vele bezoekers, die allemaal meelopen naar de Hadewijchgrot.
De laatste jaren komen er zelfs groepen mensen uit Azië!


Er is een winkelier die het van de toeloop op de dagen rondom de processie moet hebben: Jeannine verkoopt vooral wierook, maar ook beeldjes, Hadewijchwater, sleutelhangers, dat soort dingen. Dit jaar ziet Jeannine de dag met schrik en beven tegemoet. Er zal iemand begraven worden op dezelfde dag: Odetta, een vrouw die een half jaar eerder in het stadje aankwam.


‘Enkele dagen voor haar aankomst stond Odetta in mijn winkel. Ze droeg een roodbruine wollen poncho, die me veel te warm leek voor de tijd van het jaar, haar zware brilmontuur stond bijna op de punt van haar neus. Ze duwde die snel naar boven en vroeg of ik werk voor haar had. Ik zei van niet; ik deed alles zelf en dat ging goed. André heeft nooit in de winkel gewerkt: hij was een ambtenaar bij de belastingen en zelfs na zijn pensioen heeft hij zich nooit met de winkel beziggehouden. Dat was ook niet nodig. Wie koopt er nu nog wierook? Het is eigenlijk alleen druk in de periode rond de processie. In die weken draai ik een omzet waar ik anderhalf jaar van kan leven.’


Jeannine wil de vreemde vrouw wegsturen, maar tot haar verbazing geeft haar man aan dat hij vindt dat ze haar moet aannemen. André, haar echtgenoot die al vijftien jaar geen woord meer gesproken heeft en communiceerde door middel van gebaren en grommende geluiden, begint zomaar te praten tegen de vrouw: ‘Welkom in de wierookwinkel, Odetta.’ zegt hij.


Op dat moment weet Jeannine nog niet dat haar man de aanstichter zal worden van de Odettacultus, met lede ogen moet zij aanzien dat de woorden die hij hervonden heeft niet voor haar zijn...
De vreemde vrouw adopteert Hadewijch als het ware, maakt zichzelf haar meest fanatieke volgeling. Zij weet de dorpelingen mee te krijgen, het wordt een soort sekte: volgelingen kleden zich in een beige kleed, en volgen hun voorganger naar de grot, om daar tot Hadewijch te bidden.


‘Odetta keek ook streng en met gekruiste armen naar de mensen die naar haar kwamen duistere. Iedereen werd dan muisstil en sloeg de blik neer; want als ze tijdens zo’n stilte naar je keek wilde je je onmiddellijk excuseren. Waarvoor wist je niet, maar je wilde haar om vergeving smeken, Haar blik was betoverend, alsof ze alles wist.’


Behalve Jeannine zijn er meer vertellers: er is Sven, een jongeman die als gids fungeert en alles over Hadewijch zegt te weten. Hij woont nog bij zijn ouders, hetgeen hij niet lijkt te waarderen en is een vrouwenhater, waarschijnlijk omdat hij impotent is. Als zijn oog valt op de journaliste Miriam denkt hij de oplossing voor zijn problemen gevonden te hebben. Miriam, ook een verteller, heeft daar geen idee van. Zij wil alleen een smeuïg artikel schrijven.
En dan is er nog de pastoor, de man die tegen beter weten in – want geloven doet hij al lang niet meer - de Hadewijchprocessie zal leiden, en nu met tegenzin een begrafenisdienst moet doen.


Door de ogen van deze vier mensen lezen we hoe zij geen verweer hebben tegen een charismatisch persoon, die precies lijkt te weten hoe zij de bewoners moet bespelen.
Zij geloven haar verhaal niet, maar doen om eigen redenen wel mee. Zijn ze bang voor degenen die wel meedoen? Hebben ze een eigen agenda?
En intussen groeit het aantal aanhangers en wordt er geroepen om een heiligverklaring.
Het loopt totaal uit de hand.


‘U bent een aandachttrekker, een messias van niks die haar eigen waanvoorstelling tot religie wil verheffen. Mensen zoals u verzieken de wereld, madame.’


Langzaam dringt de ironie van het verhaal tot je door. De serieuze toon verandert niet, maar het verhaal ontaardt in iets waanzinnigs. Cox heeft met vier kleurrijke personages gekozen voor vier boeiende vertelperspectieven die hij in een prima dosering laat afwisselen.
Hij eindigt met een overtuigende apotheose, en laat de lezer achter met een verlangen naar meer.


De omslag, een werk van Brecht Evens, een Belgische striptekenaar en illustrator, past prima bij de inhoud van dit boek.
De Vlaming Michiel Cox (Tongeren, 1989) debuteert met deze bijzondere roman.


ISBN 9789025454616 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | september 2019

© Marjo, 10 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Bang voor de liefde
Niek Bremen

‘Ik vraag mij af,’ zei ik, ‘waarom ik de plank missla in de ogen van mijn ouders. Waarom treitert en pest mijn vader mij voortdurend zonder enige aanleiding?’


Andreas van Hechtel, de zevenenveertigjarige ik-verteller van dit boek, is naar Texel gegaan om op advies van een psychiater op papier te zetten wat hem dwars zit. ‘vertrouw de narigheid aan papier toe en steek het in de fik.’ zei die.


Andreas' jeugd heeft hem opgezadeld met het onvermogen zich te uiten, iets waar zijn vriendinnen op afknappen. Dit is waar de titel vandaan komt natuurlijk, maar dat is enigszins misleidend. Als Andreas zijn ‘memoires’ op gaat schrijven, wordt het verhaal veel meer om een zoektocht naar identiteit. Een deel van wie je bent is natuurlijk wel bepalend voor de mate waarin je kunt liefhebben, of aanvaarden dat men je liefheeft, maar het is niet alles. Dus ook niet in deze roman.


Andreas groeide op als zoon van een Duits echtpaar. Dat dacht hij tenminste. Bij hen opgroeien deed hij wel, maar hun zoon was hij niet, ontdekte hij toen zijn ouders overleden waren. Zijn vader was een sadist, en zijn moeder, die als een huisslaaf behandeld werd door haar man, reageerde zich af op de jongen. Ook de huishoudster was niet aardig tegen hem.
Als het hem eenmaal gelukt is uit de invloedssfeer van zijn ouders weg te komen, probeert hij zijn eigen leven op te bouwen. Maar waarom lukt het hem niet, een leven te leiden zoals de meeste mensen dat lijken te doen?


Andreas wil weten wie hij is, nadat hij de ontdekking heeft gedaan dat zijn jeugd een leugen was. Iemand die niet goed met zijn ouders overweg kan, wil graag denken dat hij een koekoekskind is. Als blijkt dat Andreas dat ook echt is, staat hij voor de keuze: de schier onmogelijke zoektocht naar wat zijn echte wortels dan zijn, of zich erbij neerleggen, accepteren dat hij ‘gewoon’ Andreas is, gevormd door zijn jeugd. Daar heeft hij hulp bij nodig. Hij begeeft zich naar het FIOM (instelling die zich bezig houdt met afstammingsvragen).


‘Theehuis rook naar sigaretten.
In de spreekkamer trok hij een elastiekje van mijn verborgen verleden. Met zijn dikke vingers testte hij de trekkracht van de gummi.
‘Heeft u nog informatie kunnen achterhalen?’
>‘Neen, ik ben onterfd en mijn tante is in een verpleeghuis opgenomen.’
Het elastiekje knapte.
‘Het onderzoek heeft geen nieuwe gegevens aan het licht gebracht. Waarschijnlijk een illegale adoptie. Het is afschuwelijk om niet te weten waar je vandaan komt en bij wie je hoort. Wilt u psychische hulp?’
Ik heb mijn streepjespak al uitgetrokken,’ zei ik, ‘en dat voelde als een bevrijding.’


Wat misschien beter werkt dan het opschrijven van zijn herinneringen, is het leven dat hem op Texel wacht. Zijn huisbaas en diens broer, met ieder een absurde levensstijl, de uitbaatsters van het plaatselijk café, Andreas ondergaat het allemaal, zoals hij altijd alles onderging. Als dan ook nog Maurits, zijn jeugdvriend, naar Texel komt met zijn eigen sores, en het leven een andere wending neemt, moet Andreas een besluit nemen.
En hij schrijft het allemaal op.


Het is wat wij lezen. Absoluut geen zware kost, Bremen schrijft in een frisse stijl met lichte ironie. Er is een afwisseling van heden en verleden, flashbacks en het enigszins bizarre leven op Texel door elkaar, met humor op zijn tijd en een vraag voor wie dat wil. Want wie zijn wij nu eigenlijk?


Niek Bremen (1947) publiceerde in meerdere verhalenbundels, zoals 24 verhalen (2013), Onveranderd Anders (2015), Wilde flora (2016), Uit & Thuis In Sittard (2018) en in het literair tijdschrift Extaze (2018).
Bang voor de liefde is zijn veelbelovende debuutroman.


ISBN 9789062657490 | Paperback | 264 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | april 2019

© Marjo, 29 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Een heldenleven
Persis Bekkering


Wie is die man, Igor met een kleine i? Als hij opduikt in het leven van violist Adrian beseft deze laatste nog niet dat die andere violist zijn leven om zal gooien. Hij merkt igor op als die met verve muziek staat te spelen in de hal van het hotel waar het orkestgezelschap logeert. Maar het stuk dat de man speelt, dat is de solo die Adrian zelf moet spelen: Ein Heldenleben van Richard Strauss!
Adrian constateert dat het vlekkeloze statische spel dat de man produceert het publiek begeestert inclusief hemzelf.


‘Perfect getraind, maar zonder moed (…). Spelen zonder de bodem te laten zien, zoiets was het. Zonder verleden, zonder aangekoekte resten, eeuwig nu, eeuwig zonde.’


Het orkest is een week op tournee in Italië, een week waarin Adrian en igor met elkaar optrekken. Igor is anders, een multitalent. Hij kan alles, vertelt hij zonder te snoeven. Alleen in de liefde is hij mislukt. Het is hem niet gelukt dat ene meisje dat hij wilde te veroveren. ‘Ze was te mooi’.
De twee violisten ontdekken dat ze elkaar nog wel het een en ander kunnen leren, hoe goed ze allebei ook al zijn. Voor Adrian heeft de ontmoeting met igor grote gevolgen. Hij vraagt zelfs zijn ex naar Italië te komen, terwijl hij had gedacht haar nooit meer te zullen zien. En Sterre komt…

In een tweede deel gaan we zeven jaar terug in de tijd. Dan is een jonge vrouw het vertelperspectief. Kiriko is beeldend kunstenares, die als zovele kunstenaars dat perfecte kunstwerk wil maken. Het lukt maar niet, en de ontmoeting met igor helpt ook niet echt.


‘Kiriko’s verlangen naar kunst die uit zoiets als een kern voortkwam, een innerlijk vuur, noodzaak, was bovendien een romantische gedachte, en romantische zielen hadden iets belachelijks gekregen, ze waren naïef, of erger: serieus.’
‘Ze had een nulpunt bereikt. Een eind of een begin, met de nul weet je het nooit.’


Is kunst wel gebaat met perfectie? Is het niet juist zo dat het streven naar volmaaktheid de echte kunst de nek omdraait?
In deze ideeënroman stelt Persis Bekkering die vraag. En er is meer: want als iemand perfect wil zijn, wat voor invloed heeft dat dan op zijn eigen leven en dat van de mensen om hem heen?
Een antwoord is er natuurlijk niet, maar genoeg stof tot nadenken waarbij zij zich terzijde laat staan door verwijzingen naar schrijvers als Mulisch en Dante.
Het eerste deel over Adrian boeit meer dan het deel waarin Kiriko de hoofdrol heeft, waarschijnlijk omdat de eerste duidelijker neergezet wordt als een mens buiten zijn muziek om, waar Kiriko meer de kunstenares is.
Het is wat onduidelijk, maar in feite is igor met een kleine i de hoofdpersoon van allebei de delen. Hij is de man die het leven van zowel Adrian als dat van Kiriko op stelten zet. Hoe hij daar zelf uitkomt is de grote vraag. Want igor wil perfectie, op vele terreinen.

Persis Bekkering (1987) heeft Klassieke talen en Literatuurwetenschappen gestudeerd. Ze schrijft columns over klassieke muziek in onder meer De Volkskrant en ze interviewt schrijvers voor verschillende festivals en talkshows. Een heldenleven (2018) is haar debuutroman.


ISBN 9789044631500 | paperback | 248 pagina's | Uitgeverij Prometheus | januari 2018

© Marjo, 19 mei 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Land van dadels en prinsen
Frank Nellen


Parijs, 2019. Gerechtspsychiater Tulard is opgeroepen om naar het Huis van Bewaring te komen. Hij is jarenlang psychiater geweest maar nu doet hij alleen nog maar dit: verdachten onderzoeken of ze toerekeningsvatbaar zijn. Onderweg naar de Boulevard de la Chapelle merkt hij dat er weer eens paniek is uitgebroken in de metro.


‘De mensen zijn achterlijk, denkt hij. De kans dat ze omkomen is verwaarloosbaar. Ook nu, in Parijs. Miljoenen mensen, hooguit een handjevol doden.’


Tulard – gehard door zijn praktijk? Het leven moe? – gaat tegen de vluchtende stroom mensen in en arriveert  bij het zwaarbewaakte gebouw. Voor de deur is het druk met betogers. Ze eisen dat de verdachte aan hen wordt overgeleverd. Lynchen zullen ze hem!
Eenmaal binnen brengt men hem op de hoogte. Luitenant Doriot is doodgeschoten. Hij was het hoofd van de afdeling terrorismebestrijding en behoorlijk geliefd bij het volk. En bij ministers, CEO’s en rechters. Doriot werd gezien als de verlosser, degene die opgewassen zou zijn tegen de terroristische dreiging.


En nu was hij neergeschoten. Door een Algerijn. Als Tulard hem door de spiegelruit ziet zitten, weet hij: deze man kent hij, al is het alleen maar van een foto.
Het is Youssef, de beste vriend van zijn overleden zoon Simon.
In 2015 schreef Simon zijn belevenissen van die bijzondere zomer op papier.


‘Wanneer ik klaar ben, zal ik deze vellen op de post doen naar de hoofdcommissaris. Misschien zal hij Youssef laten opsporen. Dan kan ook hij lezen over mijn verraad, want ondanks talloze pogingen heb ik mijn fatale beslissing op het einde van die zomer nooit anders kunnen uitleggen.’


Tien jaar eerder beleefde de toen vijftienjarige Simon de zomer van zijn leven. Thuis bij een ongeïnteresseerde vader verveelt hij zich. Zijn moeder is overleden, broers of zussen zijn er niet. Hij gaat naar een oom die in een buitenwijk van Parijs woont. Daar ontmoet hij Youssef, die al heel snel zijn beste vriend zal zijn. Youssef is alleen, woont overal en nergens, en is een echte dakhaas. Hij verplaatst zich niet door de straten van Parijs, maar klimt en klautert over de daken. En Simon is aan het einde van de zomer net zo atletisch als zijn vriend. Ze genieten. Die zomer betekent vrijheid.
Maar Youssef heeft een geheim, dat zwaarder weegt dan zou moeten. Als Simon dat ontdekt vindt hij dat zijn eerste verraad. Maar het ergste, het echte verraad, moet nog komen.


‘Mijn verraad zat diep in me, op een plekje waar zelfs zijn warmte niet kon komen. Hij had niets door. Hij praatte tegen me. Hoewel de meeste woorden langs me heen gingen, begreep ik dat het verhalen waren. Sprookjes over dadels en prinsen, over roodkleurig zand dat over de vlaktes waait. Ik probeerde te luisteren, maar het lukte me niet.’


Tulard ontdekt de achtergrond van de moord op Doriot. En begrijpt dan pas wat er met zijn zoon gebeurd is.


Nellen probeert een de lezer een duidelijk inzicht in de problematiek van discriminatie en sociale ongelijkheid te geven. Tulard en Youssef bespreken de ongelijkheid van immigranten, die het moeilijk vinden om in hun nieuwe vaderland een bestaan op te bouwen. Is dat, zoals Tulard denkt, omdat zij psychisch anders in elkaar zitten? Of is er meer aan de hand? Ligt het aan de manier waarop ze behandeld worden door de autochtonen? Het gebrek aan kansen?


Land van dadels en prinsen is het goed geschreven debuut van Frank Nellen(1982), in het dagelijks leven jurist en wetenschapper. Het verhaal zet aan tot denken - en misschien discussiëren - over hoe het er aan toe gaat in onze samenleving. Want al speelt het boek in Parijs, de stad van de aanslagen, de kwestie speelt in heel Europa. Met als achtergrond de vriendschap van de twee jongens is het een ontroerend verhaal geworden. Maar vooral een belangrijk verhaal.


ISBN 9789048848676 | paperback | 201 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | oktober 2019

© Marjo, 3 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Explicador
Sander Pleij


Een dag uit het leven van S, een jonge man, die in een race tegen de klok een manifest af moet leveren. Dat gaat over de mens. De mens is uniek, stelt hij, je kan hem niet vangen in een robot. Of toch wel?
Hij zou dat vast wel gewenst hebben, want een robot kan andere verbindingen maken, en de jonge man lijdt aan vreselijke hoofdpijnen. Hij heeft een neurostimulator in zijn rug. De plek is ontstoken geraakt, hetgeen de nodige problemen veroorzaakt. Maar hij moet dat manifest afmaken, de volgende dag moet het ingeleverd worden.


In zijn manifest probeert hij het geheim van het leven te vatten. Leven is creativiteit. S. concentreert zich op Paul van Ostayen (1896-1928, Antwerpen) die zich mengde in de groep futuristen en dadaïsten die in het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog, een groep die een heel nieuwe vorm van kunst propageerde.
Ook S. wil een nieuwe vorm van kunst. Kunst en een mens verenigd in een zelfstandig denkende computer, die functioneert op de ideeën van kunstenaars, filosofen en schrijvers.


'De parallellen schoten S. door het hoofd. Hij zag de iPhone zoals de futuristen de vliegmachine, het bijna sexy en machtig-vernunftige van een machine of apparaat. De roes waarin deze futuristen verkeerden, was te vergelijken met de roes van de digitale revolutie. Het enthousiasme over machines die afstanden verkleinden, leek op de blijheid over via internet: het instant overal ter wereld alles zien en delen.'


Terwijl hij werkt aan de tekst en steeds die kunstenaars en filosofen aan het woord laat, vertelt hij ook over zijn leven tot dan toe: hoe zijn moeder hem en zijn vader verliet om in een commune te gaan wonen. Zijn vader is een BN-er, hij heeft hoge verwachtingen van zijn zoon, en zit hem op de huid. S. heeft het er moeilijk mee. Bovendien is de jongen verliefd geworden op zijn halfzus, en natuurlijk weet hij heel goed dat zijn vader dat niet zal accepteren.


De dag verloopt chronologisch, maar omdat er steeds teruggegrepen wordt op de levens en ideeën van kunstenaars, vooral Van Ostayen, en er de flashbacks zijn, is dit boek niet zo makkelijk te lezen. Het dadaïsme is daar ook debet aan, dat was niet bepaald een makkelijke kunstvorm. En wat S. wil is ook niet makkelijk. In dit boek wordt aannemelijk gemaakt hoe S. op de ideeën komt, maar de veelheid en diversiteit van het resultaat laat veel twijfel aan de uitkomst.


Het is een vrij warrige ideeënroman waarin de schrijver nu eens licht pornografische teksten schrijft, om even zich even later in filosofische gedachten te verdiepen. De verhaallijn over Ster, de halfzus,  voegt weinig toe, die over van Ostayen is nog het meest interessant. Zelfs interessanter dan de hoofdpersoon S, die niet erg sympathiek naar voren komt.


Sander Pleij (1970) werkte tien jaar bij De Groene Amsterdammer en tien jaar bij Vrij Nederland. Hij won diverse journalistieke prijzen. Explicador is zijn debuut.


ISBN 9789048842766  | Paperback | 352 pagina's | Uitgeverij Lebowski | februari 2019

© Marjo, 23 oktober 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Draaidagen
Bianca Boer


Judith is opgegroeid bij haar grootouders, haar moeder heeft nooit willen zeggen wie de verwekker van haar kind was, en Judith heeft haar evenmin gekend.
Opa en oma waren lief voor haar, maar het is natuurlijk niet hetzelfde. Oma - ze noemt haar Nini - is een overlevende van het concentratiekamp Auschwitz, iets waar ze nooit over heeft willen praten. Judith weet dat haar hele (joodse) familie daar omgekomen is, inclusief de eerste man van Nelly, en haar nog jonge kind. Een trauma dat ze wilde verdringen. Maar nu is Nini oud, ze begint te dementeren, en ineens vertelt ze dingen.


Judith wil het allemaal weten, maar heeft daarnaast zo haar eigen problemen, waar ze niet met oma over praat. Ze probeert haar wel te vertellen dat ze met haar studie gestopt is, maar dat dringt niet meer door.


Judith heeft na een paar mislukte pogingen de juiste studie gevonden, filosofie. Ze woonde op kamers in Rotterdam, haar woonplaats, en leerde daar wat mensen kennen. Ze werd verliefd. Op de verkeerde, want de jongen in kwestie had iets met een ander meisje van hun groepje.
Toen ze niettemin zwanger werd, bleef Judith geen andere keuze over dan het kind weg te laten halen. Ze stopte met de studie, ging weer bij haar oma wonen, en kwam tot de ontdekking dat de rollen omgekeerd waren. Nu kwam de zorg voor oma op haar bordje te liggen.


‘Je bent trager geworden in die paar jaar. Maar ben je echt langzamer of valt het me nu meer op? En het huis is plotseling te klein voor ons tweeën. We lopen elkaar maar in de weg. Je hobbelt de godganse dag achter me aan. Knettergek word ik ervan.’


Oma lijkt zelfs vergeten dat Judith drie jaar niet in dat huis woonde.
Als ze een baan aanneemt als edelfigurant in een film over de Tweede Wereldoorlog wordt het nog zwaarder. Ze leidt een dubbel leven: terwijl oma steeds meer vertelt, en Judith er achter komt wat ze allemaal meegemaakt heeft, lijkt alles nog dichterbij te komen doordat in de film dingen gebeuren die samenhangen met het verleden van oma.


Twee mensen die allebei met een onverwerkt verleden kampen en zich niet uiten. Dat leidt tot problemen. Een buitenstaander zou dat wat er gebeurt komisch vinden, maar voor de betrokkenen is het dat niet.
Judith is de ik-verteller, die haar oma toespreekt.


‘Eet toch, kind,’ zeg je. ‘Als er is, moet je eten.’ Je wijst naar het schaaltje vleeswaren. Ik heb geen trek meer. Als jij eet, bestaat er niets en niemand anders. Ik was dat bijna vergeten en kijk naar je. De concentratie waarmee je tot de randen smeert en hoe daarna je blik over tafel gaat om te zien wat er voor beleg is, terwijl je heel goed weet wat we in huis hebben. Zo ben je altijd geweest.’


Deze stijl maakt het verhaal indringend. We zien door de ogen van Judith hoe oma aftakelt. We lezen over de wanhoop die Judith voelt omdat ze nauwelijks kan helpen, ze wil wel, maar heeft een eigen leven. En haar oma wil helemaal niet geholpen worden.
Maar tegelijk komt ze er achter, door Nini zelf, en door het verhaal van de film, wat haar oma heeft meegemaakt. Nini is dan niet alleen een oma, maar een mens.
Dat geldt niet alleen voor haar oma, ook de speciale spelers in de film, mensen met het syndroom van Down, zijn meer dan ze op het eerste gezicht lijken.


Het verhaal van de film wordt op een bijzondere manier verteld: het is alsof het om echte gebeurtenissen gaat, alsof het in het heden speelt terwijl tegelijk duidelijk is dat het om film gaat.


‘Een van de figuranten loopt de set af.
‘Waar gaat dat heen?’ schreeuwt Robert.
‘Even naar het toilet.’
‘Blijven staan! Dat had je net moeten doen.’
Ze knikt timide en schuift terug in de rij. Ondertussen wordt Charlotte opgehaald en neemt de productieassistente onze dekens aan. We lopen weer, we klimmen in de vrachtwagen. Ik help de patiënten. Ik geef mevrouw Leibnitz een arm. Mevrouw Silberstein huilt zachtjes.
‘Waar is mijn man? Hij zal toch wel weten waar ik ben?’
‘Tuurlijk,’  zeg ik, terwijl ik haar op de laadklep help.’’


Bianca Boer verweeft deze verhaallijnen op ingenieuze wijze. Het verhaal laat je niet zomaar weer los. De titel is ook veelzeggend.
Ook al is de thematiek in dit geval de Tweede Wereldoorlog, traumaverwerking is iets wat je met allerlei thema’s kunt verbinden.
De zorg komt ook als thema naar voren: in de film gaat het over patiënten met een geestelijke stoornis die naar het concentratiekamp vervoerd worden, waar dus bewoners van het hedendaagse tehuis een rol in hebben (heftige scenes zijn dat!), maar er is ook de mantelzorg, die behoorlijk zwaar is.
Erg mooi boek. Ontroerend, temeer door de eenvoudige verteltrant.


Bianca Boer (1976) is schrijver, dichter en schrijfdocent. Ze won de Nieuw Proza Prijs, publiceerde in De Gids, Tirade en Passionate en trad onder meer op tijdens Crossing Border. In 2007 werd haar verhalenbundel Troost en de geur van koffie genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs. In 2010 verscheen de dichtbundel Vliegen en andere vogels. Dit is haar romandebuut.


ISBN 9789025455576 | Paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | juni 2019

© Marjo, 13 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kroesvee
Zonen van Jafeth Deel 1
John Meilink


In een nawoord geeft de schrijver aan dat hij de feiten een beetje heeft aangepast om het verhaal goed te laten verlopen, maar dat slaat alleen op enkele jaartallen en levenslopen van de personen die hij in het verhaal verwerkt heeft.
Het feit blijft dat eind zeventiende eeuw de slavenhandel vanuit onder andere Ghana floreerde. En voor het geval iemand denkt dat de Nederlanders daar niet aan mee deden: lees dit boek, en ontdek hoe de West-Indische Compagnie bloeide door de handel in goud en mensen. Want al zijn de meeste personages fictief, het relaas over de handel is dat absoluut niet!


Het verhaal wordt verteld vanuit de handelaren, vooral Nederlanders, maar ook Engelsen, Fransen, Portugezen en Brandenburgers, zo genoemd omdat zij afkomstig waren uit de gelijknamige deelstaat in het oosten van Duitsland, allen handelden in slaven.


‘Ik heb ze geruild tegen brandewijn, tegen vorken, messen en kralen; ik maak op die handel achthonderd procent, zelfs al zou de helft het niet halen.’


De inlanders werden beschouwd als arbeidskracht, onmisbaar om op de suikerplantages op de Antillen en in Suriname te werken. Was het aanvankelijk tegen de calvinistische geest om mensen te verhandelen, er kwam een moment dat theologen dat niet langer verwierpen als zijnde goddeloos, als het maar ging om niet-christenen.


Het verhaal begint in 1687 met een onverhoedse overval op een dorpje in het Denkyira koninkrijk (Ghana): vrijwel alle bewoners worden gevangengenomen door de Afrikaanse slavenjagers om als slaaf verkocht te worden. Ook krijgsgevangenen en dissidenten werden naar de kust vervoerd en geleverd aan de Europese slavenhalers, die op hun schip voor anker lagen te wachten. Maar de Nederlanders hadden een verdrag met de Denkyira. Net als de Engelsen trouwens. De roof van een compleet dorp verhit de gemoederen dan ook behoorlijk. Als de slaven langs een geheim gehouden route vervoerd worden, door een Arabier, denken de Brandenburgers en de Fransen dat ze hun slag kunnen slaan, er van uitgaande dat de Nederlanders het verdrag niet zouden willen schenden. Niet openlijk tenminste.


Verraad en bedrog, onderlinge oorlogjes, slinkse afspraakjes, mensen die hun eigen handeltjes denken te kunnen drijven, het maakt het geheel nogal ingewikkeld. En dan is er nog de hitte, en de vele ziektes, met nauwelijks kennis over hoe die tegen te gaan. Het verhaal over de worm:


‘De bottelier kijkt met afgrijzen naar zijn eigen buik. Hij heeft pijn en loopt gevaar: het uittreden van de worm kan leiden tot levensbedreigende infecties, dat weet iedereen. Het ligt er maar net aan waar het gedrocht verkiest naar buiten te komen en – belangrijker nog – of het heel blijft, want een worm in stukken belooft zeer zwaar weer voor de patiënt.
‘Haal het weg, meneer,’ smeekt hij, hijgend als een karrepaard. ‘Alsjeblieft.’


Intussen bevinden de illegale slaven zich op de Griffioen, waar Aldemar Burghoutsz, schipper van de Griffioen, zich inspant om zijn ruimen voller te krijgen. Slaven brengen geld op. Zij zijn vee. Kroesvee. Veel waard, maar geen mens als hij zelf. Zo vindt ook de dominee die door het lint gaat met al die ‘duivels’ om hem heen.


Af en toe zijn er intermezzo’s, waarin verteld wordt over het verleden van de belangrijkste figuren: Burghoutsz (fictief) en Nicholaas Sweerts, directeur-generaal van de WIC (wel historisch, maar er is weinig over hem bekend). En er is het verhaal over Bomba Jan, een mulat. Hij is slavenopzichter op de Griffioen. Hier laat Meilink zien hoe de tijdsgeest was, hoe iemand er toe kwam te handelen zoals hij deed.


Het moge duidelijk zijn. Op deze flinke hoeveelheid pagina’s wordt veel informatie gegeven. Mooischrijverij is er niet bij, het is kort en feitelijk, hetgeen even wennen is.  Er zijn wel degelijk beschrijvingen van het landschap en cultuurhistorische achtergronden, het is een boeiend en leesbaar verhaal vol actie over een akelige periode uit onze geschiedenis.
Voor in het boek zit een kaart van het gebied waar dit verhaal zich op concentreert, als ook een uitvergroting van alle forten die in die tijd langs die kust stonden. Er is een handige lijst met de belangrijkste personages, zodat je kan terugkijken wie wie is.


Het boek bestaat uit twee delen, het eerste beslaat de maanden november en december van het jaar 1687, het tweede speelt zich af in januari 1688.
Ieder deel is weer onderverdeeld in hoofdstukken waar een stukje tekst boven staat, in de vorm van toepasselijke citaten. Dan vind je achterin nog een aantal opmerkingen, over welk deel fictie is, en wat er gebaseerd is op geschiedenis, er is een uitleg van de citaten, een bibliografie en de woordenlijst, is ook heel handig, want Meilink gebruikt veel woorden uit de talen van de Afrikaanse stammen!
Je kan wel stellen dat het boek volledig is, maar mocht je nog meer willen, kijk dan op de site, https://www.kroesvee.nl waar ook nog informatie te vinden is over de afbeeldingen die in het boek staan.


John Meilink (1961) is werkzaam in de ICT. Dit boek, waaraan hij zes jaar werkte, is zijn debuut. Het zal uiteindelijk uitmonden in een trilogie met als serienaam Zonen van Jafeth.

ISBN 9789460225192 | paperback | 429 pagina's | Uitgeverij LM Publishers | januari 2019

© Marjo, 16 augustus 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De achtste dag
Annemarie Haverkamp


Ooit waren Egbert en zijn vrouw Emma zo gelukkig. Ze woonden in een leuk huis ergens tegen de grens van Duitsland, vlak bij een rivier en met een mooie werkplaats voor Egbert ernaast. Emma was balletdanseres, maar danste niet meer. Egbert was timmerman. Hij bouwde de decors voor het theater toen hij Emma zag dansen en op slag verloren was. Ze werd zwanger, een zoon werd geboren. Toen sloeg het noodlot toe: de jongen bleek te lijden aan een onbekende ziekte. Hij was blind, zou hoogstwaarschijnlijk ook doof worden, en lopen kon hij niet. Een tweede zwangerschap eindigde in een miskraam. Daarna was Emma niet meer dezelfde. Het wordt niet duidelijk verteld hoe dat kwam, maar ze stierf en liet Egbert achter met hun gehandicapte zoon Adam.


Dat was wel genoeg ellende, vond Egbert, maar het noodlot slaat nogmaals toe. Hij krijgt te horen dat hij zelf niet zo lang meer te leven heeft. Hij staat voor een haast onmogelijke beslissing: wat moet er nu met Adam gebeuren? Zou er iemand in zijn zeer kleine familie- en kennissenkring bereid zijn de zorg over te nemen? Moet de jongen naar een instelling? Adam is volledig hulpbehoevend, en er is de belofte aan Emma dat hij hem nooit alleen zal laten. Wat nu?


Als het verhaal begint lijkt de beslissing genomen, maar opnieuw grijpt het lot in. Als Egbert besluit de opdracht van de dokter aan te nemen, stelt dat zijn beslissing met acht dagen uit. Je zou misschien denken dat de dokter met hem meeleeft, hem helpt, maar die denkt alleen aan zijn nieuwe vriendin. Voor haar is de trap. De trap die Egbert zeven dagen uitstel geeft.


‘De route voert hem langs de molen, het rivierlandschap strekt zich voor hem uit. Konikpaarden in de kleur van een mistige dag. In alle gehuchtjes staan delen van zijn nalatenschap. Keukens, badkamers, tuinhekken, wankelbalies, een kinderopvang, een hondenkennel, en zelfs een bunker voor de eigenaar van de steenfabriek die bang was voor een nucleaire oorlog. Als hij er straks niet meer is, zullen de mensen nog aan hem denken wanneer ze een boterham smeren op zijn aanrecht of hun auto parkeren onder zijn carport.’


De lezer volgt hem van dag tot dag, leest over zijn eenzame worsteling. Het gaat immers slechter met hem. En Adam weet van niets, hij leeft zijn eigen minimale leventje. Het verleden toen Emma nog leefde wordt in flashbacks verteld, als Egbert daar aan terugdenkt.
Een klein verhaal naast dat van vader en zoon is dat van de gans Gerrit. Hij ziet Egbert als zijn vader, die hem dingen leert – waar hij zijn zoon niet niet kan leren lopen, kan hij de gans wel leren vliegen. Maar ook in dit verhaaltje slaat het noodlot toe: Gerrit schrikt van een enorme hoestbui en vliegt weg, zijn noodlot tegemoet. Een dilemma voor Egbert, maar nu gaat het nog om een gans, deze beslissing kan genomen worden, al is het moeilijk. Maar als het om Adam gaat?


Dit boek is een schrijnend verhaal dat je goed kan zien als een aanklacht, want de zorg voor gehandicapte kinderen is in Nederland niet al te best. Je kan je goed voorstellen dat je je kind daar niet aan wil blootstellen. Maar mag en kan je als ouder dan de stekker er uit trekken? Als de kans bestaat dat je kind je zal overleven, wat doe je dan? Een vreselijk dilemma.


Er is een scene in het boek waarin Egbert op internet het verhaal vindt over de zaak Robert Latimer. Dat is een waargebeurd verhaal, over een Canadese boer die zijn 12-jarige, ernstig gehandicapte dochter van het leven berooft om haar verder lijden te besparen.


Hoofdfiguur Egbert doet sterk denken aan Helmer, de boer die in Boven is het stil van Gerbrand Bakker vertelt over zijn worsteling met het leven die hem beschoren lijkt. Ook Egbert heeft met een worsteling te maken, al is die stukken schrijnender, want bij hem is eigenlijk al bekend wat het einde voor hem zal zijn. Het is niet alleen deze figuur, ook de stijl van Annemarie Haverkamp komt sterk overeen met die van Bakker. Ook zij schrijft recht voor zijn raap, in korte zinnen die een sfeer oproepen van eenzaamheid, van hulpeloosheid waarvoor hij geen redding ziet. Je durft bijna niet door te lezen, omdat je bang bent voor de afloop.


Annemarie Haverkamp is journalist en schrijver. Ze is ook moeder van een 15-jarige zoon die door een zeldzame chromosoomafwijking ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapt is.  In De Gelderlander schreef ze columns over het dagelijks leven met een gehandicapt kind. De columns werden gebundeld in vier boeken en verschijnen na vijftien jaar nog elke week in de krant.


ISBN 9789048845309 | paperback | 160 pagina's | Uitgeverij Lebowski | maart 2019

© Marjo, 7 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER