Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

Droog
Robert van Oirschot


De jaren twintig van de vorige eeuw, ook wel de roaring twenties genoemd, was een periode waarin men als reactie op de ontberingen van de eerste wereldoorlog van het leven wilde genieten.
Charles Ruys de Beerenbrouck was sinds 1918 minister-president in een tijd dat een groot deel van het kabinet ijverde om de Olympische Spelen naar Amsterdam te halen. Het zou de economie goed doen. De christelijke partijen vonden het maar niets, er zou op zondag gesport worden en er zouden vrouwen mee doen!


‘De Olympische Spelen zijn in oorsprong en wezen heidensch. In niet één gereformeerd bestuurd land zijn ze ooit gehouden.’


Het gekonkel om tenslotte de Spelen binnen te halen - in 1928 - heeft echt plaatsgevonden.


Intussen was in de Verenigde Staten in de jaren 20 de drooglegging ingevoerd. Productie, verkoop en transport van consumptieve alcohol werd verboden. Het drinken van alcohol niet overigens. In Nederland ging men niet zo ver. Wel was er een drankwet (de plaatselijke handel in wijn en bier zou wettelijk geregeld worden) opgesteld in 1904, die in 1931 aangepast werd: gemeenten mochten zelf bepalen hoeveel drankverkooppunten er in hun stad mochten zijn.


Tegen deze achtergrond schreef Robert van Oirschot een intrigerende roman, waarbij het lastig is feiten van fictie te onderscheiden.
De hoofdpersoon van een van de verhaallijnen, Stouenbergh, is evenwel fictief. Hij is een senator van de SDAP, en hij probeert in navolging van de Verenigde Staten in Amsterdam drooglegging voor elkaar te krijgen. Het wordt een spelletje waarbij inderdaad de Olympische Spelen de inzet zijn.


In de andere verhaallijn ontmoeten we Antonie Donkers, een straatkind in de Jordaan. Samen met zijn vriend Johan scharrelt hij door het leven. Hij lijkt een veelbelovend bokser en ontmoet in die hoedanigheid Bep van Klaveren (de levensechte kampioen in de klasse vedergewicht bij de Olympische Spelen in Amsterdam in 1928). Maar terwijl Van Klaveren een echte carrière in de bokswereld beleeft, is het personage in de roman een ander lot beschoren. Hij raakt in de problemen bij een poging het straatleven vaarwel te zeggen en een fatsoenlijk leven te leiden.


Als Antonie hoort over de plannen voor de drooglegging ziet hij meteen een lucratieve handel. Hij en Johan werken samen met Henry Pierre Heineken (levensecht).
Hun handel loopt als een tierelier, ook al zijn er schermutselingen met andere ‘bendes’ in de stad.
Antonie had graag Helena, de liefde van zijn leven, naast zich gehad, maar zij is afkomstig uit een ander milieu en klimt hoog op de sociale ladder. Toch verliezen ze elkaar niet uit het oog.
Als de Drogekelenwet op springen komt te staan moet Antonie veel problemen het hoofd bieden.


Deze roman is een mengeling van fictie en waarheid waarbij een uitleg met bronnen voor in het boek handig geweest was. Als je nu wilt weten wat er waar is en wat niet kost het je veel zoekwerk.
Een historisch feit: Op 17 mei 1928 werd in Amsterdam het parkeerbord geïntroduceerd – een wereldprimeur. Het was uitgevonden om de buitenlandse bezoekers van de Olympische Spelen duidelijk te maken waar ze hun auto moesten parkeren. Een ander leuk weetje: Het was niet koningin Wilhelmina die de Spelen opende, zij stuurde haar echtgenoot Hendrik. En de Olympische vlam werd daar in Amsterdam voor het eerst ontstoken.
Zo worden er vrij vele leuke weetjes in het boek verwerkt, maar ze leiden af van de kern van het verhaal. Waarom het verhaal van Bep van Klaveren toegevoegd is als een soort omlijsting van de drie delen, is ook onduidelijk.


De vele beschrijvingen over de politieke spelletjes en de beschrijvingen van de straten van Amsterdam maken het verhaal soms traag. Aan de andere kant zijn er spannende, soms heftige scenes, als het gaat om de bendeoorlogen. Maar: met wat doorzetten en misschien zelf tussendoor informatie opzoeken lees je een boeiend verhaal over de Amsterdamse onderwereld.


Het is Van Oirschots debuut als romanschrijver (eerder verscheen van hem de graphic novel De ziel van Leiden. Hij is van plan om een of meer vervolgdelen te schrijven. 

ISBN 9789044354065  | paperback | 336 pagina's | The House of the Books | oktober 2018 

© Marjo, 3 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER 

 

Eerste reserve
Rijan van Leest


2014. Als Simon, zoon uit een riviervissersgeslacht in het dorp Veendijk, hoort dat zijn jeugdliefde Neva terug is in het dorp, snijdt hij zichzelf van schrik in zijn hand. Dat is niet zo’n goede zet, hij is namelijk visfileerder, de beste van het dorp zelfs, en met een gewonde hand kan hij niet werken.


Al woont hij in een vissersdorp, het was niet zijn droom dit beroep uit te gaan oefenen, integendeel, hij wilde gaan reizen. Sinds hij op zesjarige leeftijd een globe cadeau kreeg van zijn tante, die daarna vertrok, wilde hij dat ook. Natuurlijk moest hij eerst de school doorlopen, maar in de tussentijd kon hij in de plaatselijke boekhandel van Roelzema wegdromen. Daar bevond zich een aardige verzameling reisboeken, in de kelder waar hij met rust gelaten liet.


Maar de kleindochter van Roelzema laat hem niet met rust. Zij woont bij haar moeder, is slechts af en toe in het dorp bij haar opa. Neva redt hem uit het water, om daarna zijn ziel weg te kapen. Met haar zal hij gaan reizen! Als ze voor de eerste keer uit zijn leven verdwijnt is hij nog een kind, en kan hij dat nog wel aan.


In 1998 komt ze terug, en de vonk slaat nu pas goed over. Als de plannen allemaal al klaar zijn om naar Londen te vertrekken slaat het noodlot toe. Simons enige broer verdwijnt en wordt later teruggevonden in de rivier. Simon voelt zich schuldig aan diens dood, en kan niet anders: hij trouwt met de zwangere vriendin van zijn broer, en probeert Neva te vergeten.


Als zij in 2014 terug komt om haar opa te begraven, blijkt de vonk nog niet gedoofd. Waarom heb je mijn brieven niet beantwoord, vraagt ze. Als Simon moet bekennen dat hij geen enkele brief gezien heeft, en ook Neva niet de brief van Simon gehad heeft, gaat hij peuteren in oude geschiedenissen. Geheimen komen bovendrijven.  Had Simons leven anders moeten zijn? Is het nu te laat?


Het verhaal is tweeledig. Lijkt het aanvankelijk op een veredelde streekroman, met al die relaties die niet lopen zoals gewenst, die geschetst worden tegen de achtergrond van een oer-Hollands vissersdorp, waar iedereen iedereen kent, en je niets geheim lijkt te kunnen houden, als we een stuk over de helft zijn, blijken die geheimen er wel degelijk te zijn, en wordt het een spannend verhaal, waarbij toch de belofte van die paar opmerkingen in het begin ingelost worden.  
Daardoor overtuigt het verhaal niet helemaal, het lijkt op twee gedachten te hinken: de streekroman en dat duistere geheim met de verrassende ontknoping zijn te weinig met elkaar vervlochten. Als nu het begin van het verhaal broeieriger was geweest…


Vooral Simon is het vertelperspectief en we springen heen en weer in de tijd, waarbij ook een sprong naar de Tweede Wereldoorlog nodig blijkt. Voor de bezitterige moeder is een rol weggelegd, als ook voor het voetbal. Het dorp heeft maar liefst twee voetbalverenigingen, hetgeen ook soms voor netelige situaties zorgt. Simon is reservespeler: voor zijn broer Thijs. En dat geldt niet alleen bij het voetbal!


In deze debuutroman lees je over de kneuterigheid van een dorp, die voor sommige bewoners benauwend werkt. Eenmaal daar geboren ligt je leven vast, en wee degene die probeert te ontsnappen!


Rijan van Leest (1980, Moerdijk) is journalist en houdt een blog bij.


ISBN 9789082841602  | paperback | 212 pagina's | Uitgeverij ZL7 | juni 2018

© Marjo, 6 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De verschrikkelijke jaren tachtig
Tim Kamps

In het eerste hoofdstuk staat:


Dit verhaal is echt gebeurd, hoewel sommige dingen wel net iets anders gingen, maar als ik de dingen zou opschrijven zoals het echt ging, dan geloof je het niet. Ik moet het hier en daar aanpassen, omdat je anders denkt dat ik het verzin. In het echt was het dus eigenlijk nog veel gekker.


Tim Kamps, bij velen bekend als cabaretier, is geboren in 1977. Zijn bewuste jeugd speelde zich af in de jaren tachtig. Of die echt verschrikkelijk waren? Lees Tims verhaal en je weet wat zich afspeelde in de grote stad.


Voor een kind dat er midden in zit, kan het haast niet anders zijn, dan dat het zo hoort. Maar Tim wordt ouder, en begint langzaam te beseffen dat het niet normaal is zoals hij opgroeit. Als kind kon hij er weinig aan doen, zijn moeder die zich over hem had moeten ontfermen was meer met zichzelf bezig dan met haar zoon. Acht jaar is hij als zijn verhaal begint, een leeftijd waarop een kind zich bewust wordt van de wereld om hem heen.


Hij en zijn moeder woonden in een leefgroep, een commune in Rotterdam. Zij is manisch-depressief, zegt ze. En lesbisch. Hetgeen haar niet verhindert het bed te delen met de leider van de groep, Bert. De woongroep lijkt meer een harem van deze man, die de boel nogal dictatoriaal bestiert.
Tims enige vriend is Donnie, die ook met zijn moeder in de groep woont. Bert zou zijn vader zijn. Het lijkt er later inderdaad steeds meer op: Donnie begint dezelfde trekjes te vertonen.


‘Donnie en ik zitten achter de bar in café Dot. We drinken stiekem bier. Het is heel druk. Kayleigh, een ex-vriendin van mijn moeder, is overleden aan een overdosis heroïne. In de jaren tachtig gaat er voor mijn gevoel bijna elke week wel een lesbische vrouw dood aan een ziekte die ik niet ken of aan zelfmoord of aan drugs. En mijn moeder kent ze allemaal.’

De jaren zeventig worden benoemd als zijnde de tijd van vrije seks, en drugs, maar in Rotterdam ging dat langer door. De kinderen werden nauwelijks opgevoed, zij werden zonder pardon blootgesteld aan het leven dat de volwassenen leidden. De juf van school ziet wel dat de kinderen er niet goed uit zien - wat wil je met een dieet van frites! -  maar in plaats van in te grijpen doet ze gewoon mee!

Later komt de kinderbescherming toch aan de deur, al duurt het even voor zij echt wat kunnen doen.
In de tussentijd komt Donnie met het plan om weg te lopen. Naar België, want daar is de mayo lekkerder. Maar dat is niet zo eenvoudig als je acht jaar bent…


Het verhaal wordt verteld als terugblik, maar er is wel geprobeerd om de gedachtegang van een jong kind weer te geven. Dat lukt doordat er een eenvoudige taal met korte zinnen gebruikt wordt.
Als lezer ben je verbijsterd: kan een kind zo leven? Blijkbaar wel. Het is een bizar verhaal, dat op een nogal onderkoelde manier verteld wordt. Het kind weet immers niet beter dan dat het normaal is dat zijn moeder de hele dag op bed ligt te roken en dat Bert met de deur open ligt te vrijen met een van de vrouwen in de commune.
Doordat de jongen het leven zo bekijkt wordt het verhaal niet zwaar, maar de lezer doorziet het natuurlijk wel.
Maar dan, die twist op het einde! Stomverbaasd blijf je als lezer achter...


Tim Kamps (Utrecht, 1977) is een Nederlandse cabaretier, muzikant, acteur en regisseur.
En nu dus ook schrijver. De verschrikkelijke jaren tachtig is zijn debuut.

ISBN 9789048844975 | Paperback | 208 pagina's | Lebowski | oktober 2018

© Marjo, 11 november 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ik wou dat ik jouw leven had
Rick Treffers


De schrijfstijl van de auteur doet een beetje denken aan de columns van Arthur van Amerongen in De Volkskrant, al is het een en ander wel wat minder grof.


Rick Treffers is een muzikant die misschien niet zo bekend is. Hij kan dan ook niet van z'n muziek leven en moet ook andere bronnen van inkomsten gebruiken.
De verhalen in dit boek gaan hoofdzakelijk over z'n muzikale avonturen en worden afgewisseld met stukken van de (niet-bestaande?) journalist Dick Scheffers. Deels zijn dit dagboekfragmenten en deels stukken van een interview.


Uit de dagboekfragmenten komt Dick Scheffers naar voren als het schoolvoorbeeld van de mislukte muzikant, die vervolgens maar over muziek gaat schrijven. Het dedain voor Rick Treffers straalt er af. Dick Scheffers verwijt Rick Treffers dat hij voor de muziek heeft gekozen, ondanks het feit dat hij daar weinig succes mee heeft. Volgens hem had Rick er voor moeten kiezen om de muziek vaarwel te zeggen en zich te settelen, met een gewone baan, zodat hij gewoon een gezin kan onderhouden. Het vrijbuiter-achtige leven van de muzikant, die daarnaast ook nog schrijft, vindt hij maar niets en hij verwijt hem gebrek aan realiteitszin.


De muziekverhalen geven een aardig beeld van het leven van een niet zo succesvolle muzikant. Ze laten ook zien wat er zoal mis kan gaan. Zoals optredens die niet door blijken te gaan, of publiek dat voor het optreden van de band alweer vertrokken is.


Het einde van het boek zet alles wel een beetje op z'n kop en de vraag is dan ook wel hoeveel er van het boek verzonnen is. Wat klopt is in ieder geval dat Rick Treffers muzikant is en een aantal CD's heeft gemaakt, onder andere een EP met Rob Kloet (drummer van Nits).
Aan het eind van het boek staan een discografie en een bibliografie.


ISBN 978 90 821733 7 6 | NUR 301 | Paperback | 143 pagina’s | Uitgeverij Vreugdenberg | 8 november 2018

© Renate 22 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Nederhalfrond
J.Z. Herrenberg


‘Nederhalfrond’ is een 'boek', dat wil zeggen: het zijn bedrukte bladen papier met een band eromheen.
Grofweg heb je boeken waarin je een verhaal leest, fictie geheten, en er zijn boeken waarin informatie te vinden is, de non-fictie.
Als je begint aan dit boek, denk je een roman te gaan lezen.
Het begint al op een bijzondere manier:


‘Wij schrijven het jaar en wij schrijven het zuchtend. Wij sluiten de jaren als huizen om zuigende leegte aaneen en roepen. Wij, Zonnestraal en Hel, roepen alle mensen, opdat ze komen wonen in de stad van onze allereigenste eeuw. Wij roepen u. Brengt bloed alstublieft en vult onze huizen! Verenigt u onder de daken van talloze dagen en ziet uzelf nieuw door het Oog van onze Cycloon!’


Nu is een proloog wel vaker raadselachtig, dus ik lees door, in de verwachting dat het wel goed zal komen. En dat lijkt ook zo, ruim zeventig pagina’s lang word ik meegesleurd in een verhaal dat heel gewoon lijkt te gaan over een schoolfeest op het John Lennoncollege. Er zijn intriges gaande, en de rectrix gedraagt zich niet alledaags, maar dat wordt vast allemaal nog wel uitgelegd, denk ik op dat moment nog. Ik laat me met genoegen meesleuren in een zintuiglijke taal die gedetailleerd vertelt wat er gebeurt, hetgeen nooit uitmondt in saaiheid, want de toon is vaak potsierlijk op het bizarre af. Dat leest heerlijk!
Herrenberg speelt met de volgorde van de woorden, hij hakt zinnen in stukjes, en sleept de lezer mee in opeenvolgingen van werkwoorden.


‘Singlecell boog en boog, bevoelde intussen zijn keel, zijn borst, zijn maag, zijn buik, alsof hij iets ongewenst had ingeslikt en angstig de interne vorderingen daarvan volgde.
Of – woelde daarbinnen een claustrofobisch wordend wezentje? Deed dàt zijn stervoertuig zo bezeten jaknikken, vanwege zijn streven om zich door diens gebeente, vlees en verkleding heen een weg naar de wijde buitenwereld, naar vrijheid en zelfbeschikking te vreten?
Ging buiten naar binnen? Of – kwam binnen naar buiten?
That is the question.
Zeker is dat maar in weinig Nederlanders zo veel internationale gemeenschap opgetast zal hebben gelegen als juist in deze en mens. Was haar vreedzame co-existentie in zijn lichaam dus moordzuchtig disfunctioneel geworden, zodat in de kern van al zijn cellen de zo diverse genetische code zich nu onderling pijnlijk met zuiverende spiraalzwepen te lijf ging? Har Lemstra, de mens onder het fenomeen Bor von Singlecell t/m Europa, was immers etnisch tot in zijn poriën.’


Deze vorm van taal is ontegenzeglijk meeslepend, en al is niet onmiddellijk en precies duidelijk wat beschreven wordt, je beleeft het toch mee. Dat is knap, je verheugt je als lezer op al die pagina’s die nog zullen volgen.


Maar dan is deel een afgerond, en begint iets nieuws. Dat wat volgt is geen herkenbaar geheel meer, het is fragmentarisch, en er zijn te veel personages waarbij onduidelijk is wat hun rol is. Zeker, de taal is dezelfde, maar de betekenis steeds verder te zoeken. De schrijver is mij hier absoluut kwijt.
Ik ben verslagen, ik begrijp niet meer wat ik lees. Ook niet als ik het een tweede keer, een derde keer lees. Het is misschien de bedoeling om te laten zien dat de wereld krankzinnig is, maar dat had met een meer coherente tekst ook gekund.
Ik neem graag aan dat de schrijver veel plezier heeft gehad bij het samenstellen van dit boek, maar hij is de lezer toch enigszins uit het oog verloren. Jammer toch?

J.Z. Herrenberg (1961) groeit op in het Amsterdam van Provo en flowerpower, zijn vader een Surinamer, zijn moeder Nederlandse. Reeds in 1996 is Herrenberg begonnen aan dit boek dat een tweeluik moet worden.
Nederhalfrond is zijn debuut, en ik hoop dat het lezers zal vinden die er meer chocola van kunnen maken.


Beluister ook de VPRO uitzending van Open kaart met J.Z. Herrenberg


ISBN 9789028427495 | Paperback | 400 pagina's | Wereldbibliotheek | augustus 2018

© Marjo,  15 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lam
Hannelore Bedert


‘Ik zit al twee weken thuis, Louise. Ik werk niet meer.’
‘Hoezo? Ben je weer ontslagen?
‘De vraag sneed.
‘Nee, Louise, ik ben niet ontslagen. Ik zit gewoon thuis,’


Lucia is bijna veertig, woont alleen, en zit niet goed in haar vel. Als daar nog het bericht bij komt dat haar vader overleden is - hij heeft de hand aan zichzelf geslagen -  zit ze er compleet doorheen.
Alleen Louise is er, een vriendin. Maar wil die haar nog wel helpen? Lucia heeft de laatste tijd niets van zich laten horen.

In tijdsprongen ontwikkelt zich het verhaal van Lucia’s jeugd. Zes jaar oud toen haar moeder haar achterliet in een auto, in de volle zon. Gelukkig waren er omstanders die haar uit de auto haalden, maar haar moeder was verdwenen. Voorgoed. Lucia bleef achter met haar vader, die zich verloor in zijn werk als begrafenisondernemer. Het kind groeide op tot een zelfstandige jonge vrouw, maar emotioneel gezien kon ze het leven niet aan. Eenzaam en gepest op school vindt ze pas een veilige plek als haar vader haar een adres geeft. Op die boerderij werd hulp gevraagd, iets voor haar?
Maar ook Halina die een vervangende moeder werd viel weg, en Lucia stond weer alleen. Ze vertrekt uit het dorp waar behalve Halina alleen maar slechte herinneringen liggen. Maar nu moet ze terug. Het ouderlijk huis opruimen, de boel regelen.
Haar verleden onder ogen komen.
Ze weet dat ze het in haar eentje niet aan kan, en ze belt Louise.


‘Nu ga je heel goed naar mij luisteren, Lucia. Dit is wél om te lachen. Als je er niet om kunt lachen, zul je alleen maar zitten huilen. En dat je je al weken en maanden. Je bent een wrak. Je hebt het misschien zelf niet door, maar je bent een wandelend wrak. Je lijkt even dood als je vader.’


Het valt haar zwaar, Louise weet maar half hoe zwaar. Maar ze moet verder.

Een schrijnend verhaal over een verwoest leven. Het is geschreven in een stijl die op de rand van tranentrekkerij is, maar dat kan haast niet anders in een verhaal dat zo vol emoties zit.


Hannelore Bedert (Deerlijk, 1984) is een Belgische zangeres. Bedert studeerde Kleinkunst aan het Herman Teirlinck Instituut, waar ze in juni 2007 afstudeerde.
Lam is haar prozadebuut.


ISBN 9789022335581 | paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Manteau | oktober 2018

© Marjo, 25 februari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Olifanten warm houden
Dieuwke van Turenhout


De zeventien verhalen in deze bundel gaan vaak over vrouwen, soms ook mannen die zich niet in hun eigenheid erkend voelen. Hoe los je het op als je als ouders een heel andere opvatting hebt over opvoeden? Of als je een reisje naar Parijs associeert met romantiek, en je partner van dat moment denkt bij het woord Parijs aan iets heel anders? Wat als je met een aantal gelijkgezinden je voorbereidt op de Apocalyps, en de dag gaat voorbij zonder dat er iets lijkt te gebeuren? De verhalen gaan over hoe moeilijk het kan zijn om te voldoen aan wat de wereld van je verwacht en zijn daardoor heel herkenbaar.


In ‘De duvel en de dood’ moeten twee meisjes op vrijdag hun vader ophalen in het café, Ze hebben er een hekel aan, omdat ze nooit weten in welke staat hun vader zal zijn. Hoe dronken is hij? Heeft hij een goede of een kwade dronk?


‘De vrijdagen zijn het ergst.  Het ergste begint al meteen wanneer de kerkklok middernacht slaat. Vader slaat meestal mee.  Moeder schreeuwt hoe dan ook. Amélie en Cécile luisteren. Elke dreun nagalmend over St. Germain tot de stilte koud wordt en hun handen warm.’


Mooi is hier hoe Dieuwke van Turenhout het beeld vasthoudt: een galmende kerkklok aan het begin en een juichend carillon aan het einde.


In het titelverhaal ‘Olifanten warm houden’ is een eenzame ik-verteller, die zich staande houdt met de korte dagelijkse contacten: een caissière, met de man van de fietsenstalling.


‘Over bier en eten gesproken: het huis van de buren is eindelijk verkocht. Ik had geen  bord gezien, maar ineens ging de bel. Ik was juist boven de was aan het opvouwen, nog zo’n klusje waarbij ik aan je denk, en aan olifanten, ook al is het alleen nog maar mijn was, - maar eigenlijk denk ik altijd aan je – toen de deurbel ging.'


Pas aan het einde van het verhaal weet je wie de ik-verteller is, wie de ‘jij’ die hij aanspreekt en wat er met die olifanten is.


Het is vaak zo dat het verhaal een beetje geheimzinnig in elkaar zit. Is de ik een man of een vrouw? Wat moeten we als lezer met de situatie die geschetst wordt? En dan volgt een verhelderende wending, die soms oplucht, maar vaak ook niet. De afloop van de verhalen is niet altijd even vrolijk of zelfs maar positief, en toch is de toon niet somber.


Mijn voorkeur gaat uit naar het verhaal ‘De vlucht’, waarin een man en een vrouw op reis gaan, ze zitten in de trein om naar de luchthaven te gaan. De vrouw is de verteller, het is al snel duidelijk dat zij in hun relatie altijd degene is die water bij de wijn moet doen, dat zij altijd het onderspit delft. Deze keer heeft zij het reisdoel uitgekozen voor hun vakantie. Eenmaal de deur uit voelt ze dat haar backpack veel zwaarder is dan ze dacht.


’Heb jij aan mijn backpack gezeten?’
‘Ik heb er wat dingetjes bijgestopt. Jij had zoveel plek over.’
Ze zwijgt, gewoontegetrouw. Ze weet hoe ruzies tussen hen ontstaan, kleine dingetjes die groot worden, een inktvlek uit het kruikje van Serafat. Ze krabbelt een restje opgewektheid bij elkaar. ’Wat dan?’
‘O, gewoon, een boek, nog een paar schoenen, een föhn.’
(…)
‘Ze herinnert zich het compliment van gisteravond, over een potloodschets die ze van hem had gemaakt, met de zachte 4B, haar favoriet. Ze herinnert zich de warme roes die het haar gaf en probeert die sfeer terug te brengen en te laten groeien door haar wil alleen. Liefde die zo groot groeit als een volle tweedeklas coupé tijdens de spits, groter nog, liefde die alle inzittenden verzacht. Het werkt niet, ze ziet zijn ogen afkeurend afglijden naar haar natte oksels en ze denkt aan de föhn in haar backpack.’


Mooie verhalen over herkenbare situaties, over mensen die gewoon zijn, ook al hebben zij een andere cultuur of leven ze in een andere tijd.
De Extazereeks, een gezamenlijk initiatief van het literair tijdschrift Extaze en Uitgeverij In de Knipscheer, biedt schrijvers die eerder in Extaze hebben gepubliceerd de mogelijkheid hun werk in een zelfstandige uitgave te presenteren. De vormgeving van omslag en binnenwerk is van Els Kort.


Dieuwke van Turenhout studeerde Letteren in Tilburg en woonde en werkte onder meer in Nederland, op de Filippijnen, in India en in België. Ze publiceerde verhalen in literaire tijdschriften. Zij is host van de podcast Not just Hemingway, die zich exclusief bezig houdt met het korte verhaal.
Haar debuut Olifanten warm houden is de zesde uitgave in de Extazereeks van het literair tijdschrift Extaze.


ISBN 9789062656875 | Paperback| 148 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer | november 2018

© Marjo, 28 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Strandvogel
Reinier Bresser


Gustaaf Vogel, succesvol trader bij een bedrijf in Londen, krijgt een schokkend telefoontje. Zijn zusje Fanny is tijdens het zwemmen in de zee bij Wassenaar verdronken. Gustaaf snapt het niet: zijn zus kon uitstekend zwemmen! Was het een ongeluk? Of was het opzet? Er wordt geen enkel teken gevonden dat het laatste het geval zou kunnen zijn, maar Gustaaf twijfelt.
Behalve deze twijfel is er het schuldgevoel dat hem kwelt, er was de laatste jaren nauwelijks contact met zijn zusje.
Het eerste wat hij doet als hij terug is gevlogen naar Nederland, is naar het strand gaan, naar de plek waar hij de beste herinneringen aan heeft. Daar bij strandpaal 93 is Fanny de zee in gelopen.


‘Strandpaal 93. Toen de reddingzwemmers hem hadden verteld dat Fanny daar gevonden was, wist hij genoeg. Hij kon er blind naar toe lopen, hij wist hoeveel stappen het was van de duinrand naar de verweerde paal, waarop in zwarte cijfers het nummer was geschilderd. Hij had er tegen aan geleund als hij naar de vrachtschepen aan de horizon keek. Hij had er een rondedans gemaakt toen hij voor zijn eindexamen was geslaagd. Het was zijn totempaal geweest.’


En nu was Fanny daar gevonden.


Aan het water is niets te zien. Fanny Vogel kende de zee net zo goed als haar drie jaar oudere broer, misschien wel beter. Hun zomerse dagen sleten zij allebei aan de Wassenaarse Slag, waar ze picknickten met hun ouders, en waar zij terwijl hij met zijn vrienden rondhing ging kijken hoe Kees Zuydwijk poffertjes bakte. In het paviljoen Zuydwijk woonden in de zomer de tweeling Harry en Gabor, van dezelfde leeftijd als Gustaaf. De jongens vroegen hem nogal eens om te blijven slapen, daar op het strand. Fanny ging dan braaf mee naar huis, ‘ze ging altijd braaf mee,’ al miste ze haar broer dan. Ze kroop vaak bij hem in bed, dat was veilig.
Hun ouders hadden niet echt een hechte band, en er was niemand anders.


Maar zoals dat gaat met een broer en een zus, ieder ging zijns weegs. Gustaaf merkte waarschijnlijk niet eens hoezeer zij hem miste. Hun band was een vanzelfsprekendheid, hij besefte niet dat je zo’n verbintenis  moest onderhouden. En hij vertrok naar Londen, met zijn vrouw Martha en zoon Alexander. Maar hij was al eerder vertrokken, toen hij ging studeren. Al wilde Fanny het anders, zij was te bedeesd om eisen te stellen.


Nu is ze dood, en tot zijn schrik ontdekt Gustaaf dat zijn eigen zoon Alexander meer contact met haar had dan hij wist, en meer dan hij zelf had. Van hem hoort hij dat Fanny in behandeling was bij een psychotherapeut. Gustaaf gaat met die man praten, maar wordt niet veel wijzer. Ze had een dissociatieve stoornis, maar dat kon meerdere oorzaken hebben. Maar was het voldoende om aan te nemen dat haar dood gepland was?
Gustaaf overdenkt zijn eigen leven. En hij neemt een besluit.


Het is een verhaal over hoe je jezelf kunt kwijtraken, maar ook weer terugvinden. Het wordt verteld vanuit Gustaaf, maar om het geheel duidelijk te krijgen moet ook Fanny haar kant van het verhaal vertellen. Dat gebeurt in ingelaste stukken tekst. Zowel broer als zus wisten niet hoe ze met elkaar moesten communiceren, ze hadden het niet geleerd. Allebei vluchten ze als het ware in een leven dat niet goed voor hen was. Een leven waar ze geen van tweeën ‘gezien’ werden door hun omgeving. 
Triest, en voor Fanny te laat.


Reinier Bresser (Wassenaar,1948) is copywriter en creative director bij reclamebureaus als Ogilvy en Publicis. Ook was hij partner van het Amsterdamse bureau Straad.
Strandvogel is zijn romandebuut.


ISBN 9789491363931 | Paperback | 128 pagina's | Gibbon | oktober 2018

© Marjo, 2 december 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Dochter
Lenny Peeters

Een meisje zit in de verhoorkamer van een politiebureau. Gezien de ruwe en onvriendelijke behandeling wordt ze ergens van verdacht, maar het meisje heeft geen idee wat ze daar doet. Er worden vragen gesteld waarop ze nauwelijks een antwoord heeft, hetgeen gedeeltelijk ligt aan het feit dat ze die vragen niet begrijpt.
Ze krijgt koffie, die ze niet lust, maar limonade komt er alleen als ze vragen beantwoordt.


‘Krijg ik suikerklontjes?’ vraag ik.
‘Dat kan.’ De man tikt op mijn blad. ‘Als hier iets op staat, kunnen we het er over hebben.’
Is dat een regel? Ik denk het wel. De eerste die ik hoor. Waarom hangen ze hem niet aan de muur? Met foto’s erbij van wat er allemaal op een blad kan staan? Zou een beker goed zijn?’


Wat het meisje gedaan zou hebben, weet ook de lezer niet, maar dat haar leven niet normaal was weten we al wel. Zij woont met haar vader in een verwaarloosd huis, geen moeder. En ook geen instanties die zich er mee bemoeien. Of heeft vader die allemaal weggejaagd?
Het gaat niet goed met het meisje, ze is zwakbegaafd en wordt van school weggestuurd omdat ze zich niet kan gedragen. Ze heeft een heel eigen manier om de wereld te interpreteren.


‘Ik veeg de bladeren en takjes onder de eik opzij en doe mijn doos met spullen open. Eerst zaten er pantoffels in. Vader had ze met de kruiwagen meegebracht. Twee grote sloffen met stoffen tanden en pluchenoren.
‘Konijnenkoppen,’ zei vader. Dat dacht ik niet. Konijnen zijn bruin of wit of zwart. Nooit roze. Dat zou vader moeten weten.’
[...]
Vader had het vast niet goed gezien. Hij zou een bril moeten dragen. Dat zegt hij zelf. Hij wrijft over zijn ogen en klaagt dat ze zo snel achteruitgaan. Ik zie er niets mis mee. Ogen kunnen alleen maar achteruit als je er heel hard op drukt.‘


Thuis houdt ze zich bezig met cavia’s, op een manier die meelij doet krijgen met die beestjes. Wij vinden het gruwelijk, maar voor haar is het heel gewoon om van de dode dieren, ook van de konijnen die haar vader slacht en die ze opeten, de schedels te bewaren onder haar bed.
Haar enige vriend is de buurjongen, Jonas. Het wordt de lezer al snel duidelijk dat die jongen broeit van de hormonen, hij ziet er geen been om het meisje - Konijntje noemt hij haar - naar zijn pijpen te laten dansen.


Lenny Peeters schreef met Dochter haar debuutroman. Een psychologische roman over een meisje die in haar onschuld de vreselijkste dingen doet. Het verhaal wordt verteld vanuit het meisje, in korte zinnen en eenvoudige taal. De gebeurtenissen waar het verhaal om draait moeten door de lezer uit de context worden opgemaakt, het wordt nergens expliciet verteld.
Lenny Peeters (1975) is Vlaams, hetgeen ze verraadt door haar woordgebruik.  Eerder won ze prijzen met korte verhalen.


ISBN 9789044633894 | paperback | 224 pagina's | Prometheus | oktober 2018

© Marjo, 7 november 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het land houdt van stilte
Fieke Gosselaar


‘Op de landbouwgronden groeiden de gewassen door de seizoenen heen tot aan de laatste dijk waarachter de kwelders lagen en de Dollard begon. Het land van Siebo lag in de Reiderwolderpolder, terwijl zijn boerderij midden in het dorp stond.’


Oost-Groningen, een op het oog eenzaam gebied, met dorpjes en alleenstaande boerderijen, een land dat stilte biedt. In het huis van Siebo is een Bed & Breakfast, niet dat Siebo dat zo leuk vindt, vreemde mensen over de vloer, maar hij laat het zijn vrouw maar doen. Hij weet dat hun kinderloosheid haar achtergelaten heeft met een leeg gevoel, en ach, hij heeft zijn eigen bezigheden, hij heeft er net zo veel last van als hij zelf wil.
Maar als zijn vrouw meer lijkt te gaan voelen voor die ene terugkerende gast, vallen er toch wel woorden. Warre, een jongeman die regelmatig komt vanuit Amsterdam, lijkt voor Meena als een zoon te zijn. Dat is niet goed, vindt Siebo.


Als Warre deze keer komt en aangeeft dat hij wat langer blijft, speelt Meena met de gedachte dat hij voor altijd zou kunnen blijven. Warre, wiens moeder net overleden is, en die het ouderlijk huis moet ontruimen, heeft dat idee ook. Niet dat het uitgesproken wordt overigens.
Dan is er ook nog Duurt, een man die ook uit de Randstad komt en alleen woont met zijn duiven. Als zijn buurman overlijdt ontfermt hij zich een beetje over de buurvrouw.


Deze verhalen wisselen elkaar af: Siebo en Meena, in de derde persoonsvorm. Warre en Duurt opgevoerd als ik-persoon. Het duurt lang in dit land van stilte voor de lezer begrijpt wat deze mensen bindt, er wordt niet veel gesproken. Niet dat het dus automatisch een boek is met beschrijvingen, er gebeurt genoeg: er worden uitstapjes gemaakt, er wordt gewandeld, het huishouden wordt gedaan, maar het geheel heeft wel een verstilde sfeer. Zoals dat lijkt te passen in dit polderlandschap, waar de moderne tijd nog niet geheel vat op heeft gekregen.


De personages zijn mensen die op zichzelf zijn. Ze hebben wel gezelschap, maar dat is niet altijd een garantie voor echt contact. Het blijft een beetje op de vlakte allemaal. Dat is niet negatief bedoeld, het boek is een rake kenschets van de menselijke aard.


Een mooie psychologische roman waar ook nog een spanningsboog in zit, maar die staat op het tweede plan.


Fieke Gosselaar (1982) is strafrechtjuriste bij de rechtbank Noord-Nederland. Haar werk inspireerde haar tot het schrijven van een verhalenbundel, Tussen de anderen. Gosselaar verzorgt wekelijks een radiocolumn voor RTV Noord. In 2013 verscheen haar Groningse poëziedebuut, Nova Zembla. Dit is haar prozadebuut.


ISBN 9789026342424 | Hardcover | 196 pagina's | Ambo-Anthos | juni 2018

© Marjo, 21 oktober 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER