Griet Vandermassen

Dames voor Darwin
Over feminisme en evolutietheorie
Griet Vandermassen


In het Woord Vooraf, geschreven door psychiater en opiniemaker Esther van Fenema, wordt heel helder het thema van dit boek samengevat.


Het moderne feminisme ziet de man als onderdrukker waarvan de vrouw bevrijd moet worden. Het is een haast religieus wereldbeeld, met een juiste ‘leer’, strikte voorschriften voor wat mensen mogen denken, zeggen en doen, en waarin de vrouw gezien wordt als slachtoffer van een samenleving gekenmerkt door mannelijke dominantie. Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen zijn een gevolg van socialisatie, dus cultureel bepaald en daardoor veranderlijk. Dit botst met de gegevens van de evolutietheorie: onze eigenschappen zijn biologisch bepaald en liggen dus vast (blz. 10, door mij vrij samengevat).


Een heel interessant thema dat Griet Vandermassen in negen hoofdstukken uitwerkt. In het eerste hoofdstuk schetst zij de opkomst en veelkleurigheid van het feminisme. Daarna komt aan de orde wat wetenschap is en wat de feministische kijk op wetenschap is. De volgende hoofdstukken behandelen Darwin en de aversie van feministen tegen een biologische benadering van de twee seksen. Drie hoofdstukken hebben te maken met evolutiepsychologie (sekseverschillen in sociaal gedrag; partnerkeuze en seksualiteit). In het slothoofdstuk bepleit Griet Vandermassen een nieuwe start: nadenken over sekseverschillen vanaf nul, maar dan op basis van de evolutiewetenschap. De ondertitel Over feminisme en evolutietheorie dekt de thematiek voortreffelijk.


Een heel programma, maar Griet Vandermassen behandelt al deze thema’s deskundig en scherpzinnig. Voor haar staat vast dat mensen het product zijn van evolutie door selectie (blz. 32). De bewijzen zijn ‘vandaag ronduit verpletterend’ (blz. 85).


Maar de bezwaren die Griet Vandermassen aanvoert tegen het feminisme (blz. 31) gelden mijns inziens ook voor de evolutietheorie. Ook voor de evolutietheorie geldt dat er sprake is van ‘een enorme verscheidenheid aan theoretische perspectieven’, die vaak ‘tegenstrijdig’ zijn aan elkaar en elkaar dus uitsluiten. Wat is er dan ‘bewezen’ en welke stroming is dan de juiste? Is ‘wetenschap’ altijd het betrouwbare fundament onder ons denken? Zoals de schrijfster zelf al aangeeft (blz. 65) is ons brein ontzettend vatbaar voor zelfbedrog en denkfouten. Ook in de wetenschap komt tunnelvisie voor.


Ondanks deze constatering gaat Vandermassen er van uit dat al het leven langs evolutionaire lijnen vorm heeft gekregen en dus ook ‘een complex orgaan als het oog’ heeft laten ontstaan. Hier zou het waardevol zijn geweest als de auteur ook ander wetenschappelijk onderzoek had geraadpleegd. Ik denk bijvoorbeeld aan het werk van de Amerikaanse biochemicus en hoogleraar Michael Behe. Behe toonde aan dat er ‘onherleidbaar complexe organismen’ bestaan die niet langs de weg van de evolutie gevormd kunnen zijn. Het oog is daar een goed voorbeeld van. Het oog heeft pas een functie en dus nut als het compleet gevormd is. Daarom kan het oog, opgebouwd uit pupil, iris, lens, netvlies, staafjes en kegeltjes, oogzenuw, lichtgevende plek, niet stap voor stap ontstaan zijn, maar moet het er ‘ineens’ en ‘kant en klaar’ zijn.


Voor een goed begrip: Behe is geen christen of ‘gelovige’ in welke zin dan ook. Hij is een wetenschapper en niet de enige wetenschapper die vraagtekens bij de evolutietheorie plaatst (zie zijn boek: De zwarte doos van Darwin. Het biochemisch vraagteken bij de evolutie.)


Tegenover de stelligheid van Vandermassen komt dan toch de vraag te staan: hoe weten wij zo zeker wat er zich ‘tientallen miljoenen jaren geleden’ heeft afgespeeld? Het kost historici en archeologen al grote moeite om een redelijk betrouwbare reconstructie te geven van een samenleving pakweg 3000 jaar geleden. Wat weten wij dan van migratie zestigduizend jaar geleden (blz. 164)? Wat weten wij nu eigenlijk af van het ontstaan van het leven? Kunnen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen in plaats van geëvolueerd uit een jagerssamenleving niet al in aanleg meegegeven zijn toen het leven ontstond? Ook de moderne celbiologie maakt het moeilijk vast te houden aan de traditionele evolutietheorie. In elke cel ligt een complete bibliotheek aan informatie opgeslagen. Hoe komt die informatie in de cel terecht? Evolutie is een blind, ongericht en niet gestuurd proces. Speelt het toeval dan niet een veel te grote rol? Hoe kan iets wat er eerst niet was geselecteerd worden? Moet de mogelijkheid van een schepping niet toch opengehouden worden? Dat onze geest door evolutie is gevormd ‘staat buiten kijf’ lees ik op blz. 168. Hoe kan echter het immateriële uit het materiële ontstaan?


Soms komen evolutionaire verklaringen ook wel wat gemakkelijk over. Vrouwtjes ontwikkelden de eigenschappen voor zwangerschap en melkproductie omdat zij nu eenmaal bevrucht worden (blz. 101). Het verschil in ouderlijke investering in het nageslacht (vrouwen meer dan mannen) heeft geleid tot de sekseverschillen (blz. 101). Mannetjes ontwikkelen in de strijd om de gunst van vrouwtjes fysieke kenmerken, zoals slagtanden, hoorns, geweien, baltsgedrag (blz. 102). Vrouwen verzamelden van oudsher noten en vruchten en hebben daardoor een beter locatiegeheugen ontwikkeld dan mannen. Mannen achtervolgden hun prooi en hebben daardoor een beter ruimtelijk inzicht dan vrouwen (blz. 207). Zijn deze beweringen volgens een wetenschappelijke methode vastgesteld? Hoe test je zulke theorieën? Met andere woorden: evolutietheorie is niet vrij van speculatie.


Zo zijn er allerlei vragen te stellen zonder dat dit afdoet aan mijn bewondering voor de vaardigheid en passie waarmee Vandermassen haar onderwerp behandelt. Vragen zijn inherent aan dit actuele en gevoelige thema. Zo lees ik op blz. 134 dat evolutie ook betekent dat wij zelf bepalen wat goed of fout is, wenselijk of niet-wenselijk. Persoonlijk huiver ik daar een beetje bij, gezien de vele ontsporingen van menselijk gedrag in de geschiedenis. Als wij de morele standaard aanpassen aan de volkswil en dus de tijdgeest, vallen er geheid slachtoffers.


Zeer waardevol zijn de kanttekeningen die Vandermassen bij de genderideologie plaatst. Een samenleving zonder genderverschillen heeft nog nooit bestaan. Wereldwijd vertonen alle culturen juist opvallend gelijkwaardige patronen. Kinderen vertonen overal al op jonge leeftijd sekseverschillen en voorkeuren (denk aan speelgoed) (blz. 142 en 190)). Sekseverschillen zijn dus aangeboren en niet aangeleerd. In de opvoeding kun je wel bijsturen en verder vormen.


Met veel belangstelling heb ik de laatste twee hoofdstukken gelezen. Vandermassen behandelt hierin de loonkloof tussen mannen en vrouwen, stereotype gedrag, het verschil in interesses en partnervoorkeuren, het aangaan van vaste relaties, het omgaan met losse seks, de feministische paradox (vrouwen die het feminisme als te radicaal afwijzen). Ik vind de schrijfster moedig. Ze staat voor haar mening en durft de mainstream te trotseren. Volgens haar staan veel mannen vandaag de dag in de kou en wordt het onmogelijke van hen verlangt in een gefeminiseerde samenleving. Mannelijk gedrag moeten we niet ombuigen naar een vrouwelijke richting. Een man moet het beste van zichzelf als man maken (blz. 286). Als feministen echt voor de keuzevrijheid van vrouwen opkomen, moeten zij ook aanvaarden dat vrouwen andere keuzes maken dan feministen wenselijk achten (blz. 298).


In haar dankwoord schrijft Griet Vandermassen dat dit boek maar moeizaam tot stand is gekomen. Ik geloof het graag. Maar ik ben blij dat Griet Vandermassen heeft doorgezet. Ze heeft een prima boek geschreven, aansprekend, uitnodigend tot meedenken en ook prikkelend tot tegenspraak. Vandermassen is germaniste en doctor in de wijsbegeerte. Zij schreef al eerder een boek over dit thema (2005). Uitgeverij Houtekiet heeft het boek stevig en goed verzorgd uitgegeven.


ISBN 9789089247018 | Paperback | 368 pagina's | Uitgeverij Houtekiet | augustus 2019

© Henk Hofman, 10 oktober 2019

Lees de reacties op het Forum en/of reageer HIER.