Nieuwe boekrecensies

Liefde, als dat het isLiefde, als het dat is
Marijke Schermer


"David zegt dat zijn huwelijk vijfentwintig jaar gelukkig was, tot de natuurramp."


Zo noemt David het vertrek van Terri, een natuurramp, wat tevens het uitgangspunt van dit boek is. We krijgen vervolgens geen dramatisch geschreven relaas vol zelfbeklag en ellende maar wel een vrij realistisch en aangrijpend verhaal over de vraag wat liefde en relaties nu eigenlijk inhouden.


We volgen de zes hoofdpersonen, te beginnen bij Terri en David. Zij zijn het stel dat volgens David zo gelukkig was. De natuurramp voltrok zich toen Terri aankondigde dat ze weg moest, dat ze stikte in hun relatie en uiteindelijk bekende dat ze iemand anders had, Lucas.
Voor hun dochters, Ally en de puberende Krista, komt de klap ook hard aan, zij uiten hun gevoelens op heel verschillende manieren maar dat het zeer doet, dat het schrijnt, is duidelijk. Uiteindelijk is daar Sev, die een minnaar zocht en gevonden heeft in David.
De gedachten van de personages lopen in elkaar over, waardoor je regelmatig verrast wordt en bij de les blijft.


Wat Marijke Schermer met dit prachtige, schrijnende verhaal doet, is laten zien welke vormen van liefde er zijn en wat een relatie doet met een persoon. Dit toont ze door de ogen van de zes personages zelf. De vraag is vooral; wat doet liefde met je en verander je in een relatie van individu tot een samensmelting van elkaars wensen en gedachtes en lost zo het individu op? Of maakt een relatie juist wél het individu vrij en komt iemand tot bloei?


'(Lucas) Maar we hebben toch wel iets?
'(Terri) Iets?" Ze geeft hem een kus.'[...]
'We houden het gewoon op iets.'[...]
'Maar ik ben wel getrouwd.'
'Ja'.'
'Dat is nogal een... iets.'
'Maar je bent niet alleen maar getrouwd. je bent ook een individu'. En in die stomme waarheid heeft hij natuurlijk gelijk. Ja, ze is ook een individu. Wanneer raakte haar individuele leven onontwarbaar verknoopt met de verplichting om verantwoording af te leggen? Eerst gaat dat vanzelf, dat samenzijn, versmolten zijn, omdat het overeenkomt met je verlangen. Je loopt erin. Maar dan, hoe trek je jezelf los van je verband, en hoe doe je dat zonder alles te slopen?


Terri  weet het niet, ze voelt zich vrouw, aantrekkelijk, is blij met de honger naar haar lichaam die Lucas toont. Maar ze is niet goed in het zichzelf lostrekken van haar gezin zonder te slopen. We lezen hoe ze denkt, wat ze voelt. Haar innerlijke proces van weggaan was al eerder begonnen, zij wist dat ze vastgeroest was en weg móest. De verhouding met Lucas is de weg naar dat gewenste andere leven.
Terri is wel erg radicaal, ze wil eigenlijk helemaal vrij zijn, minder tijd met de kinderen doorbrengen, David is veel beter in de omgang met hen weet ze. Maar de twijfel is er ook. Is dit wel de goede weg? 
Voor de buitenwereld is ze in alles totaal veranderd, bijna onherkenbaar geworden, vooral voor haar dochters en David.


David ziet het met verbijstering aan. Hij zorgt zo goed mogelijk voor zijn dochters, stopt zijn liefde vooral in het eten wat hij voor ze maakt.  Hij vraagt zich af wat zijn relatie met Terri eigenlijk inhield, waarom merkte hij niets, wist hij niets, voelde hij niets van haar woede, haar onvrede? Alles was toch goed? Is hij echt zo'n saaie man? Hij is boos, verdrietig, opstandig. Hij is soms ook berustend...
Ergens is er ook een gevoel van vrijheid, maar is dat gevoel wel gewenst? Zijn latere minnares Sev maakt wel dat ook hij een andere kant van zichzelf ontdekt.


De kinderen reageren ook heel verschillend. De vijftienjarige Krista, wordt heen en weer geschud tussen haar verliefdheid voor Rafik en de woede, walging en afkeer die ze voelt jegens haar moeder.
De jongere Ally daarentegen verwerkt haar verdriet in stilte, probeert tussen alles door te fietsen, wil loyaal in haar liefde voor haar ouders blijven. Erg schrijnend is het gedeelte waarin ze haar ouders hoort ruziemaken en zij stilletjes bovenaan de trap meeluistert.


"Haar vader zegt dat haar moeder het tegen de kinderen moet vertellen. En haar moeder zegt dat ze niet weet wat ze dan moet vertellen, ze zegt dat er geen conclusie is. En dan zegt ze dat ze niet weet of ze kan blijven. Ally en haar vader, allebei, houden hun adem in, krijgen geen zuurstof meer, worden langzaam duizelig. Wat betekent dat, niet blijven? Niet blijven is weggaan."

En dan zijn er nog Lucas en Sev, de minnaars van Terri en David die ook elk een eigen kijk op de liefde en een relatie hebben.  Lucas denkt alleen aan zijn eigen plezier, is manipulerend, egocentrisch. Sev wil geen echte relatie, denkt ze, maar is dat zo?  Kortom "Liefde, als dat het is gaat over de vele versies van liefde: puberromantiek, vriendschap, lust, tot de dood ons scheidt en de intensiteit van het moment.' staat op de flaptekst te lezen. En zo is het.


Het is een adembenemend verhaal dat in een erg mooie, bijzondere stijl is geschreven,  Een boek met diepte en inzicht. Een boek om te koesteren.
Vooral lezen!


ISBN 9789028282391 | Hardcover met stofomslag | 203 pagina's | Uitgeverij Van Oorschot | juni 2019

Dettie, 15 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Steen
Bieke Roose


Een debuut van een docente geschiedenis, dat belooft een duik in het verleden!
We gaan terug naar het begin van de dertiende eeuw, naar de stad die in die tijd de grootste was in de Nederlanden: Gent. Er woonden 50 tot 60 duizend mensen. Rond het nu historische centrum liepen rivieren en kanalen: de Schelde, de Ottogracht, de Leie, de Houtlei en de Ketelvest die als een eerste beschermingslinie dienden, samen met de stadspoorten.


Rond het jaar 1100 was op de Korenmarkt een kerk gebouwd in Romaanse stijl, de Sint-Niklaaskerk.
In de twaalfde eeuw werd de Romaanse bouwstijl niet meer gewaardeerd, er moest een heel ander gebouw komen. Die stijl wordt nu de Scheldegotiek genoemd: er wordt een steensoort uit Doornik gebruikt en de grote toren, de vieringtoren, krijgt een nieuwe plek op de kruising van de hoofd- en zijbeuk. Die toren is 76 meter hoog.


Martin d’Antoing, de fictieve meester-metselaar in het boek, richt zich op de lichtval in de kerk. Hoge vensters moesten er komen. Omdat hij bekend staat als de beste bouwer geeft de stad Gent, in die tijd geleid door de rijke patriciërsfamilies, hem vrij spel. Misschien is het feit dat zijn vorige baas, Enguerrand de Coucy, hem kost wat kost terug wil halen naar zijn burcht ook wel van invloed, maar het is vooral zijn passie en de manier waarop hij met zijn werknemers omgaat, die de schepenen er van overtuigen dat ze met d’Antoing de beste man binnenhalen. Als er ridders komen uit Coucy, staan ze dan ook volledig aan de kant van hun meester-bouwer.


Een goede start was ook het feit dat Martin d’Antoing, met zijn groep bouwers op weg naar Gent, ingreep bij een oneerlijk gevecht, en daarbij de kant koos van Jan Borluut, de zoon van een van de grootste geldschieters. Jan wordt aangesteld als degene die d’Antoing moet controleren. Dat gaat hem niet zo best af, maar brengt hem wel in de nabijheid van die mooie jongedame die hij vanaf de eerste blik begeert.
Anna d’Antoing is evenwel jonger dan ze oogt, veertien pas, en totaal niet geïnteresseerd in die blaaskaak. Zij is een erg leergierig meisje, niet te stuiten sinds haar vader haar heeft leren lezen en schrijven. Jan denkt evenwel dat hij alles mag en profiteert van Anna’s honger naar boeken.


Met nog een aantal andere verhaallijnen zijn de bouw van de kerk en de achtergebleven positie van de vrouw in die tijd wel de belangrijkste thema’s.
Bieke Roose vertelt veel over hoe de bouw vordert, de problemen waar Martin d’Antoing tegen aanloopt, zowel de bouwtechnische kanten als zijn plaats binnen de maatschappij van Gent. Ook over zijn persoonlijke leven gaat het, over het gezin, zijn vrienden, en zijn werknemers. Martin d’Antoing richt als een van de eersten een solidariteitsfonds op, voor als zijn werknemers iets overkomt!
Anna op haar beurt staat voor de emancipatie van de vrouw, een lastige zaak in die tijd waarin vrouwen niets te vertellen hebben, waar scholing alleen mogelijk is binnen kloostermuren.


Het verhaal geeft een mooi beeld van het leven in een stad in die tijd.  Het leest ook vlot, doordat de informatie prima gedoseerd is binnen het verhaal dat gaat over het leven van mensen, in goede en slechte tijden. Het verhaal is niet zo 'kortaf' als de titel doet vermoeden: vooral liefhebbers van historische romans worden meegesleept in een verhaal dat gedegen onderzoek als basis heeft, hetgeen verantwoord wordt achter in het boek.


Bieke Roose (1958) studeerde geschiedenis aan de UGent. Ze publiceerde eerder boeken voor jongeren. Dit is haar eerste historische roman.


ISBN 9789462420991 | paperback | 367 pagina's | Uitgeverij Kramat | juni 2019

© Marjo, 9 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Als alles is gezegd
Anne Griffin


De 84-jarige Maurice Hannigan zit aan de bar in het Rainsford House Hotel, in het graafschap Meath in Ierland. Het is vroeg in de avond, er is nog vrijwel niemand aanwezig. Terwijl hij zich in een lange monoloog richt tot zijn zoon Kevin, die ver weg in Amerika woont, bestelt hij vijf drankjes waar hij de hele avond over doet. Het is een beladen plaats, dit hotel.


‘Maar toch zit ik hier. Daar heb ik mijn redenen voor, jongen. Ik heb zo mijn redenen.’


De eigenaresse, Emily, spreekt hem aan. Ze denkt dat hij een speciale reden heeft om te komen en begint meteen te sputteren dat ze geen tijd heeft. Maurice stelt haar gerust, en zal later - nog steeds zijn zoon aansprekend - uitleggen waarom ze zo nerveus reageert op zijn aanwezigheid.
Hij zal nog veel meer uitleggen: deze avond zal hij vijf drankjes bestellen, om op vijf personen een toost uit te brengen. Vijf mensen die belangrijk waren of nog zijn voor hem.
In de loop van de avond ontdekt de lezer wat er speelt.
Maurice is alleen, zijn vrouw is al een paar jaar dood, zijn zoon woont ver weg.


Deze avond gedenkt hij zijn te jong overleden broer Tony; zijn snel na de geboorte overleden dochtertje Molly; Noreen, zijn bijzondere schoonzus; zoon Kevin en als laatste Sadie, zijn overleden vrouw.


Die ochtend is Maurice naar zijn notaris geweest, die voor de oude man een bijzondere kamer heeft geregeld in het hotel. Emily weet echter niet wie de gast zal zijn.
Hij vertelt Kevin over zijn jeugd, in een tijd dat Ierland geregeerd werd door enkele rijke landeigenaren die hun pachters uitbuitten. Later veranderde dat, moesten deze rijke mensen hun land verkopen, voor meer mensen  dan Maurice een genoegdoening die vaak te laat kwam. De zoon van de heer van het landhuis, Thomas Dollard, vernederde en sloeg Maurice wanneer hij maar kon. Dat die later ontdekte dat de jongen zelf door zijn vader mishandeld werd, kon niet meer als excuus dienen. De familie Dollard had dan wel veel geld en grond, veel geluk was er voor hen ook niet weggelegd. Maar dat is slechts een bijkomstig verhaal.


Het gezin Hannigan leed een groot verlies, toen Tony, vijf jaar ouder dan Maurice en diens grote voorbeeld, overleed aan tbc. Hun moeder kwam dit nooit te boven.
Hoewel hij op zakelijk gebied succesvol was, lachte het geluk Maurice pas weer toe toen hij Sadie ontmoette. Het mocht niet lang duren. Hun eerstgeborene bleek niet levensvatbaar. Maar het meisje, Molly, zal altijd bij haar vader blijven, ze is als een geweten voor hem, Hij praat met haar, vraagt raad.


‘Ik moest machteloos toezien hoe het zilver zijn opmars maakte in haar haren.'
'Het leek wel of die maanden gevuld waren met dichtgaande deuren – met mij aan de andere kant, op de vlucht voor wat ik had gedaan.’


Dan wordt Kevin geboren, en nu - jaren later - weet Maurice dat hij zijn zoon te weinig aandacht heeft gegeven. Hij kon zich er niet meer echt toe zetten. Spijt komt na de zonde.
Het gemis van Sadie, nu twee jaar geleden, valt hem zwaar. Hij kan het niet aan, niet in zijn eentje. Voor haar is de laatste borrel, de eerdere borrels drinkt Maurice op de licht geestelijk gehandicapte zus van Sadie, die een belangrijke rol in zijn leven speelde. En op zoon Kevin natuurlijk, ver weg maar daarom niet minder geliefd.


Het is al vaker gebleken: Ierse schrijvers hebben een stilistisch talent. Ook Anne Griffin vertelt het verhaal van Maurice vol gevoel en mededogen en doet dat op een haast poëtische manier.


‘Aan de telefoon heeft niemand door dat ik honderd diepe rimpels heb, of een kunstgebit met een eigen willetje.’


‘Niemand, echt niemand weet wat verlies is, tot je iemand kwijtraakt van wie je houdt. Iemand voor wie je het soort diepe liefde koestert dat in je botten kruipt en zich vastzet onder je vingernagels, net zo moeilijk weg te krijgen als jarenlang aangekoekte aarde. Als zo iemand wegvalt… dan is het alsof je hart uit je lichaam wordt gerukt’


Als alles is gezegd is een psychologisch verhaal, met mooi uitgewerkte karakters. Vooral de oude man raakt je, een man die tot het besef komt dat spijt en wraak zinloos is: leef je leven als het zich voordoet, inhalen lukt immers niet. Prachtige debuutroman, die ook nog een beeld geeft van Ierland door de jaren heen.
De Ierse Anne Griffin is afgestudeerd aan University College Dublin waar ze Creative Writing studeerde. Haar werk werd bekroond met de John McGahern Award for Literature.


ISBN 9789402702620 | paperback | 288 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | april 2019
Vertaald uit het Engels door Erica Disco

© Marjo, 3 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De bekentenissen van Frannie Langton
Sara Collins


Londen, 1826. Een jonge vrouw wordt beschuldigd van moord. De verontwaardiging van het volk is groot, het gaat om een echtpaar, George en Marguerite Benham. Zij werden gevonden door de huishoudster, Eustacia Linux, die tot haar grote verbijstering de beklaagde slapend aantrof naast de lijken.


Die beklaagde is de mulattin Frances Langton, een gewezen slavin, die met haar vorige eigenaar, de heer Langton, naar Londen is gekomen, waar hij probeerde de bevindingen van het onderzoek waar Frannie hem bij hielp, uitgegeven te krijgen. Hij wilde bewijzen dat de zwarten geen menselijke wezens waren…
Omdat er zich geen uitgever meldde, gaf hij het meisje aan het echtpaar Benham. Eenmaal in Engeland was zij een vrije vrouw.


‘Waarom bent u niet weggelopen?’
Het verbazingwekkende antwoord: ‘Ik vergat het telkens. Dat ik geen bezit meer was.’


Frannie is geboren en getogen op een plantage op Jamaica, waar zij eerst als huisslavin de vrouw des huizes dient, en later de rechterhand wordt van de heer des huizes. Op die plantage heeft ze vreselijke dingen gezien en moeten doen, maar ook heeft ze er leren lezen en schrijven, hetgeen niet gebruikelijk was. Dit talent werd tegelijk haar bevrijding als ook haar ondergang. Want nu staat ze terecht, en wordt ze behalve van de moord beschuldigd van hoererij.
Ze schrijft haar verhaal op in haar cel, gericht aan haar advocaat, John Pettigrew,


‘Ik denk dat ik u wilde laten zien dat er liefde bestond tussen haar en mij. Maar hoe zou dat kunnen helpen? Wat zij en ik voor elkaar betekenden, is niet iets wat jullie mannen op waarde zouden weten te schatten. En liefde is hoe dan ook geen verweer voor moord, zoals u zei, maar biedt dikwijls wel een verklaring.
Maar dit is een verhaal over de liefde, niet alleen over moord, hoewel ik weet dat dit niet het soort verhaal is dat u verwacht. Eerlijk gezegd verwacht niemand een verhaal van een vrouw zoals ik. U denkt ongetwijfeld dat dit een van die slavengeschiedenissen zal worden, smeuïg gemaakt met wanhoop en ellende. Maar wie wil zo’n verhaal lezen? Nee, dit is een relaas over mezelf, over mijn eigen leven en het geluk dat er zijn intrede deed, twee dingen die ik nooit voor mogelijk had gehouden, het geluk noch het kunnen vertellen van het verhaal.’


Frannie neemt geen blad voor haar mond, al zijn er dingen waar ze aanvankelijk terughoudend over is. Terwijl ze zelf ook twijfelt of ze de moorden niet gepleegd kan hebben - ze was beneveld door laudanum, wie kan zeggen wat ze gedaan heeft? -  is ze door het toegelopen publiek allang veroordeeld tot de galg.


Haar verhaal vertelt over het knechten van mensen, zoals dat tot aan 1833 als normaal werd gezien. Mensen met een andere huidskleur mochten straffeloos uitgebuit worden, mishandeld en misbruikt. Of het nu voor de suiker was of voor de wetenschap.
Dat haar eerste mevrouw Frannie leert lezen en schrijven is uitzonderlijk, al was dat meer een kwestie van verveling van de kant van de blanke mevrouw.
Het ligt aan de tijdsgeest – Frannie is geboren in de verkeerde tijd – maar ook aan haar overmoedige instelling dat ze nu voor de rechter staat. Zij trok de aandacht van Marguerite, mevrouw Benham die haar vroeg haar kamenierster te worden. Maar Frannie weet niet goed wat ze aan haar mevrouw heeft. Deels komt dat ook door het gebruik van laudanum – heel normaal in die tijd – waardoor Marguerite last had van wisselende stemmingen.


‘Zo zijn we vriendinnen, zo niet. Dit is haar wereld. Ik zal er nooit bij horen. Dat was wat romans en avonturenverhalen met me hadden gedaan. Dat was wat zij met me had gedaan.’


Haar verhaal wordt onderbroken door de getuigenissen van andere huisbewoners, die evenzeer een product van hun tijd waren, maar misschien ook wel een beetje jaloers op de intelligentie van Frannie en haar voorkeurspositie.


‘…en eerlijk gezegd is ze ook niet zo blij met jou, ook al zijn zwarte bedienden nu in de mode bij sommige huizen. Vroeger hadden ze er hier ook een in huis, hoewel ik hem nooit gezien heb, maar mevrouw Linux (= de huishoudster) zegt dat het op niets dan ellende uitliep, daarom wil ze er liever niet weer een. Ze zegt dat het allemaal wilden zijn waar jij vandaan komt…’


ISBN 9789048843596 | Paperback | 416 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | april 2019
Vertaald uit het Engels door Anneke Bok

© Marjo, 26 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onder de paramariboom
Johan Fretz


Waar kom je vandaan, vragen volwassenen aan de jongen. Desgevraagd antwoordt zijn moeder:


‘Papa komt uit Den Haag en mama komt uit de paramariboom, dat is een boom aan de andere kant van de zee en in die boom groeien zwarte mensen zoals mama en Ruud Gulit.’


Johannes Fretz is de zoon van een Duitser – die ontkent Duits te zijn, omdat zijn moeder uit de Franse Elzas afkomstig is en zijn vaders voorvaderen ooit Fries of Canadees waren – en een Surinaamse moeder, die haar afkomst juist graag benadrukt. Altijd al heeft ze haar zoon Johannes gevraagd om eens met haar naar Suriname te gaan, maar hij weigerde tot nu. Hij is bijna dertig als hij uitgenodigd wordt voor een lezing tijdens de verkiezingstijd. Dan onderneemt hij de reis naar Suriname. Zijn moeder zal hem een paar dagen later volgen.


In delen die Dag 1, dag 2 enz. genoemd worden, vertelt Johannes over zijn reis, over de ontdekking van zijn roots en die van zijn moeder en over de ontdekking dat ‘dubbelbloed’ zijn, helemaal niet erg is. Niet dat hij er eerder last van had, zijn uiterlijk, zijn donkere kleur was soms een probleem voor anderen, niet voor hemzelf. Hij voelt zich Nederlander in hart en nieren.
En zo gedraagt hij zich dus ook. Al weet hij ook:


‘Al doe je nog zo je best: voor een groot deel ben je waar je vandaan komt. Lang heb ik het idee gekoesterd dat ik een andere man kon worden, een man die losstond van zijn eigen verleden, van zijn eigen oorsprong, van zijn kleur ook, één die zonder ballast zijn eigen plek in deze wereld kon opeisen. Gewoon, zoals je in Amerikaanse films van die mensen hebt, tragische randfiguren vaak, die een nieuwe naam aannemen en honderden kilometers verderop, in een andere staat, op een blanco vel een nieuw bestaan opbouwen. Zo heb ik lang gedacht een Johannes te kunnen worden zonder littekens. Die Johannes zal nooit bestaan. Hier zal ik het mee moeten doen. De lelijke dingen mogen dan  inmiddels een gevaarloos  stilleven in de achteruitkijkspiegel zijn, de krassen die ze hebben achtergelaten zitten er voorgoed. Ze hebben me gemaakt tot wie ik ben.’


Deze ontdekking is gekoppeld aan de tripjes die hij met zijn moeder in haar stad maakt langs de plekken die voor haar belangrijk zijn. Behalve zijn afkomst leert hij ook zijn moeder beter kennen, en betreurt de slechte jeugdervaringen, het gevolg van zijn moeders geestelijke labiliteit en een vader die uit wanhoop naar de fles greep.


Fretz laat de lezer meegenieten van zijn verleden - zo is de toon van zijn verhaal, het dwingt een lach af - al maakt hij duidelijk dat het niet gemakkelijk was.
Ook in Suriname gedraagt zijn moeder zich druk en dwingend, al lijkt het op de een of andere manier in haar geboorteland meer natuurlijk, Ze krijgt haar zoon zelfs zo ver dat hij probeert mee te doen, toch meer Surinamer dan hij dacht? Inderdaad is hij zich steeds meer bewust van zijn kleur en afkomst, meer dan hij in Nederland was (hoe het hem verging na deze reis weten we niet). En hij vindt het geen probleem, omarmt deze afkomst.
Tegelijk wordt hij verliefd. Op een meisje dat ook een gemengde afkomst heeft, maar overtuigend blank is.


Het is een boek dat je met plezier leest, hier is een begenadigd schrijver aan het woord:


’Jij slaapt kort omdat je je schuldig voelt over je geschiedenis. Maar ik slaap uit namens mijn voorouders. Ik ben aan het uitrusten van de slavernij.’
‘Mijn lichaam en hoofd zoeken elkaar. Ze zijn op dezelfde plek, maar verkeren allebei ergens anders: mijn lijf is thuis, het hoofd is op bezoek in een vreemd land.’
‘Het was alsof de luiken die ik heel mijn leven zo behendig dicht had gehouden uit zichzelf naar buiten klapten.’


Naast het genieten van de taal is er ook de uitnodiging om eens stil te staan bij de inhoud van wat je leest: het feit dat Fretz duidelijk maakt dat wat hem betreft een andere huidskleur, een ander geloof  en ook een andere manier van leven geen reden is om iemand te veroordelen. Zo zou het natuurlijk moeten zijn. Voor iedereen.


Johan Fretz (1985) is schrijver en theatermaker. Hij stond in het theater met de solovoorstelling De zachtmoedige radicaal, gebaseerd op zijn autobiografische roman Onder de paramariboom. Onder de paramariboom is de zeker terechte winnaar van de Boekhandelsprijs 2019. Het boek zal verfilmd worden.


ISBN 9789048849437 | Paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Lebowski | februari 2019

© Marjo, 25 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Reis naar mijn vader
Roel Richelieu van Londersale


Het boek begint spannend. Er wordt aan de deur gebeld. Het Vlaamse gezin Van Lierde -  bestaande uit vader Frans, moeder, de broertjes Thomas (9) en Maxine (10) dochter Sara (12) en de verteller Robbert (6) - zit net te eten. Moeder is boos. 'Niet opendoen, ze kunnen terugkomen als we klaar zijn met eten,' siste ze.
Maar de beller is volhardend en moeder stuift naar de voordeur. Tot ieders verrassing laat ze de beller, een kleine man met ros haar, wèl binnen. Hij wil met de boot naar Amerika. Vader heeft namelijk een bijbaantje bij de Cunard Line. De man kan niet met het vliegtuig, want 'Hij is een moordenaar.'


Natuurlijk valt het gezin even stil, maar opa die inmiddels ook binnengestapt is, vindt het geen punt. De man zal naar Amerika en vader moet hem naar de boot brengen, beslist opa. Sterker nog, vader moet van opa de man zijn ticket betalen en nog wat extra geld meegeven zodat de man een start kan maken. Was het gezin rijk geweest dan was er geen probleem, maar vader moet sappelen om zijn sigarenfabriekje open te houden, er is nauwelijks geld. Moeder is des duivels. 
Robbert vindt het wel spannend allemaal en is opgelucht als vader weer heelhuids thuiskomt, je weet het maar nooit met zo'n moordenaar...


Wie nu verwacht dat zich een zinderend verhaal ontspint rond deze moordenaar heeft het mis. Maar vanaf die tijd is moeder wel onuitstaanbaar tegen Robbert. Hij is met recht het zwarte schaap in het gezin. Ze behandelt hem totaal anders dan haar andere kinderen en Robbert begrijpt dat niet. Waarom doet ze zo? Met gekromde tenen lees je hoe oneerlijk zij met haar jongste kind omgaat. Moeder is sowieso vreemd bezig, erg gelukkig is ze niet, zo blijkt later.
De moordenaar komt overigens nog wel enkele keren terug in het verhaal maar op een andere manier dan je zou denken.


Vader Frans is gelukkig wel een echte vader voor Robbert. De twee voelen elkaar haarfijn aan. Vooral nadat vader hem verzekerd had, in tegenstelling tot opa, dat de mannen waarnaar ze op tv keken écht op de maan liepen, werd de band erg hecht.


"Het is wel echt,' fluisterde hij, 'je ziet het toch zelf?'
De wereld verschoof een beetje. Mijn fantastische opa werd plots heel heel oud en vader, die elke dag vastgeroest zat te werken in zijn fabriekje, leek me gloednieuw.


Maar moeder is en blijft een verschrikking, ze is keihard tegen de kleine Robbert. Wat hij ook doet om haar milder te stemmen, het heeft geen nut. Robbert is niets en zal in haar ogen ook niets worden.


Dankzij moeders houding wil Robbert steeds maar laten zien dat hij wel wat in zijn mars heeft. Moeder heeft in feite bijna dezelfde functie als Katadreuffe in het boek Karakter van Bordewijk. Moeder zit Robbert dwars, is nooit trots op hem, ze zal hem nooit bijstaan, blijft weg als hij iets belangrijks te vieren heeft, heeft alleen uitgesproken meningen over alles wat hij doet, en die meningen zijn nooit positief. Maar... dankzij haar houding zorgt ze er (onbewust) wel voor dat Robbert een drang voelt om iemand te worden. In haar ogen is hij namelijk niemand.


In feite heeft ze door haar negatieve houding Robbert geholpen... net als Katadrueffe  die tegen zijn zoon de verpletterende zin 'Of geholpen!' uitsprak, nadat zijn kind hem confronteerde met vaders levenslange dwarsliggerij en tegenwerking. In beide boeken zijn de dominerende vader (Katadreuffe) en de moeder van Robbert constant op de achtergrond aanwezig. Zij bepalen het leven van hun zonen en drukken daar een zware stempel op. Alleen heb je bij moeder niet het idee dat ze haar zoon ze dwars lag om hem verder te helpen. Ze had gewoon de pik op dat kind.


Robbert heeft gelukkig wel een liefdevolle vader die hem steeds dierbaarder wordt. Helemaal als vader ernstig ziek wordt groeien de twee dichter naar elkaar toe. De 'reis naar zijn vader' wordt steeds mooier, diepgaander en betekenisvoller. Ze weten wat ze aan elkaar hebben en kunnen elkaar, zonder een woord te zeggen, flink steunen. De contacten tussen vader en zoon zijn ontroerend beschreven. Je ziet de twee naast elkaar zitten en zwijgen en ze weten dat het goed is. Het vormt een prachtig tegenwicht ten opzichte van moeders wrede houding en daardoor wordt het boek niet loodzwaar. De schrijver vertelt hoe het is, hij veroordeelt in feite niemand, ook de moeder niet, hij beschouwt, soms met milde humor, het gezin en het latere leven van Robbert. 


Uiteindelijk lijkt het wonder alsnog te gebeuren, moeder lijkt toch nog te ontdooien en zelfs een beetje trots te zijn op haar jongste, maar... schijn bedriegt, ze heeft nog een verpletterende troef achter de hand...


Roel Richelieu van Londersele is naast romanschrijver ook een dichter en dat is te merken aan de mooie poëtische zinnen in dit boek. Hij weet verder een sfeer op te roepen die je bijblijft. Om Robbert als verteller te kiezen was een wijze keus, daardoor voel je des te meer hoe heftig de houding van de moeder bij haar kind binnenkomt. Kortom, een fraai opgebouwd en goed geschreven boek waarvan het verhaal je lang bijblijft.


ISBN 9789089246974 | paperback | 214 pagina's | Uitgeverij Houtekiet | oktober 2018

© Dettie, 19 juni 209

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Middaguur
Dörte Hansen


Wim Sonneveld kon het korter met zijn lied Het Dorp, maar de sfeer die Dörte Hansen creëert in haar boek is indrukwekkend. Haar hoofdpersoon is Ingwer Feddersen, die tegen de 50 loopt en die niet zou willen zeggen dat zijn leven geslaagd is.
Hij neemt een jaar verlof van de universiteit waar hij prehistorische geschiedenis doceert en verlaat de woning die hij deelt met een vriend en een vriendin, in een driehoeksverhouding, die in Ingwers ogen steeds schever wordt. Hij keert terug naar het dorp waar hij geboren is, waar zijn ouders nog wonen die wel hulp kunnen gebruiken.


Door steeds terug te grijpen in het verleden en te vertellen over het leven van Ella en Sönke vertelt Dörte Hansen over de onvermijdelijke teloorgang van Brinkebüll, een kleine gemeenschap op het Noord-Friese platteland. Ingwer heeft het echtpaar Feddersen altijd gezien als zijn ouders, maar ze zijn in werkelijkheid zijn grootouders. Hun dochter Marret, Ingwers moeder dus, was een vreemd meisje. Ongrijpbaar, losgeslagen, niet de slimste. Maar in deze kleine gemeenschap liet men haar betijen. Ook later, toen ze steeds maar liep te verkondigen ‘Die Welt geiht ünner’ deed niemand daar moeilijk over. Marret was Marret, zoals ook andere mensen in hun waarde gelaten konden worden.


Maar toen werd ze zwanger, van een onbekende die een korte tijd in het dorp was. Een landmeter. Dat is heel mooi gekozen van de schrijfster: een man die door zijn daden het begin aangeeft van de veranderingen. Eind jaren zestig wordt namelijk de ruilverkaveling doorgezet. Grote landbouwmachines doen hun intrede, en maaien met het graan ook jong leven weg, wegen worden aangelegd. De trouwe ooievaars komen niet meer terug, het aantal zwaluwen daalt.
Boerenbedrijven worden gemoderniseerd, het plaatselijke winkeltje biedt niet meer wat de mensen willen, zij hadden nu auto’s en gingen verderop boodschappen doen.


Geen warme bakker meer, geen hoefsmid, de vertrouwde geluiden en geuren verdwenen. Zelfs de laan met kastanjebomen moest ruimte maken voor een nieuwe weg. Men kon het op de vingers natellen: dat zou slachtoffers kosten, zo’n lange rechte weg, waar men te hard zou rijden. En zo was het ook.
De middagrust verdween met de komst van nieuwe mensen en de eisen die de nieuwe economische omstandigheden aan het dorpsleven stelde.
Marret verdween, en als laatste was ook de dorpsschool ten dode opgeschreven. Daarmee verdween ook de schoolmeester, die al zijn pappenheimers zo goed kende en het lesprogramma op hen toespitste.


De kroeg van Sönke en Ella bleef nog lang bestaan, tegen beter weten in. Sönke wilde perse hun platina bruiloft daar in zijn eigen zaal vieren. Ingwer zal hen er bij helpen. Hij verzorgt zijn oma die dementerend is, rijdt de oudjes naar het ziekenhuis en krijgt zijn opa zo ver dat hij zich laat wassen met warm water.


Al die kleine dingen die ook Sonneveld aanhaalt in zijn lied zijn tekenen van een veranderde samenleving. In de nieuwe tijd accepteert men het niet meer als iemand ‘anders’ is, men kent elkaar ook niet meer. Het is wat in vele dorpen gebeurd is, die tijd is voorgoed voorbij.
Melancholie voert de toon. Maar Hansen maakt ook duidelijk dat het niet allemaal alleen maar fijn en mooi was. De schoolmeester deelt volop tikken uit. Een vader mishandelt zijn kind, en hoewel iedereen het weet, doet niemand er iets aan.


De wereld vergaat. Heeft Marret gelijk? Was dit het begin van het einde? Maar zo is het leven. Zoals de schoolmeester in zijn vrije tijd zoekt naar overblijfselen uit de oudheid, en er letterlijk voor gaat staan als het hunebed omver gewalst dreigt te worden. Dat was ook een tijd die verdwenen is. Er kwam iets anders voor in de plaats. En zo zal het steeds gaan.


‘De meisjes droegen geen vlechten meer, dat viel hem op toen hij de twee klassenfoto’s naast elkaar legde. Op de kleurenfoto van zijn laatste jaargang zag hij alleen maar kortgeknipt haar, nu ook al ruilverkaveling op de meisjeshoofden, allemaal hoekig en gekortwiekt, maar wat begreep een oude onderwijzer van kleinemeisjeskapsels.‘


Hansen gebruikt volop plaatselijk dialect in de tekst. Haar personages zijn herkenbaar, ook de buitenbeentjes. Soms weidt ze wat veel uit over mensen die nauwelijks een rol spelen in het verhaal, maar over het geheel genomen is het een prachtige roman. Ze kan de feiten op een haast behoedzame manier vertellen, erg mooi! 


'Ingwer Feddersen hoorde bij de grootste van de klas, op de foto stond hij achteraan. Een van het soort dat je makkelijk over het hoofd zag, dat maar weinig zei, maar alles meekreeg. Steensen bladerde terug naar Marrets eerste schooldag in 1955 en zag de overeenkomsten. Hij hield beide foto’s  naast elkaar, bekeek het hoge voorhoofd van hen beiden en hun smalle neus. Hij vroeg zich af of behalve hij nog iemand een onderwijzershoofd herkende. Elle schudde zachtjes haar hoofd toen hij het haar een paar dagen later vroeg.’


Dörte Hansen (Husum, 1964) is een Duitse auteur, journaliste en taalwetenschapper.
Deze roman van de Duitse auteur (Husum, 1964) sluit aan bij haar debuut "Het oude land'* (2016).


ISBN 9789402702613 | hardcover | 304 pagina's | Uitgeverij Harper Collins | april 2019
Vertaald uit het Duits door Lucienne Pruijs

© Marjo, 10 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Olifant van zeep
Thomas Verbogt


Het is een fijne gave: een mooi verhaal kunnen maken van iets wat niet alleen Thomas Verbogt kan overkomen, maar wat herkenbaar is voor iedereen. Een wekker gekocht hebben, die het niet doet. Je gaat er mee terug naar de winkel en de mevrouw van de klantenservice is duidelijk niet van plan om zomaar die wekker terug te nemen.


‘Ze snuift en zegt: ‘Dit is geen wekker die niet zomaar niet wekt.’
Ik moet even over deze zin nadenken.
‘Wat bedoelt u precies?’ vraag ik.’


Maar de mevrouw wil het ook niet uitleggen, zij is er van overtuigd dat die man die zo nodig die wekker terug wil brengen er mee gegooid heeft of zoiets. Er zijn nooit klachten, zegt ze.


‘Ik wist dat ik een fout ging maken, en die maak ik nu. Ik vraag me hardop af of een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd mag worden.‘


Door de afwijzende, haast agressieve reactie van de vrouw, druipt de ik-persoon af. Het is een vraag die hem vervolgens bezig houdt. De rest van de dag lijkt het er steeds op uit te draaien dat hij de dingen niet niet goed doet.


Herkenbaar. Je staat zonder pinpas bij de kassa waar je alleen met zo’n pasje kan betalen. Dat soort dingen.
En wat zeg je als de baliemedewerkster bij de tandarts heel belangstellend vraagt of je nog leuke dingen hebt gedaan deze zomer?
En hoe reageer je als je na jaren die ene vrouw terugziet van wie je iets weet waar niet over gepraat ‘mag’ worden? 


Het zijn de dingen van het leven, die Thomas Verbogt ons in zijn eigen speciale stijl vertelt. De toon waarop hij dat doet maakt van een niemendalletje iets bijzonders, iets moois. Hij geniet op een rustige manier van het leven, kan over een klein dingetje waar de meesten onder ons zo aan voorbij gaan, filosoferen zonder ooit hoogdravend te worden.


In het titelverhaal laat hij zich nietsvermoedend bij de supermarkt overhalen om een vraag te beantwoorden. Hij is nog met zijn gedachten bij een gesprek dat hij binnen in de winkel had, en dat eveneens ging over het ruilen van een product, een gesprek dat niet soepel verliep.


‘Fijn dat u mee wilt doen.’ Ze heeft een lachende stem.
‘Waaraan doe ik mee?’ Vraagt hij.
‘U kent vast ons programma Onder ons.’ Ze staat nu vlak voor hem met een grote microfoon. Ze ruikt naar snoepgoed, een winkel vol.
‘Nee dat ken ik niet,’ moet hij bekennen.’


Hij is te goed voor deze wereld, want eigenlijk wordt hij er in geluisd. Maar wint er dus een ‘Ongewone hoofdprijs’ mee, die hij later in het Mediapark moet komen halen. Misschien zou hij dat niet gedaan hebben, maar het commentaar van zijn ex op de televisie-uitzending maakt hem tegendraads.
Het is misschien een absurd verhaal, maar tegelijk blijft het voor de lezer herkenbaar. We hebben allemaal onze momenten van onhandigheid, en melancholisch zijn we ook. Ook gebruiken we de zinnetjes zoals de ik-figuur in de verhalen dat doet. Tegen een koe in de wei zeggen: ’Ik heb niets voor jullie.’ Nou, daar zijn ze vast diep teleurgesteld over!


Een heerlijke verhalenbundel!


Thomas Verbogt (1952) debuteerde in 1981 met de verhalenbundel De feestavond.
Sindsdien schreef hij vele romans, verhalenbundels en toneelstukken.


ISBN 9789046825662 | Hardcover | 144 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | juni 2019

© Marjo, 8 juli 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Voorbij, voorbij
Clairy Polak


De auteur is bekend van tv-programma’s als NOVA en Buitenhof en daarnaast journalist. Zij treedt in dit openhartig, in romanvorm, geschreven boek persoonlijk naar buiten en vertelt over haar man die aan Alzheimer lijdt. Gedurende dit proces blikt zij ook regelmatig terug op het verleden waarbij herinneringen uit hun beider jeugd en hun periode als echtgenoten boven komen. Deze impressies zijn algemeen herkenbaar en bieden een mooi tijdsbeeld van de naoorlogse jaren in ons land.


Wie dementie beter wil leren begrijpen in zijn allesomvattende impact op het leven van mensen, dient dit toegankelijke boek te lezen. Het alledaagse leven van eenzaamheid voor de partner en de regelmatige bezoeken aan de instelling waar de ander verblijft, zijn herkenbaar voor wie er zelf ook mee te maken heeft. Anderen kunnen zich tijdens het lezen in deze situatie verplaatsen en krijgen - hopelijk - meer begrip voor wat er in een dergelijke fase emotioneel en praktisch met mensen gebeurt. Dat is nogal wat, zo wordt in deze roman wel duidelijk.


Clairy heeft een eenvoudige maar rake schrijfstijl. Hier en daar is er een licht cynische ondertoon en wie Clairy kent, zal dat uit haar manier van presenteren herkennen. Ze is niet uit op ‘mooie’ taal maar weet gebeurtenissen wel trefzeker te verwoorden zodat ze de lezer raken.


De persoonlijke pijn wordt voelbaar in kleine zinnen als ‘Ze mist Leo. Ze mist hem meer dan ze ooit heeft kunnen bevroeden’, pag. 43, en: ‘Zijn wereld kromp. En die van Judith daarmee ook’, pag. 80, en: ‘Wat betekenis voor hem had, heeft z’n betekenis verloren’, pag. 95. Dit boek laat je dan ook niet onberoerd want je wordt meegenomen in de steeds kleiner wordende wereld van degene die ziek is én degene die hier dit van nabij meemaakt.


Er mag tegenwoordig aan menig instelling het nodige mankeren, Judith en Leo – want zo heten de hoofdpersonen in dit boek – hebben een uitstekende keuze gemaakt. Judith is dan ook zeer positief over de sfeer en de zorg van het huis waar Leo verblijft maar ‘Er wordt hier veel gestorven’, pag. 51. Men streeft hier oprecht naar een persoonlijke benadering van de mensen die er verblijven en de verpleging zoekt aansluiting bij hun voormalige levensstijl zodat er herkenning is en mensen zich meer op hun gemak voelen omdat de situatie aan hun voormalige thuissituatie en vroeger doet denken.


Opvallend is de kanttekening dat er rondleidingen worden gegeven omdat het huis een voorbeeldfunctie vervult. Bovendien levert dat ook geld op en die inkomsten zijn welkom: ‘Ook dit huis wordt gefinancierd uit algemene middelen en zucht onder de bezuinigingen. De rondleidingen zijn hard nodig om de gaten in de begroting te helpen dichten’, pag. 22.


Tijdens het zes jaar durende proces ervaart Judith dat dementie een verlies tijdens het leven betekent. Wat begint met onschuldig ogende incidenten wordt geleidelijk aan een patroon dat niet meer valt te ontkennen. Ze hebben geen kinderen maar nu is er sprake van ándere moederrol omdat zij in toenemende mate zorg draagt vvoor Leo. Samen groeien in dit proces dat af en toe ook z’n mooie, grappige of ontroerende momenten heeft.


Het kost Judith steeds meer energie om zin aan het leven te geven en ze heeft ook regelmatig moeite met de bezoeken aan Leo maar ervaart dan tevens: ‘en toch… zijn gezicht klaart nog steeds op als hij haar ziet’, pag. 156, al kan zij verder niet meer tot hem doordringen. Dergelijke gouden zinnetjes maken dit boek waardevol en warm-menselijk. Eerlijk is Clairy wanneer ze uitspreekt dat ‘de dood voor Leo een genade’ zou zijn.


Het boek eindigt met de vakantie van Judith in Zwitserland en houdt dan ineens abrupt op. Hoe het verder gaat met Judith en Leo, komt de lezer dan ook niet te weten. Dat is jammer want de lezer had het proces graag verder willen volgen. Het lijkt erop dat Leo nog in de instelling verblijft.


Onlangs was Clairy bij Jeroen Pauw te gast n.a.v. de verschijning van haar boek. Dat viel haar duidelijk niet gemakkelijk. Het was wel bijzonder om deze krachtige vrouw hier in haar kwetsbaarheid te zien.


De titel van het boek doet denken aan de dichtregels van J.C. Bloem ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ en dit komt op een gegeven moment ook naar voren (pag. 99).


Een menselijk geschreven boek!


ISBN 978 90 290 9339 2 | 254 pagina’s | Hardcover | 19 juni 2019

© Evert van der Veen, 26 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Jagersmaan
Jan Vantoortelboom


1922.
Victor is terug in Elverding, de Grote Oorlog is afgelopen. Maria, zijn moeder, is blij dat hij heelhuids thuisgekomen is, maar ziet ook dat hij veranderd is. "Hij is, God beware hem, zoveel veranderd. Alsof ie voor eeuwig een verdwaalde kogel is." Dat ligt niet alleen aan de oorlog. Victor heeft een dochtertje Anna. Zij is door hem verwekt bij Angela. Maar trouwen kon niet.


"Tja, wij zijn maar van lage komaf en d'r vader en moeder hebben haar gedwongen om beter te trouwen. Zo gaat 't en 'k begrijp dat. Niet dat Victor met d'r getrouwd zou zijn. Of misschien wel, wie weet. De wonderen zijn de wereld niet uit. Maar we moeten allemaal zaaien naar de zak. 't Deed me pijn daarover te praten met Victor. Hij was nog een beetje meer aan het sterven vanbinnen en dat was mijn schuld. Maar soms moet iets doodgaan voordat er iets nieuws kan bloeien."


Dit zijn wijze woorden van Maria, en ze heeft gelijk. Victor is gek op zijn dochter en het doet hem enorm zeer dat hij geen vader voor haar kan zijn. Het vreet aan hem. Maria ziet het met leden ogen aan en beseft dat hij hier aan kapot gaat. Hij moet weg, ergens anders een nieuw leven beginnen. En zo begint ze voorzichtig over Amerika, en stuurt hem met kleine stapjes en duwtjes richting dat land met zijn vele mogelijkheden.

"Hij had meer lucht nodig, een eigen plek dat ie iets kon opbouwen, een grote ruimte, liefst zonder buren. Hier in dit kleine gat ging 't alleen maar bergafwaarts met 'm. Niemand zag dat, maar ik wel. 't Enige is dat Amerika zo ver is. Als ie daarheen ging, dan zag ik hem van m'n leven niet meer terug, 'k Moest dat aanvaarden en dat was 't moeilijkst.
Van 't moment dat ie thuisgekomen is van de oorlog had ie nachtmerries. Daar was ik al aan gewend. 't Schreeuwen en stampen 's nachts"

Met pijn in haar hart ziet ze hem vertrekken. Maar ook Victor heeft het er moeilijk mee, vooral om Anna. Maar een dochter zo dichtbij en niets kunnen doen voor haar is te erg. Hij moet de oversteek maken. Maar het lot beslist anders.


Victor stapt wel op de boot naar Amerika maar komt daar helemaal nooit aan. Hij belandt, in Ierland waar een burgeroorlog woedt. Op het schip werden al sterke jonge mannen gezocht om de Ierse gelederen bij te staan. Als iemand daarvoor geschikt is, dan is het Victor wel.  Maar na zijn ervaringen in WOI staat hij vanzelfsprekend niet te trappelen.


Nu hij eenmaal aangespoeld is aan de Ierse kust, blijft Victor een gezocht persoon. Waakzaamheid blijft geboden. Maar altijd is er die drang in Victor, 'de verloren gewaande drang voorwaarts, de drift om te leven en zijn toekomst te beginnen.' Ook als hij later moet vluchten en Kitty, het dochtertje van de vermoorde onderwijzer onder zijn hoede neemt is die drang aanwezig. Hij zal haar meenemen naar Amerika. Zij stal onmiddellijk zijn hart bij de eerste ontmoeting.


'Ik ben Kitty', zei ze met opgeheven kin en in de stilte van het veld leek het alsof ze vanuit het niets praatte.
Victor zag de haren: warrig wild en donker als die van zijn Anna en hij snakte naar adem. Ze hield haar handen stijf langs haar lichaam, trok aan beide zijden van haar benen de stof van het rode jurkje tussen duim en wijsvinger en keek hem in de ogen. Helder als bergwater waren ze. [...]


De vlucht naar Limerick is adembenemd ontroerend en in prachtige taal beschreven. De twee raken langzamerhand gehecht aan elkaar. Kitty dooft het verdriet van Victor dat hij heeft om Anna en Victor is de vader die Kitty moet missen. De reis te voet is er een met flinke en soms heftige hindernissen. Bovendien worden een 'vreemdeling' met een Iers meisje met argwaan bekeken. Het oorlogstrauma speelt op de meest onverwachte momenten op en ook daar moet Victor mee worstelen en doorheen gaan. Hij komt echter op plekken en moet dingen doen die daar niet erg bij helpen.


Ondertussen lezen we ook de gedachten van Victors moeder, die 3 jaar geleden weduwe is geworden. Alfons was haar grote liefde, het was een mooi huwelijk. Het vertrek van Victor, wat zij zelf veroorzaakt heeft, raakt haar eveneens diep. Ze is bezorgd maar ook opgelucht dat hij weg is. Ze werd bijna bang voor Victor en zijn onderhuidse woede. Maar ze mist hem ook vreselijk. Toch gaat het leven door, ze zal wel moeten. Ze vertelt haar diepe gevoelens op een manier die alleen moeders kunnen vertellen.


'k ben opeens weer moe. 't Is niet zozeer m'n lijf dat moe is, 't is meer in m'n hoofd. 't Weegt soms zo zwaar, juist als de periode nadat Alfons was doodgegaan. 'k Denk dan aan niets in t bijzonder, maar 't is alsof 't verdriet zelf een eigen wil; heeft en beslissingen maakt en onverwachts breken de gedachten soms door en dan moet ik wel aan hem denken. Daarna weer die lege zwaarte in m'n hoofd. 't Is lang weggeweest, maar 't is weer terug. Misschien komt dat omdat Victor weg is, ook al is hij ginder beter af dan hier.


Al met al raakt het verhaal je recht in je hart, als het boek uit is, ga je even stille dingen doen om het te laten bezinken.
Dit vierde boek van Jan Vantoortelboom was voor mij het eerste boek dat ik van hem las maar wil ik ook al zijn boeken lezen, want. Deze schrijver is van grote klasse! Echt een klasse apart, vooral de taal...


"Ten slotte knikte hij en keek toe hoe ze haar handen in de lucht gooide van blijdschap en in haar jurkje dat licht als een roodborstje over het gehavende veld flapperde terug zeilde naar Joe."


ISBN 9789025454050 | Paperback met flappen | 254 pagina's | Atlas Contact | april 2019

Dettie, 26 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Bloedwonder
Barry Smit


1882, Engel is de zoon van Frans en Jannek Smit, die met hun molen het waterpeil op niveau houden in de nabije omgeving van Alkmaar. Hoewel zijn vader er op rekent dat hij hem zal opvolgen, zoals hij zelf zijn vader heeft opgevolgd, heeft Engel al vanaf zijn vierde jaar andere ideeën. Toen was hij getuige van de komst en het vertrek van de heteluchtballon van de Franse ingenieurs Raguin en Millavet. ‘Ze gaan zo hoog dat ze God straks een hand kunnen geven.’  Woorden van zijn vader.


Engel ging graag naar de kerk, genoot van de verhalen die verteld en afgebeeld waren, en was gefascineerd door de rituelen. Engels jeugd in de polder was rustig, de wereld was duidelijk, alles was een schepping van God. Engel ging in de leer als timmermansknecht. Hij wilde in de voetsporen van Jozef en Jezus treden. Zijn droom was molens bouwen, niet onderhouden.
Toen zijn vader de molen verliet en brugwachter werd, verhuisde het gezin naar de stad.


Een akelig voorval zal Engels leven bepalen: hij is getuige van een drama waarbij twee doden vallen.
Hij weet zeker dat de jonge man die beschuldigd werd van aanranding onschuldig was. Had hij kunnen voorkomen dat de man achtervolgd en doodgeslagen werd? Hij voelt zich schuldig, te meer omdat hij het niemand vertelt, en ziet vanaf dat moment alle tegenslag als een straf van God.


Het leven lijkt hem aanvankelijk toe te lachen – hij wordt verliefd, trouwt en er komt een kind. Maar de kleine Johannes sterft al snel en wordt omdat het niet gedoopt is in ongewijde grond begraven.
Het is dan nog niet gedaan met de tegenspoed.


Dan wordt in het Heilige Jaar 1900 in Alkmaar het Heilig Bloedwonder gevierd. De pastoor vertelt het verhaal over de soldaat Folkert, die in 1426, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, ondanks alle moord en doodslag die hij op zijn geweten heeft, priester wordt. Zonder zijn zonden op te biechten.
Maar bij zijn eerste mis knoeit hij met de witte wijn: op zijn priesterkleed verschijnen rode bloeddruppels. Als hij zijn kleed wil verbranden, spuugt het vuur het uit.
Later wordt ook nog een wonderbaarlijke redding op zee toegeschreven aan het lapje stof en in 1897 wordt het tot een heus relikwie verheven in de Sint Laurentiuskerk in Alkmaar.
Het verhaal van Folkert die door alles op te biechten tenslotte weer in de genade van God werd aangenomen, maakt grote indruk op Engel.
Waarom zou dat hem ook niet kunnen gebeuren?


Ook dit jaar werd in Alkmaar het Bloedwonder gevierd. https://www.matthiaslaurentius.nl/heilig-bloedwonder


Voor het Alkmaars ontzet was het de gewoonte ieder jaar op de 1e dag van mei met het reliek van het Bloedwonder vanuit de Grote of St. Laurenskerk, via de processiepoort aan de oostkant van de kerk, in processie door de stad te gaan. Dit heeft vanaf 1573 niet meer plaats gevonden, tot 2009. In dat jaar is het reliek weer even terug geweest op de plaats waar het wonderlijke verhaal zich afspeelt. Pas toen de kerk is overgedragen aan de gemeente werd dit weer mogelijk. De kerk en het Bloedwonder horen onlosmakelijk bij elkaar en maken deel uit van de cultuurhistorie van Alkmaar.


Dit is de basis van het boek dat Barry Smit schreef en dat de vraag stelt hoeveel tegenspoed een mens aan kan voor hij zijn geloof verliest?
De stijl is ietwat gedragen, passend bij de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Misschien dat het niet iedereen aanspreekt, maar wie geïnteresseerd is in geschiedenis en/ of godsdienst, zeker wel.


Barry Smit werkte op het Binnenhof als voorlichter en tekstschrijver, en gaf campagnetrainingen in Egypte en Tunesië. Hij schrijft momenteel als scenarist voor film, televisie en videoclips en publiceert onregelmatig in onder andere de Volkskrant en De Revisor. In 2013 verscheen zijn prozadebuut Om het nu.


ISBN 9789048849413  | Hardcover | 144 pagina's | Uitgeverij Lebowski | mei 2019

© Marjo, 24 juni 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER