Nieuwe recensies Non-fictie

Nooit mis ik je niet
Evi Zonneveld


"Ik ben mezelf niet
Of al die jaren nooit geweest [...]


Ik heb je lief zoals je ziet
Maar ergens klopt er hier iets niet
Ik draag een ring maar 'k heb jou nooit getrouwd"


Deze tekst uit het mooie liedje van Acda en De Munnik is bijna de leidraad van dit boek.

Evi zit in een relatie waar de rek een beetje uit is, ze geven veel om elkaar maar het schuurt, ook op lichamelijk gebied. Soms besluiten zij en Erik uit elkaar te gaan maar dan zoeken ze elkaar toch weer op. Eigenlijk zijn ze erg goede, vertrouwde vrienden met af en toe een beetje meer.


Een grote wens van Evi is om pleegouder te worden, ze wil graag kinderen of jongeren opvangen die tijdelijk zorg en onderdak nodig hebben. Daarom meldt ze zich aan. Nico (21) is een van die jongeren die in een moeilijke situatie zit en hij komt tijdelijk op de zolderkamer van Evi wonen. Nico wordt begeleid door een instantie en zijn begeleider is Noah. Als Evi Noah ziet weet ze gelijk 'Dit is mijn man. Alsof mijn ziel, in een fractie van een seconde, de zijne herkent en zucht: 'Ah daar ben je.'
Maar Noah is getrouwd en Evi heeft nog steeds een relatie met Erik.


Elke week komt Noah met André, Nico's andere begeleider, langs om te vragen hoe het met Nico gaat en om eventueel dingen te bespreken die aan de orde komen. In de maanden die volgen voelt Evi de aantrekkingskracht van Noah toenemen. En op gegeven moment merkt ze tot haar verbazing dat Noah onbeschaamd met haar zit te flirten bovendien maakt hij een opmerking die haar flink in de war brengt. Ze vraagt het hem uiteindelijk maar op de man af, via de app... was hij aan het flirten? Het antwoord is "Ja!"
Evi is die avond alleen thuis, meldt ze. Noah gaat in op de hint.
De chemie tussen hen blijkt overweldigend.


En zo start hun opwindende relatie. Noah en Evi zijn smoorverliefd. Noah probeert zoveel mogelijk bij Evi te zijn. Ze appen en bellen heel wat af. Maar al vanaf het prille begin zeurt in Evi's achterhoofd het besef dat hij getrouwd is en naar alle waarschijnlijkheid uiteindelijk zal kiezen voor de veiligheid van zijn huwelijk. Hij is immers al vierentwintig jaar getrouwd met Carolien. Bovendien is voor Noah zijn geloof ook erg belangrijk. Daarin is echtbreuk of overspel plegen zondig...
Inmiddels heeft Evi de relatie met Erik wèl beeindigd.

Maar dan begint de lange reis die beiden moeten doormaken. In het begin van hun relatie spatten de vonken eraf.  De wereld draait alleen om Evi en Noah, alles draait om hun liefde. "De rest van de wereld bestaat even niet"


Ik kan die jongen toch nooit zijn

Die rust, die liefde, niets voor mij
Maar waarom lijkt het dan toch zo vertrouwd?


zingen Acda en De Munnik, en zo voelt Noah het ook. Maar hij moet wel elke keer weer naar huis... Naar zijn vrouw en drie bijna volwassen kinderen.
Het doet Evi pijn, telkens weer dat afscheid nemen. Hij heeft verteld dat zijn huwelijk niet goed is. Dat is het gebruikelijke smoesje van een getrouwde man natuurlijk maar Evi krijgt van diverse kanten de bevestiging dat het écht zo is, Noah's huwelijk is écht slecht. Bovendien is Evi zo stapelenorm verliefd op deze man, dat ze al niet meer zonder hem kan. Ze voelt een verliefdheid die al gauw omslaat in een intens houden van en dat is volgens Noah wederzijds.


Maar na de eerste heerlijke tijd waarbij ze enorm genieten in hun eigen bubbel en ze naast het bed ook hun gedachten uitgebreid delen, komt langzamerhand de echte wereld weer op bezoek. Noah vindt het liegen tegen zijn vrouw moeilijk. Evi vindt het moeilijk dat ze altijd afhankelijk is van de momenten dat Noah zich vrij kan maken en nergens samen heen kunnen...


Noah is niet heel erg verliefd op Evi zegt hij maar denk wel vaak aan bij haar wonen, maar weet het eigenlijk allemaal nog niet, hij is in de war. Evi laat hem met rust, hij moet zelf zijn gevoelens uitzoeken. Toch wordt het steeds moeilijker. De relatie wordt er een van aantrekken en afstoten en de lange, lange, lange weg van liefhebben, houden van naar de keus maken om wel of niet samen door te gaan, begint. Evi stelt enkele dingen voor zodat ze toch samen door kunnen. Maar Noah weet het nog steeds niet. De situatie laat niet het mooiste kanten van elkaar zien. Wat allemaal zo prachtig begon waarbij ze het beste van elkaar naar boven haalden, wordt moeilijk, zwaar, slepend en soms heel lelijk.


In heel directe bewoordingen doet Evi haar verhaal. Als buitenstaander zie je dingen gebeuren waarvan je denkt, meid doe dat niet. Ze weet het zelf ook wel. Maar een kat in het nauw maakt soms rare sprongen. Als iemand zelf in zo'n situatie zit is het allemaal anders. Evi knokt en vecht voor haar grote liefde, ze gaat er bijna kapot aan maar de keus zal toch gemaakt moeten worden.


Is deze reis, deze achtbaan aan gevoelens, het uiteindelijk allemaal waard geweest?
De conclusie zou kunnen zijn...


Laat het mijn allerdomste fout zijn (Evi voelt het overigens niet als fout)

Maar laat me dit nooit meer vergeten,
Nooit meer vergeten
Laat me dit nooit meer vergeten bovendien


ISBN 9789464068672 | Paperback | 308 pagina's | Nooitmisikjeniet.nl | september 2021

© Dettie 27 januari 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onder de radar
Een hart onder de riem voor alle buitenbeentjes
Emma J.J. Voerman


"Als kleuter ontdekte Emma al dat ze anders was; haar omgeving vond dat vooral erg lastig. Ze ontwikkelde een feilloos gevoel voor wat ze wel en niet van zichzelf kon laten zien. Dat leerde haar om tientallen jaren lang zoveel mogelijk onder de radar te vliegen."


In deze drie bovenstaande zinnen zit een heel leven van aanpassen, nergens écht bij horen en onzichtbaar voelen, verborgen. Emma J.J. Voerman leidde dat onbegrepen bestaan dat pas op 55-jarige leeftijd echt léven werd.


De zeer fijngevoelige en erg intelligente Emma vertelt over dat leven waarin ze maar geen aansluiting kan vinden met hoe zij werkelijk is en de omgeving waarin ze leeft. Als kind vond ze de wereld een groot wonder en wilde dat delen met iedereen. Ze zag al snel wat écht was, wat er écht toe deed. Haar leefwereld was enorm en haar gevoelens over wat ze allemaal zag was net zo overweldigend. Maar als ze daarover wilde vertellen, wat ze graag en veel deed, werd ze niet gehoord of er werd lauw of afwerend gereageerd. Ze begreep niet waarom andere mensen niet net zo enthousiast waren. Als ze op een dag een tante hoort zeggen dat zij Emma wel meeneemt in de auto 'want zij vindt al dat gekletst wel gezellig,' begrijpt Emma dat ook al haar verhalen niet echt welkom zijn.


En zo leert ze dat zij tegenover de buitenwereld zich anders moet voordoen dan wie zij echt is. Het wordt als het ware een tweede natuur. Ze mengt zich tot een bepaalde hoogte in gesprekken, op een manier waarvan ze weet dat het geaccepteerd wordt. Maar dan nog zit haar gevoeligheid en intelligentie haar in de weg. Wat voor haar duidelijk is en doorzien wordt, wordt door anderen niet gezien. Als zij wat vertelt of aanraadt doen haar woorden er niet zo toe terwijl een ander, die in andere bewoording hetzelfde vertelt, wél gehoord wordt.


Emma trouwt, krijgt tot haar grote vreugde kinderen, maar toch blijft er iets wrikken. Ze heeft het gevoel dat ze geen vaste grond onder haar voeten heeft en blijft zoeken. Ze is in feite erg eenzaam terwijl ze wel heel fijne mensen om zich heen heeft. Ze heeft enkele heel goede - levenslange - vriendinnen waar ze veel van leert. De een heeft een natuurlijk rust, de ander daagt het leven uit en weer een andere leerde haar dat je het woord 'moet' kan veranderen in 'moed' etc. Haar kinderen schenken haar ook enorme inzichten en hun wijze opmerkingen die soms werken als een spiegel, raken haar.


Maar toch... de invulling, de bestemming, van haar leven blijft voor haar één lange zoektocht. Uiteindelijk lijkt ze haar levensvervulling in haar werk als coach gevonden te hebben maar ook dat verandert later weer. Ze schrijft ook af en toe gedichten om haar gevoelens toch te kunnen uiten, enkele staan ook in dit boek.


Een ander feit is, dat Emma geboren is als jongen en dat ook accepteerde. Het was nu eenmaal zo. Ze was ook niet speciaal als kind al geïnteresseerd in vrouwenkleding of poppen. Ze wist eigenlijk helemaal niet dat er zoiets als transgender zijn bestond, daar werd vroeger niet over gepraat. Ze had wel altijd goede vriendinnen en zo voelde het ook, ze was een vriendin onder haar vriendinnen, geen vriend. Ze begreep verder ook niet goed wat mensen zo leuk vonden aan seksualiteit. Ze had er niet veel mee.
Het is pas zo'n 50 jaar later, na een lange zoektocht en veel innerlijke strijd en soms ook wanhoop dat ineens de puzzel in elkaar valt, ze is een vrouw, haar hele leven al. In transgenderkringen wordt zo'n late ontdekking niet geaccepteerd, is ze nu wéér alleen?


Het verhaal van Emma is indrukwekkend en integer verteld. De nadruk ligt niet op het zich een vrouw voelen in een mannenlichaam maar wel op de voor velen herkenbare zoektocht naar wie je nu eigenlijk bent. Het is de enorme openheid van Emma dat zo'n impact heeft. Ze vertelt zonder sensatie of opsmuk hoe haar zoektocht naar haar wezenlijke kern verliep en dat doet ze op een prachtige manier.
Er valt nog zo veel meer over te zeggen over dit boek maar dat zou jammer zijn omdat ik het niet in zulke mooie bewoordingen kan doen als Emma.


Het verhaal ontroerde me erg. De eenzaamheid én de moed die Emma toont, raakte me diep.
Het is een boek dat 'buitenbeentjes' laat zien dat je niet in een hokje hoeft te passen.
Heel ontzagwekkend.


ISBN 9789493242258 | paperback | 226 pagina's | Willems uitgevers | november 2021

© Dettie, 21 januari 2022

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Het Lam Gods
Een verhaal van God en mens
Peter Schmidt


Dit boek is bijna een thriller, zo spannend leest het verhaal. De schrijver werpt tal van moeilijke vragen op, die hij vervolgens scherpzinnig ontleedt om te eindigen met een ontknoping: het bevrijdende antwoord. Alleen gaat het hier niet om criminologie, maar om kunst op het hoogste niveau, namelijk een schilderij van de gebroeders Van Eyck: Het Lam Gods.
Wat voor lastige vragen zijn daar vandaag de dag nog over te stellen kan men zich afvragen.
Wel, die zijn er in overvloed.


Wat was het aandeel van Jan en wat het aandeel van Hubrecht van Eyck? Wie heeft wat wanneer gemaakt? Wat is de bedoeling van het kunstwerk, de centrale boodschap? Hoe zit het met de iconografie van al die groepen op het schilderij en het onderliggende verband? Stelt de tronende figuur op het middenpaneel God de Vader voor of God de Zoon?


Het Lam Gods is geschilderd tussen 1420 en 1432 en is tentoongesteld in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Een kathedraal waar ook leden van de Orde van het Gulden Vlies bijeenkomsten hielden. Eén paneel, voorstellende De Rechtvaardige Rechters, is een kopie. Het origineel is gestolen en nooit teruggevonden.


Kunstliefhebbers spreken in superlatieven over dit retabel (altaarstuk) dat uit vierentwintig panelen bestaat, die met scharnieren geopend en gesloten kunnen worden. Bijvoorbeeld Patrick de Rynck, die een bezoekersgids voor de kathedraal schreef. Hij wijst op het formaat met het grote aantal luiken en roemt de superieure schilderkwaliteiten en de complexe beeldtaal.


Op de buitenluiken zijn de opdrachtgevers afgebeeld: Joos Vijd en zijn vrouw Elisabeth Borluut. Een zeer welvarend, maar kinderloos gebleven echtpaar. Vijd en zijn vrouw bekostigden niet alleen het schilderij, maar ook de inrichting en de glasramen van de kapel waarin Het Lam Gods kwam te staan. Als tegenprestatie zou er ‘eeuwig’ een dagelijkse mis voor hun zielenheil gehouden worden. Eeuwig was in dit geval tot aan het eind van de achttiende eeuw.


Het boek van Peter Schmidt is gestructureerd rond drie thema’s. In het eerste deel gaat het over de stad Gent, de kathedraal, de opdrachtgevers en de schilders Van Eyck. Deel 2 bespreekt de interpretatie van het schilderij: welke problemen zijn er op dit gebied, wat zeggen oude bronnen, welke aanwijzingen zijn er vanuit de heilige schrift? Deel 3 is beslist het hoogtepunt van dit boek. De schrijver neemt de lezer mee op ‘een wandeling’ langs de luiken van het retabel. Van elk paneel zijn fraaie afbeeldingen opgenomen waarvan de auteur de iconografische aspecten bespreekt.


Als voorbeeld van de nauwkeurige werkwijze van Peter Schmidt noem ik paneel nr. 16 van het geopende kunstwerk (blz. 122). Wie is de indrukwekkende persoon, gezeten op een troon en geflankeerd door Maria en Johannes de Doper? Veel bezoekers zien er God de Vader in en – merkwaardig – gidsen vertellen het ook zo (blz. 138). Ook in de oudste beschrijvingen van het retabel is die opvatting terug te vinden.


Schmidt analyseert de afbeelding, onderzoekt de teksten die de goddelijke gestalte omringen, ontleedt Bijbelteksten en geschriften van kerkvaders, bestudeert de Bijzantijnse en Middeleeuwse iconografie. Zijn conclusie is dat tussen Maria en Johannes de Doper de tronende Christus wordt afgebeeld. Het ligt eigenlijk ook voor de hand, want Maria is de moeder en Johannes de Doper de voorloper van Christus. Onder de massa mozaïeken, iconen, panelen en sculpturen is tot aan het einde van de Middeleeuwen niet één voorstelling te vinden waarin God de Vader op die plek gepositioneerd wordt. Ik vat hier samen wat Schmidt in een twintigtal bladzijden uiteenrafelt. Het is een spannend betoog waarin de schrijver tal van inzichten, aspecten en feiten tegen elkaar afweegt om tot deze conclusie te komen, die mij onweerlegbaar lijkt.


De lezer verneemt hoe ongelooflijk nauwkeurig de twee schilders gewerkt hebben. Aan de gelaatsuitdrukking van de zangers valt te onderscheiden of zij een hoge dan wel lage stem zingen. Het orgelpositief is in onze tijd nagemaakt volgens de nauwkeurige afbeelding en is bespeelbaar. Adam heeft lichtpuntjes in de ogen. Eva weer niet, want zij stond met de rug naar het raam waardoor het licht binnenviel. De letters in het boek van Maria zijn leesbaar. Aan de hand daarvan kon de titel van het boek opgespoord worden.


Schmidt gaat uiterst nauwgezet te werk. Opvallend is dat hij in Bijbelverhalen mythologisch gekleurde verhalen ziet (blz. 99). Verderop noemt hij de zondeval in het paradijs ‘de beroemde Bijbelse mythe’ (blz. 127). Daar zit een mening achter: als iemand ‘enkel en alleen exacte wetenschap als bron van waarheid kan aanvaarden zijn dergelijke teksten uiteraard dood’ (blz. 83). Een opvallend standpunt voor een priester-theoloog, waarbij de vraag gesteld kan worden of wetenschap werkelijk de enige bron van waarheid is. Wetenschap kan er ook geheel naast zitten. Daarvan noemt Schmidt heel frappant zelf een treffend voorbeeld. Na de restauratie van kunstwerken gaat soms ‘een ton aan literatuur naar de prullenmand’ (blz. 9).


Desniettemin schreef Schmidt een standaardwerk over een ander standaardwerk, namelijk Het Lam Gods. Hij is titulair-kanunnik van de Sint-Baafskathedraal, doctor in de theologie en lid van de European Academy of Sciences and Arts in Wenen. Zijn dissertatie ging over “2000 jaar Christus in kunst en cultuur”.


De uitgever verdient een groot compliment voor de wijze waarop dit fraai geïllustreerde werk is uitgegeven tegen een schappelijke prijs. Prachtig zoals met dit boek een hoogtepunt uit het culturele verleden wordt doorgegeven aan een nieuwe generatie.


ISBN 9789056155841 | Hardcover | Omvang 208 blz. | Uitgever Sterck & De Vreese | mei 2020

© Henk Hofman, 11 januari 2022.

Lees de reacties op het Forum en of klik HIER

 

De zwarte dood
De pandemie van de pest
Dick Harrison

De Wereldgezondheids- organisatie (WHO) beoordeelt de verspreiding van het corona-virus als een epidemie en noemt het geen pandemie. Een pandemie vergt wereldwijd in zeer korte tijd enorm veel slachtoffers. Covid-19 voldoet niet aan die norm. De Spaanse Griep na 1918 was wel zo’n pandemie. Er vielen in twee jaar tijd meer slachtoffers dan er soldaten sneuvelden op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. De pest, die in de 14e eeuw opdook, was eveneens een pandemie. In verhouding tot de bevolkingsomvang en de aantallen mensenlevens was het zelfs de ergste ramp die Europa ooit heeft getroffen. Dick Harrison schreef er een boeiende studie over.


De ziekte was een raadsel voor de middeleeuwse mens en dus wist men ook niet goed hoe men zich ertegen kon verweren. Was de lucht bedorven en moest men maskers dragen met kruiden er in die de lucht filterden? Was de harmonie in het lichaam verstoord en was daarom aderlaten de beste manier om de ziekte te bestrijden? Moest men zieken isoleren om besmetting te bemoeilijken? Dat laatste middel bleek effectief te zijn en werd toen bij elke nieuwe uitbraak van de ziekte direct ingezet. Maar pas aan het eind van de 19de eeuw ontdekten artsen dat vlooien de pest overbrachten van de rat op de mens. Toen pas werd het mogelijk om antibiotica te ontwikkelen, zodat zieken weer konden genezen.


De pest kende twee verschijningsvormen. De builenpest, die gepaard ging met een abces in de oksel of de lies, hoge koorts en hevige hoofdpijn. Daarnaast was er de longpest. Zieken begonnen hevig te hoesten, gaven bloed op en stikten.
Het zijn twee varianten van een ziekte, waar bijna niemand van herstelde. Men was één tot drie dagen ziek eer men bezweek.


De pest maakte geen enkel onderscheid. De ziekte trof de Arabische moslimwereld en het christelijke Europa. Jong noch oud, edelman noch horige, man noch vrouw, plattelander noch stedeling ontsnapte. Vrijwel iedereen die de infectie opliep was ten dode opgeschreven.


De pest kwam al voor in de vroege Middeleeuwen. Maar vooral in de jaren 1347-1352 raasde ze door delen van Azië, Afrika en bijna heel Europa. De pest bleef tot in de 18de eeuw Europa in golf na golf treffen. In tegenstelling tot andere epidemische ziekten worden mensen niet immuun voor de pest. Elke keer weer stierven mensen als vliegen aan deze ziekte.


In de 14de eeuw overleed een derde tot de helft van de bevolking in Europa in amper vijf jaar tijd. Tijdgenoten vertellen van verlaten dorpen, loslopend vee, oogsten die op het land verdorden, lijken die in massagraven werden gegooid, dolende peuters zonder ouders.


Helaas kregen de Joden de schuld van deze bijna onvoorstelbare catastrofe. De ergste pogroms totdat Hitler aan de macht kwam, braken los. De paus verzette zich fel tegen deze Jodenvervolging en bedreigde daders met excommunicatie. Maar de radeloze bevolking liet zich niet door pauselijke decreten in het gareel houden en moordde erop los.


“De Zwarte Dood” is een adembenemend boek en bovendien ook nog eens heel grondig in zijn opzet. We lezen over schilders en dichters die de pest als onderwerp kozen voor een schilderij of gedicht. Het gaat over artsen, apothekers en barbiers. Velen zagen de pest als een straf van God. Flagellanten zwierven rond en geselden zichzelf en elkaar tot bloedens toe in een poging boete te doen en daarmee God mild te stemmen.


De schrijver waarschuwt de lezer dat wij niet moeten denken dat mensen tegenwoordig beschaafder en rationeler reageren op dit soort calamiteiten. Aids werd veertig jaar geleden ook gezien als straf van God voor mensen die gezondigd hadden. Aidslijders werden toen gemeden ‘als de pest’. En het coronavirus heeft geleid tot de meest bizarre complottheorieën. “Er is niet veel voor nodig of wij gedragen ons precies zoals onze voorouders deden in tijden van pest” (blz. 483).


Uitgeverij Omniboek heeft er een mooi boek van gemaakt. In het hart van het boek is een fraai kleurenkatern opgenomen. Voorin geven zes kaartjes de verspreiding van de ziekte weer. Het boek sluit af met een uitputtende opsomming van literatuur, een personenregister en een plaatsnamenregister. Dit is een standaardwerk over een pandemie van eeuwen geleden, maar met een actuele spits.


De Zweed Dick Harrison is hoogleraar aan de Universiteit van Lund. In 2018 schreef hij een prachtig boek over “De Dertigjarige Oorlog”, dat eveneens bij Omniboek verscheen.


ISBN 9789401917773 |Hardcover | Omvang: 575 blz. | Uitgeverij Omniboek | december 2021

© Henk Hofman, 30 december 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER

 

De kracht van vrouwen
Een verhaal van moed en veerkracht
Denis Mukwege


Al tientallen jaren wordt Congo geteisterd door oorlogsgeweld. Regeringstroepen en rebellen, Tutsi’s en Hutu’s die uit Rwanda waren gevlucht, en lokale gewapende milities raakten verwikkeld in een spiraal van geweld. Congo is onvoorstelbaar rijk aan natuur en grondstoffen. Hebzucht, uitbuiting en oorlog hebben ervoor gezorgd dat dit land een van de armste plekken op aarde is.


De Congolese arts Denis Mukwege maakte er zijn levenswerk van om de slachtoffers van een gruwelijke oorlog op te vangen. In zijn ziekenhuis behandelde hij vrouwen met genitale verminkingen, vrouwen die verkracht waren voor de ogen van gezinsleden, vrouwen die als seksslavin waren misbruikt.  Vanuit het niets bouwde hij met een enorme inzet een kliniek op waar hij vrouwen steeds beter kon helpen, ook met psychische problemen die het gevolg waren van de vernederingen en het misbruik uit hun verleden.


De omgeving, ja zelfs de eigen familie, stootte deze vrouwen uit de gemeenschap. Zij waren ‘onteerd’. Mukwege leerde deze vrouwen dat niet zij de schuldigen waren, maar de daders. Het waren juist de daders die vervolgd moesten worden, en de gevolgen van hun misdaden moesten ervaren, niet hun slachtoffers. Mukwege gaf de vrouwen hun zelfrespect terug en leerde ze hoe pijn omgezet kon worden in kracht. De ‘overlevers’ gingen op hun beurt andere vrouwen in nood steunen en begeleiden.


Geleidelijk aan ontving Mukwege steeds meer steun van internationale hulporganisaties. Hij gebruikte zijn toenemende bekendheid om reizen te maken naar het buitenland. In New York sprak hij de Verenigde Naties toe. In Oslo hield hij een rede nadat hij de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen.


In eigen land werd deze weldoener niet op handen gedragen. In 2012 ontvluchtte hij na een aanslag zijn land en vestigde hij zich met zijn gezin in de Verenigde Staten. De vrouwen die hij had geholpen, kwamen in opstand tegen hun corrupte overheid en dwongen zijn terugkeer af. Sindsdien woont Mukwege op het terrein van het ziekenhuis en wordt hij permanent bewaakt door VN-soldaten.


Het was de tweede keer dat Mukwege een carrière opgaf om zich geheel toe te leggen op hulp aan mishandelde vrouwen.  Hij had na zijn opleiding tot arts in Frankrijk kunnen blijven waar hem een mooie positie was aangeboden. Dit is bewonderenswaardig en dwingt respect af.


Mukwege geeft aan dat zijn geloof voor hem de inspiratiebron is. Zijn vader was predikant van een grote gemeente en Mukwege gaat op zondag regelmatig als pastor voor in de gemeente van zijn inmiddels overleden vader. “Ik begin elke dag met bidden voor de waarden die ik het belangrijkste vind: liefde, compassie, nederigheid tegenover God en alle anderen, integriteit en solidariteit. Ik ga altijd naar de kerk als dat veilig genoeg kan. Mijn bijbel is mijn meest gekoesterde reisgezel” (blz. 284).


Mukwege vermeldt dat Tineke Ceelen, directeur Stichting Vluchteling, hem heeft gestimuleerd om dit boek te schrijven. Het boek gaat niet alleen over seksueel geweld in Congo. Mukwege trekt het veel breder. Wereldwijd zijn vrouwen het slachtoffer van seksueel geweld. Niet alleen als er ergens oorlog is. In het Westen blijkt keer op keer uit onderzoek dat verbijsterend veel vrouwen in hun jeugd en tijdens hun studie en daarna in hun werk te maken hebben met seksueel geweld. Ook de impact van pornografie en de massale verspreiding van populaire, maar gewelddadige spelvideo’s wordt aan de kaak gesteld.


Mukwege dringt eropaan in de opvoeding meisjes net zo te waarderen als jongens. De overheid moet zorgen voor goede wetgeving en een strikte handhaving van de regelgeving. Politieagenten en medisch personeel dienen geschoold te zijn in de omgang met vrouwen die zijn misbruikt. De verjaringstermijn voor misdaden moet in het geval van seksuele wandaden rekening houden met slachtoffers die eerst jarenlang de pijnlijke herinneringen uit proberen te bannen.
Wetteloosheid en straffeloosheid opent in een land hoe dan ook de poorten van de hel.


Het boek is bijzonder goed geschreven. De verschrikkingen die worden beschreven grijpen je af en toe bij de keel. Menselijk gedrag is helaas vaak ontluisterend. De onverschilligheid waarmee daders het leven van vrouwen verwoesten is onbegrijpelijk. Tegelijk laat dit boek ook zien hoe vrouwen, wier leven verwoest werd, toch pijn kunnen omzetten in kracht. Imponerend, en mogelijk een bron van inspiratie voor anderen die ook een zwaar leven leiden.


“De kracht van vrouwen” opent de ogen voor het geweld waar vrouwen het slachtoffer van zijn. Niet alleen in de zogenaamd Derde Wereld, maar ook in Westerse landen. Het boek blijft niet steken in al het geweld, maar geeft ook de weg aan om dit gezwel te bestrijden en te overwinnen. Ik wens het boek heel veel lezers toe.


Dr. Denis Mukwege werd in 1953 geboren in Belgisch-Congo. Hij wordt gezien als ’s werelds meest toonaangevende expert in het behandelen van verkrachtingsletsel. De EU verleende hem de Sacharovprijs voor de mensenrechten en in 2018 ontving hij de Nobelprijs voor de Vrede.


In zijn Nawoord bedankt hij uitgeverij De Bezige Bij – en met name Haye Koningsveld – voor het enthousiasme bij het uitbrengen van de Nederlandse vertaling. Bij dit compliment sluit ik me graag aan.


ISBN 9789403154817 | Paperback | Omvang 334 bladzijden | Uitgeverij De Bezige Bij | november 2021

© Henk Hofman, 20 december 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Wat maakt gelukkig?
Thomas van Aquino
Vertaling en toelichting door Niko Schonebaum


Op de vraag wat een mens gelukkig maakt, is een waaier aan antwoorden te geven. In de Nieuwe Bavo in Haarlem is er in 2021 zelfs een expositie aan gewijd: Geloof in Geluk. De boodschap is dat liefde het grootste geluk is dat de mens ten deel kan vallen. Goed gevonden, want het begrip Liefde leent zich uitstekend voor zowel een religieuze als een seculiere invulling.


De grote Middeleeuwse denker Thomas van Aquino (1225-1274) heeft zich ook over dit thema gebogen.
Gelukzaligheid is de hoogste trap van geluk. Er ontbreekt dan niets aan het geluk, het hart is volkomen tevreden, alle verlangens zijn gestild.


Volgens Thomas van Aquino ontbreekt er altijd iets aan het aardse leven. Iemand kan gelukkig getrouwd zijn, maar tegenslag op het werk hebben. Iemand die rijk is, verlangt naar nog meer rijkdom of tobt met een zwakke gezondheid. Bovendien is het aardse geluk altijd eindig, want de dood maakt een eind aan ons leven. Dan zijn we het aardse geluk ook kwijt en dus was het niet volmaakt. Het is daarom onmogelijk in dit leven de gelukzaligheid te hebben.


Het geluk zal daarom gezocht moeten worden in de hemel. Is het geluk te vinden bij de engelen? Nee, want engelen zijn zelf ook geschapen en afhankelijke wezens. Alleen in het beschouwen van God kan de mens rust vinden. Het is, zoals Augustinus (353-430) het eeuwen eerder al uitdrukte: Mijn hart is onrustig tot het rust vindt in U. Pas dan valt er niets meer te wensen en is de mens ‘gelukzalig’.


De scherpzinnigheid waarmee Aquino redeneert is verbazingwekkend. Zijn centrale vraag – Wat maakt gelukkig - ontleedt hij in subvragen. Waarin bestaat de gelukzaligheid? Wat is het geluk? Wat hoort bij geluk? Hoe wordt gelukzaligheid bereikt? Elke subvraag kent weer deelvragen. De vraag bij “Wat hoort bij geluk”, valt uiteen in de volgende deelvragen: hoort genieten bij gelukzaligheid?; is de volmaaktheid van het lichaam nodig?; is vriendschap nodig voor gelukzaligheid?; is volmaaktheid van het lichaam nodig voor de gelukzaligheid?


Elke deelvraag wordt volgens eenzelfde stramien onderzocht en beantwoord. Eerst volgen een paar overwegingen die volgens Aquino tekortschieten. Daarna komt hij met zijn eigen standpunt dat vervolgens toegelicht wordt. Tot slot noemt hij de argumenten op grond waarvan hij de inleidende overwegingen verwerpt.


Zijn standpunt fundeert Aquino op de Bijbel, de kerkvaders of de Griekse filosoof Aristoteles. Dat standpunt is steeds een korte, kernachtige zin. Zo stuwt deze grote denker met een onweerstaanbare logica zijn betoog naar het onvermijdelijke sluitstuk: als de mens rust vindt in God, verwerft hij het grootste goed dat niet meer verloren kan gaan.


Even scherpzinnig is de toelichting van Niko Schonebaum. Hij volgt het betoog op de voet en geeft bij elk onderdeel een heldere verklaring, vaak van aansprekende voorbeelden voorzien. Het is knap dat hij de moeilijke materie zo inzichtelijk heeft weer weten te geven. De lezer kan het beste steeds een passage van Aquino lezen en dan gelijk daarna de toelichting van Schonebaum. Dat betekent dat een lezer de tijd moet nemen voor dit boek. Wie rustig leest en meeleest in de toelichting, raakt vertrouwd met de manier van redeneren. Alle zijpaden worden door Aquino afgesneden. Het leven op aarde kan de mens nooit gelukzalig maken, want er zijn altijd gebreken en het is eindig. Dus zal het in de hemel gevonden moeten worden bij de Schepper van hemel en aarde.


Het boek begint met een fictieve brief van Thomas en een inleiding van de vertaler. De verhandeling van Aquino omvat zeventig bladzijden en de toelichting bijna zestig bladzijden.


Al met al een juweeltje dat na het lezen een blijvende plek in de boekenkast waard is. Heeft het boek nog betekenis voor onze tijd? Zeker, want juist nu zoekt de mens koortsachtig het wijkende geluk weer op het spoor te komen. De tijdgeest wordt gekenmerkt door onzekerheid en onrust. Aquino wijst een weg aan om in woelige tijden innerlijke rust te vinden.


Gegevens over Thomas van Aquino zijn gemakkelijk te vinden voor wie even op zoek gaat. Niko Schonebaum is docent klassieke talen en retorica aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is medeoprichter van de stichting Lumen Christi (www.parochielumenchristi.nl/bisdom.)


ISBN 9789463403139 |Paperback | Omvang 192 blz. | Uitgeverij DAMON Eindhoven | november 2021

© Henk Hofman, 7 december 2021

Lees de reacties op het Forum en/of reageer, klik HIER.

 

Weg uit de armoede
Truida’s reis
Truus Rozemond


Als je de stamboom voor in het boek bestudeert, valt de naam Rozemond op. Inderdaad: dit is een familiekroniek: het verhaal van de voorouders van Truus, meer specifiek geconcentreerd op haar grootouders Truida Groothuis en Cents Haak.


Truida is de oudste dochter in een Gronings gezin. Haar leven begint in 1884, te Ulrum. Vader Albert is bakker en kruidenier, haar moeder was de dochter van een succesvol kleermaker.
De dood van het tweede kind werpt een donkere schaduw op het gezin. Moeder Aaltje wordt wat we nu depressief zouden noemen. Hartelijkheid ten opzichte van haar kinderen valt haar moeilijk. Dat zal zich wreken in de gevoelswereld van haar oudste dochter.


Als Truida Cents ontmoet is zij al 28. Hij is opgegroeid als wees in een armenhuis en ziet er geen heil in om in Groningen te blijven. In Limburg, in de mijnen, daar is werk. Daar is een goede toekomst. Ze vestigen zich in Heerlen. Het is 1912.
Er staat hun een huis ter beschikking van de mijnen, maar het is armoedig, en Truida is al snel zwanger. Zij kan dus geen geld inbrengen, heeft ook geen contacten buitenshuis. In het arme katholieke Limburg voelt ze zich niet echt thuis. Cents daarentegen is als een vis in het water, ook al is hij evenmin als Truida katholiek, hetgeen niet bepaald een voordeel is. Hij wordt lid van de Algemene Nederlandse Mijnwerkersbond en gaat een woningbouwvereniging oprichten die onafhankelijk van de werkgever is.


Als de geschiedenis zich herhaalt en ook Truida haar tweede kind verliest, is moeder Aaltje gelukkig bereid de lange reis te ondernemen. Dat zal ze ook doen als er meer kinderen geboren worden. Maar Truida zal nooit echt aarden in Limburg. Dat ligt voor een groot deel aan de armoede. Cents heeft dan wel een ‘goede’ baan, de mijnen betalen niet veel. En doordat hij ook de avonden veel weg is, vanwege zijn overige activiteiten, voelt Truida zich erg alleen. Stiekem spaart ze al voor de reis naar Ulrum.
Ook de kinderen ondervinden problemen omdat ze een ‘rooie’ vader hebben en niet katholiek opgevoed zijn. Dan zijn er ook nog de gevolgen van de de eerste wereldoorlog, voelbaar in het dagelijkse leven, voedsel wordt schaarser.


‘Het is een zachte zomeravond, hoog op een schoorsteen zingt lyrisch een merel, insecten zoemen, er is de geur van rijpe aardbeien. Trui heeft dit voorjaar voor het eerst een klein bedje ervan geplant. Het is eigen onverantwoorde luxe nu al het eten uit de eigen tuin moet komen maar ze kon het niet laten, zo’n heimwee had ze naar een klein beetje verwennerij, een aardbei als een snoepje voor bij de kruidenthee. Engelse thee is niet meer te krijgen, ook koffie is er alleen nog in surrogaatvorm. Nu de kinderen naar bed zijn, genieten zij en Cents nog even van de avondrust, buiten op een bankje achter hun huis. Ze plukt twee zoete vruchten als traktatie bij een kopje vlierbloesemthee.’


De machtige mijneigenaren en de geestelijkheid drukken de levensstandaard van alle mijnwerkers, de tussenoorlogse jaren zijn geen vetpot.
Als de armoede langzaam minder wordt en ze verhuizen naar een beter huis in de Rode Kolonie, blijft er de last van het grote gezin. Trui wil niet meer kinderen, maar voorbehoedsmiddelen zijn nog niet zomaar voor iedereen beschikbaar in deze katholieke provincie. En net als haar moeder heeft ze er moeite mee liefde te voelen voor haar kinderen.


Als die op hun beurt uitvliegen en Cents gepensioneerd is, verhuist het echtpaar terug naar Groningen, op het moment dat de tweede wereldoorlog op uitbreken staat. Of dat een verbetering is valt nog te bezien. Het café dat Cents overgenomen heeft blijkt niet goed te renderen.
Dochter Geertje verhuist als enige mee. Zij is ontslagen omdat zij een aardje naar haar vaartje heeft: ze durfde te vragen om meer uurloon. Niet eens voor haarzelf… En ze is niet katholiek.


In het tweede deel van het boek is Geertje meer degene om wie het draait. Ze weet een goede baan te bemachtigen, als cheffin in een herenmodezaak in stad Groningen, waar ze op kamers gaat wonen. Zij ontmoet haar toekomstige man, Sam Rozemond. Zijn naam klinkt joods, en hij verandert die in Bob. Hij duikt onder in het café van zijn schoonouders.
Opnieuw zijn het zware jaren voor de familie, mede door de oorlog. En Geertje krijgt min of meer dezelfde problemen als voor haar haar moeder en haar oma. Ze is somber en ontevreden, en heeft veel moeite met de opvoeding van haar drie kinderen.


Een boeiend verhaal over hoe de geschiedenis in een eeuw tijd kan veranderen!
Een voorbeeld: Aaltje heeft haar leven lang moeten sappelen, ze krijgt pas in 1947, een paar jaar voor haar overlijden, haar AOW. Trui daarentegen  krijgt naast haar AOW een nabestaandenpensioen voor mijnwerkersvrouwen.
Materieel gezien krijgen ze het dus beter, maar dat dit niet alles is, blijkt wel. Het leven van de drie vrouwen heeft veel overeenkomsten: als vrouw in een ondergeschikte positie, niet bij machte om een eigen leven op te bouwen als er eenmaal kinderen komen. Dat ligt natuurlijk grotendeels aan de tijdsgeest, maar ook aan de levensomstandigheden en de karakters van de dames.
Een deels geromantiseerde historische familieroman, met veel feiten, maar wel steeds goed leesbaar.


Truus Rozemond is psycholoog, gespecialiseerd in leerprocessen. Ze werkte aan de Hogeschool van Amsterdam en aan de Universiteit van Amsterdam. In 2015 debuteerde zij met de roman Een verwaarloosd huis.


ISBN 9789492241481  | paperback | 252 pagina's | Uitgeverij Magonia | oktober 2021

© Marjo, 25 januari 2021

Lees de reacties op het forum, klik HIER

 

1000 jaar vreugde en verdriet
Memoires
Ai Weiwei


Ai Weiwei (°1957) is wereldwijd de bekendste Chinese kunstenaar. Hij zet zich ook in voor mensenrechten en vrije meningsuiting. Zijn vader, Ai Qing (1910-1996), is minder bekend: hij was dichter en vertrouweling van Mao, maar werd in 1957 als ‘Rechts element’ veroordeeld tot heropvoeding door dwangarbeid, iets wat duizenden intellectuelen niet overleefden. Hun botten werden 50 jaar later teruggevonden in het woestijnzand (p. 434-435, p. 463).
Tijdens de Culturele Revolutie werd het gezin nogmaals hard aangepakt: ze werden verbannen, eerst naar het koude noordoosten, dan naar ‘Klein Siberië’, een woestijngebied ten noorden van Ürümqi, in Xinjiang.


Ai Weiwei begint zijn memoires met de geboorte van zijn vader in 1910. Tot zijn vierde jaar werd hij gezoogd en opgevoed door een arme vrouw, die haar eigen dochtertje verdronken had. Tussendoor vermeldt de schrijver ook politieke gebeurtenissen, weliswaar niet altijd in de juiste chronologische volgorde: het einde van de Mantsjoe-keizers, die 266 jaar lang heersten over de Han-Chinezen; de conferentie van Versailles, waar de Duitse concessies Qingdao en Shandong aan Japan toegekend werden; de oprichting van de Chinese Communistische partij (CCP) in 1921 met de hulp van Henk Sneevliet.


In 1928 ging zijn vader naar de kunstacademie in Hangzhou en in 1929 voor drie jaar naar Parijs. Daar maakte hij kennis met de Russische literatuur en met de poëzie van Emile Verhaeren, die hij later vertaalde in het Chinees. In 1932 trok hij zonder diploma naar Shanghai, waar hij door de Franse bezetters aangehouden werd wegens het bezit van communistische lectuur. Daarvoor kreeg hij zes jaar cel, waarvan drie jaar effectief. Daarna werd hij leraar Chinees en was hij ook actief als dichter.


In 1937 begon de grootscheepse Japanse invasie, met een massale slachtpartij in de hoofdstad Nanjing en andere brutaliteiten zoals het stropen van de huid van mensen. Ai Qing moest met vrouw en dochtertje verschillende keren vluchten. Hij schreef gedichten over de oorlog en een boek over poëzie. In 1939, toen zijn vrouw een tweede keer zwanger was, werd hij verliefd op een andere vrouw, die hem afwees en vervolgens op de 17-jarige Wei Ying, een vroegere leerling, met wie hij trouwde. Op vraag van Zhou Enlai verhuisden hij en Wei Ying in 1941 naar Yan’an, waar ze in een grot woonden en waar hij bezoek kreeg van Mao.
In 1942 kregen de intellectuelen ruzie met Mao wegens hun kritiek op de privileges van de top. Mao besliste dan dat schrijvers en kunstenaars enkel op zichzelf nog kritiek mochten uiten (p. 101). Zijn ‘Rectificatiebeweging’ (1942-1945) hield in: kruisverhoren, eenzame opsluitingen, martelingen om bekentenissen af te dwingen of anderen aan te klagen. Zelfs Ai Qing ging over tot veroordeling van een kritische medeschrijver, Wang Shiwei, die gevangen en in 1947 geëxecuteerd werd (p. 107-109). Dank zij Zhou Enlai werd Ai Qing (voorlopig) gezuiverd van verdenking en in 1945 toegelaten tot de CCP. In dat jaar begon ook de Mao-cultus (p. 110).


Op 15 augustus 1945 gaf Japan zich over. De oorlog had aan bijna 20 miljoen Chinezen het leven gekost (p. 111). Vanaf 1946 ging de burgeroorlog verder. De CCP confisqueerde alle gronden en deelde ze (tijdelijk) uit aan de boeren, die 80% van de bevolking uitmaakten. In 1950 eiste de partij de gronden weer op en werden ze collectief bezit. In 1949 kwam de CCP als overwinnaar uit de strijd. De auteur vertelt niets over de Russische hulp hierbij. Ai Qing mocht de nieuwe vlag uitkiezen: rood met vijf gele sterren (p. 117).


In 1950 mocht hij een reis van vier maanden maken door de Sovjet-Unie en werd daar opnieuw verliefd op een oud-leerling. In 1954 mocht hij naar Chili om de 50ste verjaardag te vieren van Pablo Neruda. In 1955 werd hij weer verliefd, nu op Gao Ying, die in 1957 de moeder werd van Ai Weiwei.


In april 1957 lanceerde Mao zijn ‘Honderd Bloemen Campagne’, die aanmoedigde kritiek te leveren op de partij en de regering. 550.000 intellectuelen werden dan opgepakt als ‘Rechtse elementen’: “haaien, met scherpe tanden, die mensen bijten”, aldus Mao. Ze kregen zware dwangarbeid. Slechts twee op de tien van hen overleefden dit. Sindsdien vormen intellectuelen een marginale groep in de Chinese samenleving en spelen ze geen rol van betekenis meer (p. 106).


Ai Qing mocht Pablo Neruda nog begeleiden op zijn tweede reis door China, maar bij het afscheid was hij er niet meer bij: hij werd uit de CCP gezet en met zijn gezin verbannen naar het noordoosten, niet ver van Vladivostok (p. 146-147). In 1959 was hij er zo erg aan toe, dat het gezin even naar Beijing mocht, maar dan vlogen ze naar Shihezi, ten noorden van Ürümqi in Xinjiang. Daar ontmoetten ze Xi Zhongxun, de vader van de huidige Xi, die zei dat Ai helemaal geen ‘rechts element’ was. Ondertussen woedde in China van 1959 tot 1961 een grote hongersnood ten gevolge van de Grote Sprong Voorwaarts, die aan tientallen miljoenen het leven kostte (p. 154).


In 1966 ontketende Mao zijn gewelddadige Culturele Revolutie, de ergste van zijn meer dan 50 politieke campagnes (p. 171). Schrijvers, leraren en rectoren werden doodgemarteld door de Rode Gardes. Ook bij Ai Qing in Shihezi vielen ze meermaals binnen. Lin Biao vluchtte in 1971 naar de SU, maar kwam om. In 1972 kwam Nixon naar China en normaliseerden China en Japan hun betrekkingen. In 1973 mocht Ai Qing na 15 jaar ballingschap even naar Beijing voor een oogoperatie en in 1975 een tweede keer.


In januari 1976 stierf premier Zhou Enlai, vriend van Ai Qing en de meest humane in de partijtop. In juli verwoestte een aardbeving de stad Tangshan met 200.000 doden als gevolg. In september stierf Mao. Premier Hua Guofeng verklaarde de Culturele Revolutie meteen voor beëindigd.


In 1978 kwam Deng aan de macht. Hij rehabiliteerde de ‘Rechtse elementen’ van 1957, voor zover ze nog leefden. In 1979 werd Ai Qing volledig gerehabiliteerd, met herstel van zijn partijlidmaatschap en salaris. Hij mocht zelfs voor het eerst sinds 1954 op reis en nog wel naar West-Duitsland, Oostenrijk en Italië. In München droeg hij een gedicht voor over de Berlijnse Muur. Dat werd ook voorgelezen toen de Muur in november 1989 viel (p. 191-192).


In december 1978 verscheen op een muurkrant een pleidooi voor een ‘Vijfde Modernisering’: democratie. De auteur, Wei Jinsheng, werd in 1979 opgepakt en veroordeeld tot 15 jaar cel!


In 1981 emigreerde Ai Weiwei naar Amerika. Helaas diende hij op zijn examen kunstgeschiedenis een blanco formulier in, waardoor hij zijn studiebeurs kwijtspeelde (p. 211-212). In 1987 hield hij zijn eerste solotentoonstelling in New York. Vandaar volgde hij in 1989 de protesten op Tiananmen, waar kunstenaars een vrijheidsstandbeeld geplaatst hadden en waar een leger van 300.000 man het vuur opende op vreedzame studenten. Nadien werd een nieuwe granieten bestrating aangelegd op de 40 km lange en 60 à 120 m brede Chang’an-laan (‘Laan van de Eeuwige Vrede’) en op het ‘Plein van de Hemelse Vrede’ om de vele bloedvlekken weg te wissen (p. 249).


In 1993 keerde Ai Weiwei na 12 jaar en zonder diploma terug uit New York naar Beijing, waar de mensen nog in angst leefden sinds Tiananmen (p. 245). Hij hield zich bezig met kunst en met boeken uitgeven. Zijn vader stierf in 1996. In 2002 noemde de stad Jinhuan een park naar hem. Ai Weiwei bouwde een kunstgalerij in Caochangdi nabij Beijing. Vanaf 2003 mocht hij het Vogelneststadion mee ontwerpen voor de Olympische Spelen van 2008.


Vanaf 2005 schreef hij blogs met maatschappijkritiek op het internet en bereikte zo een steeds groter publiek. Hij werd dus ‘gevaarlijk’ en einde 2008 sloot de overheid zijn blog (p. 308).


In 2007 organiseerde hij een reis naar Documenta in Kassel. Hij nam 1.001 Chinezen mee, uit alle rangen en standen. In 2008 leerde hij, na tien jaar huwelijk met Lu Qing, zijn tweede vrouw kennen: Wang Fen. In 2009 beviel ze van Ai Lao. Hij zette zich in voor de vele slachtoffers van de aardbeving in Sichuan, maar de overheden weigerden de namen van de meer dan duizend dode schoolkinderen bekend te maken. In Chengdu kreeg Ai Weiwei van de politie harde klappen op zijn hoofd toen hij daar het proces tegen een brave activist wou bijwonen. In september 2009 werd hij daaraan geopereerd in München (p. 330-336). In dat jaar werd schrijver Liu Xiaobo veroordeeld tot 11 jaar cel, een jaar later kreeg hij de Nobelprijs voor de vrede. In 2017 overleed hij in de gevangenis aan kanker (p. 351-369).


Vanaf 2010 werd Ai Weiwei permanent in het oog gehouden, geregeld kreeg hij huisarrest, zijn nieuw kunstatelier in Shanghai werd gesloopt, in 2011 werd hij aangehouden wegens ‘aanzetten tot ondermijning van de staat’. Buitenlandse premiers pleitten voor zijn vrijlating. Na 81 dagen cel werd hij vrijgelaten op voorwaarde dat hij Beijing niet zou verlaten, niet online zou gaan, niet met de media zou praten en zich wekelijks zou melden bij de politie (p. 403). Hij hield zich daar niet aan.


In november 2011 kreeg hij een belastingaanslag van 2,4 miljoen dollar, terwijl er maar een paar honderd dollar op zijn rekening stond. Met donaties van 30.000 Chinezen kon hij zich redden (p. 412- 417). Eind 2012 kwam Elton John naar Beijing. Hij ontving Ai Weiwei en droeg zijn optreden op aan hem voor zijn moed. Nadien mocht de Brit nooit meer optreden in China (p. 423-424). In 2011-2014 hield Ai Weiwei verschillende tentoonstellingen in het buitenland, maar hij had reisverbod. In 2015 eindigde zijn vier jaar durend huisarrest (p. 441). Hij kreeg zijn paspoort terug en mocht met vrouw en kind  emigreren naar Berlijn. In 2016-2017 maakte hij een documentaire over de vluchtelingencrisis (die hem sterk aangreep) en hij verwerkte ze ook in zijn kunst (p. 450-452).


Sinds 2015 woont hij dus in Berlijn, waar hij geniet van alle vrijheden. Maar hij vertelt niet of hij, zijn vrouw en zijn zoon daar ook gelukkig zijn. Hopelijk wel.


Beoordeling

De auteur schreef zijn boek in het Chinees, de Nederlandse vertaling is gebaseerd op de Engelse. Enkel de gedichten van vader en zoon Ai zijn uit het Chinees vertaald. De auteur geeft een beeld van de gebeurtenissen in China sinds 1910 en zeker van de laogai: de werk- en heropvoedingskampen en ook van de wreedheden tijdens de Culturele Revolutie. Hoewel het gezin jaren in Xinjiang heeft gewoond, spreekt hij niet over de behandeling van de Oeigoeren. En hoewel hij het Vogelneststadion mee mocht bouwen, zegt hij niets over de voor China zo succesvolle Olympische Spelen. In de titel staat ‘1.000 jaar’: het boek begint in 1910; 111 zou dus juister zijn. En er staat beduidend meer verdriet dan vreugde in.


Hij toont aan dat het regime nog lang niet rijp is voor mensenrechten zoals vrijheid van mening en pers en dat het liever critici opsluit of laat emigreren. Zijn memoires zijn diepe reflecties over kunst en vrijheid. Ze zijn vlot geschreven en tonen zijn koppigheid en moed. Terloops maken we ook even kennis met andere artiesten zoals Andy Warhol, Keith Haring e.a.


Een kaart is er niet bij: wie Shihezi en vele andere niet zo bekende plaatsen wil weten liggen, moet er zelf de ‘Atlas of China’ bij nemen: daar staan ze allemaal in. Eén detail: de oude en beroemde porseleinstad Jingdezhen ligt niet in het ‘noordoosten’ (p. 339), maar in de zuidoostelijke provincie Jiangxi.


ISBN 978-90-488-2653-7 | Hardcover | 464 pagina's incl foto’s en, tekeningen| Uitgeverij Lebowski/Overamstel, Amsterdam/Antwerpen | november 2021
Vertaling van ‘1000 Years of Joys and Sorrows’ (2021) |

©Jef Abbeel, 13 januari 2022  www.jefabbeel.be

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Hen
De wereld van een ingetogen patriciër
Caspar Visser ’t Hooft


Voor velen is en blijft het een vraag: wie waren eigenlijk onze voorvaderen?
We zouden willen weten wat zij deden tijdens hun leven, liever nog: wat zij dachten en waarover zij spraken. Hoe reageerden zij op de wereld om hen heen? Maar, tenzij deze mensen een dagboek bijhielden – en dan nog, want is het de waarheid die zij neerschreven? – kunnen we dat niet weten.


Voor schrijver Caspar Visser ’t Hooft leefde deze vraag ook. Als beheerder van het familiearchief las hij oude brieven en bekeek foto’s en stuitte toen op een dagboekje van zijn overgrootvader, Hendrik Philip ’t Hooft. Het boekje begint op 1 juni 1881 en eindigt in januari 1883.


Geen bekende Nederlander, niet iemand waar andere biografen zich al op hebben gestort. Misschien is het daarom des te interessanter. Het was vast ook een uitdaging om uit te zoeken hoe het leven van een gewone man, bijna honderdvijftig jaar geleden, er uit zag.
Want ook al heb je die aantekeningen in een dagboekje, voor een goed begrip moet het in de juiste tijdsgeest geplaatst worden. Dat vergt behoorlijk wat onderzoek. Waar woonde deze man? Wie had hij om zich heen? Waar had hij het over als hij schreef over een verblijf in een kuuroord? Hij was tenslotte pas vijftien! Daar kunnen wij ons niets bij voorstellen.
Wat deden ze in hun vrije tijd, zonder al die technologie die wij nu tot onze beschikking hebben? Hoe reisden ze?
En dan de grootste uitdaging misschien wel: hoe beschrijf je dit zodanig dat het voor de lezer die natuurlijk die interesse voor specifiek deze mensen niet deelt – want geen familie – een boeiend relaas wordt?
En dat laatste is gelukt. Het is een behapbaar relaas geworden, niet een spannend verhaal dat je in een ruk uitleest, maar absoluut interessant. Het is onontkoombaar dat er veel namen en jaartallen gebruikt worden, maar het is gedoseerd.


Wie eerder ‘Een hof tot ons gerief’ van deze schrijver las, weet al het een en ander over de familie. Zij hoorden bij de gegoede stand. De vader van Hen, kort voor Hendrik Philip ’t Hooft, was rechter in Haarlem. De familie kwam oorspronkelijk uit Dordrecht, waar nog vele familieleden huisden.
Als zij een familiebezoek aflegden, over en weer, was dat meteen een logeerpartij. Ook neven, nichten, zelfs achterneven en achternichten kwamen dan. Hun onderkomens waren groot genoeg en er zullen wel bedienden geweest zijn, concludeert de Caspar Visser ’t Hooft. Dat was in die tijd gebruikelijk.


De jonge Hendrik ging naar het Haarlems Gymnasium, en volgens de naspeuringen zal hij niet zo’n sportief figuur geweest zijn. Meer hield hij zich bezig met cultuur en literatuur. Met zijn vrienden richtte hij een dispuutclub op. Let wel: het waren nog scholieren!
Jongeren spraken niet alleen over literatuur, maar schreven zelf ook. Vooral poëzie. En ze luisterden naar muziek, en musiceerden. Waar ze niet van verschilden van de hedendaagse jeugd - al is de vorm anders - is het fantaseren over de toekomst. 


Aan het einde van de negentiende eeuw werd het spoor flink uitgebreid, elektriciteit deed langzaam zijn intrede, het was een tijd van grote veranderingen. Natuurlijk was een jongen van vijftien, zoals Hen was toen hij zijn dagboek bijhield, zeer geïnteresseerd in al die veranderingen. We maken de overgang naar het studentenleven mee, in Leiden. Toen schreef hij niet meer in een dagboek, maar er zijn brieven bewaard gebleven waaruit toch een heleboel informatie gehaald kan worden.
Ook zijn er de verzen die hij schreef als factor van een herensociëteit, waar hij jarenlang lid van was ‘Trou moet blijcken’. Die verzen bestonden uit drie delen, die gingen over wat er in de wereld was gebeurd, wat er in het eigen land gebeurd was en wat er meer specifiek in Haarlem voorgevallen was. Deze verzen zijn bewaard gebleven en vormen ook een bron van informatie.
Hen leidde een rustig leven als advocaat, cellist en dichter, tot hij overleed in 1930.
Jaap Scholten schreef een voorwoord.


Caspar Visser ’t Hooft (Straatsburg, 1960) woonde ook in Brussel en Oegstgeest, studeerde in Leiden en in St Andrews (UK), maar koos in 1990 voor domicilie in Frankrijk. In 2005 debuteerde hij met de novelle Sprekend portret. Daarop volgden een tweede novelle, De ring van de keizerin, en een verhalenbundel, Ontwaken. In 2010 verscheen bij Uitgeverij IJzer zijn eerste roman, Koningskinderen, gevolgd door Feniksbloem (2012).


ISBN 9789086842407 | Paperback | 207 pagina's | Uitgeverij IJzer | november 2021

© Marjo, 7 januari 2022

Lees de reacties op het forum, klik HIER

 

Veganbijbel
Van bietenburgers tot chocolademousse en van pompoenlasagne tot kaneelbroodjes
Tessa Moorman


Tessa Moorman en Merel von Carlsburg startten in 2009 The Green Happiness en motiveerden zo duizenden vrouwen én mannen om gezonde en plantaardige voeding te proberen. Samen schreven zij vier boeken. Nadat Moorman en von Carlsburg ieder hun eigen weg gingen, schreef Moorman onder meer De Veganbijbel, verschenen in de serie kookbijbels van Green Happiness.
Een bijbel is een verzameling boeken, wat in dit geval resulteert in een verzameling recepten en wetenswaardigheden, voor degene die daar interesse in heeft. Een bijbel schrijft niet voor, maar biedt keuzemogelijkheden. En die zijn er volop in dit dikke kookboek.


We beginnen met een voorwoord van diëtiste Tessa Moorman. Zij heeft recepten ontwikkeld die ze wil delen vanuit ‘de behoefte om lekker, gezond en plantaardig te eten.’
Onderverdeeld in eetmomenten volgen dan zo‘n 200 recepten: ‘allemaal plantaardig, vaak glutenvrij en gemaakt van zoveel mogelijk verse onbewerkte producten.’
Maar voor we zover zijn, wordt er ingegaan op de vraag waarom je veganistisch zou gaan eten. Oftewel: waarom Moorman hiervoor gekozen heeft. Dat we bewuster om kunnen gaan met ons voedsel is zeker iets wat voor iedereen belangrijk is. Of je wel of niet toch voor dat stukje vlees kiest.
Denk er over na en maak je keuze.
En laat je door dit boek leiden als je kiest voor veganistisch. En ook als je dat niet doet…


Alle recepten zijn op veganistische basis, en al zal dat niet de bedoeling zijn van de schrijfster: als je bij een recept dat je lekker lijkt toch niet kiest voor haver- of sojamelk, maar de bekende melk van de koe gebruikt, dan is dat net zo lekker toch?
Voor je aan de recepten toe bent, wordt wel verteld hoe je bepaalde dierlijke producten kunt vervangen door plantaardige varianten. En waarom je dat zou willen doen. Ook wordt verteld hoe je, als je  voor volledig veganistisch eten kiest, kunt voorkomen dat je een tekort aan bepaalde mineralen en vitamines krijgt. Zonder kant-en-klare vleesvervangers te kopen, die vaak te veel zout bevatten!


En dan eigenlijk: grasduinen in de recepten! Die overigens allemaal heel duidelijk worden weergegeven, met foto’s erbij. Dat is vooral handig als het gaat om bepaalde trucjes: chocolade tempereren, of wraps rollen met norivellen.
Bij de recepten staat aangegeven – naast natuurlijk welke ingrediënten je nodig hebt – of het een glutenvrij gerecht is, hoe moeilijk het te maken is – of dus juist niet - en andere wetenswaardigheden. De bereidingstijd, voor hoeveel personen, dat soort dingen.


Koekjes, taarten, snacks, maar ook gerechten voor het ontbijt, de lunch en de warme maaltijd volgen. En nog meer. Meer dan voldoende om inspiratie op te doen, en lekker te gaan kokkerellen.
En zoals gezegd: ook voor degenen die niet perse 100% veganistisch willen eten, want ze zijn makkelijk aan te passen.
Maar de veganbijbel is in de eerste plaats bedoeld voor degenen die wèl op de vegantour willen.
Laten we allemaal genieten van een rode-biethavermout, een nori-aardbeiensalade, kikkererwtenwraps met pompoen, of een romige tagliatelle met paddenstoelen!


Meer informatie op https://www.thegreenhappiness.com
Achter in het boek staat nog een lijst met groenten per seizoen, en een receptenindex.


ISBN 9789048859870 | Hardcover| 496 pagina's | Uitgeverij Carrera | november 2021

© Marjo, 28 december 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Mozes’ nalatenschap
Mensenrechten in historisch perspectief
Herman M. van Praag


Onlangs las ik een aankondiging van een boek over de Verlichting: “Mensenrechten, democratie, scheiding van kerk en staat, vrouwenemancipatie – al deze mooie zaken zijn te herleiden tot de Verlichting.” Dit is de gangbare mening. Voor de meeste mensen geldt dat zaken als vrijheid, gelijkheid, tolerantie en mensenrechten samen met de bovengenoemde waarden allemaal verworvenheden zijn van de achttiende-eeuwse Verlichting en dat die vrijheden bevochten zijn op een rigide kerk.


Niet alzo Herman van Praag. Volgens hem liggen de wortels van de mensenrechten in de wetgeving van Mozes. Het idee dat de mens grondrechten heeft, is volgens hem al te lezen in de Thora (de eerste vijf boeken van het Oude Testament). De oerbron van deze idealen ligt dus in religie en was al een paar duizend jaar onder handbereik, maar werd genegeerd.


De benadering van Van Praag is een heel ongebruikelijke. Wij zijn opgevoed met de gedachte dat redelijkheid en vooruitgang seculiere waarden zijn en dateren uit het tijdvak van de Verlichting. De Joodse Bijbel (voor christenen: het Oude Testament) staat dan gelijk aan achterlijkheid, onverdraagzaamheid en gewelddadigheid.
Ongebruikelijk is echter niet hetzelfde als onjuist. Van Praag heeft goede argumenten.


In een tijd van absolute heersers en grote onvrijheid voor hun onderdanen gaf Mozes richtlijnen die de macht van de vorst beperkten en een onafhankelijke, onpartijdige rechtspraak bevorderden. Niet alleen de concentratie van macht ging hij tegen, maar ook de concentratie van bezit. Elke vijftig jaar moest grond, die iemand noodgedwongen had moeten verkopen, teruggaan naar de oorspronkelijke eigenaar. Iemand die zich vanwege schulden als slaaf had verkocht, werd in dat zogeheten Jubeljaar vrijgelaten. De oogst was bovendien bestemd voor de behoeftigen. Andere regels van Mozes op het gebied van het erfrecht beschermden de positie van de vrouw.


Ik stip hier kort een paar bepalingen aan. Van Praag noemt nog veel meer en staaft dat door de vindplaatsen in de Thora te noemen. Daar laat hij het niet bij. De volgende stap is een onderzoek naar het gehalte van de Verlichting, de Franse Revolutie die er op volgde, en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.
De voornemens waren heel verheven en idealistisch. De praktijk was een bloedbad (de Terreur na 1790 met het schrikbewind van Robespierre) en de dictatuur van Napoleon vanaf 1799.


Vergeleken met de Franse Revolutie heeft de Amerikaanse Revolutie het er beter afgebracht: de onafhankelijkheidsstrijd van de Amerikanen liep na 1776 niet uit op een bloedbad. Maar toch, de slavernij bleef bestaan. En het verschil tussen rijk en arm was wel heel groot. Excessieve rijkdom van enkelen stak schrijnend af tegen de armoede van velen. Iets wat de wetgeving van Mozes nu juist voorkwam in het Oude Israël. Daar werd na vijftig jaar al het bezit herverdeeld.
De rechtsbescherming die Mozes invoerde, gold het gehele volk, inclusief vrouwen en vreemdelingen. De Verlichtingsidealen cirkelden rond een elite, die zich bevoogdend opstelde naar het gewone volk toe. Vrouwen, arbeiders en vreemdelingen bleven uitgesloten van het democratisch proces.


Van Praag bespreekt de verhouding tussen geloof en wetenschap, de wijze waarop we met elkaar in debat moeten gaan, de zingeving aan het Leven, de waarde van Traditie, het raadsel van het ‘Ik’ (dat een ongrijpbare abstractie is), en de betekenis van het ‘Lernen’ in de synagoge. Hij gaat in discussie met denkers als Richard Dawkins, Paul Cliteur, Dick Swaab  en vele anderen. Zijn visie is verrijkend en overtuigend: de regels die Mozes op bevel van de “Eeuwige’ aan het Joodse volk gaf, legden de grondslag voor een samenleving waarin recht en orde gewaarborgd waren.


Een mooi boek, dat door de uitgever ook mooi is uitgegeven. De cover is een prachtige visuele samenvatting van het boek. Op een schilderij van Rembrandt discussiëren twee (Joodse?) geleerden met elkaar. Tussen hen in een opengeslagen boek en dat zou de Thora/Bijbel kunnen zijn.


Van Praag schrijft klip en klaar op wat zijn mening is. Hij is niet bang om buiten boord te vallen met zijn opvatting en dat doet authentiek aan.


Een kanttekening heb ik bij bladzijde 65. Van Praag schrijft daar dat God (‘de Eeuwige’ in zijn aanduiding) niet perfect is. “Hij reageert soms op een manier die, naar menselijke maat gemeten, moreel onverdedigbaar moet worden genoemd.” Maar is het juist om ‘de Eeuwige’ te meten met de menselijke maat? Een maat die beperkt en eindig is, gezien de menselijke natuur?
Onjuist lijkt me ook wat Van Praag op blz. 67 stelt: Jezus zou hebben verzwegen dat Hij Zijn boodschap aan Mozes heeft ontleend. Jezus Zelf zegt dat Hij de wet van Mozes heeft vervuld (Mattheüs 5: 17). In Romeinen 7: 12 staat dat de wet van Mozes rechtvaardig en goed is. Geen verzwijgen en miskenning, maar erkenning.


Dit terzijde. Hoofdzaak is dat dit uitstekende boek van een auteur die zich grondig heeft ingelezen in zijn onderwerp beslist meegenomen moet worden in de discussie die wij over het gehalte en de herkomst van onze rechtsstaat voeren.


Herman M. van Praag (1929) is emeritus-hoogleraar Psychiatrie van Groningen, Utrecht, Maastricht en New York. Hij heeft veel artikelen en boeken gepubliceerd op het gebied van de Biologische Psychiatrie en de betekenis van religie voor diagnostiek en behandeling. Van Praag is Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.


ISBN 9789463403153 | Hardcover | Omvang 257 blz. | Uitgeverij DAMON | december 2021

© Henk Hofman, 17 december 2021

Lees de reacties op het Forum en/of klik HIER