Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

Winterwater
Lex Paleaux


‘Onder water hoorde ik alleen nog maar stilte. Het was een raar soort stil, maar toch ook fijn. Niet zoals ’s nachts als ik wakker werd en het hele huis nog sliep. Of de stilte die je kon horen vlak voor dominee Wesseling op zondag de zegen uitsprak in de kerk. Het leek een beetje op het geluid van stilte als ik heel erg verkouden was en behalve mijn neus ook mijn oren verstopt zitten.’


Het was zijn tijd nog niet. De jongen, ik-verteller Lex, wordt door zijn grootvader uit het water gehaald nadat hij door het ijs gezakt is.


Winterwater is een verzameling verhalen die samen het verhaal vertellen van een gevoelige jongen die geen begrip vindt in de wereld om hem heen. Dat is in Friesland, in de jaren tachtig. Zijn moeder is streng gelovig en heeft losse handjes. Vooral als het om haar jongste gaat. Zijn twee oudere broers lijken een eigen weg te kunnen gaan zonder klappen op te lopen. Zij stellen geen moeilijke vragen, zoals Lex wel doet. De vragen die hij stelt, getuigen vanuit een nieuwsgierige aard en dat wordt niet op prijs gesteld in het streng gereformeerde gezin. Waarom kan hij niet aanvaarden? Geloven? Gewoon doen wat hem gezegd wordt?
Maar dat is nu juist het probleem. Zeker als het over God gaat. Als hij leert dat God hem altijd zal beschermen, hoe kan het dan dat hij niet opgevangen wordt als hij valt? Zijn poging te bewijzen dat God bestaat levert hem een flink pak rammel op. Niet het eerste en niet de laatste overigens.


Lex spreekt drie talen: Frans, Nederlands en Fries. Dat Frans is vanwege zijn vader, een Fransman, die na een ongelukkige val thuis zit. Lex’ moeder zegt dat ze arm zijn, hetgeen leidt tot een in onze ogen hilarisch voorval. Maar geld dat voor de armen is uit de collectezak halen in de kerk, je kan je voorstellen dat het hem in de problemen brengt. Zoals dat vaker gebeurt.


Lex is een eenzaam kind, dat zelfs na een verschrikkelijke gebeurtenis bij niemand terecht kan. Het leidt tot psychische problemen, hij doet zijn best niet meer op school, plast weer in zijn bed, en onderschept tenslotte een brief die niet voor hem bestemd is maar wel over hem gaat. Het is de druppel.


'Ik vergat steeds vaker om de radiozender weer naar Frankrijk te sturen. Soms was mijn vader boos en soms ook niet. Ik merkte dat zijn boosheid mij niet meer zo raakte. Het deed er niet toe... Ik deed er niet toe.'


De verhalen, steeds voorafgegaan door een cursief stukje tekst, als een voorzet tot het verhaal, staan niet in chronologische volgorde, ze overspannen een periode van zo’n acht jaar en geven een duidelijk beeld van de jeugd van een jongen die anders is dan zijn ouders gewend zijn. Zij begrijpen hem niet, lijken ook nauwelijks belangstelling te hebben. Als hij na het behalen van een kampioenschap met zijn teamgenoten op een kar door het dorp rondgereden wordt, staat iedereen voor de deur van hun huis, juichend en klappend. Behalve bij de familie van Lex.


Winterwater is een schrijnend verhaal dat je geschokt achterlaat. Niet dat de verhalen somber zijn, integendeel zelfs, de manier waarop de jongen vertelt is eerder opgewekt te noemen, zelfs als hij vertelt over een pak slaag lijkt hij dat niet erg te vinden. Lijkt! De teneur is immers niettemin benauwend en het boek eindigt dan ook met een drama. In een beeldende stijl weet Lex Paleaux uiteen te zetten hoe de gevoelswereld van de jongen botst met in het leven teleurgestelde ouders binnen een streng christelijke achtergrond.


Lex Paleaux (1977) afkomstig uit Friesland, nu woonachtig in Haarlem, is schrijver van scripts voor televisie, theater en film.
Winterwater is zijn debuut.

ISBN 9789062657926 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer| januari 2020

© Marjo, 12 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Land van dadels en prinsen
Frank Nellen


Parijs, 2019. Gerechtspsychiater Tulard is opgeroepen om naar het Huis van Bewaring te komen. Hij is jarenlang psychiater geweest maar nu doet hij alleen nog maar dit: verdachten onderzoeken of ze toerekeningsvatbaar zijn. Onderweg naar de Boulevard de la Chapelle merkt hij dat er weer eens paniek is uitgebroken in de metro.


‘De mensen zijn achterlijk, denkt hij. De kans dat ze omkomen is verwaarloosbaar. Ook nu, in Parijs. Miljoenen mensen, hooguit een handjevol doden.’


Tulard – gehard door zijn praktijk? Het leven moe? – gaat tegen de vluchtende stroom mensen in en arriveert  bij het zwaarbewaakte gebouw. Voor de deur is het druk met betogers. Ze eisen dat de verdachte aan hen wordt overgeleverd. Lynchen zullen ze hem!
Eenmaal binnen brengt men hem op de hoogte. Luitenant Doriot is doodgeschoten. Hij was het hoofd van de afdeling terrorismebestrijding en behoorlijk geliefd bij het volk. En bij ministers, CEO’s en rechters. Doriot werd gezien als de verlosser, degene die opgewassen zou zijn tegen de terroristische dreiging.


En nu was hij neergeschoten. Door een Algerijn. Als Tulard hem door de spiegelruit ziet zitten, weet hij: deze man kent hij, al is het alleen maar van een foto.
Het is Youssef, de beste vriend van zijn overleden zoon Simon.
In 2015 schreef Simon zijn belevenissen van die bijzondere zomer op papier.


‘Wanneer ik klaar ben, zal ik deze vellen op de post doen naar de hoofdcommissaris. Misschien zal hij Youssef laten opsporen. Dan kan ook hij lezen over mijn verraad, want ondanks talloze pogingen heb ik mijn fatale beslissing op het einde van die zomer nooit anders kunnen uitleggen.’


Tien jaar eerder beleefde de toen vijftienjarige Simon de zomer van zijn leven. Thuis bij een ongeïnteresseerde vader verveelt hij zich. Zijn moeder is overleden, broers of zussen zijn er niet. Hij gaat naar een oom die in een buitenwijk van Parijs woont. Daar ontmoet hij Youssef, die al heel snel zijn beste vriend zal zijn. Youssef is alleen, woont overal en nergens, en is een echte dakhaas. Hij verplaatst zich niet door de straten van Parijs, maar klimt en klautert over de daken. En Simon is aan het einde van de zomer net zo atletisch als zijn vriend. Ze genieten. Die zomer betekent vrijheid.
Maar Youssef heeft een geheim, dat zwaarder weegt dan zou moeten. Als Simon dat ontdekt vindt hij dat zijn eerste verraad. Maar het ergste, het echte verraad, moet nog komen.


‘Mijn verraad zat diep in me, op een plekje waar zelfs zijn warmte niet kon komen. Hij had niets door. Hij praatte tegen me. Hoewel de meeste woorden langs me heen gingen, begreep ik dat het verhalen waren. Sprookjes over dadels en prinsen, over roodkleurig zand dat over de vlaktes waait. Ik probeerde te luisteren, maar het lukte me niet.’


Tulard ontdekt de achtergrond van de moord op Doriot. En begrijpt dan pas wat er met zijn zoon gebeurd is.


Nellen probeert een de lezer een duidelijk inzicht in de problematiek van discriminatie en sociale ongelijkheid te geven. Tulard en Youssef bespreken de ongelijkheid van immigranten, die het moeilijk vinden om in hun nieuwe vaderland een bestaan op te bouwen. Is dat, zoals Tulard denkt, omdat zij psychisch anders in elkaar zitten? Of is er meer aan de hand? Ligt het aan de manier waarop ze behandeld worden door de autochtonen? Het gebrek aan kansen?


Land van dadels en prinsen is het goed geschreven debuut van Frank Nellen(1982), in het dagelijks leven jurist en wetenschapper. Het verhaal zet aan tot denken - en misschien discussiëren - over hoe het er aan toe gaat in onze samenleving. Want al speelt het boek in Parijs, de stad van de aanslagen, de kwestie speelt in heel Europa. Met als achtergrond de vriendschap van de twee jongens is het een ontroerend verhaal geworden. Maar vooral een belangrijk verhaal.


ISBN 9789048848676 | paperback | 201 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | oktober 2019

© Marjo, 3 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Explicador
Sander Pleij


Een dag uit het leven van S, een jonge man, die in een race tegen de klok een manifest af moet leveren. Dat gaat over de mens. De mens is uniek, stelt hij, je kan hem niet vangen in een robot. Of toch wel?
Hij zou dat vast wel gewenst hebben, want een robot kan andere verbindingen maken, en de jonge man lijdt aan vreselijke hoofdpijnen. Hij heeft een neurostimulator in zijn rug. De plek is ontstoken geraakt, hetgeen de nodige problemen veroorzaakt. Maar hij moet dat manifest afmaken, de volgende dag moet het ingeleverd worden.


In zijn manifest probeert hij het geheim van het leven te vatten. Leven is creativiteit. S. concentreert zich op Paul van Ostayen (1896-1928, Antwerpen) die zich mengde in de groep futuristen en dadaïsten die in het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog, een groep die een heel nieuwe vorm van kunst propageerde.
Ook S. wil een nieuwe vorm van kunst. Kunst en een mens verenigd in een zelfstandig denkende computer, die functioneert op de ideeën van kunstenaars, filosofen en schrijvers.


'De parallellen schoten S. door het hoofd. Hij zag de iPhone zoals de futuristen de vliegmachine, het bijna sexy en machtig-vernunftige van een machine of apparaat. De roes waarin deze futuristen verkeerden, was te vergelijken met de roes van de digitale revolutie. Het enthousiasme over machines die afstanden verkleinden, leek op de blijheid over via internet: het instant overal ter wereld alles zien en delen.'


Terwijl hij werkt aan de tekst en steeds die kunstenaars en filosofen aan het woord laat, vertelt hij ook over zijn leven tot dan toe: hoe zijn moeder hem en zijn vader verliet om in een commune te gaan wonen. Zijn vader is een BN-er, hij heeft hoge verwachtingen van zijn zoon, en zit hem op de huid. S. heeft het er moeilijk mee. Bovendien is de jongen verliefd geworden op zijn halfzus, en natuurlijk weet hij heel goed dat zijn vader dat niet zal accepteren.


De dag verloopt chronologisch, maar omdat er steeds teruggegrepen wordt op de levens en ideeën van kunstenaars, vooral Van Ostayen, en er de flashbacks zijn, is dit boek niet zo makkelijk te lezen. Het dadaïsme is daar ook debet aan, dat was niet bepaald een makkelijke kunstvorm. En wat S. wil is ook niet makkelijk. In dit boek wordt aannemelijk gemaakt hoe S. op de ideeën komt, maar de veelheid en diversiteit van het resultaat laat veel twijfel aan de uitkomst.


Het is een vrij warrige ideeënroman waarin de schrijver nu eens licht pornografische teksten schrijft, om even zich even later in filosofische gedachten te verdiepen. De verhaallijn over Ster, de halfzus,  voegt weinig toe, die over van Ostayen is nog het meest interessant. Zelfs interessanter dan de hoofdpersoon S, die niet erg sympathiek naar voren komt.


Sander Pleij (1970) werkte tien jaar bij De Groene Amsterdammer en tien jaar bij Vrij Nederland. Hij won diverse journalistieke prijzen. Explicador is zijn debuut.


ISBN 9789048842766  | Paperback | 352 pagina's | Uitgeverij Lebowski | februari 2019

© Marjo, 23 oktober 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Draaidagen
Bianca Boer


Judith is opgegroeid bij haar grootouders, haar moeder heeft nooit willen zeggen wie de verwekker van haar kind was, en Judith heeft haar evenmin gekend.
Opa en oma waren lief voor haar, maar het is natuurlijk niet hetzelfde. Oma - ze noemt haar Nini - is een overlevende van het concentratiekamp Auschwitz, iets waar ze nooit over heeft willen praten. Judith weet dat haar hele (joodse) familie daar omgekomen is, inclusief de eerste man van Nelly, en haar nog jonge kind. Een trauma dat ze wilde verdringen. Maar nu is Nini oud, ze begint te dementeren, en ineens vertelt ze dingen.


Judith wil het allemaal weten, maar heeft daarnaast zo haar eigen problemen, waar ze niet met oma over praat. Ze probeert haar wel te vertellen dat ze met haar studie gestopt is, maar dat dringt niet meer door.


Judith heeft na een paar mislukte pogingen de juiste studie gevonden, filosofie. Ze woonde op kamers in Rotterdam, haar woonplaats, en leerde daar wat mensen kennen. Ze werd verliefd. Op de verkeerde, want de jongen in kwestie had iets met een ander meisje van hun groepje.
Toen ze niettemin zwanger werd, bleef Judith geen andere keuze over dan het kind weg te laten halen. Ze stopte met de studie, ging weer bij haar oma wonen, en kwam tot de ontdekking dat de rollen omgekeerd waren. Nu kwam de zorg voor oma op haar bordje te liggen.


‘Je bent trager geworden in die paar jaar. Maar ben je echt langzamer of valt het me nu meer op? En het huis is plotseling te klein voor ons tweeën. We lopen elkaar maar in de weg. Je hobbelt de godganse dag achter me aan. Knettergek word ik ervan.’


Oma lijkt zelfs vergeten dat Judith drie jaar niet in dat huis woonde.
Als ze een baan aanneemt als edelfigurant in een film over de Tweede Wereldoorlog wordt het nog zwaarder. Ze leidt een dubbel leven: terwijl oma steeds meer vertelt, en Judith er achter komt wat ze allemaal meegemaakt heeft, lijkt alles nog dichterbij te komen doordat in de film dingen gebeuren die samenhangen met het verleden van oma.


Twee mensen die allebei met een onverwerkt verleden kampen en zich niet uiten. Dat leidt tot problemen. Een buitenstaander zou dat wat er gebeurt komisch vinden, maar voor de betrokkenen is het dat niet.
Judith is de ik-verteller, die haar oma toespreekt.


‘Eet toch, kind,’ zeg je. ‘Als er is, moet je eten.’ Je wijst naar het schaaltje vleeswaren. Ik heb geen trek meer. Als jij eet, bestaat er niets en niemand anders. Ik was dat bijna vergeten en kijk naar je. De concentratie waarmee je tot de randen smeert en hoe daarna je blik over tafel gaat om te zien wat er voor beleg is, terwijl je heel goed weet wat we in huis hebben. Zo ben je altijd geweest.’


Deze stijl maakt het verhaal indringend. We zien door de ogen van Judith hoe oma aftakelt. We lezen over de wanhoop die Judith voelt omdat ze nauwelijks kan helpen, ze wil wel, maar heeft een eigen leven. En haar oma wil helemaal niet geholpen worden.
Maar tegelijk komt ze er achter, door Nini zelf, en door het verhaal van de film, wat haar oma heeft meegemaakt. Nini is dan niet alleen een oma, maar een mens.
Dat geldt niet alleen voor haar oma, ook de speciale spelers in de film, mensen met het syndroom van Down, zijn meer dan ze op het eerste gezicht lijken.


Het verhaal van de film wordt op een bijzondere manier verteld: het is alsof het om echte gebeurtenissen gaat, alsof het in het heden speelt terwijl tegelijk duidelijk is dat het om film gaat.


‘Een van de figuranten loopt de set af.
‘Waar gaat dat heen?’ schreeuwt Robert.
‘Even naar het toilet.’
‘Blijven staan! Dat had je net moeten doen.’
Ze knikt timide en schuift terug in de rij. Ondertussen wordt Charlotte opgehaald en neemt de productieassistente onze dekens aan. We lopen weer, we klimmen in de vrachtwagen. Ik help de patiënten. Ik geef mevrouw Leibnitz een arm. Mevrouw Silberstein huilt zachtjes.
‘Waar is mijn man? Hij zal toch wel weten waar ik ben?’
‘Tuurlijk,’  zeg ik, terwijl ik haar op de laadklep help.’’


Bianca Boer verweeft deze verhaallijnen op ingenieuze wijze. Het verhaal laat je niet zomaar weer los. De titel is ook veelzeggend.
Ook al is de thematiek in dit geval de Tweede Wereldoorlog, traumaverwerking is iets wat je met allerlei thema’s kunt verbinden.
De zorg komt ook als thema naar voren: in de film gaat het over patiënten met een geestelijke stoornis die naar het concentratiekamp vervoerd worden, waar dus bewoners van het hedendaagse tehuis een rol in hebben (heftige scenes zijn dat!), maar er is ook de mantelzorg, die behoorlijk zwaar is.
Erg mooi boek. Ontroerend, temeer door de eenvoudige verteltrant.


Bianca Boer (1976) is schrijver, dichter en schrijfdocent. Ze won de Nieuw Proza Prijs, publiceerde in De Gids, Tirade en Passionate en trad onder meer op tijdens Crossing Border. In 2007 werd haar verhalenbundel Troost en de geur van koffie genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs. In 2010 verscheen de dichtbundel Vliegen en andere vogels. Dit is haar romandebuut.


ISBN 9789025455576 | Paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | juni 2019

© Marjo, 13 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Kroesvee
Zonen van Jafeth Deel 1
John Meilink


In een nawoord geeft de schrijver aan dat hij de feiten een beetje heeft aangepast om het verhaal goed te laten verlopen, maar dat slaat alleen op enkele jaartallen en levenslopen van de personen die hij in het verhaal verwerkt heeft.
Het feit blijft dat eind zeventiende eeuw de slavenhandel vanuit onder andere Ghana floreerde. En voor het geval iemand denkt dat de Nederlanders daar niet aan mee deden: lees dit boek, en ontdek hoe de West-Indische Compagnie bloeide door de handel in goud en mensen. Want al zijn de meeste personages fictief, het relaas over de handel is dat absoluut niet!


Het verhaal wordt verteld vanuit de handelaren, vooral Nederlanders, maar ook Engelsen, Fransen, Portugezen en Brandenburgers, zo genoemd omdat zij afkomstig waren uit de gelijknamige deelstaat in het oosten van Duitsland, allen handelden in slaven.


‘Ik heb ze geruild tegen brandewijn, tegen vorken, messen en kralen; ik maak op die handel achthonderd procent, zelfs al zou de helft het niet halen.’


De inlanders werden beschouwd als arbeidskracht, onmisbaar om op de suikerplantages op de Antillen en in Suriname te werken. Was het aanvankelijk tegen de calvinistische geest om mensen te verhandelen, er kwam een moment dat theologen dat niet langer verwierpen als zijnde goddeloos, als het maar ging om niet-christenen.


Het verhaal begint in 1687 met een onverhoedse overval op een dorpje in het Denkyira koninkrijk (Ghana): vrijwel alle bewoners worden gevangengenomen door de Afrikaanse slavenjagers om als slaaf verkocht te worden. Ook krijgsgevangenen en dissidenten werden naar de kust vervoerd en geleverd aan de Europese slavenhalers, die op hun schip voor anker lagen te wachten. Maar de Nederlanders hadden een verdrag met de Denkyira. Net als de Engelsen trouwens. De roof van een compleet dorp verhit de gemoederen dan ook behoorlijk. Als de slaven langs een geheim gehouden route vervoerd worden, door een Arabier, denken de Brandenburgers en de Fransen dat ze hun slag kunnen slaan, er van uitgaande dat de Nederlanders het verdrag niet zouden willen schenden. Niet openlijk tenminste.


Verraad en bedrog, onderlinge oorlogjes, slinkse afspraakjes, mensen die hun eigen handeltjes denken te kunnen drijven, het maakt het geheel nogal ingewikkeld. En dan is er nog de hitte, en de vele ziektes, met nauwelijks kennis over hoe die tegen te gaan. Het verhaal over de worm:


‘De bottelier kijkt met afgrijzen naar zijn eigen buik. Hij heeft pijn en loopt gevaar: het uittreden van de worm kan leiden tot levensbedreigende infecties, dat weet iedereen. Het ligt er maar net aan waar het gedrocht verkiest naar buiten te komen en – belangrijker nog – of het heel blijft, want een worm in stukken belooft zeer zwaar weer voor de patiënt.
‘Haal het weg, meneer,’ smeekt hij, hijgend als een karrepaard. ‘Alsjeblieft.’


Intussen bevinden de illegale slaven zich op de Griffioen, waar Aldemar Burghoutsz, schipper van de Griffioen, zich inspant om zijn ruimen voller te krijgen. Slaven brengen geld op. Zij zijn vee. Kroesvee. Veel waard, maar geen mens als hij zelf. Zo vindt ook de dominee die door het lint gaat met al die ‘duivels’ om hem heen.


Af en toe zijn er intermezzo’s, waarin verteld wordt over het verleden van de belangrijkste figuren: Burghoutsz (fictief) en Nicholaas Sweerts, directeur-generaal van de WIC (wel historisch, maar er is weinig over hem bekend). En er is het verhaal over Bomba Jan, een mulat. Hij is slavenopzichter op de Griffioen. Hier laat Meilink zien hoe de tijdsgeest was, hoe iemand er toe kwam te handelen zoals hij deed.


Het moge duidelijk zijn. Op deze flinke hoeveelheid pagina’s wordt veel informatie gegeven. Mooischrijverij is er niet bij, het is kort en feitelijk, hetgeen even wennen is.  Er zijn wel degelijk beschrijvingen van het landschap en cultuurhistorische achtergronden, het is een boeiend en leesbaar verhaal vol actie over een akelige periode uit onze geschiedenis.
Voor in het boek zit een kaart van het gebied waar dit verhaal zich op concentreert, als ook een uitvergroting van alle forten die in die tijd langs die kust stonden. Er is een handige lijst met de belangrijkste personages, zodat je kan terugkijken wie wie is.


Het boek bestaat uit twee delen, het eerste beslaat de maanden november en december van het jaar 1687, het tweede speelt zich af in januari 1688.
Ieder deel is weer onderverdeeld in hoofdstukken waar een stukje tekst boven staat, in de vorm van toepasselijke citaten. Dan vind je achterin nog een aantal opmerkingen, over welk deel fictie is, en wat er gebaseerd is op geschiedenis, er is een uitleg van de citaten, een bibliografie en de woordenlijst, is ook heel handig, want Meilink gebruikt veel woorden uit de talen van de Afrikaanse stammen!
Je kan wel stellen dat het boek volledig is, maar mocht je nog meer willen, kijk dan op de site, https://www.kroesvee.nl waar ook nog informatie te vinden is over de afbeeldingen die in het boek staan.


John Meilink (1961) is werkzaam in de ICT. Dit boek, waaraan hij zes jaar werkte, is zijn debuut. Het zal uiteindelijk uitmonden in een trilogie met als serienaam Zonen van Jafeth.

ISBN 9789460225192 | paperback | 429 pagina's | Uitgeverij LM Publishers | januari 2019

© Marjo, 16 augustus 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Niemand zoals hij
Lucia van den Brink


‘Uit de envelop haalt ze een dubbelgevouwen papier. De zijkant van het papier heeft een gescheurde rand, alsof het ergens uit is getrokken. De brief is geschreven in een ander handschrift dan haar adres op de envelop. Dit handschrift is hoekig en alle letters staan uitgebalanceerd op de pagina. Het komt haar bekend voor. Onderaan staat groot ‘Pieter’ geschreven.
Opa.
Het is echt van opa.’


Renke heeft haar opa al meer dan een jaar niet gezien, en deze brief roept veel vragen op. Ook brengt hij slecht nieuws: haar opa heeft de ongeneeslijke spierziekte ALS, de doctoren geven hem nog een jaar. Dat is meteen de verklaring voor wat er boven de brief staat ‘nog 365 dagen.’ In de brieven die volgen, leest ze hoe haar opa naar Japan is gegaan, in het spoor van zijn karateleraar Yamada. Hij logeert aanvankelijk ook bij hem, tot hij een eigen plek vindt.


Renke had altijd een goede band met haar opa, al vond haar moeder het niet goed dat ze met hem omging. Tussen haar opa en zijn enige dochter, die hij in zijn eentje opgevoed heeft na de dood van zijn vrouw botert het namelijk niet.
Renke heeft een kantoorbaan en daarnaast houdt ze een blog bij waarop ze foto’s plaatst die de waarheid moeten vertellen. Niet de fakeberichten die ze zo vaak leest, maar het echte, ware leven. Maar al krijgt ze veel likes, of ze hier nu haar brood mee kan verdienen?
Nu Renkes carrière stuk is gelopen - ze heeft geen contractverlenging gehad, dus ze zit zonder werk - rijpt langzaam een plan. Als er memobriefjes op de dagboekfragmenten geplakt zitten, en haar opa haar uitnodigt: kom naar Japan, en als hij ook nog een geldbedrag overmaakt is de keuze snel gemaakt.


We lezen over haar reis, beginnend in Tokio waar ze vrijwel direct iemand ontmoet die haar gids wordt. Na een paar dagen gaat ze verder, naar het dorp waar haar opa woont. Woonde, helaas. Intussen heeft ze bericht gehad van haar moeder: opa is overleden, zijn lichaam wordt al overgevlogen naar Nederland.


Renke besluit toch naar het huis te gaan, om te zien waar opa zijn dagen sleet, de dagen waarover hij schreef in de dagboekfragmenten die hij haar stuurde. En ze wil Yamada ontmoeten. In de brieven vertelde opa over zijn fascinatie voor karate, een sport die hij op latere leeftijd nog is gaan beoefenen. Hij vertelt wie Yamada is, en wat de Japanner voor hem betekende. Hij heeft het over zijn dochter, betuigt zijn spijt over de fouten die gemaakt heeft. Over zijn neuroses.
En hij beschrijft hoe de ziekte langzaam maar zeker zijn lijf sloopt.
In de eerste enveloppen zaten ook papieren kraanvogels. Gevouwen kraanvogels, zeker als je er duizend vouwt, brengen geluk. Dan wordt je wens vervuld.
En opa had wensen, net als Renke die heeft.


In deze roman wordt het een en ander verteld over de sport karate, over Japanse gewoontes - waarbij hun aversie tegen buitenlanders als een verrassing komt, en dat niet alleen voor Renke: ’foreigners not allowed’ staat er op een notificatie op de deur van een restaurant! - maar vooral ook over hoe je je eigen leven op kan pakken als het even tegenzit.


In de levens van de grootvader en de kleindochter zitten overeenkomsten, maar ook tegenstellingen. Dat wordt mooi verwerkt in dit verhaal. Ook leert de grootvader zijn kleindochter het een en ander, door eerlijk te vertellen over zijn keuzes, en geeft aan hoe belangrijk de rol van de Japanner was in zijn laatste maanden. Terwijl Renke haar besluit neemt te vertrekken en daadwerkelijk in Tokio rondloopt, leest ze af en toe de brieven van opa, zodat er een afwisseling ontstaat tussen hun beider verhalen.
Als zij een bepaald liedje in haar hoofd heeft en er maar niet achter komt welk liedje, heb je als lezer misschien datzelfde deuntje al in je hoofd! Zo is het hele verhaal wel voorspelbaar. Ook het einde. Toch is het een overtuigend verhaal geworden dat prettig leest. Dat komt door de toon, maar ook door de informatie die speels in het verhaal verweven zit.
Mooie psychologische roman.


Lucia van den Brink (Zoetermeer, 1991) woont in Amsterdam. Ze behaalde een bachelor Japanologie en een master Journalistiek & Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden. Ze publiceerde korte verhalen, gedichten en feministische columns. ‘Niemand zoals hij’ is haar debuutroman.


ISBN 9789026347573 | paperback | 240 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | januari 2020

© Marjo, 25 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Buiten beeld
Jurriaan van Eerten

Alex Laagland is fotograaf en journalist. In die hoedanigheid raakt hij in Venezuela verzeild in de hectiek van een demonstratie die hard neergeslagen wordt. Er wordt traangas tegen de demonstranten gebruikt.


‘Eerst is er alleen een demonstrant, die uit de achtergrond van rookpluimen naar hem toe komt rennen en steeds scherper zichtbaar wordt. Zijn magere bovenlichaam is ontbloot, er staan strepen modder op de spijkerstof van zijn broek. De enige felle kleur in het geheel is het rood van zijn shirt dat hij voor zijn neus en mond heeft gebonden. De rest is grauw: de barricades die op het asfalt liggen te smeulen, de autobanden en pallets, het puin.’


De jongen zal op zijn netvlies gebrand blijven. Hij maakt de perfecte foto, op het moment dat de jongen geraakt wordt door een kogel. Er zijn andere jongeren die de jongen overeind helpen en naar Alex roepen: maak dat je wegkomt!
Dat doet hij, met zijn collega Jesse en hun fixer (i.e.een local die hen de weg wijst). Ze komen na enkele strubbelingen veilig in hun hotel aan en Alex besluit te gaan zoeken naar de jongen. Om het hele verhaal te kunnen vertellen.


De jongen, Nelson, blijkt dood. Natuurlijk kon Alex daar niets aan doen, maar als zijn foto zoveel lovend commentaar krijgt in Nederland, neemt zijn schuldgevoel alleen maar toe.  Was het niet belangrijker geweest de jongen te helpen? Hij heeft het niet eens geprobeerd!


Deze tweeledigheid verscheurt hem. Het schuldgevoel naar de jongen aan de ene kant, de roem en de roep om meer aan de andere kant. Hij wint ook nog eens de Zilveren Camera, waardoor hij de wereld, en vooral zijn redactrice meer reportages verschuldigd is.


Als we lezen over zijn verleden blijkt dat er nog iets speelt. Hij is begonnen als fotograaf van mooie plaatjes van vakantieoorden. Met Lies, de vrouw van zijn leven, maakt hij hele mooie reizen. Zijn reportages zijn succesvol. Een tragisch ongeluk maakt een eind aan deze mooie reizen. Hierna kiest hij er voor om een ander soort series te gaan maken: ‘Echte, rauwe reportages over mensenlevens en de chaotische wereld waarin die zich afspelen.’
Zo is hij in Venezuela beland, waar hij wederom in dramatische situaties terecht komt.
Na de prijs is de druk groot. Hij moet weer aan het werk.
Dan begaat hij een grote vergissing. Het begin van het einde…


Niet alleen bij het publiek, ook voor de fotograaf kan het een gewetenskwestie zijn: maak ik die foto, of ga ik helpen?  Een journalist wordt natuurlijk geacht verslag te doen van wat er gebeurt. Dat is het thema van Van Eertens boek.
Een tweede thema is de geloofwaardigheid van nieuws. De krantenlezers en televisiekijkers zijn er immers zelf niet bij.


Een geëngageerde roman. Wat zou je doen in zo'n situatie?

Zouden we niet beter niet alles klakkeloos aannemen wat we zien en lezen?


Jurriaan van Eerten (1983) is schrijver en journalist, en woont in Tuscon, Arizona. Zijn reportages uit de Verenigde Staten en Latijns-Amerika worden gepubliceerd in Nederlandse en internationale media.
Naar aanleiding van een prijswinnende foto van soortgelijk kaliber schreef hij zijn debuutroman.


Die foto van Kevin Carter: 'De gier' zorgde in 1993 voor een flinke controverse. (https://www.groene.nl/artikel/het-schokeffect)
Van Eerten heeft een soepele manier van schrijven, er is een goede mix van actie en overpeinzing, terwijl de dialogen zorgen voor goede leesbaarheid. Een volgende roman gaat vast wel lukken.


ISBN 9789046825235 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | januari 2020

© Marjo, 3 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tussenmens
Robert Kruzdlo


‘De roman is geschreven als een stream of consciousness, als een coming of age-boek van een zelfdenkend, zelfscheppend en zelfstandig opererend individu. Met een eigen stijl, een eigen kijk en een eigen verhaal.’


Deze cryptische vermelding staat op de omslag. Begin je te lezen dan denk je dat het allemaal wel meevalt.


Het eerste deel gaat over een jongen die zijn vader niet kent. Zijn moeder - een dierentemster - vertrekt met haar zoon uit Amerika, terug naar waar zij vandaan komt, Zuid-Limburg. In een villa woont hij met overgrootmoeder Pieter, grootmoeder An en zijn moeder Alice. Het is een eigenaardig huishouden, waar armoede en chaos heerst.
Het zijn de magere jaren na afloop van de oorlog. Als hij opgroeit zal hij zijn opvoeders leren kennen. Zijn moeder met haar eigenaardige leven, zwalkend van de ene man naar de andere, van het ene onzekere baantje naar het andere wazige bestaan als dierentemmer, al of niet in een circus.
De jongen gaat dan wel, dan niet naar school. Hij leeft in een heel eigen wereldje, begrijpt de wereld om hem heen nauwelijks. De eerste seksuele ervaringen overvallen hem, hij weet niet wat te doen. Hij heeft alleen die ene droom: hij wil naar Amerika.


‘Ik weet het niet, moeder nu ik er over nadenk wie en wat ik toen was, daar maakt het brein zich totaal geen zorgen over. Het doet geen moeite te willen weten wat er van mij geworden is. Ik kan het vragen, antwoorden doet het niet. Het gaat gewoon zijn natuurlijke gang.’


In dit eerste deel is er grotendeels sprake van een hij-perspectief. Frederick heet hij. Maar af en toe neemt de ik het over, soms in dezelfde zin, om daarna weer in de derde persoon over te schakelen. Toch blijft dit deel vrij coherent.
Dat verandert als deel twee begint, voorafgegaan door de opmerking:


‘Kunstenaars overdrijven om te worden gehoord. Daarom, dit boek is non-fictie en moet gelezen worden als fictie. Een nieuwe poging om het verleden te begrijpen.’


De schrijver is nu steeds de ik-verteller. Hij is in Amerika en verwacht gasten. Mensen die hij persoonlijk gekend heeft, of ‘hun kinderen, kleinkinderen, aanverwanten of zelfs vrienden.’ Maar als de gasten al verschijnen dan spelen zij geen rol van betekenis. Vanaf dit moment is de tekst inderdaad wat je verstaat onder een ‘stream of consciousness’.


‘Mijn breinpen, die ongrammaticaal met onzichtbare inkt over een wit vel papier van ondraaglijk licht gutst en vogelvrij de zee vol woorden vliegt, zijn weg toch altijd vindt, beweegt eerst mijn hand, dan ik, als slechts een verteller, een doorgever van taal, en hoeft mijn breinpen maar te schrijven, het schrijft, het en niet een ik.’


Mooie fragmenten, onbegrijpelijke stukken tekst, meestal zonder duidelijk onderling verband. Je zou het niet verwachten misschien, maar het blijft boeiend dit te lezen.


‘Wat gebeurt er allemaal in mijn brein? Weet ik niet. Er is evenwicht, soms niet, kneedbaarheid, en er zijn de dromen die alles nog eens overhoopgooien wat ik aan prikkels in mijn leven heb binnengekregen.Waarom legt een kunstenaar hierover niet verantwoording af en blijft hij maar onzin schrijven die de meesten onder ons zo zinvol vinden?‘


Het valt inderdaad voor de lezer niet mee om iets te maken van de ogenschijnlijke onzin. Soms zijn er fragmenten die je mooi kunt vinden en waar je een betekenis uit kunt halen. Maar het geheel?
We doen het maar met wat voor deel een geschreven staat:


‘Natuurlijk blijf je tot het einde toe zo eerlijk mogelijk de waarheid zoeken. Na jaren twijfelen ga je dit boek toch publiceren, zodat het nog tijdens je leven in jouw handen terechtkomt. Schrijven was een experiment om te genezen, te ontgiften en de wereld te vertellen wat er met jou op die verschillende stukjes aarde gebeurde.’


Waarvan akte.


Robert Kruzdlo (1949, New Jersey) studeerde aan de Amsterdamse Rijksacademie van beeldende kunsten en exposeerde sinds die tijd in diverse landen, waaronder de VS, België, Frankrijk, Spanje en natuurlijk Nederland. Hij woont op dit moment in Spanje.


ISBN 9789493048133 | paperback | 220 pagina's | TIC Uitgeverij | september 2019

© Marjo, 10 december 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De spindraad
Een bildungsroman
Paulus Snijders


Het boek geschreven door een auteur die daadwerkelijk zelf een bijdrage heeft geleverd aan de groei van Elsevier Science tot een wereldspeler, geeft weer wat de consequenties zijn als men als werknemer het concern beschouwt als iets eigens waar men ziel en zaligheid in kan stoppen. De valkuil van de 100  % inzet voor de baas is dat dit  een eenrichtingverkeer is, zoals iedereen weet die in dienst is geweest bij een grote commerciële firma. Arme hoofdpersoon. Hij krijgt dit pas laat door.


De geschiedenis van het concern als beschreven in het boek is er niet een van een parade van genieën in de wetenschap met briljante ideeën, maar het is eerder een verhaal van evolutie van een uitgeefconcern in bikkelharde concurrentie gewikkeld en een strategie daardoor - onder meer - van afknijpen van klanten, van de leveranciers van artikelen en van werknemers om winstmaximalisatie te behalen.


De auteur schetst de ontwikkelingen onder invloed van technologische veranderingen; een digitale revolutie waar de werknemers maar zelf een mouw aan dienen te passen hoe zij dit tijdig leren te beheersen. Traditionele structuren die razendsnel imploderen. Waar werknemers onder zware druk staan om te presteren kan dit ten nadele van het privéleven zijn. De auteur voert, in contrast, een collega vriend op die zich beter staande kan houden, juist doordat deze solitair door het leven gaat.


Voor lezers die ooit bij Elsevier hebben gewerkt zal het niet moeilijk zijn om de dramatis personae te ontmaskeren. Dit is ongetwijfeld ook een van de grootste pluspunten uit het boek. De herkenning. De auteur heeft een encyclopedisch geheugen over de ins en outs die speelden in de tijd dat hij in dienst was voor dit concern.


Het is de verdienste van de auteur dat hij een vleug fictie en subjectief beleefde geschiedenis razend knap heeft kunnen verwerken in hoofstukken die zich iedere keer lezen laten als cliffhangers. Dit boek verdient een hoge notering op leeslijsten van oud -Elsevier medewerk(st)ers maar tevens voor een ieder die de geneugten van het keiharde bedrijfsleven heeft mogen proeven.


Lees het eerste hoofdstuk, klik HIER


ISBN 9789463867825 | 227 pagina's | Paperback | Pachinco Publishing | maart 2019

© Annette van der Wel, Zaandam, 7 oktober 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Messias van niks
Michiel Cox


Normaliter valt er niet veel te beleven in het dorp Vuchelt, waar net als in vele andere kleine stadjes steeds meer winkels verdwijnen en de Kerk moet aanzien hoe steeds meer gelovigen hun overtuiging aan de wilgen hangen.
Maar eens in de drie jaar wordt er een processie gehouden, ter ere van Hadewijch, een vrouw die volgens de legende wonderen heeft verricht. Zij was een dichteres, een begijn en is het symbool van de stad. En al is zij nooit heilig verklaard, op de dag van de processie trekt het dorp vele bezoekers, die allemaal meelopen naar de Hadewijchgrot.
De laatste jaren komen er zelfs groepen mensen uit Azië!


Er is een winkelier die het van de toeloop op de dagen rondom de processie moet hebben: Jeannine verkoopt vooral wierook, maar ook beeldjes, Hadewijchwater, sleutelhangers, dat soort dingen. Dit jaar ziet Jeannine de dag met schrik en beven tegemoet. Er zal iemand begraven worden op dezelfde dag: Odetta, een vrouw die een half jaar eerder in het stadje aankwam.


‘Enkele dagen voor haar aankomst stond Odetta in mijn winkel. Ze droeg een roodbruine wollen poncho, die me veel te warm leek voor de tijd van het jaar, haar zware brilmontuur stond bijna op de punt van haar neus. Ze duwde die snel naar boven en vroeg of ik werk voor haar had. Ik zei van niet; ik deed alles zelf en dat ging goed. André heeft nooit in de winkel gewerkt: hij was een ambtenaar bij de belastingen en zelfs na zijn pensioen heeft hij zich nooit met de winkel beziggehouden. Dat was ook niet nodig. Wie koopt er nu nog wierook? Het is eigenlijk alleen druk in de periode rond de processie. In die weken draai ik een omzet waar ik anderhalf jaar van kan leven.’


Jeannine wil de vreemde vrouw wegsturen, maar tot haar verbazing geeft haar man aan dat hij vindt dat ze haar moet aannemen. André, haar echtgenoot die al vijftien jaar geen woord meer gesproken heeft en communiceerde door middel van gebaren en grommende geluiden, begint zomaar te praten tegen de vrouw: ‘Welkom in de wierookwinkel, Odetta.’ zegt hij.


Op dat moment weet Jeannine nog niet dat haar man de aanstichter zal worden van de Odettacultus, met lede ogen moet zij aanzien dat de woorden die hij hervonden heeft niet voor haar zijn...
De vreemde vrouw adopteert Hadewijch als het ware, maakt zichzelf haar meest fanatieke volgeling. Zij weet de dorpelingen mee te krijgen, het wordt een soort sekte: volgelingen kleden zich in een beige kleed, en volgen hun voorganger naar de grot, om daar tot Hadewijch te bidden.


‘Odetta keek ook streng en met gekruiste armen naar de mensen die naar haar kwamen duistere. Iedereen werd dan muisstil en sloeg de blik neer; want als ze tijdens zo’n stilte naar je keek wilde je je onmiddellijk excuseren. Waarvoor wist je niet, maar je wilde haar om vergeving smeken, Haar blik was betoverend, alsof ze alles wist.’


Behalve Jeannine zijn er meer vertellers: er is Sven, een jongeman die als gids fungeert en alles over Hadewijch zegt te weten. Hij woont nog bij zijn ouders, hetgeen hij niet lijkt te waarderen en is een vrouwenhater, waarschijnlijk omdat hij impotent is. Als zijn oog valt op de journaliste Miriam denkt hij de oplossing voor zijn problemen gevonden te hebben. Miriam, ook een verteller, heeft daar geen idee van. Zij wil alleen een smeuïg artikel schrijven.
En dan is er nog de pastoor, de man die tegen beter weten in – want geloven doet hij al lang niet meer - de Hadewijchprocessie zal leiden, en nu met tegenzin een begrafenisdienst moet doen.


Door de ogen van deze vier mensen lezen we hoe zij geen verweer hebben tegen een charismatisch persoon, die precies lijkt te weten hoe zij de bewoners moet bespelen.
Zij geloven haar verhaal niet, maar doen om eigen redenen wel mee. Zijn ze bang voor degenen die wel meedoen? Hebben ze een eigen agenda?
En intussen groeit het aantal aanhangers en wordt er geroepen om een heiligverklaring.
Het loopt totaal uit de hand.


‘U bent een aandachttrekker, een messias van niks die haar eigen waanvoorstelling tot religie wil verheffen. Mensen zoals u verzieken de wereld, madame.’


Langzaam dringt de ironie van het verhaal tot je door. De serieuze toon verandert niet, maar het verhaal ontaardt in iets waanzinnigs. Cox heeft met vier kleurrijke personages gekozen voor vier boeiende vertelperspectieven die hij in een prima dosering laat afwisselen.
Hij eindigt met een overtuigende apotheose, en laat de lezer achter met een verlangen naar meer.


De omslag, een werk van Brecht Evens, een Belgische striptekenaar en illustrator, past prima bij de inhoud van dit boek.
De Vlaming Michiel Cox (Tongeren, 1989) debuteert met deze bijzondere roman.


ISBN 9789025454616 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | september 2019

© Marjo, 10 september 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER