Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

De achtbaantester
Nancy Olthoff


‘Leven. Hoe anderen het doen is hem een raadsel. Niet nadenken over je vieze vaat al dan niet meteen afwassen, en waar die keuze mee te maken heeft. Verder associëren, hij is er heel goed in: van aangekoekte Brinta naar de dood. Via bord, afwas, regels, vader, controle, mama, dood. Of het nou om de afwas gaat of om een lieveheersbeestje op zijn schouder, uiteindelijk heeft alles met de dood te maken’


Het is geen vrolijk leven dat Herman van Dusselen, een alleenstaande dertiger, leidt. Na het overlijden van zijn ouders gaf oom Frans, zijn voogd, hem ondanks dat hij pas achttien was toestemming om in het ouderlijk huis te blijven wonen. Dat vond hij fijn, want daar kon hij zijn hobby uitoefenen: knikkeren.
In de knikkerkamer heeft hij 800 knikkers, netjes geordend, en allerlei soorten knikkerbanen. Ze zijn zijn trouwe, altijd aanwezige toeverlaat voor als hij zich niet prettig voelt. Als de herinneringen hem bestormen.


Hij heeft niet zo’n prettige jeugd gehad: zijn ouders waren overbezorgd en streng. Wat was hij boos toen hij niet mee mocht op schoolkamp, de enige kans die hij had om er op school bij te gaan horen. Hij kreeg een zak knikkers als troost, nou, die liggen nog ergens, onaangeroerd.
Tijdens een vakantie - hij was 8 jaar oud - is zijn moeder onder vreemde omstandigheden verongelukt. Nadien was er alleen zijn vader, niet bepaald een vrolijke man. Zijn motto was ‘wie mikt op een zeven, krijgt nooit een tien.’
En nu is Herman alweer jaren alleen. Met zijn knikkers. Parel. Confetti, Picasso, en nog vele andere.


De dag dat het pasje in de brievenbus valt, verandert zijn leven. Daar staat op:

                                  HERMAN VAN DUSSELEN, GRATIS TOEGANG, GEHELE MAAND FEBRUARI

Vlak bij zijn huis is het pretpark Wonderland. Ook een plek met vervelende herinneringen. Het is nu de kans om dat te veranderen. Om eindelijk te gaan leven. Dat is zoals duidelijk is niet bepaald gemakkelijk. Herman loopt tegen hindernissen aan. En terwijl hij probeert daar mee om te gaan is er ook het verleden dat hem op de meest ongelegen momenten overvalt. En er is oom Frans die binnenkort zal overlijden.


‘Pareltje wordt omhooggetrokken, verliest snelheid en wordt losgelaten in een doorzichtige buis. Je kunt dit met meer knikkers tegelijk doen, maar het risico van een opstopping is hem te groot. Bovendien: waarom zou je?
Als je echt respect hebt voor je knikkers, wil je ze een voor een laten rollen.’


De achtbaantester is tegelijk een tragedie en een komedie. Het gaat over rouw, maar ook over liefde.
Het is prachtig geschreven, wat langere zinnen als het verhaal enigszins beschouwend wordt, maar meestal gebruikt de schrijfster een kordate stijl. Korte zinnen. Woorden. Een stijl die je nauwkeuriger laat lezen, en dat is precies wat dit boek vereist: aandacht. Je wordt er voor beloond, net als wanneer Herman zijn vrienden loslaat op de knikkerbaan. Herman is een enigszins wereldvreemd, maar daar is hij zich terdege van bewust. De achtbaantester vertelt over zijn worsteling om mee te doen, er bij te horen. Om op kamp te gaan, net als iedereen.
Een zeer geslaagd debuut, dat doet uitkijken naar meer.


Nancy Olthoff (Den Haag, 1977) schrijft speeches en strategische teksten voor CEO’s, ministers en staatssecretarissen.


ISBN 9789493081536 | paperback | 204 pagina's | Uitgeverij Orlando | juni 2020

© Marjo, 21 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom we huizen bouwen
Renée Kapitein


‘Je moet je fiets laten maken. En je tanden poetsen, en nieuwe tandpasta kopen en ook een nieuwe tandenborstel of eigenlijk moet je een elektrische van de tandarts. Bij wie je een afspraak moet maken, bij de tandarts of bij de mondhygiënist of meteen bij allebei. Je moet een verzekering hebben die dat betaalt, of eentje die het niet betaalt en dan het geld opzijzetten zodat je het zelf betalen kunt. Sowieso moet je geld apart zetten, voor als je wasmachine kapotgaat of je fiets…’


We moeten een heleboel in ons leven. Het lijkt een ongeschreven wet dat mensen streven naar een vaste relatie om samen een huishouden te beginnen, kinderen horen er ook bij en liefst een goede baan. Een volwassen mens hoort verantwoordelijk gedrag te vertonen. Maar wat als je niet in dit plaatje past? Als je je een buitenstaander voelt?


Anna is een jonge vrouw, ze heeft een master in communicatiewetenschappen. Werk heeft ze wel, maar het is geen baan waar ze echt voor gaat. Een relatie volhouden is haar nog niet gelukt en een eigen plek om te wonen heeft ze evenmin. Ze woont in de huizen van anderen.


Als we haar ontmoeten heeft ze net te horen gekregen dat haar tijdelijke contract niet omgezet zal worden naar een vast contract. Op zich is ze daar niet rouwig om, maar nu ze haar tijdelijke woning al snel moet verlaten – de bewoner daarvan komt terug – wordt haar toekomst wel erg onzeker.
Een vriendin geeft een housewarming. Zij leeft wel een leven volgens het stramien! Anna heeft weinig zin om te gaan, maar vindt dat ze niet zomaar kan wegblijven.
Dus ze gaat op weg zonder dat ze zich er in verdiept heeft hoe ze daar moet komen. Typisch Anna.


En inderdaad: ze kan het adres niet vinden. Erger: ze kent het adres niet eens uit haar hoofd en haar telefoon is uitgevallen. Zo komt het dat ze ergens op een groot parkeerterrein strandt en in De Poolcirkel terecht komt, een hangar waarin zich een restaurant bevindt.
Als ze buiten gaat roken ontmoet ze Bor, die op het parkeerterrein in een oude caravan woont, omdat dat de enige manier is om een stuk grond toegewezen te krijgen. Bor heeft een droom: een huis bouwen. Niet zomaar een huis, nee, het huis dat hij zelf getekend heeft.
Het klikt tussen Anna en Bor, en gaandeweg raakt Anna betrokken bij de bouw van het huis, dat dan niet meer zijn huis is, maar ‘ons huis’.


We hebben tegen die tijd al aardig in de gaten dat Anna (nog?) niet echt een verantwoordelijke volwassene is. Ze neemt het leven zoals het komt. De droom van Bor lijkt uit te komen, het huis ontstaat langzaam. Maar een huis bouwen is verantwoordelijkheid nemen en daar blijkt Bor ook niet zo goed in te zijn. Bor is een dromer en wil helemaal niet stoppen met dromen.
Als ze hard op weg lijken te zijn naar het huisje, boompje, beestje dat je na schijnt te moeten streven, lijkt een zekere toekomst dichterbij te komen. Maar wil ze dit eigenlijk wel?


‘Alles in mij wil naar huis, maar ik weet niet waar dat is.’


Dit verhaal is een protest. Een protest tegen de voortjakkerende maatschappij waarin we van alles moeten, en liefst nog snel ook. Volwassen worden, verantwoordelijkheid nemen, maar wat nou als je daar geen zin in hebt? Kun je dan ook een goed leven leiden?


Het verhaal is geschreven op een luchtige licht ironische toon. Toch is het best een zwaar onderwerp, het zijn toch wel keuzes voor het leven die gemaakt moeten worden, en is Anna een romanfiguur, er zullen veel jonge mensen worstelen met dit dilemma. Maar of er een antwoord op is? Want waarom bouwen we eigenlijk huizen?


Renée Kapitein (Amsterdam, 1987) studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Tijdens en na haar studie woonde ze in veertien huizen, om ten slotte na twee weken kamperen een ligplaats voor een woonboot te bemachtigen. Ze schrijft korte verhalen, sketch comedy voor theater en scenario’s en ze maakt podcasts. ‘Waarom bouwen we huizen’ is haar debuut.


ISBN 9789026346873 | Paperback | 264 pagina’s | Uitgeverij Ambo Anthos | april 2020

© Marjo, 12 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lichter dan ik
Dido Michielsen


De betovergrootmoeder van Dido Michielsen, die model heeft gestaan voor de ik-verteller in dit boek, was een van de vele vrouwen in soortgelijke situatie. Het verhaal speelt aan het einde van de negentiende eeuw op Java, dat al vanaf de zestiende eeuw gekoloniseerd werd door Europeanen. Waren het eerst de Portugezen die de baas waren, het eiland werd al snel overgenomen door de Nederlanders.


Tijdens de Napoleontische oorlogen viel Indonesië tijdelijk onder het gezag van de Britse Oost-Indische Compagnie (1811-1816), maar de Nederlanders kwamen terug. Java werd een exporteiland, met andere woorden: Nederland buitte de inlanders uit. Omdat er vrijwel geen vrouwen mee kwamen als de mannen als militair, koopman of ambtenaar naar de Oost gingen – voor het kanaal van Suez openging in 1869 duurde de reis maandenlang – ontstonden er relaties tussen blanken en Javaanse vrouwen.


In naam waren ze veelal huishoudster, de njai, maar vaak kwamen er ook kinderen. Deze vrouwen en hun kinderen - met gemengd bloed - waren bepaald niet welkom in de kampong als zij daar terugkwamen nadat hun meester terug was gegaan naar Nederland. Soms ook nam de man zijn kinderen mee naar Nederland, daar had de moeder niets over te zeggen, en heel soms werd er getrouwd.


Isah, bij haar geboorte in 1850 Peranti genaamd, is 60 jaar oud als zij haar verhaal wil vertellen. Het zelf opschrijven kan ze niet, maar zij vindt een lotgenoot, Tjanting, die wel kan lezen en schrijven bereid alles te noteren over haar leven, dat begon in de kraton (paleis) van de sultan van Djokja(karta). Haar moeder, zelf ongehuwd moeder, verdient de kost als kleermaakster. Pas als zij zo’n 12 jaar oud is, wordt Peranti zich bewust van de verschillende rangen en standen en begint zij te begrijpen dat haar toekomst anders zal zijn dan die van haar vriendinnen.


‘Iedereen aan het hof had zijn eigen plek: Een dun, onzichtbaar web van rangen en standen liep door alles heen, en naarmate je ouder werd, openbaarde dit zich aan je. En dan besefte je als volwassene dat je gevangen zat tussen de verstarde lijnen en niets meer kon bewegen, tenzij je jezelf er met geweld van bevrijdde.’


Als zij 16 is, trouwt haar vriendin, die een jaar ouder is, en tot haar schrik merkt Peranti dat haar moeder ook in zee is gegaan met een koppelaarster. Trouwen met een vreemde, dat nooit. En zij loopt weg. Eerder had ze een Nederlandse militair ontmoet, bij hem klopt ze aan, hopend op een betere toekomst. Hij verandert haar naam in Isah, en is goed voor haar. Maar al krijgt ze twee kinderen van hem, hij blijkt niet van plan die te erkennen, laat staan met haar te trouwen.
En dan gaat hij terug naar Nederland. Zij blijft achter, alleen, met twee kleine kinderen.


Door middel van dit boeiende verhaal ontdekt de lezer veel over een tot nu toe nauwelijks bekende periode uit de Nederlandse geschiedenis. Vrouwenlevens werden tot voor kort sowieso onderbelicht, waar ter wereld ze zich ook afspeelden en hoe ze ook verliepen.
Dido Michielsen durft het aan. Ze verdiepte zich in de geschiedenis van Nederlands-Indië, speciaal in dat van haar betovergrootmoeder, die ooit njai was.
Ze vertelt op een levendige manier, je wilt alleen nog maar meer weten over hoe vrouwen in die tijd moesten leven.


Hoewel ook de weinige Nederlandse vrouwen die meereisden het niet makkelijk hadden, is dit boek toegespitst op inlandse vrouwen. Zij hadden geen rechten, mannen konden ongestraft met hen doen wat ze wilden. Isah is een intelligente jonge vrouw, die probeert iets van haar leven te maken. Ondanks de beperkingen blijft ze hopen en een uitweg zoeken. Ze wil geen gebruiksvoorwerp zijn, maar erkend worden als mens.


Dido Michielsen (1957, Amersfoort) schreef eerder het verhaal van Derk Sauer en zijn vrouw in Moskou en (samen met haar man Auke Kok) het leven van de Joodse familie Van Cleeff voor, tijdens en na de oorlog.
Met Lichter dan ik won zij al de Boekhandelsprijs 2020, en ze is genomineerd voor de Hebban debuutprijs.


ISBN 9789048845033 | paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | september 2019

© Marjo, 17 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Niemand zoals hij
Lucia van den Brink


‘Uit de envelop haalt ze een dubbelgevouwen papier. De zijkant van het papier heeft een gescheurde rand, alsof het ergens uit is getrokken. De brief is geschreven in een ander handschrift dan haar adres op de envelop. Dit handschrift is hoekig en alle letters staan uitgebalanceerd op de pagina. Het komt haar bekend voor. Onderaan staat groot ‘Pieter’ geschreven.
Opa.
Het is echt van opa.’


Renke heeft haar opa al meer dan een jaar niet gezien, en deze brief roept veel vragen op. Ook brengt hij slecht nieuws: haar opa heeft de ongeneeslijke spierziekte ALS, de doctoren geven hem nog een jaar. Dat is meteen de verklaring voor wat er boven de brief staat ‘nog 365 dagen.’ In de brieven die volgen, leest ze hoe haar opa naar Japan is gegaan, in het spoor van zijn karateleraar Yamada. Hij logeert aanvankelijk ook bij hem, tot hij een eigen plek vindt.


Renke had altijd een goede band met haar opa, al vond haar moeder het niet goed dat ze met hem omging. Tussen haar opa en zijn enige dochter, die hij in zijn eentje opgevoed heeft na de dood van zijn vrouw botert het namelijk niet.
Renke heeft een kantoorbaan en daarnaast houdt ze een blog bij waarop ze foto’s plaatst die de waarheid moeten vertellen. Niet de fakeberichten die ze zo vaak leest, maar het echte, ware leven. Maar al krijgt ze veel likes, of ze hier nu haar brood mee kan verdienen?
Nu Renkes carrière stuk is gelopen - ze heeft geen contractverlenging gehad, dus ze zit zonder werk - rijpt langzaam een plan. Als er memobriefjes op de dagboekfragmenten geplakt zitten, en haar opa haar uitnodigt: kom naar Japan, en als hij ook nog een geldbedrag overmaakt is de keuze snel gemaakt.


We lezen over haar reis, beginnend in Tokio waar ze vrijwel direct iemand ontmoet die haar gids wordt. Na een paar dagen gaat ze verder, naar het dorp waar haar opa woont. Woonde, helaas. Intussen heeft ze bericht gehad van haar moeder: opa is overleden, zijn lichaam wordt al overgevlogen naar Nederland.


Renke besluit toch naar het huis te gaan, om te zien waar opa zijn dagen sleet, de dagen waarover hij schreef in de dagboekfragmenten die hij haar stuurde. En ze wil Yamada ontmoeten. In de brieven vertelde opa over zijn fascinatie voor karate, een sport die hij op latere leeftijd nog is gaan beoefenen. Hij vertelt wie Yamada is, en wat de Japanner voor hem betekende. Hij heeft het over zijn dochter, betuigt zijn spijt over de fouten die gemaakt heeft. Over zijn neuroses.
En hij beschrijft hoe de ziekte langzaam maar zeker zijn lijf sloopt.
In de eerste enveloppen zaten ook papieren kraanvogels. Gevouwen kraanvogels, zeker als je er duizend vouwt, brengen geluk. Dan wordt je wens vervuld.
En opa had wensen, net als Renke die heeft.


In deze roman wordt het een en ander verteld over de sport karate, over Japanse gewoontes - waarbij hun aversie tegen buitenlanders als een verrassing komt, en dat niet alleen voor Renke: ’foreigners not allowed’ staat er op een notificatie op de deur van een restaurant! - maar vooral ook over hoe je je eigen leven op kan pakken als het even tegenzit.


In de levens van de grootvader en de kleindochter zitten overeenkomsten, maar ook tegenstellingen. Dat wordt mooi verwerkt in dit verhaal. Ook leert de grootvader zijn kleindochter het een en ander, door eerlijk te vertellen over zijn keuzes, en geeft aan hoe belangrijk de rol van de Japanner was in zijn laatste maanden. Terwijl Renke haar besluit neemt te vertrekken en daadwerkelijk in Tokio rondloopt, leest ze af en toe de brieven van opa, zodat er een afwisseling ontstaat tussen hun beider verhalen.
Als zij een bepaald liedje in haar hoofd heeft en er maar niet achter komt welk liedje, heb je als lezer misschien datzelfde deuntje al in je hoofd! Zo is het hele verhaal wel voorspelbaar. Ook het einde. Toch is het een overtuigend verhaal geworden dat prettig leest. Dat komt door de toon, maar ook door de informatie die speels in het verhaal verweven zit.
Mooie psychologische roman.


Lucia van den Brink (Zoetermeer, 1991) woont in Amsterdam. Ze behaalde een bachelor Japanologie en een master Journalistiek & Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden. Ze publiceerde korte verhalen, gedichten en feministische columns. ‘Niemand zoals hij’ is haar debuutroman.


ISBN 9789026347573 | paperback | 240 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | januari 2020

© Marjo, 25 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Buiten beeld
Jurriaan van Eerten

Alex Laagland is fotograaf en journalist. In die hoedanigheid raakt hij in Venezuela verzeild in de hectiek van een demonstratie die hard neergeslagen wordt. Er wordt traangas tegen de demonstranten gebruikt.


‘Eerst is er alleen een demonstrant, die uit de achtergrond van rookpluimen naar hem toe komt rennen en steeds scherper zichtbaar wordt. Zijn magere bovenlichaam is ontbloot, er staan strepen modder op de spijkerstof van zijn broek. De enige felle kleur in het geheel is het rood van zijn shirt dat hij voor zijn neus en mond heeft gebonden. De rest is grauw: de barricades die op het asfalt liggen te smeulen, de autobanden en pallets, het puin.’


De jongen zal op zijn netvlies gebrand blijven. Hij maakt de perfecte foto, op het moment dat de jongen geraakt wordt door een kogel. Er zijn andere jongeren die de jongen overeind helpen en naar Alex roepen: maak dat je wegkomt!
Dat doet hij, met zijn collega Jesse en hun fixer (i.e.een local die hen de weg wijst). Ze komen na enkele strubbelingen veilig in hun hotel aan en Alex besluit te gaan zoeken naar de jongen. Om het hele verhaal te kunnen vertellen.


De jongen, Nelson, blijkt dood. Natuurlijk kon Alex daar niets aan doen, maar als zijn foto zoveel lovend commentaar krijgt in Nederland, neemt zijn schuldgevoel alleen maar toe.  Was het niet belangrijker geweest de jongen te helpen? Hij heeft het niet eens geprobeerd!


Deze tweeledigheid verscheurt hem. Het schuldgevoel naar de jongen aan de ene kant, de roem en de roep om meer aan de andere kant. Hij wint ook nog eens de Zilveren Camera, waardoor hij de wereld, en vooral zijn redactrice meer reportages verschuldigd is.


Als we lezen over zijn verleden blijkt dat er nog iets speelt. Hij is begonnen als fotograaf van mooie plaatjes van vakantieoorden. Met Lies, de vrouw van zijn leven, maakt hij hele mooie reizen. Zijn reportages zijn succesvol. Een tragisch ongeluk maakt een eind aan deze mooie reizen. Hierna kiest hij er voor om een ander soort series te gaan maken: ‘Echte, rauwe reportages over mensenlevens en de chaotische wereld waarin die zich afspelen.’
Zo is hij in Venezuela beland, waar hij wederom in dramatische situaties terecht komt.
Na de prijs is de druk groot. Hij moet weer aan het werk.
Dan begaat hij een grote vergissing. Het begin van het einde…


Niet alleen bij het publiek, ook voor de fotograaf kan het een gewetenskwestie zijn: maak ik die foto, of ga ik helpen?  Een journalist wordt natuurlijk geacht verslag te doen van wat er gebeurt. Dat is het thema van Van Eertens boek.
Een tweede thema is de geloofwaardigheid van nieuws. De krantenlezers en televisiekijkers zijn er immers zelf niet bij.


Een geëngageerde roman. Wat zou je doen in zo'n situatie?

Zouden we niet beter niet alles klakkeloos aannemen wat we zien en lezen?


Jurriaan van Eerten (1983) is schrijver en journalist, en woont in Tuscon, Arizona. Zijn reportages uit de Verenigde Staten en Latijns-Amerika worden gepubliceerd in Nederlandse en internationale media.
Naar aanleiding van een prijswinnende foto van soortgelijk kaliber schreef hij zijn debuutroman.


Die foto van Kevin Carter: 'De gier' zorgde in 1993 voor een flinke controverse. (https://www.groene.nl/artikel/het-schokeffect)
Van Eerten heeft een soepele manier van schrijven, er is een goede mix van actie en overpeinzing, terwijl de dialogen zorgen voor goede leesbaarheid. Een volgende roman gaat vast wel lukken.


ISBN 9789046825235 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | januari 2020

© Marjo, 3 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Tussenmens
Robert Kruzdlo


‘De roman is geschreven als een stream of consciousness, als een coming of age-boek van een zelfdenkend, zelfscheppend en zelfstandig opererend individu. Met een eigen stijl, een eigen kijk en een eigen verhaal.’


Deze cryptische vermelding staat op de omslag. Begin je te lezen dan denk je dat het allemaal wel meevalt.


Het eerste deel gaat over een jongen die zijn vader niet kent. Zijn moeder - een dierentemster - vertrekt met haar zoon uit Amerika, terug naar waar zij vandaan komt, Zuid-Limburg. In een villa woont hij met overgrootmoeder Pieter, grootmoeder An en zijn moeder Alice. Het is een eigenaardig huishouden, waar armoede en chaos heerst.
Het zijn de magere jaren na afloop van de oorlog. Als hij opgroeit zal hij zijn opvoeders leren kennen. Zijn moeder met haar eigenaardige leven, zwalkend van de ene man naar de andere, van het ene onzekere baantje naar het andere wazige bestaan als dierentemmer, al of niet in een circus.
De jongen gaat dan wel, dan niet naar school. Hij leeft in een heel eigen wereldje, begrijpt de wereld om hem heen nauwelijks. De eerste seksuele ervaringen overvallen hem, hij weet niet wat te doen. Hij heeft alleen die ene droom: hij wil naar Amerika.


‘Ik weet het niet, moeder nu ik er over nadenk wie en wat ik toen was, daar maakt het brein zich totaal geen zorgen over. Het doet geen moeite te willen weten wat er van mij geworden is. Ik kan het vragen, antwoorden doet het niet. Het gaat gewoon zijn natuurlijke gang.’


In dit eerste deel is er grotendeels sprake van een hij-perspectief. Frederick heet hij. Maar af en toe neemt de ik het over, soms in dezelfde zin, om daarna weer in de derde persoon over te schakelen. Toch blijft dit deel vrij coherent.
Dat verandert als deel twee begint, voorafgegaan door de opmerking:


‘Kunstenaars overdrijven om te worden gehoord. Daarom, dit boek is non-fictie en moet gelezen worden als fictie. Een nieuwe poging om het verleden te begrijpen.’


De schrijver is nu steeds de ik-verteller. Hij is in Amerika en verwacht gasten. Mensen die hij persoonlijk gekend heeft, of ‘hun kinderen, kleinkinderen, aanverwanten of zelfs vrienden.’ Maar als de gasten al verschijnen dan spelen zij geen rol van betekenis. Vanaf dit moment is de tekst inderdaad wat je verstaat onder een ‘stream of consciousness’.


‘Mijn breinpen, die ongrammaticaal met onzichtbare inkt over een wit vel papier van ondraaglijk licht gutst en vogelvrij de zee vol woorden vliegt, zijn weg toch altijd vindt, beweegt eerst mijn hand, dan ik, als slechts een verteller, een doorgever van taal, en hoeft mijn breinpen maar te schrijven, het schrijft, het en niet een ik.’


Mooie fragmenten, onbegrijpelijke stukken tekst, meestal zonder duidelijk onderling verband. Je zou het niet verwachten misschien, maar het blijft boeiend dit te lezen.


‘Wat gebeurt er allemaal in mijn brein? Weet ik niet. Er is evenwicht, soms niet, kneedbaarheid, en er zijn de dromen die alles nog eens overhoopgooien wat ik aan prikkels in mijn leven heb binnengekregen.Waarom legt een kunstenaar hierover niet verantwoording af en blijft hij maar onzin schrijven die de meesten onder ons zo zinvol vinden?‘


Het valt inderdaad voor de lezer niet mee om iets te maken van de ogenschijnlijke onzin. Soms zijn er fragmenten die je mooi kunt vinden en waar je een betekenis uit kunt halen. Maar het geheel?
We doen het maar met wat voor deel een geschreven staat:


‘Natuurlijk blijf je tot het einde toe zo eerlijk mogelijk de waarheid zoeken. Na jaren twijfelen ga je dit boek toch publiceren, zodat het nog tijdens je leven in jouw handen terechtkomt. Schrijven was een experiment om te genezen, te ontgiften en de wereld te vertellen wat er met jou op die verschillende stukjes aarde gebeurde.’


Waarvan akte.


Robert Kruzdlo (1949, New Jersey) studeerde aan de Amsterdamse Rijksacademie van beeldende kunsten en exposeerde sinds die tijd in diverse landen, waaronder de VS, België, Frankrijk, Spanje en natuurlijk Nederland. Hij woont op dit moment in Spanje.


ISBN 9789493048133 | paperback | 220 pagina's | TIC Uitgeverij | september 2019

© Marjo, 10 december 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De tussenzus
Vincent Kortmann


Het boek begint met een spreekbeurt die Tommie houdt. Het moet gaan ‘over jezelf’.


‘Wat krijg je als je een dichteres kruist met een politicus?
Een kind dat allitererend liegt? Iemand die rijmend zijn zakken vult?’


Hier wordt voor de lezer al duidelijk dat Tommie geen normale jongen is. Of dat tenminste zijn ouders niet doorsnee zijn. Dat zal niet zonder gevolgen blijven…


Tommie Boezerman heeft zijn achttiende verjaardag bereikt. Hij besluit van school af te gaan, ook al zit hij in het examenjaar. Wat hij dan wel wil, dat weet hij (nog) niet. 
Het is tekenend voor de situatie thuis dat zijn vader het allemaal best vindt, als hij maar niet de hele dag thuis rondhangt, maar ook iets nuttigs doet. Dat wordt de kringloop, drie dagen in de week rijdt hij met de oudere Jaap in het busje om spullen op te halen. Het bevalt hem eigenlijk prima, met Jaap kan hij het goed vinden. Hij heeft misschien wel meer aan deze man dan aan zijn vader.
De vader, Manfred, is een politicus, een charmeur, die het niet zo nauw neemt met de regels. Hij toont geen interesse in het leven van zijn zoon. Zijn assistente Jessica regelt alles voor hem. Ook het contact met Tommie.


Sinds zijn moeder is overleden – Tommie was toen acht jaar, ze verdronk in de Waddenzee - heeft hij diverse au-pairs gehad – allemaal jong, mooi en Frans, uitgekozen door zijn vader(!). Sinds zijn veertiende moet hij het zelf maar uitzoeken in het grote luxueuze huis. 
In dat huis woont ook Cleo. Zij is de dochter van een eerdere relatie van Manfred, door haar moeder achtergelaten. Tommie behandelt haar als zijn zus, maar dat is ze natuurlijk niet.


Wat ze gemeen hebben is hun achtergrond. Hun ouders waren er nauwelijks voor hen. Terwijl Cleo rebelleert - ze is dol op wapens, hetgeen misschien minder strookt met het feit dat ze zeer milieubewust is. Ze is veganistisch en eet macrobiotisch.
Tommie lijkt zich ‘normaal’ te gedragen, maar hij wordt beheerst door een stille woede. Hij probeert zich zijn moeder te herinneren, was zij er wel voor hem toen ze nog leefde? Hij maakt er notities van. Maar het blijft surrogaat. Als hem door zijn vroegere lerares Mascha gevraagd wordt om een toneelstuk te schrijven voor zijn voormalige school, schrijft hij zijn woede van zich af. Dat verzoek deed Mascha evenwel niet zomaar: zij is bezig aan een proefschrift over de dichteres Katinka Tonken. En dat is Tommies moeder.


Echte spanning lijkt er niet in het verhaal te zitten, Vincent Kortmann houdt zich in. Maar de lezer voelt wel dat er iets broeit onder de oppervlakte. De tragiek van Tommies leven is voelbaar. Er staat iets te gebeuren.
Cleo’s hobby neemt verdachte vormen aan, terwijl ook het toneelstuk uit de hand loopt. Tommie denkt dat alles goed zal komen als het eenmaal opgevoerd wordt…


Grote thema’s worden als terloops aangestipt. De karakters van Tommie en in mindere mate Cleo worden goed uitgewerkt, de nevenpersonages doen ter zake. De hoofdrolspelers zijn jongeren, daar horen licht erotische scenes bij. We weten niet wat Cleo bezielt, omdat Tommie het vertelperspectief vormt, maar er wordt gehint dat zij hun relatie anders ziet dan hij. 


Het verhaal is geschreven op een lichte toon, met een dosis wrange humor. Het is een verhaal dat blijft hangen, de figuur Tommie kruipt onder de huid van de lezer. Het is razend knap dat je zonder het expliciet op te schrijven de lezer toch duidelijk maakt hoe het met de jongen gesteld is.
Heel mooi debuut!


Vincent Kortmann (1975) volgde de Schrijversvakschool in Groningen die hij in 2007 afrondde. Hij schreef al eerder enkele kortverhalen, maar De tussenzus is zijn debuutroman.


ISBN  9789025457853  | paperback | 576 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | augustus 2020

© Marjo, 20 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Phineas' feest
Sophie Tak


Dit uitzonderlijke verhaal begint bij de wereldvreemde Hilmar Ouwenaer die al twintig jaar afgezonderd leeft in een tent. Zijn enige gezelschap is Knurft, de hond. Hilmar zit te wachten op Max, zijn enige vriend die hij ook al twintig jaar niet gezien heeft. Het bezoek jaagt hem angst aan maar hij kijkt er ook naar uit. Uiteindelijk valt het allemaal, zoals zo vaak als je ergens tegenop ziet, enorm mee.


Max vertelt over de twee dochters van Hilmar, Adelien die inmiddels neurowetenschapper is en Lea, die het ene na het andere kind baart. Binnenkort is er een kraamfeest wegens de geboorte van de jongste van Lea, Phineas. Max is uitgenodigd, hij mag een introducé meenemen, zou het niet eens tijd worden dat Hilmar zijn gezicht weer eens laat zien? Natuurlijk zegt hij nee totdat Max vertelt dat Tanneke een nieuwe vriend heeft ... Tanneke de ex-vrouw en grote liefde van Hilmar. Opeens wil Hilmar wèl mee, want Tanneke blijft van hem, ook al is hij weg. Over Hilmars zoon, Johannes, wordt geen woord gesproken.


In de volgende hoofdstukken getiteld Adelien, Johannes, Lea en Tanneke lezen we, afwisselend zich afspelend in het heden en verleden, waarom Hilmar vertrokken is.


Adelien is plomp en groot.


"Alles aan haar was net een slagje ruimer dan bij anderen. Ze bewoog zich log, nam bedachtzame passen, draaide haar hoofd traag, als een vriendelijke olifant. [...] Van boven was Adelien net een American football-speler, terwijl ze van onderen meer weg had van een hen met flinke kippendijen die uitliepen in stakerige kippenpootjes.
En nu was er dus dat scheldwoord.
Het leek alsof haar lichaam er nog groter van werd, alsof het ernaar ging staan."


Ze leeft samen met oud schoolgenoot Wobbe, een blonde holenbeer, en leidt een redelijk tevreden bestaan. Vlak voor het kraamfeest komt ineens haar zwervende broer Johannes weer in beeld. Het is een schok, maar ook prettig, ze is blij hem te zien. We lezen wat er zich vroeger allemaal afgespeeld heeft tussen haar en Johannes. Adelien hield van haar broertje maar hij maakte het iedereen soms wel érg moeilijk. Helaas Johannes kan niet bij haar blijven, hij moet maar naar Lea...


In het hoofdstuk Johannes komen we eindelijk te weten wie hij is en vooral wat er zich allemaal in zijn hoofd afspeelt en dat maakt hem interessant. De zeer intelligente man leeft op de golven van zijn gevoelens en emoties en die variëren van euforisch, diepzwart tot zwaar agressief. Hij bloeit totaal op als iemand aardig voor hem is, maar dat kan zomaar omslaan in achterdocht en waandenkbeelden. Hij wil zo graag dat mensen van hem houden, dwingt zichzelf steeds weer om positief te denken maar verpest het voor zelf ook iedere keer door zijn onvoorspelbare gedrag. Je hebt met de jongen te doen. Je gunt hem zijn gezinsgeluk, hij wil zo ontzettend graag een fijn en positief leven. Waarom snapt niemand dat nou?


"Als een rups zal hij zich verpoppen, tot er in zijn lichaam geen zwerversmolecuul meer over is. [...]
Samen lopen ze over de Weesperzijde terug naar Adeliens huis. En hij fluit zelfs een deuntje en hij merkt dat hij anders begint te lopen, hup het hoofd hoog, de armen losjes mee, de rug kaarsrecht, hier komt hij! En Adelien lacht naar hem en verdomd, wat voelt dit goed, hier, met haar, met zijn bloedeigen zus, ja!
Maar dan gebeurt er iets wat niet zou moeten gebeuren, iets wat alles weer voor eventjes verpest, en zo moet je altijd op je hoede zijn voor momenten van geluk want geluk is tenslotte niet vele meer dan het korte moment dat je met je armen in de lucht op je fiets zit en lachend omkijkt naar je vrienden en de zon die je voelt, voordat je op een vrachtwagen knalt. Op de stoep zitten twee dikke duiven die weigeren voor hem aan de kant te gaan. [...]"

Deze Johannes is nu dus onderweg naar het grote gezin van lieve Lea, zijn zusje die altijd zo aardig voor hem was. Die hem zocht toen hij zoek was. Hij verheugt zich erop. Als hij bij Lea gearriveerd is geniet hij van het gezinsleven, totdat die stem in zijn hoofd weer begint...


Ondertussen is Lea druk met de voorbereidingen van het feest, zij kan Johannes er eigenlijk niet bij hebben. In dit hoofdstuk over Lea leren we de échte gedachten en gevoelens van haar kennen en die zijn op zijn zachts gezegd zeer verrassend én verwarrend.
En dan zijn er natuurlijk nog Tanneke en Hilmar ...


Het verhaal moet even op gang komen maar dan heeft het je ook volledig in zijn greep. Het bijzondere van dit verhaal is dat de schrijfster uitstekend het 'show don't tell' principe heeft toegepast. Je beseft wat zij schrijft en wat voor gevolgen dat heeft of heeft gehad, maar genoemd wordt het niet. De hele familiegeschiedenis blijkt ook uiteindelijk totaal anders in elkaar te zitten dan je aanvankelijk dacht en dat heeft enorm verstrekkende gevolgen gehad. Dat besef dringt pas langzaam tot je door. Sophie Tak heeft namelijk sluipenderwijs de spanning fantastisch weten op te bouwen en er een indrukwekkende draai aan weten te geven.
Al met al een onthutsend debuut dat nog een flinke tijd nodig heeft om helemaal  te bezinken.


Sophie Tak is Neerlandicus en docent Nederlands. In haar studietijd voerde ze de redactie over literair tijdschrift Moxi, waarin ze ook zelf verhalen en columns publiceerde. Ze schreef recensies voor Trouw en was redacteur van VakTaal.


ISBN 9789026348044 | Paperback met flappen | 331 pagina's | Uitgeverij Ambo Anthos | mei 2020

© Dettie, 24 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onomkeerbaar
Ines Nijs


Had haar moeder echt gedacht dat ze er mee weg zou komen dat ze haar dochter niets vertelde over haar afkomst?


Er is geen vader in het leven van Zoé, die zich als ze ouder wordt steeds meer begint af te vragen over haar leven. Ze woonde bij haar moeder, maar omdat die moest werken - in hotel Le Grand Veneur was ze schoonmaakster – was Zoé bij Gust en Bertha. Toen ze tien jaar oud was, kwam Bertha te overlijden en is er geen andere keuze: Zoé moet naar het internaat bij de nonnen.
In die kille omgeving wordt Zoé achttien, ze zit voor haar eindexamen, en ze begint onderzoek te doen. Ze wil weten wie haar vader is, waarom ze geen familie heeft, waarom haar moeder geestelijk niet in orde is. Wat houden haar moeder en de nonnen voor haar verborgen? Want dat de nonnen meer weten heeft ze al snel door. Vooral zuster Godelieve.


‘Ooievaars brengen geluk’, zeggen ze. Zoé heeft de vogels zien staan toen ze uit het raam keek, net voordat de lerares geschiedenis de opdracht geeft aan haar leerlingen: een werkstuk maken over de oorlog. Bovendien ziet ze op een van de dia’s die de lerares laat zien haar vader. Ze weet het zeker. Maar hoe kan ze dat weten? Ze wil nu eindelijk de antwoorden die ze altijd al zocht.


Als die antwoorden mondjesmaat komen, ontdekt ze ook dat ze eigenlijk al meer wist dan ze zich bewust was. Heden en verleden vallen in elkaar. Maar als ze denkt te weten wie haar vader is, moet ze ook nog naar hem op zoek. De apotheose komt tijdens de reis die de eindexamenklas maakt naar Italië, waar nog meer geheimen begraven liggen.
Maar is het zo verstandig geweest om kost wat kost de waarheid te achterhalen? Ze kan nooit meer niet weten, die kennis is onomkeerbaar.


Het verhaal speelt in de jaren zeventig, grotendeels in een internaat in een nonnenklooster, geen warme voedingsbodem voor een jong meisje. Als lezer denk je dan ook vaak dat het anders gekund had, gemoeten had. Maar de tijdgeest was anders. Bepaalde dingen vertel je een kind niet en volwassenen beseften niet dat juist die onwetendheid onzeker maakt. Zoé is ook nog een gevoelig kind, kwetsbaar in haar zoektocht naar liefde en geborgenheid. Ze voelt zich in de steek gelaten door haar zwijgzame moeder, door de stugge nonnen. Ze valt makkelijk ten prooi aan dat meisje in haar klas die haar als een kwade geest op de huid zit en die de eerste stappen op weg naar de liefde weet te bederven.
Zoé denkt dat kennis haar behalve duidelijkheid ook veiligheid zal brengen. Zij kan niet anders dan doorgaan. Ze moet weten.


In een verhaal vol spanning plaatst de schrijfster ons in de geest van een jong meisje. Met haar willen we eveneens weten en zijn we huiverig voor de antwoorden.
Prachtige stukjes tekst sleuren ons mee.


‘Alsof haar woorden ze hebben opgeroepen, zijn ze er plots.
De herinneringen. Ongevraagd pinnen ze me vast in de bank. Kijk hoe je hier binnenkwam, die allereerste dag, zeggen ze. Weet je nog? Met die zielige vlechtjes en die vlekken op je jurk.
‘Zoé?’ De lerares geschiedenis, de ingewijde in het verleden, de schikgodin die de draden spint en weeft en knipt, legt haar hand op mijn arm. Ik schud ze af en spring met een onhandige beweging op uit de bank. Struikelend over mijn voeten loop ik het klaslokaal uit, op de vlucht voor de herinneringen die hun klauwen in mij slaan en die ik niet kwijtraak. Niet aan het einde van de gang, niet achter de hoek, nergens. Ze lopen met me mee. Ze zijn hier thuis. Hun kleur, hun geur hangt overal om me heen en dringt zich in alles aan me op. Ze zijn als de uien die Bertha en Gust pelden aan de eetkamertafel. De buitenkant eerst. Droog en knisperend tot de bovenste laag bovenkomt, gelig verlept. Haast vanzelf valt ze eraf. De tweede laag is witter, er zit een vliesje op dat prikt aan de ogen en het knipperen begint. Bij de derde helpt het knipperen niet meer. En daar zit de kern. De kern en de tranen.’


Het verhaal verloopt niet chronologisch. Zonder aanduiding vloeien heden en verleden in elkaar over. Niet dat het onduidelijk wordt voor de lezer, het is precies zoals het voor Zoé ook werkt.


Deze debuutroman is prachtig, qua verhaal, en qua stijl. Hopelijk krijgen we meer van dit van deze nieuwe schrijfster.
Het motto is zeer treffend gekozen! Het is een gezegde van Kahlil Gibran:


‘Tussen wat wordt gezegd en niet bedoeld en wat wordt bedoeld en niet gezegd gaat de meeste liefde verloren.’


Ines Nijs (1968) is filoloog van opleiding, freelance redacteur van beroep. Ze woont en werkt afwisselend in België en Senegal.


ISBN 9789062657759| paperback | 224 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 10 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ontwaak zonder mij
Marilou Nillesen


In dit boek maken we kennis met Nine van der Meer, een drieënveertigjarige moeder van een tweeling die zij bewust alleen grootbrengt. Maar nu zijn de kinderen voor drie maanden bij haar moeder en woont Nine tijdelijk in Parijs om onderzoek te doen naar de vraag welke rol courtisanes hebben gespeeld tijdens en na de feministische golf van de negentiende eeuw. Het onderzoek richt zich met name op Esther Lachman, een courtisane die nadat ze uit een koets gesmeten werd  zichzelf een ding voornam. Daar op die plek aan de Champs-Elysées zou zij een stadspaleis bouwen.


Nine is gefascineerd door deze van oorsprong Russische Esther en haar bijzondere levenswandel. Maar ze is ook gefascineerd door Joseph alias Jojo, haar buurman van het appartementje dat ze via haar werkgever, de universiteit van Nijmegen, heeft weten te bemachtigen. Jojo weet vanaf het eerste ogenblik haar aandacht te trekken. Het verbaast de zeer onafhankelijke Nine dat ze zich zo extreem tot hem aangetrokken voelt, het beangstigt haar zelfs. Ze gaan als snel samen wat drinken en belanden dezelfde avond in bed, wat een minder prettige ervaring voor Nine is dan ze verwacht had.


Ontnuchterd zet Nine haar onderzoek voort bij het Institut France. Het wonderbaarlijke leven van de aanvankelijk zeer aantrekkelijke, intelligente Esther Lachman blijft een bron van aandacht en verbazing. Esther is een zeer vrijgevochten vrouw, die precies weet wat ze wil. Van een meisje uit de Moskouse sloppenwijken weet ze zich op te werken tot zeer gewilde courtisane, en meer dan dat! Ze manipuleert, vleit, speelt en bemint degene die ze haar aandacht waard vindt. Esther is genadeloos. Ze zal en moet bereiken wat zij in haar hoofd heeft, de enige voor wie zij goed zorgt is zichzelf.


Nine is verbijsterd maar trekt zich ook op aan deze dappere maar keiharde vrouw, want de charmante Jojo houdt haar meer in zijn greep dan zij wil. Ze voelt zich aangetrokken en afgestoten door zijn gedrag en ze beseft dat ook maar al te goed. Maar toch... Jojo heeft iets waardoor ze hem moeilijk uit haar hoofd kan krijgen. Jojo heeft feitelijk dezelfde aantrekkingskracht als Esther, mannen weten dat zij onbetrouwbaar is, dat ze met hen speelt, maar evengoed kunnen ze haar niet weerstaan. Dat effect heeft Jojo ook.


Het bijzondere is dat wij als lezer niet een historische roman voorgeschoteld krijgen maar een boek dat in het heden speelt met als verteller Nine, de sterke vrouw die van zichzelf verbaast staat dat ze zo kwetsbaar is wat betreft de zelfzuchtige aandacht van Jojo. Daarnaast vertelt zij ook over het hedendaagse Parijse leven inclusief de geëmancipeerde vrouwen die demonstreren tussen de 'Gele Hesjes' én het onderzoek naar de levenswandel van de onvoorstelbaar manipulerende Esther Lachman. Deze combinatie maakt dat je zeer geboeid blijft lezen. Je wil weten hoe alles verder zal gaan. Voor beiden dames loopt het verhaal overigens zeer verrassend af.
Een boeiend en knap in elkaar gezet verhaal.


Marilou Nillesen (1970) is historicus, journalist en onderzoeker, en een levenlang verliefd op Parijs. Na ruime ervaring in de regionale journalistiek werkt ze nu zo'n twaalf jaar bij het voormalig rijksarchief in 's-Hertogenbosch, en publiceert vrijwel dagelijks historische verhalen. Het verleden prikkelt haar nieuwsgierigheid. Heden en verleden zijn niet los te zien van elkaar, en het liefst gaat ze op zoek naar die raakvlakken. Waar het schuurt, bijt of prikkelt. Daar waar iets gebeurt.
Ontwaak zonder mij is haar debuut.


ISBN 9789463652063 | Paperback | 152 pagina's | Elikser | januari 2020

© Dettie, 17 april 2020

Lees de reacties en/of reageer, klik HIER

 

Winterwater
Lex Paleaux


‘Onder water hoorde ik alleen nog maar stilte. Het was een raar soort stil, maar toch ook fijn. Niet zoals ’s nachts als ik wakker werd en het hele huis nog sliep. Of de stilte die je kon horen vlak voor dominee Wesseling op zondag de zegen uitsprak in de kerk. Het leek een beetje op het geluid van stilte als ik heel erg verkouden was en behalve mijn neus ook mijn oren verstopt zitten.’


Het was zijn tijd nog niet. De jongen, ik-verteller Lex, wordt door zijn grootvader uit het water gehaald nadat hij door het ijs gezakt is.


Winterwater is een verzameling verhalen die samen het verhaal vertellen van een gevoelige jongen die geen begrip vindt in de wereld om hem heen. Dat is in Friesland, in de jaren tachtig. Zijn moeder is streng gelovig en heeft losse handjes. Vooral als het om haar jongste gaat. Zijn twee oudere broers lijken een eigen weg te kunnen gaan zonder klappen op te lopen. Zij stellen geen moeilijke vragen, zoals Lex wel doet. De vragen die hij stelt, getuigen vanuit een nieuwsgierige aard en dat wordt niet op prijs gesteld in het streng gereformeerde gezin. Waarom kan hij niet aanvaarden? Geloven? Gewoon doen wat hem gezegd wordt?
Maar dat is nu juist het probleem. Zeker als het over God gaat. Als hij leert dat God hem altijd zal beschermen, hoe kan het dan dat hij niet opgevangen wordt als hij valt? Zijn poging te bewijzen dat God bestaat levert hem een flink pak rammel op. Niet het eerste en niet de laatste overigens.


Lex spreekt drie talen: Frans, Nederlands en Fries. Dat Frans is vanwege zijn vader, een Fransman, die na een ongelukkige val thuis zit. Lex’ moeder zegt dat ze arm zijn, hetgeen leidt tot een in onze ogen hilarisch voorval. Maar geld dat voor de armen is uit de collectezak halen in de kerk, je kan je voorstellen dat het hem in de problemen brengt. Zoals dat vaker gebeurt.


Lex is een eenzaam kind, dat zelfs na een verschrikkelijke gebeurtenis bij niemand terecht kan. Het leidt tot psychische problemen, hij doet zijn best niet meer op school, plast weer in zijn bed, en onderschept tenslotte een brief die niet voor hem bestemd is maar wel over hem gaat. Het is de druppel.


'Ik vergat steeds vaker om de radiozender weer naar Frankrijk te sturen. Soms was mijn vader boos en soms ook niet. Ik merkte dat zijn boosheid mij niet meer zo raakte. Het deed er niet toe... Ik deed er niet toe.'


De verhalen, steeds voorafgegaan door een cursief stukje tekst, als een voorzet tot het verhaal, staan niet in chronologische volgorde, ze overspannen een periode van zo’n acht jaar en geven een duidelijk beeld van de jeugd van een jongen die anders is dan zijn ouders gewend zijn. Zij begrijpen hem niet, lijken ook nauwelijks belangstelling te hebben. Als hij na het behalen van een kampioenschap met zijn teamgenoten op een kar door het dorp rondgereden wordt, staat iedereen voor de deur van hun huis, juichend en klappend. Behalve bij de familie van Lex.


Winterwater is een schrijnend verhaal dat je geschokt achterlaat. Niet dat de verhalen somber zijn, integendeel zelfs, de manier waarop de jongen vertelt is eerder opgewekt te noemen, zelfs als hij vertelt over een pak slaag lijkt hij dat niet erg te vinden. Lijkt! De teneur is immers niettemin benauwend en het boek eindigt dan ook met een drama. In een beeldende stijl weet Lex Paleaux uiteen te zetten hoe de gevoelswereld van de jongen botst met in het leven teleurgestelde ouders binnen een streng christelijke achtergrond.


Lex Paleaux (1977) afkomstig uit Friesland, nu woonachtig in Haarlem, is schrijver van scripts voor televisie, theater en film.
Winterwater is zijn debuut.

ISBN 9789062657926 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer| januari 2020

© Marjo, 12 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Land van dadels en prinsen
Frank Nellen


Parijs, 2019. Gerechtspsychiater Tulard is opgeroepen om naar het Huis van Bewaring te komen. Hij is jarenlang psychiater geweest maar nu doet hij alleen nog maar dit: verdachten onderzoeken of ze toerekeningsvatbaar zijn. Onderweg naar de Boulevard de la Chapelle merkt hij dat er weer eens paniek is uitgebroken in de metro.


‘De mensen zijn achterlijk, denkt hij. De kans dat ze omkomen is verwaarloosbaar. Ook nu, in Parijs. Miljoenen mensen, hooguit een handjevol doden.’


Tulard – gehard door zijn praktijk? Het leven moe? – gaat tegen de vluchtende stroom mensen in en arriveert  bij het zwaarbewaakte gebouw. Voor de deur is het druk met betogers. Ze eisen dat de verdachte aan hen wordt overgeleverd. Lynchen zullen ze hem!
Eenmaal binnen brengt men hem op de hoogte. Luitenant Doriot is doodgeschoten. Hij was het hoofd van de afdeling terrorismebestrijding en behoorlijk geliefd bij het volk. En bij ministers, CEO’s en rechters. Doriot werd gezien als de verlosser, degene die opgewassen zou zijn tegen de terroristische dreiging.


En nu was hij neergeschoten. Door een Algerijn. Als Tulard hem door de spiegelruit ziet zitten, weet hij: deze man kent hij, al is het alleen maar van een foto.
Het is Youssef, de beste vriend van zijn overleden zoon Simon.
In 2015 schreef Simon zijn belevenissen van die bijzondere zomer op papier.


‘Wanneer ik klaar ben, zal ik deze vellen op de post doen naar de hoofdcommissaris. Misschien zal hij Youssef laten opsporen. Dan kan ook hij lezen over mijn verraad, want ondanks talloze pogingen heb ik mijn fatale beslissing op het einde van die zomer nooit anders kunnen uitleggen.’


Tien jaar eerder beleefde de toen vijftienjarige Simon de zomer van zijn leven. Thuis bij een ongeïnteresseerde vader verveelt hij zich. Zijn moeder is overleden, broers of zussen zijn er niet. Hij gaat naar een oom die in een buitenwijk van Parijs woont. Daar ontmoet hij Youssef, die al heel snel zijn beste vriend zal zijn. Youssef is alleen, woont overal en nergens, en is een echte dakhaas. Hij verplaatst zich niet door de straten van Parijs, maar klimt en klautert over de daken. En Simon is aan het einde van de zomer net zo atletisch als zijn vriend. Ze genieten. Die zomer betekent vrijheid.
Maar Youssef heeft een geheim, dat zwaarder weegt dan zou moeten. Als Simon dat ontdekt vindt hij dat zijn eerste verraad. Maar het ergste, het echte verraad, moet nog komen.


‘Mijn verraad zat diep in me, op een plekje waar zelfs zijn warmte niet kon komen. Hij had niets door. Hij praatte tegen me. Hoewel de meeste woorden langs me heen gingen, begreep ik dat het verhalen waren. Sprookjes over dadels en prinsen, over roodkleurig zand dat over de vlaktes waait. Ik probeerde te luisteren, maar het lukte me niet.’


Tulard ontdekt de achtergrond van de moord op Doriot. En begrijpt dan pas wat er met zijn zoon gebeurd is.


Nellen probeert een de lezer een duidelijk inzicht in de problematiek van discriminatie en sociale ongelijkheid te geven. Tulard en Youssef bespreken de ongelijkheid van immigranten, die het moeilijk vinden om in hun nieuwe vaderland een bestaan op te bouwen. Is dat, zoals Tulard denkt, omdat zij psychisch anders in elkaar zitten? Of is er meer aan de hand? Ligt het aan de manier waarop ze behandeld worden door de autochtonen? Het gebrek aan kansen?


Land van dadels en prinsen is het goed geschreven debuut van Frank Nellen(1982), in het dagelijks leven jurist en wetenschapper. Het verhaal zet aan tot denken - en misschien discussiëren - over hoe het er aan toe gaat in onze samenleving. Want al speelt het boek in Parijs, de stad van de aanslagen, de kwestie speelt in heel Europa. Met als achtergrond de vriendschap van de twee jongens is het een ontroerend verhaal geworden. Maar vooral een belangrijk verhaal.


ISBN 9789048848676 | paperback | 201 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | oktober 2019

© Marjo, 3 januari 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Explicador
Sander Pleij


Een dag uit het leven van S, een jonge man, die in een race tegen de klok een manifest af moet leveren. Dat gaat over de mens. De mens is uniek, stelt hij, je kan hem niet vangen in een robot. Of toch wel?
Hij zou dat vast wel gewenst hebben, want een robot kan andere verbindingen maken, en de jonge man lijdt aan vreselijke hoofdpijnen. Hij heeft een neurostimulator in zijn rug. De plek is ontstoken geraakt, hetgeen de nodige problemen veroorzaakt. Maar hij moet dat manifest afmaken, de volgende dag moet het ingeleverd worden.


In zijn manifest probeert hij het geheim van het leven te vatten. Leven is creativiteit. S. concentreert zich op Paul van Ostayen (1896-1928, Antwerpen) die zich mengde in de groep futuristen en dadaïsten die in het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog, een groep die een heel nieuwe vorm van kunst propageerde.
Ook S. wil een nieuwe vorm van kunst. Kunst en een mens verenigd in een zelfstandig denkende computer, die functioneert op de ideeën van kunstenaars, filosofen en schrijvers.


'De parallellen schoten S. door het hoofd. Hij zag de iPhone zoals de futuristen de vliegmachine, het bijna sexy en machtig-vernunftige van een machine of apparaat. De roes waarin deze futuristen verkeerden, was te vergelijken met de roes van de digitale revolutie. Het enthousiasme over machines die afstanden verkleinden, leek op de blijheid over via internet: het instant overal ter wereld alles zien en delen.'


Terwijl hij werkt aan de tekst en steeds die kunstenaars en filosofen aan het woord laat, vertelt hij ook over zijn leven tot dan toe: hoe zijn moeder hem en zijn vader verliet om in een commune te gaan wonen. Zijn vader is een BN-er, hij heeft hoge verwachtingen van zijn zoon, en zit hem op de huid. S. heeft het er moeilijk mee. Bovendien is de jongen verliefd geworden op zijn halfzus, en natuurlijk weet hij heel goed dat zijn vader dat niet zal accepteren.


De dag verloopt chronologisch, maar omdat er steeds teruggegrepen wordt op de levens en ideeën van kunstenaars, vooral Van Ostayen, en er de flashbacks zijn, is dit boek niet zo makkelijk te lezen. Het dadaïsme is daar ook debet aan, dat was niet bepaald een makkelijke kunstvorm. En wat S. wil is ook niet makkelijk. In dit boek wordt aannemelijk gemaakt hoe S. op de ideeën komt, maar de veelheid en diversiteit van het resultaat laat veel twijfel aan de uitkomst.


Het is een vrij warrige ideeënroman waarin de schrijver nu eens licht pornografische teksten schrijft, om even zich even later in filosofische gedachten te verdiepen. De verhaallijn over Ster, de halfzus,  voegt weinig toe, die over van Ostayen is nog het meest interessant. Zelfs interessanter dan de hoofdpersoon S, die niet erg sympathiek naar voren komt.


Sander Pleij (1970) werkte tien jaar bij De Groene Amsterdammer en tien jaar bij Vrij Nederland. Hij won diverse journalistieke prijzen. Explicador is zijn debuut.


ISBN 9789048842766  | Paperback | 352 pagina's | Uitgeverij Lebowski | februari 2019

© Marjo, 23 oktober 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER