Debuten

Op deze pagina worden recensies geplaatst over boeken van debuterende schrijvers/schrijfsters.


Ook dit jaar lezen Marjo, Annemarie en Dettie de debuten, die op de inzendingenlijst van de ANV Debutantenprijs staan, weer mee.
Zij proberen zoveel mogelijk de boeken die op de lijst van inzendingen staan te lezen en recenseren maar ook andere debuten die (nog) niet op de lijst staan hebben hun belangstelling.
Boeken die ze hebben gelezen staan op deze pagina en in het archief


Zie ook: 
DordtLiterair

en de interessante nieuwe site Van debutant tot bestseller

 

Leegland
Marjan Brouwers


Van Nederland zoals wij het kennen is nog maar weinig over na een klimaatoorlog, overstromingen en aardbevingen. Er is een enclave rond Amersfoort-aan-Zee, er is de Archipel Amsterdam, en ten zuiden van deze overgebleven bewoonbare gebieden ligt ook de enclave Nijmegen. En, Leegland.


Zou dat Leegland, een gebied in het noorden waar vele mensen naar toe vluchten, een verzinsel zijn of zou het wel degelijk bestaan?
De president van Amersfoort-aan-Zee beweert van niet. Wie de enclave verlaat is ten dode opgeschreven. Maar waarom zou je vluchten? Hebben mensen het niet goed daar?
Niet dus. Er is een flinke tweedeling: de aanhangers van de president hebben het goed, en zijn leger ook. Maar een groot deel van de burgerbevolking is arm, en heeft er moeite mee zich aan de regels te houden. Wie dat niet doet, riskeert zware straffen: brandmerken is nog het minste, de beul hakt handen af, of deelt stokslagen uit. Ook verbanning kan je te wachten staan, naar Fort Zwolle.
Het is geen ideale samenleving.
En dan kun je nog ziek worden, er heerst een dodelijk virus, het Vikingvirus.


Wetenschapper Walter Rademaker werkt hard aan een oplossing, een geneesmiddel voor dat virus. Zijn zoon Julius helpt hem, net als diens halfzus Eva.
Als Julius ontdekt wat zijn vader eigenlijk doet - en gedaan heeft - is hij geschokt en absoluut bereid om het meisje te helpen dat op zijn pad komt. Als hij naar Fort Zwolle gestuurd wordt, ontmoet hij in de trein Senna, een soldate die gebrandmerkt is en verbannen wordt wegens desertie.
Als de trein aangevallen wordt door rebellen – die zijn er ook nog – weten ze samen te ontsnappen.
Een spannend avontuur volgt, waarin ze elkaar een paar keer kwijt raken. Ze ontmoeten mensen van allerlei pluimage, met allemaal een eigen agenda. Het is niet altijd duidelijk wie betrouwbaar is en wie niet.


‘Goed dan, ik ga mee, maar als ik ook maar een moment aan haar twijfel, schakel ik haar uit.’
‘Zo’n oud vrouwtje?’
‘Geloof me, ik heb peuters soldaten zien doden. Kinderen met granaten in hun knuistjes. Dus ja, ik maak haar dood als ze iets probeert.’
‘Wat jij wil, soldatenmeisje,’ zei Julius met een brede grijns en haastte zich op zijn zwabberbenen achter het oude mensje aan. Sukkel, dacht Senna. Die vertrouwt echt iedereen. Leven wij in dezelfde verrotte wereld?
Julius keek over zijn schouder en lachte naar haar. ‘Kom je?’


De proloog (niet dit stukje tekst!) trekt de lezer onmiddellijk het verhaal in: een pasgeboren kind wordt door zijn eigen vader bij de moeder weggehaald. Subject J52A belandt in een laboratorium.
Daarna volgt het verhaal dat vanuit wisselend perspectief verteld wordt, vooral dat van Senna en Julius, maar ook Eva doet mee.
Deze fictieve wereld wordt overtuigend beschreven, vooral omdat er zoveel elementen inzitten die helemaal niet zo bizar zijn als je zou denken. En omdat het verhaal in Nederland speelt, zelfs al heet het niet meer zo, is het herkenbaar. Zelfs al is er dwangarbeid, en is bidden verboden.
Het levert een intrigerende en spannende dystopische roman op. Hopelijk wordt het nooit onze toekomst, maar…


Marjan Brouwers (1963, Midwolde) studeerde Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft columns, brochures en andere teksten voor allerlei opdrachtgevers en maakte samen met Jeannette van Ditzhuijzen eerder een boek over kastelen in Nederland.
In mei 2016 verscheen hun roman Ren, Janina, ren!, een verhaal dat zich in Polen afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Leegland is haar echte debuut.


Zie ook http://leegland.nl


ISBN 9789054523888 | paperback |250 pagina's | Uitgeverij Passage| oktober 2020
Ook voor Young Adults

© Marjo, 18 januari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De tussenzus
Vincent Kortmann


Het boek begint met een spreekbeurt die Tommie houdt. Het moet gaan ‘over jezelf’.


‘Wat krijg je als je een dichteres kruist met een politicus?
Een kind dat allitererend liegt? Iemand die rijmend zijn zakken vult?’


Hier wordt voor de lezer al duidelijk dat Tommie geen normale jongen is. Of dat tenminste zijn ouders niet doorsnee zijn. Dat zal niet zonder gevolgen blijven…


Tommie Boezerman heeft zijn achttiende verjaardag bereikt. Hij besluit van school af te gaan, ook al zit hij in het examenjaar. Wat hij dan wel wil, dat weet hij (nog) niet. 
Het is tekenend voor de situatie thuis dat zijn vader het allemaal best vindt, als hij maar niet de hele dag thuis rondhangt, maar ook iets nuttigs doet. Dat wordt de kringloop, drie dagen in de week rijdt hij met de oudere Jaap in het busje om spullen op te halen. Het bevalt hem eigenlijk prima, met Jaap kan hij het goed vinden. Hij heeft misschien wel meer aan deze man dan aan zijn vader.
De vader, Manfred, is een politicus, een charmeur, die het niet zo nauw neemt met de regels. Hij toont geen interesse in het leven van zijn zoon. Zijn assistente Jessica regelt alles voor hem. Ook het contact met Tommie.


Sinds zijn moeder is overleden – Tommie was toen acht jaar, ze verdronk in de Waddenzee - heeft hij diverse au-pairs gehad – allemaal jong, mooi en Frans, uitgekozen door zijn vader(!). Sinds zijn veertiende moet hij het zelf maar uitzoeken in het grote luxueuze huis. 
In dat huis woont ook Cleo. Zij is de dochter van een eerdere relatie van Manfred, door haar moeder achtergelaten. Tommie behandelt haar als zijn zus, maar dat is ze natuurlijk niet.


Wat ze gemeen hebben is hun achtergrond. Hun ouders waren er nauwelijks voor hen. Terwijl Cleo rebelleert - ze is dol op wapens, hetgeen misschien minder strookt met het feit dat ze zeer milieubewust is. Ze is veganistisch en eet macrobiotisch.
Tommie lijkt zich ‘normaal’ te gedragen, maar hij wordt beheerst door een stille woede. Hij probeert zich zijn moeder te herinneren, was zij er wel voor hem toen ze nog leefde? Hij maakt er notities van. Maar het blijft surrogaat. Als hem door zijn vroegere lerares Mascha gevraagd wordt om een toneelstuk te schrijven voor zijn voormalige school, schrijft hij zijn woede van zich af. Dat verzoek deed Mascha evenwel niet zomaar: zij is bezig aan een proefschrift over de dichteres Katinka Tonken. En dat is Tommies moeder.


Echte spanning lijkt er niet in het verhaal te zitten, Vincent Kortmann houdt zich in. Maar de lezer voelt wel dat er iets broeit onder de oppervlakte. De tragiek van Tommies leven is voelbaar. Er staat iets te gebeuren.
Cleo’s hobby neemt verdachte vormen aan, terwijl ook het toneelstuk uit de hand loopt. Tommie denkt dat alles goed zal komen als het eenmaal opgevoerd wordt…


Grote thema’s worden als terloops aangestipt. De karakters van Tommie en in mindere mate Cleo worden goed uitgewerkt, de nevenpersonages doen ter zake. De hoofdrolspelers zijn jongeren, daar horen licht erotische scenes bij. We weten niet wat Cleo bezielt, omdat Tommie het vertelperspectief vormt, maar er wordt gehint dat zij hun relatie anders ziet dan hij. 


Het verhaal is geschreven op een lichte toon, met een dosis wrange humor. Het is een verhaal dat blijft hangen, de figuur Tommie kruipt onder de huid van de lezer. Het is razend knap dat je zonder het expliciet op te schrijven de lezer toch duidelijk maakt hoe het met de jongen gesteld is.
Heel mooi debuut!


Vincent Kortmann (1975) volgde de Schrijversvakschool in Groningen die hij in 2007 afrondde. Hij schreef al eerder enkele kortverhalen, maar De tussenzus is zijn debuutroman.


ISBN  9789025457853  | paperback | 576 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | augustus 2020

© Marjo, 20 oktober 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Phineas' feest
Sophie Tak


Dit uitzonderlijke verhaal begint bij de wereldvreemde Hilmar Ouwenaer die al twintig jaar afgezonderd leeft in een tent. Zijn enige gezelschap is Knurft, de hond. Hilmar zit te wachten op Max, zijn enige vriend die hij ook al twintig jaar niet gezien heeft. Het bezoek jaagt hem angst aan maar hij kijkt er ook naar uit. Uiteindelijk valt het allemaal, zoals zo vaak als je ergens tegenop ziet, enorm mee.


Max vertelt over de twee dochters van Hilmar, Adelien die inmiddels neurowetenschapper is en Lea, die het ene na het andere kind baart. Binnenkort is er een kraamfeest wegens de geboorte van de jongste van Lea, Phineas. Max is uitgenodigd, hij mag een introducé meenemen, zou het niet eens tijd worden dat Hilmar zijn gezicht weer eens laat zien? Natuurlijk zegt hij nee totdat Max vertelt dat Tanneke een nieuwe vriend heeft ... Tanneke de ex-vrouw en grote liefde van Hilmar. Opeens wil Hilmar wèl mee, want Tanneke blijft van hem, ook al is hij weg. Over Hilmars zoon, Johannes, wordt geen woord gesproken.


In de volgende hoofdstukken getiteld Adelien, Johannes, Lea en Tanneke lezen we, afwisselend zich afspelend in het heden en verleden, waarom Hilmar vertrokken is.


Adelien is plomp en groot.


"Alles aan haar was net een slagje ruimer dan bij anderen. Ze bewoog zich log, nam bedachtzame passen, draaide haar hoofd traag, als een vriendelijke olifant. [...] Van boven was Adelien net een American football-speler, terwijl ze van onderen meer weg had van een hen met flinke kippendijen die uitliepen in stakerige kippenpootjes.
En nu was er dus dat scheldwoord.
Het leek alsof haar lichaam er nog groter van werd, alsof het ernaar ging staan."


Ze leeft samen met oud schoolgenoot Wobbe, een blonde holenbeer, en leidt een redelijk tevreden bestaan. Vlak voor het kraamfeest komt ineens haar zwervende broer Johannes weer in beeld. Het is een schok, maar ook prettig, ze is blij hem te zien. We lezen wat er zich vroeger allemaal afgespeeld heeft tussen haar en Johannes. Adelien hield van haar broertje maar hij maakte het iedereen soms wel érg moeilijk. Helaas Johannes kan niet bij haar blijven, hij moet maar naar Lea...


In het hoofdstuk Johannes komen we eindelijk te weten wie hij is en vooral wat er zich allemaal in zijn hoofd afspeelt en dat maakt hem interessant. De zeer intelligente man leeft op de golven van zijn gevoelens en emoties en die variëren van euforisch, diepzwart tot zwaar agressief. Hij bloeit totaal op als iemand aardig voor hem is, maar dat kan zomaar omslaan in achterdocht en waandenkbeelden. Hij wil zo graag dat mensen van hem houden, dwingt zichzelf steeds weer om positief te denken maar verpest het voor zelf ook iedere keer door zijn onvoorspelbare gedrag. Je hebt met de jongen te doen. Je gunt hem zijn gezinsgeluk, hij wil zo ontzettend graag een fijn en positief leven. Waarom snapt niemand dat nou?


"Als een rups zal hij zich verpoppen, tot er in zijn lichaam geen zwerversmolecuul meer over is. [...]
Samen lopen ze over de Weesperzijde terug naar Adeliens huis. En hij fluit zelfs een deuntje en hij merkt dat hij anders begint te lopen, hup het hoofd hoog, de armen losjes mee, de rug kaarsrecht, hier komt hij! En Adelien lacht naar hem en verdomd, wat voelt dit goed, hier, met haar, met zijn bloedeigen zus, ja!
Maar dan gebeurt er iets wat niet zou moeten gebeuren, iets wat alles weer voor eventjes verpest, en zo moet je altijd op je hoede zijn voor momenten van geluk want geluk is tenslotte niet vele meer dan het korte moment dat je met je armen in de lucht op je fiets zit en lachend omkijkt naar je vrienden en de zon die je voelt, voordat je op een vrachtwagen knalt. Op de stoep zitten twee dikke duiven die weigeren voor hem aan de kant te gaan. [...]"

Deze Johannes is nu dus onderweg naar het grote gezin van lieve Lea, zijn zusje die altijd zo aardig voor hem was. Die hem zocht toen hij zoek was. Hij verheugt zich erop. Als hij bij Lea gearriveerd is geniet hij van het gezinsleven, totdat die stem in zijn hoofd weer begint...


Ondertussen is Lea druk met de voorbereidingen van het feest, zij kan Johannes er eigenlijk niet bij hebben. In dit hoofdstuk over Lea leren we de échte gedachten en gevoelens van haar kennen en die zijn op zijn zachts gezegd zeer verrassend én verwarrend.
En dan zijn er natuurlijk nog Tanneke en Hilmar ...


Het verhaal moet even op gang komen maar dan heeft het je ook volledig in zijn greep. Het bijzondere van dit verhaal is dat de schrijfster uitstekend het 'show don't tell' principe heeft toegepast. Je beseft wat zij schrijft en wat voor gevolgen dat heeft of heeft gehad, maar genoemd wordt het niet. De hele familiegeschiedenis blijkt ook uiteindelijk totaal anders in elkaar te zitten dan je aanvankelijk dacht en dat heeft enorm verstrekkende gevolgen gehad. Dat besef dringt pas langzaam tot je door. Sophie Tak heeft namelijk sluipenderwijs de spanning fantastisch weten op te bouwen en er een indrukwekkende draai aan weten te geven.
Al met al een onthutsend debuut dat nog een flinke tijd nodig heeft om helemaal  te bezinken.


Sophie Tak is Neerlandicus en docent Nederlands. In haar studietijd voerde ze de redactie over literair tijdschrift Moxi, waarin ze ook zelf verhalen en columns publiceerde. Ze schreef recensies voor Trouw en was redacteur van VakTaal.


ISBN 9789026348044 | Paperback met flappen | 331 pagina's | Uitgeverij Ambo Anthos | mei 2020

© Dettie, 24 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Onomkeerbaar
Ines Nijs


Had haar moeder echt gedacht dat ze er mee weg zou komen dat ze haar dochter niets vertelde over haar afkomst?


Er is geen vader in het leven van Zoé, die zich als ze ouder wordt steeds meer begint af te vragen over haar leven. Ze woonde bij haar moeder, maar omdat die moest werken - in hotel Le Grand Veneur was ze schoonmaakster – was Zoé bij Gust en Bertha. Toen ze tien jaar oud was, kwam Bertha te overlijden en is er geen andere keuze: Zoé moet naar het internaat bij de nonnen.
In die kille omgeving wordt Zoé achttien, ze zit voor haar eindexamen, en ze begint onderzoek te doen. Ze wil weten wie haar vader is, waarom ze geen familie heeft, waarom haar moeder geestelijk niet in orde is. Wat houden haar moeder en de nonnen voor haar verborgen? Want dat de nonnen meer weten heeft ze al snel door. Vooral zuster Godelieve.


‘Ooievaars brengen geluk’, zeggen ze. Zoé heeft de vogels zien staan toen ze uit het raam keek, net voordat de lerares geschiedenis de opdracht geeft aan haar leerlingen: een werkstuk maken over de oorlog. Bovendien ziet ze op een van de dia’s die de lerares laat zien haar vader. Ze weet het zeker. Maar hoe kan ze dat weten? Ze wil nu eindelijk de antwoorden die ze altijd al zocht.


Als die antwoorden mondjesmaat komen, ontdekt ze ook dat ze eigenlijk al meer wist dan ze zich bewust was. Heden en verleden vallen in elkaar. Maar als ze denkt te weten wie haar vader is, moet ze ook nog naar hem op zoek. De apotheose komt tijdens de reis die de eindexamenklas maakt naar Italië, waar nog meer geheimen begraven liggen.
Maar is het zo verstandig geweest om kost wat kost de waarheid te achterhalen? Ze kan nooit meer niet weten, die kennis is onomkeerbaar.


Het verhaal speelt in de jaren zeventig, grotendeels in een internaat in een nonnenklooster, geen warme voedingsbodem voor een jong meisje. Als lezer denk je dan ook vaak dat het anders gekund had, gemoeten had. Maar de tijdgeest was anders. Bepaalde dingen vertel je een kind niet en volwassenen beseften niet dat juist die onwetendheid onzeker maakt. Zoé is ook nog een gevoelig kind, kwetsbaar in haar zoektocht naar liefde en geborgenheid. Ze voelt zich in de steek gelaten door haar zwijgzame moeder, door de stugge nonnen. Ze valt makkelijk ten prooi aan dat meisje in haar klas die haar als een kwade geest op de huid zit en die de eerste stappen op weg naar de liefde weet te bederven.
Zoé denkt dat kennis haar behalve duidelijkheid ook veiligheid zal brengen. Zij kan niet anders dan doorgaan. Ze moet weten.


In een verhaal vol spanning plaatst de schrijfster ons in de geest van een jong meisje. Met haar willen we eveneens weten en zijn we huiverig voor de antwoorden.
Prachtige stukjes tekst sleuren ons mee.


‘Alsof haar woorden ze hebben opgeroepen, zijn ze er plots.
De herinneringen. Ongevraagd pinnen ze me vast in de bank. Kijk hoe je hier binnenkwam, die allereerste dag, zeggen ze. Weet je nog? Met die zielige vlechtjes en die vlekken op je jurk.
‘Zoé?’ De lerares geschiedenis, de ingewijde in het verleden, de schikgodin die de draden spint en weeft en knipt, legt haar hand op mijn arm. Ik schud ze af en spring met een onhandige beweging op uit de bank. Struikelend over mijn voeten loop ik het klaslokaal uit, op de vlucht voor de herinneringen die hun klauwen in mij slaan en die ik niet kwijtraak. Niet aan het einde van de gang, niet achter de hoek, nergens. Ze lopen met me mee. Ze zijn hier thuis. Hun kleur, hun geur hangt overal om me heen en dringt zich in alles aan me op. Ze zijn als de uien die Bertha en Gust pelden aan de eetkamertafel. De buitenkant eerst. Droog en knisperend tot de bovenste laag bovenkomt, gelig verlept. Haast vanzelf valt ze eraf. De tweede laag is witter, er zit een vliesje op dat prikt aan de ogen en het knipperen begint. Bij de derde helpt het knipperen niet meer. En daar zit de kern. De kern en de tranen.’


Het verhaal verloopt niet chronologisch. Zonder aanduiding vloeien heden en verleden in elkaar over. Niet dat het onduidelijk wordt voor de lezer, het is precies zoals het voor Zoé ook werkt.


Deze debuutroman is prachtig, qua verhaal, en qua stijl. Hopelijk krijgen we meer van dit van deze nieuwe schrijfster.
Het motto is zeer treffend gekozen! Het is een gezegde van Kahlil Gibran:


‘Tussen wat wordt gezegd en niet bedoeld en wat wordt bedoeld en niet gezegd gaat de meeste liefde verloren.’


Ines Nijs (1968) is filoloog van opleiding, freelance redacteur van beroep. Ze woont en werkt afwisselend in België en Senegal.


ISBN 9789062657759| paperback | 224 pagina's | Uitgeverij in de Knipscheer | april 2020

© Marjo, 10 mei 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Ontwaak zonder mij
Marilou Nillesen


In dit boek maken we kennis met Nine van der Meer, een drieënveertigjarige moeder van een tweeling die zij bewust alleen grootbrengt. Maar nu zijn de kinderen voor drie maanden bij haar moeder en woont Nine tijdelijk in Parijs om onderzoek te doen naar de vraag welke rol courtisanes hebben gespeeld tijdens en na de feministische golf van de negentiende eeuw. Het onderzoek richt zich met name op Esther Lachman, een courtisane die nadat ze uit een koets gesmeten werd  zichzelf een ding voornam. Daar op die plek aan de Champs-Elysées zou zij een stadspaleis bouwen.


Nine is gefascineerd door deze van oorsprong Russische Esther en haar bijzondere levenswandel. Maar ze is ook gefascineerd door Joseph alias Jojo, haar buurman van het appartementje dat ze via haar werkgever, de universiteit van Nijmegen, heeft weten te bemachtigen. Jojo weet vanaf het eerste ogenblik haar aandacht te trekken. Het verbaast de zeer onafhankelijke Nine dat ze zich zo extreem tot hem aangetrokken voelt, het beangstigt haar zelfs. Ze gaan als snel samen wat drinken en belanden dezelfde avond in bed, wat een minder prettige ervaring voor Nine is dan ze verwacht had.


Ontnuchterd zet Nine haar onderzoek voort bij het Institut France. Het wonderbaarlijke leven van de aanvankelijk zeer aantrekkelijke, intelligente Esther Lachman blijft een bron van aandacht en verbazing. Esther is een zeer vrijgevochten vrouw, die precies weet wat ze wil. Van een meisje uit de Moskouse sloppenwijken weet ze zich op te werken tot zeer gewilde courtisane, en meer dan dat! Ze manipuleert, vleit, speelt en bemint degene die ze haar aandacht waard vindt. Esther is genadeloos. Ze zal en moet bereiken wat zij in haar hoofd heeft, de enige voor wie zij goed zorgt is zichzelf.


Nine is verbijsterd maar trekt zich ook op aan deze dappere maar keiharde vrouw, want de charmante Jojo houdt haar meer in zijn greep dan zij wil. Ze voelt zich aangetrokken en afgestoten door zijn gedrag en ze beseft dat ook maar al te goed. Maar toch... Jojo heeft iets waardoor ze hem moeilijk uit haar hoofd kan krijgen. Jojo heeft feitelijk dezelfde aantrekkingskracht als Esther, mannen weten dat zij onbetrouwbaar is, dat ze met hen speelt, maar evengoed kunnen ze haar niet weerstaan. Dat effect heeft Jojo ook.


Het bijzondere is dat wij als lezer niet een historische roman voorgeschoteld krijgen maar een boek dat in het heden speelt met als verteller Nine, de sterke vrouw die van zichzelf verbaast staat dat ze zo kwetsbaar is wat betreft de zelfzuchtige aandacht van Jojo. Daarnaast vertelt zij ook over het hedendaagse Parijse leven inclusief de geëmancipeerde vrouwen die demonstreren tussen de 'Gele Hesjes' én het onderzoek naar de levenswandel van de onvoorstelbaar manipulerende Esther Lachman. Deze combinatie maakt dat je zeer geboeid blijft lezen. Je wil weten hoe alles verder zal gaan. Voor beiden dames loopt het verhaal overigens zeer verrassend af.
Een boeiend en knap in elkaar gezet verhaal.


Marilou Nillesen (1970) is historicus, journalist en onderzoeker, en een levenlang verliefd op Parijs. Na ruime ervaring in de regionale journalistiek werkt ze nu zo'n twaalf jaar bij het voormalig rijksarchief in 's-Hertogenbosch, en publiceert vrijwel dagelijks historische verhalen. Het verleden prikkelt haar nieuwsgierigheid. Heden en verleden zijn niet los te zien van elkaar, en het liefst gaat ze op zoek naar die raakvlakken. Waar het schuurt, bijt of prikkelt. Daar waar iets gebeurt.
Ontwaak zonder mij is haar debuut.


ISBN 9789463652063 | Paperback | 152 pagina's | Elikser | januari 2020

© Dettie, 17 april 2020

Lees de reacties en/of reageer, klik HIER

 

Winteruren
Filip Bastien


De ik-verteller, Richard Waeyenberghe, slijt zijn dagen aan het bed van zijn echtgenote. Zij is ongeneeslijk ziek en begint ook nog te dementeren. Als vanzelf gaat Richards gedachten naar het leven dat hij geleid heeft. En wij als lezer volgen hem in de gedachtesprongen.


Anna-Maria, de vrouw met wie hij getrouwd was, was misschien niet zijn grote liefde, maar het leven verloopt niet altijd zoals je dat wenst. Zeker niet als je geboren bent in 1915.
Hij heeft de Eerste Wereldoorlog niet bewust meegemaakt, maar de familie is er wel door getekend. Als Richard in het ziekenhuis belandt na een auto-ongeluk, laat zijn moeder haar hevige schrik zien. Ze kan niet ook nog haar zoon verliezen! Natuurlijk weet Richard dat zijn vader omgekomen is in de oorlog, maar zijn moeder wilde er nooit over praten. Maar nu komt ze dan eindelijk met informatie. En de laatste brief van zijn vader, waarin hij schrijft over een concessie die hij heeft op land in Congo.
Maar wat meer indruk maakt op zijn zoon is dit:


‘Als je na de oorlog naar deze velden komt en ik ben er niet meer, kuier dan tussen de klaprozen. Luister naar hun gefluister en denk aan mij. Laat me niet zomaar verzinken tussen de rimpels van de tijd.’


We weten het: de Tweede Wereldoorlog volgt. Richard gaat in het verzet, wordt opgepakt, en verzeilt in Breendonk, het beruchte ‘opvangkamp’ waar de Duitsers dissidenten, verzetslieden, gijzelaars en Joden naar toe brachten en hen bloot stelden aan uithongering en martelingen.
Ook Richard overleeft het ternauwernood. Hij weet te ontsnappen, naar Duinkerken.


Dit is de ene kant van het verhaal. Het andere gaat over de twee vrouwen die een grote rol speelden in zijn leven. Anna-Maria natuurlijk, maar ook Josephine. In de relaties met deze twee vrouwen speelt de achtergrond zoals we die kennen uit de geschiedenis een grote rol: de vooroorlogse jaren, de oorlog, de Expo in Brussel, een tijdbeeld van de vijftig- en zestigerjaren, Congo, het communisme en de Val van de Muur.
Maar ook de molen in Bredene en de kermis in Eeklo in 1925 - de ‘kleine’ geschiedenis - komen aan bod.


Richard wordt steeds opnieuw geconfronteerd met gebeurtenissen buiten hem om, die wel danig ingrijpen in zijn leven. Steeds opnieuw moet hij moeilijke keuzes maken. Ook de daden van de vrouwen, en de manier waarop zij beslissingen nemen zorgen ervoor dat hij niet het leven kan leiden dat hij voor ogen had. Zal hij nog een herkansing krijgen als zijn vrouw het leven voor het eeuwige heeft verruild? En hoe dan?


Richard Van Waeyenberghe, zo heet de grootvader van de schrijver. Op deze persoon is het verhaal losjes gebaseerd, hetgeen in een nawoord uitgelegd wordt. De foto’s in het boek, uit het privéfamiliealbum, maken dat duidelijk: het is een ode aan de niet-gekende grootvader.


De vorm van het verhaal is bijzonder. Terwijl de ‘basis’ zich afspeelt in 1990, gezeten naast zijn stervende vrouw, laat de hoofdpersoon zijn gedachten los, heen en weer in de tijd. Die tijdstippen hangen samen met de wereldgeschiedenis, maar zijn niet chronologisch. Gelukkig wordt wel heel duidelijk boven het hoofdstuk aangegeven wanneer het vertelde zich afspeelt. Naast een psychologische roman is het ook een historische roman. Bastien verweeft deze twee genres tot een boeiend geheel.


Filip Bastien is Vlaming, en verbergt dat niet. We komen dus Vlaamse woorden tegen als kasseien, plezant en smout. Maar ook stuten en jutekakooie, een stuk lastiger. Toch stoort dat niet, en is vooral in de stukken tekst over Eeklo, dus de jonge jaren van de hoofdpersoon.
Filip Bastien kreeg als eerste Vlaamse auteur de Indie Award juryprijs 2018, voor de meest memorabele hoofdpersoon.
Na het winnen van de prijs werd het boek opnieuw uitgegeven bij Hamley Books.


ISBN 9789463967051| paperback |300 pagina's | Uitgeverij Hamley Books| februari 2020

© Marjo, 21 februari 2021

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Confrontaties
Simone Atangana Bekono


Niet zeuren en hard werken.


Dat is wat Salomé Atabong, de jongste dochter van een Kameroense vader en een Nederlandse moeder, haar hele leven al te horen krijgt. Slim is ze wel, maar helaas, dat is niet genoeg. Omdat ze zwart is, zijn haar hoge punten eerder een extra reden voor haar klasgenoten om haar het leven zuur te maken.


Haar vader, op wie ze lijkt, leert haar en haar oudere zus de boksbal te gebruiken. Niet met je laten sollen, zegt hij. Miriam wil er niet veel van weten, die lost het anders op, maar Salomé weet dan al dat kracht hebben iets goed kon doen. Waarom lijdzaam accepteren - wat niet in haar natuur ligt – als ze ook terug kan vechten?
Ga door de vijand heen, zegt hij. ‘Het zijn een mond en een vuist en ze zoenen.’


Ze is zestien als de bom barst. Er gebeurt dan iets wat haar in de cel doet belanden. Ze moet naar een jeugddetentiecentrum, waar ze behandeld moet worden.
Als haar therapeut een van de mensen blijkt te zijn die meegewerkt heeft aan een televisieprogramma over Afrika, waar de draak gestoken werd met de Afrikaanse cultuur, slaat Salomé volledig dicht. Ze weigert te praten met een racist. Maar wil ze daar weg komen dan zal ze concessies moeten doen. Vooral moet ze dan accepteren dat ze het mikpunt zal blijven wat ze ook doet.


De thuissituatie is ook al niet rooskleurig: haar vader is ziek en zal waarschijnlijk niet beter worden en haar zus is het huis uit.


‘Het is 25 februari 2008 en er zijn twee Salomés en ik ben er maar één van en misschien niet eens het originele exemplaar.’


Salomé voelt zich verscheurd. Ze is zichzelf niet. Of juist wel?


‘De ene Salomé haalt tienen voor proefvertalingen Grieks, is op vakantie geweest, speelt piano zonder bladmuziek, en ik ben in een heel vreemde, parallelle tijd terechtgekomen, waarin ik tijdens therapie een perforator van Frits’ bureau pakt en tegen het raam smijt. Het glas brak niet omdat ramen hier natuurlijk niet zomaar breken. Ik was zo kwaad dat het niet brak dat ik riep dat ik dood wilde. Ik word met de dag dramatischer. Het boeit toch niet.
Ik denk alleen nog maar in wat mama, als Miriam en ik elkaar voor kankerditofdat uitschelden of het woord fucking gebruiken ‘extreme termen’ noemt. Ik weet nog steeds niet wat me overkwam daarnet. De extreme termen vlogen uit mijn bek als kogels.’


Salomé reageert heftig, niet alleen omdat ze een puber is. De woede beheerst haar, ze kan er geen kant mee uit. En wat als ze terugkomt in haar dorp. Hoe zullen de dorpelingen reageren? Kan ze wel weer naar school? Die woede is vanaf het begin voelbaar, door de stijl die gehanteerd wordt. Die is kortaf, soms staccato.


Simone Atangana Bekono is ook dichter. Goede poëzie is emotie. Emotie beheerst dit boek. Confrontaties heeft een poëtische en bittere sfeer, zonder ook maar ergens larmoyant te worden. Een sfeer die nog lang blijft nawerken.
Kom je te weten wat aan haar straf ten grondslag ligt? Jawel. Maar het speelt nauwelijks een rol, behalve op het einde, dat je overigens snel vergeten bent. Het voorafgaande is belangrijker omdat hier een intelligente puber aan het woord is die met zichzelf overhoop ligt, hetgeen toegespitst is op haar zwart zijn waar ze steeds maar weer mee geconfronteerd wordt.


Prachtige en indringende debuutroman, absoluut ook geschikt voor de bovenbouw van middelbare school.


Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ met een bundeling van gedichten en brieven getiteld hoe de eerste vonken zichtbaar waren, die in herdruk verscheen bij Wintertuin Uitgeverij.


ISBN 9789048842438 | paperback | 224 pagina's | Uitgeverij Lebowski | september 2020

© Marjo, 3 december 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

De achtbaantester
Nancy Olthoff


‘Leven. Hoe anderen het doen is hem een raadsel. Niet nadenken over je vieze vaat al dan niet meteen afwassen, en waar die keuze mee te maken heeft. Verder associëren, hij is er heel goed in: van aangekoekte Brinta naar de dood. Via bord, afwas, regels, vader, controle, mama, dood. Of het nou om de afwas gaat of om een lieveheersbeestje op zijn schouder, uiteindelijk heeft alles met de dood te maken’


Het is geen vrolijk leven dat Herman van Dusselen, een alleenstaande dertiger, leidt. Na het overlijden van zijn ouders gaf oom Frans, zijn voogd, hem ondanks dat hij pas achttien was toestemming om in het ouderlijk huis te blijven wonen. Dat vond hij fijn, want daar kon hij zijn hobby uitoefenen: knikkeren.
In de knikkerkamer heeft hij 800 knikkers, netjes geordend, en allerlei soorten knikkerbanen. Ze zijn zijn trouwe, altijd aanwezige toeverlaat voor als hij zich niet prettig voelt. Als de herinneringen hem bestormen.


Hij heeft niet zo’n prettige jeugd gehad: zijn ouders waren overbezorgd en streng. Wat was hij boos toen hij niet mee mocht op schoolkamp, de enige kans die hij had om er op school bij te gaan horen. Hij kreeg een zak knikkers als troost, nou, die liggen nog ergens, onaangeroerd.
Tijdens een vakantie - hij was 8 jaar oud - is zijn moeder onder vreemde omstandigheden verongelukt. Nadien was er alleen zijn vader, niet bepaald een vrolijke man. Zijn motto was ‘wie mikt op een zeven, krijgt nooit een tien.’
En nu is Herman alweer jaren alleen. Met zijn knikkers. Parel. Confetti, Picasso, en nog vele andere.


De dag dat het pasje in de brievenbus valt, verandert zijn leven. Daar staat op:

                                  HERMAN VAN DUSSELEN, GRATIS TOEGANG, GEHELE MAAND FEBRUARI

Vlak bij zijn huis is het pretpark Wonderland. Ook een plek met vervelende herinneringen. Het is nu de kans om dat te veranderen. Om eindelijk te gaan leven. Dat is zoals duidelijk is niet bepaald gemakkelijk. Herman loopt tegen hindernissen aan. En terwijl hij probeert daar mee om te gaan is er ook het verleden dat hem op de meest ongelegen momenten overvalt. En er is oom Frans die binnenkort zal overlijden.


‘Pareltje wordt omhooggetrokken, verliest snelheid en wordt losgelaten in een doorzichtige buis. Je kunt dit met meer knikkers tegelijk doen, maar het risico van een opstopping is hem te groot. Bovendien: waarom zou je?
Als je echt respect hebt voor je knikkers, wil je ze een voor een laten rollen.’


De achtbaantester is tegelijk een tragedie en een komedie. Het gaat over rouw, maar ook over liefde.
Het is prachtig geschreven, wat langere zinnen als het verhaal enigszins beschouwend wordt, maar meestal gebruikt de schrijfster een kordate stijl. Korte zinnen. Woorden. Een stijl die je nauwkeuriger laat lezen, en dat is precies wat dit boek vereist: aandacht. Je wordt er voor beloond, net als wanneer Herman zijn vrienden loslaat op de knikkerbaan. Herman is een enigszins wereldvreemd, maar daar is hij zich terdege van bewust. De achtbaantester vertelt over zijn worsteling om mee te doen, er bij te horen. Om op kamp te gaan, net als iedereen.
Een zeer geslaagd debuut, dat doet uitkijken naar meer.


Nancy Olthoff (Den Haag, 1977) schrijft speeches en strategische teksten voor CEO’s, ministers en staatssecretarissen.


ISBN 9789493081536 | paperback | 204 pagina's | Uitgeverij Orlando | juni 2020

© Marjo, 21 augustus 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Waarom we huizen bouwen
Renée Kapitein


‘Je moet je fiets laten maken. En je tanden poetsen, en nieuwe tandpasta kopen en ook een nieuwe tandenborstel of eigenlijk moet je een elektrische van de tandarts. Bij wie je een afspraak moet maken, bij de tandarts of bij de mondhygiënist of meteen bij allebei. Je moet een verzekering hebben die dat betaalt, of eentje die het niet betaalt en dan het geld opzijzetten zodat je het zelf betalen kunt. Sowieso moet je geld apart zetten, voor als je wasmachine kapotgaat of je fiets…’


We moeten een heleboel in ons leven. Het lijkt een ongeschreven wet dat mensen streven naar een vaste relatie om samen een huishouden te beginnen, kinderen horen er ook bij en liefst een goede baan. Een volwassen mens hoort verantwoordelijk gedrag te vertonen. Maar wat als je niet in dit plaatje past? Als je je een buitenstaander voelt?


Anna is een jonge vrouw, ze heeft een master in communicatiewetenschappen. Werk heeft ze wel, maar het is geen baan waar ze echt voor gaat. Een relatie volhouden is haar nog niet gelukt en een eigen plek om te wonen heeft ze evenmin. Ze woont in de huizen van anderen.


Als we haar ontmoeten heeft ze net te horen gekregen dat haar tijdelijke contract niet omgezet zal worden naar een vast contract. Op zich is ze daar niet rouwig om, maar nu ze haar tijdelijke woning al snel moet verlaten – de bewoner daarvan komt terug – wordt haar toekomst wel erg onzeker.
Een vriendin geeft een housewarming. Zij leeft wel een leven volgens het stramien! Anna heeft weinig zin om te gaan, maar vindt dat ze niet zomaar kan wegblijven.
Dus ze gaat op weg zonder dat ze zich er in verdiept heeft hoe ze daar moet komen. Typisch Anna.


En inderdaad: ze kan het adres niet vinden. Erger: ze kent het adres niet eens uit haar hoofd en haar telefoon is uitgevallen. Zo komt het dat ze ergens op een groot parkeerterrein strandt en in De Poolcirkel terecht komt, een hangar waarin zich een restaurant bevindt.
Als ze buiten gaat roken ontmoet ze Bor, die op het parkeerterrein in een oude caravan woont, omdat dat de enige manier is om een stuk grond toegewezen te krijgen. Bor heeft een droom: een huis bouwen. Niet zomaar een huis, nee, het huis dat hij zelf getekend heeft.
Het klikt tussen Anna en Bor, en gaandeweg raakt Anna betrokken bij de bouw van het huis, dat dan niet meer zijn huis is, maar ‘ons huis’.


We hebben tegen die tijd al aardig in de gaten dat Anna (nog?) niet echt een verantwoordelijke volwassene is. Ze neemt het leven zoals het komt. De droom van Bor lijkt uit te komen, het huis ontstaat langzaam. Maar een huis bouwen is verantwoordelijkheid nemen en daar blijkt Bor ook niet zo goed in te zijn. Bor is een dromer en wil helemaal niet stoppen met dromen.
Als ze hard op weg lijken te zijn naar het huisje, boompje, beestje dat je na schijnt te moeten streven, lijkt een zekere toekomst dichterbij te komen. Maar wil ze dit eigenlijk wel?


‘Alles in mij wil naar huis, maar ik weet niet waar dat is.’


Dit verhaal is een protest. Een protest tegen de voortjakkerende maatschappij waarin we van alles moeten, en liefst nog snel ook. Volwassen worden, verantwoordelijkheid nemen, maar wat nou als je daar geen zin in hebt? Kun je dan ook een goed leven leiden?


Het verhaal is geschreven op een luchtige licht ironische toon. Toch is het best een zwaar onderwerp, het zijn toch wel keuzes voor het leven die gemaakt moeten worden, en is Anna een romanfiguur, er zullen veel jonge mensen worstelen met dit dilemma. Maar of er een antwoord op is? Want waarom bouwen we eigenlijk huizen?


Renée Kapitein (Amsterdam, 1987) studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Tijdens en na haar studie woonde ze in veertien huizen, om ten slotte na twee weken kamperen een ligplaats voor een woonboot te bemachtigen. Ze schrijft korte verhalen, sketch comedy voor theater en scenario’s en ze maakt podcasts. ‘Waarom bouwen we huizen’ is haar debuut.


ISBN 9789026346873 | Paperback | 264 pagina’s | Uitgeverij Ambo Anthos | april 2020

© Marjo, 12 juni 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Lichter dan ik
Dido Michielsen


De betovergrootmoeder van Dido Michielsen, die model heeft gestaan voor de ik-verteller in dit boek, was een van de vele vrouwen in soortgelijke situatie. Het verhaal speelt aan het einde van de negentiende eeuw op Java, dat al vanaf de zestiende eeuw gekoloniseerd werd door Europeanen. Waren het eerst de Portugezen die de baas waren, het eiland werd al snel overgenomen door de Nederlanders.


Tijdens de Napoleontische oorlogen viel Indonesië tijdelijk onder het gezag van de Britse Oost-Indische Compagnie (1811-1816), maar de Nederlanders kwamen terug. Java werd een exporteiland, met andere woorden: Nederland buitte de inlanders uit. Omdat er vrijwel geen vrouwen mee kwamen als de mannen als militair, koopman of ambtenaar naar de Oost gingen – voor het kanaal van Suez openging in 1869 duurde de reis maandenlang – ontstonden er relaties tussen blanken en Javaanse vrouwen.


In naam waren ze veelal huishoudster, de njai, maar vaak kwamen er ook kinderen. Deze vrouwen en hun kinderen - met gemengd bloed - waren bepaald niet welkom in de kampong als zij daar terugkwamen nadat hun meester terug was gegaan naar Nederland. Soms ook nam de man zijn kinderen mee naar Nederland, daar had de moeder niets over te zeggen, en heel soms werd er getrouwd.


Isah, bij haar geboorte in 1850 Peranti genaamd, is 60 jaar oud als zij haar verhaal wil vertellen. Het zelf opschrijven kan ze niet, maar zij vindt een lotgenoot, Tjanting, die wel kan lezen en schrijven bereid alles te noteren over haar leven, dat begon in de kraton (paleis) van de sultan van Djokja(karta). Haar moeder, zelf ongehuwd moeder, verdient de kost als kleermaakster. Pas als zij zo’n 12 jaar oud is, wordt Peranti zich bewust van de verschillende rangen en standen en begint zij te begrijpen dat haar toekomst anders zal zijn dan die van haar vriendinnen.


‘Iedereen aan het hof had zijn eigen plek: Een dun, onzichtbaar web van rangen en standen liep door alles heen, en naarmate je ouder werd, openbaarde dit zich aan je. En dan besefte je als volwassene dat je gevangen zat tussen de verstarde lijnen en niets meer kon bewegen, tenzij je jezelf er met geweld van bevrijdde.’


Als zij 16 is, trouwt haar vriendin, die een jaar ouder is, en tot haar schrik merkt Peranti dat haar moeder ook in zee is gegaan met een koppelaarster. Trouwen met een vreemde, dat nooit. En zij loopt weg. Eerder had ze een Nederlandse militair ontmoet, bij hem klopt ze aan, hopend op een betere toekomst. Hij verandert haar naam in Isah, en is goed voor haar. Maar al krijgt ze twee kinderen van hem, hij blijkt niet van plan die te erkennen, laat staan met haar te trouwen.
En dan gaat hij terug naar Nederland. Zij blijft achter, alleen, met twee kleine kinderen.


Door middel van dit boeiende verhaal ontdekt de lezer veel over een tot nu toe nauwelijks bekende periode uit de Nederlandse geschiedenis. Vrouwenlevens werden tot voor kort sowieso onderbelicht, waar ter wereld ze zich ook afspeelden en hoe ze ook verliepen.
Dido Michielsen durft het aan. Ze verdiepte zich in de geschiedenis van Nederlands-Indië, speciaal in dat van haar betovergrootmoeder, die ooit njai was.
Ze vertelt op een levendige manier, je wilt alleen nog maar meer weten over hoe vrouwen in die tijd moesten leven.


Hoewel ook de weinige Nederlandse vrouwen die meereisden het niet makkelijk hadden, is dit boek toegespitst op inlandse vrouwen. Zij hadden geen rechten, mannen konden ongestraft met hen doen wat ze wilden. Isah is een intelligente jonge vrouw, die probeert iets van haar leven te maken. Ondanks de beperkingen blijft ze hopen en een uitweg zoeken. Ze wil geen gebruiksvoorwerp zijn, maar erkend worden als mens.


Dido Michielsen (1957, Amersfoort) schreef eerder het verhaal van Derk Sauer en zijn vrouw in Moskou en (samen met haar man Auke Kok) het leven van de Joodse familie Van Cleeff voor, tijdens en na de oorlog.
Met Lichter dan ik won zij al de Boekhandelsprijs 2020, en ze is genomineerd voor de Hebban debuutprijs.


ISBN 9789048845033 | paperback | 272 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep | september 2019

© Marjo, 17 april 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

Niemand zoals hij
Lucia van den Brink


‘Uit de envelop haalt ze een dubbelgevouwen papier. De zijkant van het papier heeft een gescheurde rand, alsof het ergens uit is getrokken. De brief is geschreven in een ander handschrift dan haar adres op de envelop. Dit handschrift is hoekig en alle letters staan uitgebalanceerd op de pagina. Het komt haar bekend voor. Onderaan staat groot ‘Pieter’ geschreven.
Opa.
Het is echt van opa.’


Renke heeft haar opa al meer dan een jaar niet gezien, en deze brief roept veel vragen op. Ook brengt hij slecht nieuws: haar opa heeft de ongeneeslijke spierziekte ALS, de doctoren geven hem nog een jaar. Dat is meteen de verklaring voor wat er boven de brief staat ‘nog 365 dagen.’ In de brieven die volgen, leest ze hoe haar opa naar Japan is gegaan, in het spoor van zijn karateleraar Yamada. Hij logeert aanvankelijk ook bij hem, tot hij een eigen plek vindt.


Renke had altijd een goede band met haar opa, al vond haar moeder het niet goed dat ze met hem omging. Tussen haar opa en zijn enige dochter, die hij in zijn eentje opgevoed heeft na de dood van zijn vrouw botert het namelijk niet.
Renke heeft een kantoorbaan en daarnaast houdt ze een blog bij waarop ze foto’s plaatst die de waarheid moeten vertellen. Niet de fakeberichten die ze zo vaak leest, maar het echte, ware leven. Maar al krijgt ze veel likes, of ze hier nu haar brood mee kan verdienen?
Nu Renkes carrière stuk is gelopen - ze heeft geen contractverlenging gehad, dus ze zit zonder werk - rijpt langzaam een plan. Als er memobriefjes op de dagboekfragmenten geplakt zitten, en haar opa haar uitnodigt: kom naar Japan, en als hij ook nog een geldbedrag overmaakt is de keuze snel gemaakt.


We lezen over haar reis, beginnend in Tokio waar ze vrijwel direct iemand ontmoet die haar gids wordt. Na een paar dagen gaat ze verder, naar het dorp waar haar opa woont. Woonde, helaas. Intussen heeft ze bericht gehad van haar moeder: opa is overleden, zijn lichaam wordt al overgevlogen naar Nederland.


Renke besluit toch naar het huis te gaan, om te zien waar opa zijn dagen sleet, de dagen waarover hij schreef in de dagboekfragmenten die hij haar stuurde. En ze wil Yamada ontmoeten. In de brieven vertelde opa over zijn fascinatie voor karate, een sport die hij op latere leeftijd nog is gaan beoefenen. Hij vertelt wie Yamada is, en wat de Japanner voor hem betekende. Hij heeft het over zijn dochter, betuigt zijn spijt over de fouten die gemaakt heeft. Over zijn neuroses.
En hij beschrijft hoe de ziekte langzaam maar zeker zijn lijf sloopt.
In de eerste enveloppen zaten ook papieren kraanvogels. Gevouwen kraanvogels, zeker als je er duizend vouwt, brengen geluk. Dan wordt je wens vervuld.
En opa had wensen, net als Renke die heeft.


In deze roman wordt het een en ander verteld over de sport karate, over Japanse gewoontes - waarbij hun aversie tegen buitenlanders als een verrassing komt, en dat niet alleen voor Renke: ’foreigners not allowed’ staat er op een notificatie op de deur van een restaurant! - maar vooral ook over hoe je je eigen leven op kan pakken als het even tegenzit.


In de levens van de grootvader en de kleindochter zitten overeenkomsten, maar ook tegenstellingen. Dat wordt mooi verwerkt in dit verhaal. Ook leert de grootvader zijn kleindochter het een en ander, door eerlijk te vertellen over zijn keuzes, en geeft aan hoe belangrijk de rol van de Japanner was in zijn laatste maanden. Terwijl Renke haar besluit neemt te vertrekken en daadwerkelijk in Tokio rondloopt, leest ze af en toe de brieven van opa, zodat er een afwisseling ontstaat tussen hun beider verhalen.
Als zij een bepaald liedje in haar hoofd heeft en er maar niet achter komt welk liedje, heb je als lezer misschien datzelfde deuntje al in je hoofd! Zo is het hele verhaal wel voorspelbaar. Ook het einde. Toch is het een overtuigend verhaal geworden dat prettig leest. Dat komt door de toon, maar ook door de informatie die speels in het verhaal verweven zit.
Mooie psychologische roman.


Lucia van den Brink (Zoetermeer, 1991) woont in Amsterdam. Ze behaalde een bachelor Japanologie en een master Journalistiek & Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden. Ze publiceerde korte verhalen, gedichten en feministische columns. ‘Niemand zoals hij’ is haar debuutroman.


ISBN 9789026347573 | paperback | 240 pagina's | Uitgeverij Ambo|Anthos | januari 2020

© Marjo, 25 maart 2020

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER