Boekenarchief B

Willem Brinkman

Dagen op aarde


Van Marum is wetenschapper, met maar één doel voor ogen:
Hij wil een Godsbewijs leveren. Daarvoor heeft hij zich gewend tot het Genootschap Ter Bevordering van Wetenschappelijk onderzoek. Al jaren heeft van Marum niets anders gedaan dan gelezen, en nog eens gelezen, zich verdiept in alle boeken die verband konden houden met het onderwerp.
Nu eindelijk de uitnodiging van het Genootschap op de deurmat valt, voelt hij zich de koning te rijk en opgewekt gaat hij met al zijn geschriften naar het opgegeven adres.
Daar wacht hem een vreemd gezelschap, dat zich eigenlijk niet eens echt aandacht lijkt te hebben voor zijn onderwerp. De voorzitter vertelt hem dat ze meer willen dan wat hij tot dan toe gedaan heeft: niet alleen vergelijken van bestaand materiaal, maar nieuwe inzichten.


"U stelt immers dat God, zoals Hij Zijn wil heeft opgelegd in de door Hem gecreëerde materie zichzelf door deze door mensenogen waargenomen materie immanent manifesteert. Alles in de wereld is een Bewijs van God. Niets van wat bestaat, bestaat zonder Gods wil. Het komt er dus op neer om de materie op dusdanige wijze te onderzoeken dat deze het bestaan van God openbaart."


Dat moet van Marums onderzoek worden, zegt de voorzitter.
Een ander roept dat hij er op uit moet: de wijde wereld in. Nog een ander vindt dat hij een groots iets moet bouwen, een enorme ventilator bijvoorbeeld.
Weer een ander vindt dat de grondbeginselen niet duidelijk gesteld zijn. En tenslotte krijgt van Marum de opdracht om met een concreet voorstel te komen waarmee hij een direct en expliciet Godsbewijs zal leveren. Hij moet opnieuw aan de studie, en eens per half jaar een verslag leveren.
Braaf doet van Marum wat hem gezegd is, zijn teleurstelling zet hij opzij... Hij is nu immers lid van het Genootschap, hetgeen hij zo graag wilde. Pas veel later zal tot hem doordringen wat dat precies inhoudt.
De bijeenkomst van het Genootschap wordt wild verstoord door een vliegtuig. De vliegenier blijkt een voormalig lid van het Genootschap. Deze Kolfschoten verzet zich tegen hen.
Na lange tijd van hernieuwde studie krijgt van Marum eindelijk de opdracht en de benodigde middelen op op pad te gaan. Niet naar verre exotische oorden zoals hij dacht, maar naar Harderwijk, Denekamp, en Sleeswijk-Holstein. Het is een bizarre tocht, langs allerlei adressen die hem gegeven worden: een dominee die hem de deur wijst als hij toegeeft niet kerkelijk te zijn; een rector die hem onverwacht een lezing laat geven, maar verder niet geïnteresseerd is in zijn zoektocht; een museum dat echter zijn deuren niet opent, want het is buiten het seizoen.
Van Marum blijft braaf de opdrachten vervullen, al bekruipen hem steeds meer twijfels. En in zijn God blijft hij geloven, wat er ook gebeurt. Hij accepteert de kritiek die hij via een tussenpersoon van het Genootschap krijgt.
De twijfel groeit als hij een man ontmoet die hem vertelt dat ook hij ooit lid was van het Genootschap, maar dat hij er genoeg van had om van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Nu is hij een verschoppeling. Ze worden vrienden. Admer vergezelt van Marum op zijn tochten, ze hebben lange gesprekken... tot van Marum ontdekt waartoe het Genootschap in staat is...


Vreemd verhaal. De doelstelling van de hoofdpersoon is natuurlijk gedoemd te mislukken, en toch wordt daar een heel boek aan gewijd. Het gaat eigenlijk meer om de manier waarop alles zijn beloop zal hebben: hoe het rotsvaste geloof van de wetenschapper tenslotte toch aan diggelen gaat, en wat voor conclusie hij daar uit zal trekken. Maar intussen krijgt de lezer wel hele theoretische stukken te verhapstukken, over God. Over Intelligent Design. (het scheppingsverhaal is dan misschien niet waar, maar de evolutie is een plan van God) En dat is dan de verdienste van dit boek voor mij, want ik wist daar niets van af en heb me er nu even in verdiept. Zoals Brinkman al in zijn boek zegt: de dogma's waar je mee opgroeit, die zitten zo in je persoon verweven dat je eigenlijk niet in staat bent iets anders te geloven.
Dat maakt dit boek ook zo moeilijk te volgen af en toe. Ik kan niet nagaan of het allemaal klopt, en er zijn ook nogal onduidelijkheden.
In welke tijd speelt het boek? Er is sprake van koetsen en treinen, rond 1900? Het idee rond de adressen die van Marum moet bezoeken is ook vaag. Er wordt niet uitgewerkt wat de bedoeling is, wat van Marum er doet, hoe hij invulling probeert te geven aan zijn zoektocht.
En wat is dat Genootschap voor iets? Een verzinsel? Ergens heb ik het idee van niet, maar helaas heeft dit boek geen voor- en geen nawoord. Ik moet het er maar mee doen. Ik blijf achter in twijfel. Niet over het onderwerp, maar over wat Brinkman nu eigenlijk wil...


Paperback | 216 Pagina's | L.J. Veen | 2006 ISBN: 902040671X

© Marjo, april 2007

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER