En nog eentje: Joris van Os: de angstjager.
Het is een roman over het Urbach-Wiethe syndroom, een ziekte waarbij grote hoeveelheden kalk in het lichaam worden afgezet, en in de hersenen juist dat stukje verkalkt dat nodig is bij de emotie 'angst'. De lijder ervaart geen angst, geen wantrouwen, hij ziet geen gevaar. Dat is een levensgevaarlijke ziekte, en omdat er geen behandeling is, moet de patiënt leren dat die auto die op straat een levensbedreiging kan zijn. Hij moet veel beter kijken dan een ander, en meer nadenken. Beslissingen rationeel nemen, want de intuïtie ontbreekt, die anderen wel hebben.
Angst kunnen voelen is gunstig: je bent in gevaarlijke situaties voorzichtig. De persoon die aan deze ziekte lijdt, kent geen voorzichtigheid, geen wantrouwen. Natuurlijk heeft dat voordelen, de schrijver laat de man diverse keren 'binnenstappen' in een zodanig gevaarlijke situatie waar zelfs hulpverleners niets meer durven doen; hij doet het gewoon.
Zover zo goed. Zolang de schrijver zich houdt aan de gevolgen, aan hoe Jonas er mee door het leven gaat, allemaal prima. Daar horen ook de meisjes bij, dat snap ik. Maar toch: Vanaf het moment dat hij Isabel ontmoet verslapte mijn belangstelling. Zij is ook patiënt, maar lijdt juist aan angststoornissen, krijgt paniekaanvallen. Dat begrijpt Jonas natuurlijk niet.
Het verhaal neemt wendingen die je bijna bizar kunt noemen, het blijft een constante zoektocht naar angst.
Ik heb de grote lijnen meegekregen -diagonaal er door heen - maar dan kan ik daar geen gedegen verslag van maken vind ik.