Ik heb het gelezen, of herlezen moet ik eigenlijk zeggen. En weer vond ik het een goed boek. Na de OU-cursus weten we nu ook dat het een echt naturalistische roman is: de hoofdpersoon is een psychisch wrak (nou ja, wat nerveus aangelegd volgens de toen geldende normen), dat hij niet lekker leeft en zo weinig initiatief toont is allemaal te wijten aan zijn opvoeding en vooral de erfelijke factoren.
Het verhaal kent iedereen wel: Willem Termeer heeft zijn vrouw vermoord en kijkt daar op terug. Maar voor hij tot zijn daad komt, leeft hij een belabberd bestaan. Hij zegt van zichzelf dat hij niks wil, niks kan, niks voelt. Alles wat hij meemaakt, ervaart hij als onecht, nagespeeld.
Hij trouwt met Anna, de dochter van zijn vroegere voogd, omdat hij hoopt zo deel te gaan uitmaken van het echte leven. Hij voelt namelijk wel dat alles aan hem voorbij gaat en een huwelijk zou hem misschien kunnen redden.
Maar dat doet het niet. Zijn onvrede en zijn onzekerheid blijven bestaan. Zo voelt hij zich de mindere van zijn zwager, van zijn schoonouders en eigenlijk van iedereen van zijn stand. Hij vindt zichzelf een lelijk, schriel mannetje. Omdat hij zichzelf zo ziet, mijdt hij contacten, zeer tot de onvrede van zijn vrouw.
Tegenwoordig denk je dan: ha, depressief, die moet aan de Prozac. Maar dat bestond destijds nog niet en ik geloof dat men ook niet echt wist wat een depressie was. Intrigerend is dus de poging het gedrag en de gevoelens van Willem wetenschappelijk te verklaren: zijn vader was ook al een slampamper, en hij heeft weinig liefde gekend.
Op mij komt het, anno 2007, ongeloofwaardig over dat iemand zo negatief over zichzelf denkt en dat ook nog gaat zitten opschrijven. Tenzij hij natuurlijk zwaar depressief is. Niks verklaringen als erfelijkheid of een liefdeloze jeugd. De dingen zijn zoals ze zijn, niets aan te doen.
Maar als je dan teruggaat in de tijd, kan je een beetje volgen hoe men toen dacht. Willem heeft nooit echte hartstocht gevoeld. Niet voor Anna, en de gevoelens voor zijn latere minnares zijn ook onecht. Hij verwacht dat hij ooit in zwijm zal vallen door een vrouw, met trillende stem liefkozingen zal toefluisteren, hand in hand zal zitten en door een bovenwereldlijk gevoel overvallen zal worden. Dat is typisch iets voor die tijd. Dames werden geacht van tijd tot tijd flauw te vallen en heren konden ook ver gaan in hun hysterie. En die werd kennelijk tot norm verheven.
Interessant: in hoeverre verklaren wij in deze tijd zaken die eigenlijk heel discutabel zijn tot norm?
Dat lezers dit boek terzijde leggen kan ik me trouwens heel goed voorstellen, want je wordt er niet echt vrolijk van. Zoveel wanhoop en zo weinig uitzicht op betere tijden, daar moet je je wel enigszins doorheen worstelen.