De wijze, waarop de man at had iets onzedelijks
- veel beter kan ik het niet onder woorden brengen.
Tafelmanieren werden ons thuis niet bijgebracht,
en ik kan dan ook nog steeds niet,
tenzij ik mijzelf een overdreven zware tucht opleg,
anders dan grommend, blazend en schrokkend eten.
(Een zwelger of een ontbeerder, nooit een genieter
- zo zou ik mijzelf met betrekking tot het dagelijks voedsel willen tiperen,)
Het was dan ook niet een smakkend of te haastig eten
- al zal hij dat zeker hebben gedaan -
dat mij angst (alsof ik een ontucht bedrijvend wezen bespiedde)
en haat (die ik mijzelf niet dorst bekennen) inboezemde,
maar iets heel anders.
Uit de man zijn gezicht spraken verachting, wantrouwen en, vooral,
haat jegens alles in het algemeen en jegens het voedsel in het bizonder:
de gulzoge tegenzin (alweer kan ik het niet anders zeggen)
waarmee hij het gerecht noch naar binnen wierp,
noch met de lippen pakte, maar veeleer de mondholte binnenschepte;
het dreigend tot stilstand komen van de kaken
als hij in de spijs iets onbekends meende te voelen,
en het suizen - een honend, bijna onhoorbaar fluiten - van de adem.
Hij at niet als een hond of een kat, want die eten heel keurig,
noch met de kalme drift van een vogel,
maar als een onbekend dier, dat zijn gedode prooi nog bij het opeten blijft haten.
G Reve, Fragment uit Nader tot u
Dettie
(kon het even niet laten)