Beste Inge,
Ik weet niet hoe ik zou reageren bij zo'n levensbedreigende diagnose.
Maar in volle gezondheid verkerende en makkelijk praten hebbende tracht ik toch alles te doen alsof het voor de laatste keer is, of zou kunnen zijn.
Ik pauzeer nóóit, ik leef alsof de duivel achter me aan zit en het leven voor me uit vlucht.
Ik wil geen tijd verliezen.
Ook niet aan de dood.
Maar zoals elke echtgenoot, vader, grootvader, of “kunstenaar” wil ik het tijdloze en immateriële (tijd en ) ruimte geven, koesteren, bewaren, cultiveren, sterker maken, en doorgeven.
“Ik wil” zeg ik, het is een ideaal, niet dat ik erin slaag.
Mijn idealen zijn groter dan mijn toekomst. En zo wil ik het houden. “Ik wil”weliswaar.
Zo blijft mijn ambitie pezig, vlezig en taai.
Ik heb geen toekomst voor me. Mijn toekomst leeft naast me mee, in de mijnen.
Dat is ergens veel leuker dan een ver vooruitzicht hebben, vind ik.
Heimwee naar onze jeugd is volgens mij eigenlijk heimwee naar een toekomst, een grotere toekomst - zoals we die in onze jeugd nog hadden.
Ikzelf “wil”, door de dood in de pupil te willen zien, heel het leven erin weerkaatst zien, in een tijdloze glans.
Ik ben niet als de dood voor de dood, zij zweept me op.
Mijn definitie van de dood is tenslotte een fiere definitie : de dood is volgens mij het onvermogen van de natuur om ons levend te overwinnen.
g