4.Terug naar het vasteland
Het vasteland maakte in 1605 met Marlowe’s toneelstuk kennis. Wat echter in Graz te zien was, was slechts het skelet van het oorspronkelijke drama. Wat de reizende komedianten brachten was vooral op de lachspieren (dus vooral op de streken van Faust, benevens natuurlijk de hellefragmenten) gericht. Bovendien kenden deze acteurs geen andere talen, zodat veel verloren ging, en ook veel alleen via gebaren duidelijk kon gemaakt worden. En het was een intellektueel stuk, maar in Faust’s stamland kon men echter bezwaarlijk dit stuk van het repertoire voeren.
Een Duitse vertaling van Marlowe’s werk kwam er pas in 1818, van de hand van Wilhelm Müller, met een voorwoord van Achim von Arnim.
Wat het meest indruk moet nagelaten hebben, is natuurlijk Faust’s einde geweest : het naar de hel gesleept worden, een thema dat reeds lang uit de middeleeuwse toneelstukken bekend was.
Deze volkstoneeltjes vertoonden noch het ‘Recht geschieht’s ihm’ (Historia 1587), noch het tragische karakter van Faust, dat alleen via de taal tot uitdrukking kon komen (Marlowe). Faust was tot een sensatie verworden, een griezelparabel zonder belering. Nochtans bleef net deze versie (het tegelijk lustige en bloedige verhaal van een man, waarvan niemand meer geloofde dat hij ooit geleefd had) tot diep in de 18e eeuw een kaskraker.
In de loop van de 18e eeuw werden meer en meer Duitse toneelspelers in de Engelse groepen opgenomen. Desondanks bleven deze groepen, waaronder toneelspelers, dansers, artiesten, clowns en musici, bekend als de ‘Engelse komedianten’. Om te kunnen overleven, moesten deze grote groepen redelijke prijzen vragen.
Goedkoper daarentegen waren de reizende familiebedrijfjes (meestal een drietal mensen), die met houten poppen werkten. Sinds wanneer deze groepjes in Duitsland optraden, is niet meer met zekerheid te achterhalen (+/- 1700 ?). Wel zeker is dat het Faust-verhaal van in den beginne op het repertorium stond. Het Faust-verhaal, dat later als HET poppenspel zou bekend worden.
Net zoals in de volkstoneeltjes, bleef Faust iemand die alles mocht, en aan een infernaal einde kwam. En toch was er iets meer, waardoor de Faust-stof ook voor kinderen ontsloten werd : de hansworst Kasper (die meestal naar de maag, het vreten, de lichamelijke geneugten genoemd werd). Hij was degene die met beide voeten op de grond bleef staan, in tegenstelling tot Faust, zijn meester.
Bovendien was het de positieve tegenpool van Faust, met wie klein en groot zich konden identificeren, het reële alternatief. Faust daarentegen ging volgens het publiek met recht te gronde.
De twee polen, goed en kwaad, verloren hier wel hun religieuze betekenis.
Het zou tot het begin van de 19e eeuw duren, vooraleer deze poppen-
spelen opgetekend werden.
De volkstoneeltjes en de poppenspelen maakten van Faust niet alleen een slachtoffer van de hel, tevens werd hij in het belachelijke gesteld door zijn tegenhanger Kasper (materialisme gaat boven intellectualisme). Dit facet van de Faust-spelen zette kwaad bloed bij de vertegenwoordigers van de Verlichting. O.a. de invloedrijke professor Gottsched ging tegen de ‘Alfanzereyen’ van de Faust-spelen tekeer.
Goethe moet zowel toneelstukken als ook marionettenspelen gekend hebben.
Wat was er dan zo attractief aan het Faust-thema tijdens de Verlichting ? Het schijnbaar onoplosbaar conflict van een geleerde, die zijn weetgierigheid boven alles stelde, zelfs boven zijn zieleheil. Toen was wetenschappelijkheid nog niet dat droge gedoe van tegenwoordig.
Het was echt nog een streven naar kennis van tot dan toe verborgen gebleven dingen. Bovendien zou de thematiek ook boeiend blijken voor de er aan komende Sturm und Drang. Zij zouden in de Faust een genie zien, een autonoom zich zelf grenzen toekennende kerel.
Het grote probleem van de Verlichting was echter dat Faust voor zijn weetgierigheid (het streven naar onbeperkte kennis en natuurmacht) volgens middeleeuwse normen (1587) gestraft werd, terwijl weetgierigheid tijdens de Verlichting het hoogste goed geworden was.
Faust stond als het ware aan het begin en het einde van een tijdperk.