Het forum is gemigreerd

Let op: in juni 2026 hebben wij het forum gemigreerd naar nieuwe software.
Heeft u al een account? Klik dan eerst op "Wachtwoord vergeten" om een nieuw wachtwoord aan te vragen. Daarna kunt u weer inloggen.

Faust in de literatuur

  • Onderwerp Auteur
19 jaren 2 maanden geleden #15792 door
Faust in de literatuur werd gestart door
Voorwoord

Het Faust-thema is ooit wel eens het thema der thema’s genoemd. Toch is het niet het enige thema dat door de eeuwen heen regelmatig opdook in de literatuur, de beeldende kunsten, ... Denken we maar aan o.a. koning Arthur, Ahasverus de wandelende jood, ... De Faustfiguur steekt wel ver boven al de anderen uit, en niet alleen in Duitsland (waar deze soms wel eens misbruikt is geworden). De Faust-bibliografie van Hans Henning moge als bewijs volstaan : zij bevat ongeveer 17.000 titels (teksten, muziek, beeld, ...) en streeft alleen maar volledigheid na.

Een laatste vergelijking met andere thema’s : Faust heeft, in tegenstelling tot o.a. de andere bovenvermelde figuren, ook daadwerkelijk geleefd, ook al zijn hieromtrent slechts een dertiental eigentijdse referenties te vermelden : brieven van wetenschappelijke tegenstanders, enkele publieke bronnen, lof van tevreden klanten (waaronder de bisschop van Bamberg), reacties van religieuze protestantse vijanden en enkele niet-bindende memoires.

De belangrijkste bron voor onderstaande tekst is het boek van Günther Mahal : Faust, Untersuchungen zu einem zeitlosen Thema

I.Faust voor Goethe

1.De historische Faust.

Faust werd geboren rond 1480 in Knittlingen (tussen Maulbronn en Bretten), en hij stierf rond 1540 in Staufen bij Breisgau. Hij leefde in de vrij turbulente periode van de grote ontdekkingen (ter christianisering en uitbuiting !!). Het was de tijd van het humanisme en de Renaissance (de tijd van de bevrijding van de menselijke persoonlijkheid). In deze periode trad ook de grote scheuring in het Christendom naar buiten. Kortom, het was een tijdperk met schitterende namen, maar tevens een tijdperk van groot leed.

Faust verdiende zijn brood o.a. met het trekken van horoscopen (en verdiende daarmee waarschijnlijk een hele boel geld), met waarzeggerij, alchemie en magie. Hij maakte naam als ‘Paracelsus’, maar in tegenstelling tot deze laatste was hij een oplichter. En benevens dat alles was hij ook nog eens arts.

Toentertijd gaven velen zich uit voor tovenaar, en beloofden de meest onmogelijke dingen (zoals een zomertuin vol fruit in de winter, of het tevoorschijn halen van antieke helden uit de hel), maar toch moet Faust dat ietsje meer gehad hebben, om tijdens zijn ‘berucht’ leven reeds zo beroemd te worden. Bovendien werd zijn naam na zijn dood tot vliegenvanger van vele vertelde gebeurtenissen. Allerhande onwaarschijnlijke en duivelse geschiedenissen, die reeds langs in zwang waren, werden ineens met zijn naam verbonden.

De eerste schriftelijke getuigenis over de historische Faust was van de hand van ene abt Johannes Trithemius, in een brief uit 1507 aan de astroloog Johann Virdung, nog tijdens het leven van Faust in druk verschenen. Het was het langste, en meest succesvolle eigentijdse verslag. Faust werd beschreven als een lummel, een opschepper, een goddeloze held, een door ijdelheid geplaagde would-be-humanist, een charlatan, een echte belediging voor de kerkelijke instituten. De hele brief getuigt van minachting. Faust werd duidelijk als een ketter beschouwd. Vooral de angst, dat deze vulgaire landloper de klassieke studies en de geleerde magie een slechte naam zou geven onder de orthodoxe christenen, was hieraan niet vreemd.

Dat dit verslag niet van enige jaloersheid gespeend was, werd ons eerst later duidelijk : Johannes Trithemius werd er immers zelf van verdacht, tovenaar te zijn (hij zou o.a. Helena van Troje voor keizer Maximiliaan opgevoerd hebben), en bovendien nog jaloers (Faust was als het ware een concurrent). Zich baserende op antieke geschriften over het geloof in onzichtbare, spirituele klachten kwam men in de middeleeuwen tot de opvatting, dat deze niet demonisch waren, maar wel zouden kunnen optreden als bemiddelaar tussen de geest en de concrete realiteit. Johannes Trithemius was een gevierd, doch controversieel aanhanger van deze opvattingen.

Uit de brief van Johannes Trithemius :

Jener Mensch, über welchen du mir schreibst, Georg Sabellicus, welcher sich den Fürsten der Nekromanten zu nennen wagte, ist ein

Landstreicher, leerer Schwätzer und betrügerischer Strolch, würdig ausgepeitscht zu werden, damit er nicht ferner mehr öffentlich verabscheuungswürdige und der heiligen Kirche feindliche Dinge zu leren wage. Denn was sind die Titel, welche er sich anmasst, anders als Anzeigen des dümmsten und unsinnigsten Geistes, welcher zeigt, dass er ein Narr und kein Philosoph ist ! So macht er sich folgenden ihn konvenierenden Titel zurecht : Magister Georg Sabellicus Faust der Jüngere, Quellbrunn der Nekromanten, Astrolog, Zweiter der Magier, Chiromant, Aëromant, Pyromant, Zwieter in der Hydromantie. - Siehe die törichte Verwegenheit des Menschen ; welcher Wahsinn gehört dazu, sich die Quelle der Nekromantie zu nennen !

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

  • Onderwerp Auteur
19 jaren 2 maanden geleden #15826 door
Beantwoord door in topic Re: bericht
Tientallen jaren bleef de brief van Trithemius de enige getuigenis omtrent de historische Faust. Veel meer dan hierboven reeds vermeld is er ook niet geweten. Familiale omstandigheden, vluchtoorden als hij gezocht werd, niets is ons hieromtrent bekend. Zelfs de dokters- of magistersgraad is nooit bevestigd. Deze komen eerder voor uit de massa’s verhalen en geruchten. Immers, wie zo veel kon, moest wel minstens ‘magister’ of ‘doctor’ zijn.

Het zijn beslist niet de aanhangers van Faust geweest, die hem met de duivel in verband brachten (Luther zou de eerste geweest zijn). Faust zelf zal het ook wel niet zo hebben voorgesteld, maar zulke twijfelachtige eer was anderzijds wel de best denkbare propaganda. Reeds tijdens zijn leven werd Faust aldus een wandelende legende (anekdoten, wilde verhalen, ...).

Na de dood van Faust werd de legende steeds meer en meer aangedikt, terwijl ze daarbij steeds meer en meer op het zijn-alles-kunnen en zijn gruwelijke dood werd toegespitst. Een protestants geestelijke zou de eerste geweest zijn die de dood van Faust aan de duivel toeschreef (1548). En volgens de Zimmernsche Chronik (+/- 1565) zou hij door de duivel mee naar de hel zijn gesleurd.

Eenmaal men aan deze duivelse ingreep geloofde, was het maar een kleine stap meer naar een duivelspact van 24 jaar (het verbond van een ontevreden, niet te bevredigen mens met de duivel, die alles beloofde tijdens deze beperkte periode), voor het eerst in het ‘Faustbuch’ uit 1587 neergeschreven.

Het pact met de duivel, dat in de middeleeuwen al wel eens meer voorkwam, kwam o.m. voor in het verhaal van Theophilus, die men wel eens verkeerdelijk de ‘katholieke Faust’ genoemd heeft, die op voorspraak van Maria gered werd. Het dubbelmotief (het pact, en de alles-kunnende tovenaar) kwam echter pas voor het eerst bij Faust voor.

De mythe ontstond in een periode waarin de ontwikkeling van de christelijke gedachten mens en bovennatuurlijke wereld had gepolariseerd in een conflict tussen goed en kwaad.

Faust was zeker een charlatan, maar ook een verstokte individualist, die zijn eigen weg ging in een maatschappij waarin een vaste baan en woonplaats vereist waren.

2.De literaire Faust - het begin.

Het oudste bekende verhaal, waarin sprake is van een pact tussen mens en duivel is de ‘Theophiluslegende’ uit de vroege middeleeuwen.

De bekendste versie is van de hand van Roswitha (Hrotsvith) von Gandersheim, die in het Latijn schreef, de taal van ontwikkelde adellijke religieuzen. In tegenstelling tot de heiligenlegenden, waarin sprake is van de vasthoudendheid van de martelaars aan hun geloof, is Roswitha vooral geïnteresseerd in het succes van de duivelse verleidingskunsten. In het geval van Theophilus gaat het om carrière en macht. Gevraagd om zijn oom (die hij diende als vicedomnus) als bisschop van Adona (Sicilië) op te volgen, voelt hij zich niet waardig, hierop in te gaan. De gemeente is verplicht, iemand anders aan te wijzen. De nieuwe bisschop echter slaagt er niet in, de gunst van de massa te verwerven. Theophilus wordt als zondebok geofferd, en hij verlaat de stad. Satan laat niet af, en slaagt er in, Theophilus’ hart met wraakgevoelens te vullen, en deze neemt contact op met een Jood, waarvan gezegd wordt dat hij in contact staat met boze geesten. Theophilus ondertekent een pact met duivel, en leeft vele jaren in verblinding. Zijn geweten is echter nooit helemaal verdwenen, en op een dag weet hij zich geen andere raad meer, dan troost te zoeken in het gebed. Hij ijlt naar de tempel, en bidt tot Maria, tot hij inslaapt. In zijn droom verschijnt de Moeder Gods, die hem streng toespreekt. Zij belooft hem echter ook voorspraak bij haar Zoon. Drie dagen later verschijnt

Maria opnieuw, en zij bevestigt Theophilus, dat zijn zonden hem vergeven zijn. Zij bezorgt hem ook het pact terug.

Enkele dagen later, bij een kerkelijk feest, biecht Theophilus in het openbaar zijn zonden, en vernietigt hij het pact.

Theophilus is duidelijk Faust, terwijl de Jood het duivelse van Mephistopheles symboliseert. Het ‘Ewig-Weibliche’, bij Johann Wolfgang von Goethe door Gretchen weergegeven, is hier Maria, als het oerbeeld van de zuivere maagdelijkheid.

Men vermoedt dat dit stuk veel succes heeft gekend. Roswitha leverde in ieder geval nog een tweede stuk af, dat hetzelfde thema behandeld. In dit stuk gaat het om een jonge slaaf, die zijn ziel aan de duivel verkoopt in ruil voor de liefde van zijn meesteres. Hij wordt tenslotte gered door de heilige Bafilius.

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

  • Onderwerp Auteur
19 jaren 2 maanden geleden - 19 jaren 1 maand geleden #15827 door
Beantwoord door in topic Re: bericht
Wat het meest heeft bijgedragen tot de verspreiding van de mythe, was de periode waarin Faust leefde : de boekdrukkunst was net uitgevonden ! Duitsland kende dank zij Luther een toename van het aantal populaire didactische werken en van het publiek hiervoor.

Zo belanden we bij het eerste Faust-verhaal : Historia von D. Johann Fausten, uit 1587 (op de ‘Buchmesse’ in Frankfurt am Main), het geboortejaar van de literaire Faust, en het startschot van een al snel niet meer te overziene reeks bewerkingen (verhalen, drama’s, liederen, gedichten, parodieën, en een massa literair-weten-

schappelijke en filosofische verhandelingen). De drukker van dit boek was Johann Spiess.

Alles duidt erop, dat deze tekst kort voor het verschijnen ervan aan het papier werd toevertrouwd.

[1]Historia vonn D. Johann Fausten / dess weitbeschreyten Zauberers / Geburt vnd Studijs.

Doctor Faustus ist eines Bauwern Sohn gewest / zu Rod / bey Weinmar bürtig / der zu Wittenberg ein grosse Freundschafft gehabt / dessgleichen seine Eltern Gottselige vnd Christliche Leut / ja sein Vetter / der zu Wittenberg sesshafft / ein Bürger / vnd wol vermögens gewest / welcher D. Fausten aufferzogen / vnd gehalten wie sein Kind / dann diewel er ohne Erben war / nam er diesen Faustum zu einem Kund vnd Erben auff /liess jhn auch in die Schul gehen / Theologiam zu studieren / Er aber ist von diesem Gottseligen Fürnemmen abgetreten / vnd Gottes Wort missbraucht.

(Reclam, Nr. 1516)




Deze eerste Faust-figuur was een hoogst ambivalente figuur : het was een niet meer aan normale grenzen blootgestelde figuur, benijd om zijn vrijheid en almacht (het individualisme van de 16e eeuw in zijn meest extreme vorm), maar deze werden duur betaald (stipt 24 jaar later was de tijd daar voor de hellevaart - die zeker niet voor navolging aan te bevelen was : de dood zelf werd niet beschreven, maar men vond zijn hersenen terug tegen de muur, en het lichaam - zonder hoofd noch ledematen - werd op een mesthoop teruggevonden). Sic transit gloria mundi.

Zijn doel was het, alle geheimen van hemel en aarde te doorgronden (via lange discussies over astronomische en theologische thema’s met Mephistopheles). Hij eiste een antwoord op al zijn vragen, ook al moest hij daarvoor God en de mensheid afwijzen. Hij was zelfs bereid, hiervoor een contract met zijn eigen bloed te ondertekenen (deze daad kwam hier voor het eerst voor, en betekende eigenlijk dat Faust een man zonder toekomst was).

Zowat alle standen waren vertegenwoordigd in dit verhaal, dat zich zowel op aarde als in de hel afspeelde. Het geheel vormde een nachtmerrie-achtige droom, vermengd met realiteit. De beschreven gebeurtenissen zijn verschrikkelijk, grotesk, ongelooflijk, dwaas, belachelijk, onnatuurlijk …

Ondanks de dolle fratsen, die Faust uithaalde, was er toch een begin van verinnerlijking merkbaar. In tegenstelling tot oudere verhalen over tovenaars is hier voor het eerst een psychologische component aanwezig : de eeuwig onrustige geest van het wetenschappelijk onderzoek, die leidt tot een doorbreken van menselijke beperkingen.

Het verhaal bevat een compilatie van drie bronnen : de gekende verhalen over de historische Faust die reeds tijdens diens leven circuleerden, een collectie van magische truukjes en andere verhalen, die nu aan de historische Faust toegewezen werden.

Alhoewel op de titelpagina naar teksten van de hand van de historische Faust verwezen werd, bestaan hiervoor geen concrete bewijzen.

De auteur van dit verhaal bleef tot op heden onbekend (misschien Johan Spiess zelf, of een streng orthodox protestants priester). Het doel ervan daarentegen werd de hele geschiedenis door regelmatig herhaald : ‘Speel niet met je ziel, doe niet zoals Faust !’.

Het boek eindigde met een citaat uit de Bijbel (1 Petrus 5,8-9) : ‘Weest nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden. ...’

Leven buiten de grenzen, hetzij door de kerk, hetzij door de burgerlijke overheden gesteld, loonde niet, ook niet wanneer de ‘fratsen’ uit het verhaal fascineerden (men voelde zich tot de titelheld zowel aangetrokken als afgestoten).

Het boekje werd al gauw een bestseller. Naast een reeks van onbeduidende navolgers, waren er drie directe erfgenamen : Georg Rudolf Widman (1599 - bombastisch, protestants), Johan Nikolaus Pfitzer (1674) (een inkorting van het steeds maar aangedikte, in omloop zijnde verhaal) en de ‘Christlich Meynenden’ (1725) (gebaseerd op wat historisch onderzoek - dit is tevens de versie die Goethe in zijn jeugdjaren kocht (Dichtung und Wahrheit)). Vermelden we daarnaast ook de rijmversie uit 1587/88 van de Nürnbergse theologiestudenten.

Al snel volgden vertalingen in het Nederduits, Nederlands en Frans.[/i]

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

Lees meer
19 jaren 2 maanden geleden #15833 door dettie
Beantwoord door dettie in topic Re: bericht
Heel erg bedankt Rutger, alles is heel duidelijk.

Ik wist totaal niets van Faust alleen dat hij zijn ziel verkocht had.

Als je het zo leest was Faust een nieuwsgierig man, die lak had aan de geldende regels en zijn leven leidde. Mensen hadden geen vat op hem.

Ik vind het echt heel interessant dit allemaal te lezen.

Dettie
Laatst bewerkt doordettie.

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

  • Onderwerp Auteur
19 jaren 2 maanden geleden #15834 door
Beantwoord door in topic Re: bericht
Het ongrijpbare in Faust verklaart waarschijnlijk

1.dat de meeste mensen het met Faust's gruwelijke einde eens waren (en

laat me nu even vooruitlopen op mijn overzicht : uiteindelijk zal Faust

eens gered worden)

2.het grote succes van deze verhaalstof (er volgt weldra nog meer).

In dit overzicht heb ik mij wel beperkt tot de Westerse traditie. Er bestaat ook heel wat in het Slavische taalgebied. Misschien brei ik nog wel een Oosters vervolg aan wat ik nu allemaal vertel.

En Dettie, alvast bedankt voor de belangstelling (jij bent trouwens zeker niet de enige).

Rutger

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

  • Onderwerp Auteur
19 jaren 1 maand geleden #15858 door
Beantwoord door in topic Re: bericht
3.Christopher Marlowe

Tragicall History of the Life and Death of Doctor Faustus’ van Marlowe was de echte aanloop tot de verdere mythologisering. Vermoedelijk werd het rond 1592-93 geschreven, alhoewel ook wel eens gesteld wordt, dat het reeds in 1587 het licht zag.

Er zijn ons twee versies bekend, een uit 1604 (handschrift A) en een uit 1616 (handschrift B). Welke van beiden echt de oudste is, valt moeilijk uit te maken. Toen was een toneelstuk geen eigendom van een auteur, maar van de groep die het stuk opvoerde. Zij kon naar believen fragmenten wijzigen, weglaten of toevoegen, al naar gelang de situatie. Een toneelstuk schrijven was toen groepswerk.

Hanschrift B bevat een aantal komische scènes, die niet terug te vinden zijn in handschrift A. Ook bevat handschrift B een veel uitvoerigere omschrijving van hel en duivels, wat zou kunnen wijzen op een podium met ruimere technische mogelijkheden.

Handschrift B verwijst tevens meer naar een moraliteitsspel, terwijl handschrift A meer aanleunt bij onze opvatting van het drama, doordat deze meer aandacht schenkt aan de uiting van de individuele wil. Hierbij rijst onmiddellijk de vraag in hoeverre Faust meester is over zijn eigen daden. Is zijn lot onafwendbaar (Calvijnse opvatting), of is hier sprake van een fataal misbruik van de vrije wil ? Deze vraag stelt zich zowel de beide varianten, als in de verbinding tussen beiden.

De directe bronnen voor Marlowe waren ‘The English Faust Book’ uit 1592, een vertaling uit het Duits door P.F. Gent[leman] (een erg vrije bewerking van het Duitse voorbeeld uit 1587), en het mysteriespel van de troubadour Ruteboeuf (die zich baseerde op een oude angelsaksische tekst – die tevens de bron van het verhaal van Theophilus zou geweest zijn).

The English Faust Book.

How Doctor Faustus began to practise in his diuelish Arte, and how he coniured the Diuel, making him to appeare and meet him on the morrow at his owne house. Chap. 2.

...

Wel, let vs come againe to his coniuration where we left him at his fiery Globe : Faustus vexes at the Spirits so long tarying, vsed his Charmes with full purpose not to depart before he had his intent, and crying on Mephistophiles the Spirit ; sodainly the Globe opened and sprang vp in heigh of a man : so burning a time, in the end it conuerted to the shape of a fiery man.



Tragicall History of the Life and Death of Doctor Faustus,

scene 5, 436-460

Enter Faustus in his Study

Faustus Now, Faustus, must thou needs be damned,

And canst thou not be saved ?

What boots it then to think of God or heaven ?

Away with such vain fancies and despair :

Despair in God, and trust in Beelzebub.

Now go not backward : no, Faustus, be resolute.

Why waverest thou ? O, something soundeth in mine ears :

Abjure this magic, turn to God again.

To God ? He loves thee not.

The God thou serv’st is thine own appetite,

Wherein is fixed the love of Beelzebub ;

To him I’ll build an altar and a church,

And offer luke ware blood of new borne babes.

Enter Good Angel and Evil Angel

Good Angel Sweet Faustus, leave that execrable art.

Faustus Contrition, prayer, repentance : what of them ?

Good Angel O they are means to bring thee unto heaven.

Evil Angel Rather illusions, fruits of lunacy

That makes men foolish that do trust them most.

Good Angel Sweet Faustus, think of heaven, and heavenly things.

Evil Angel No Faustus, think of honour and wealth.




De titel, die Marlowe aan zijn werk meegaf (The Tragicall ...) duidt op een wending in de beoordeling van de held. Waar de Historia uit 1587 nog stelde ‘Recht geschieht’s ihm’, de verdoemde zondaar en duivelsmaat, gaf Marlowe zijn held de waardigheid van de mens, die medelijden verdiende, terug. Een groot deel van de potsenmakerij bleef wel in de tekst aanwezig, maar het echt komische verdween, benevens een aantal meer vernederende scènes. Bovendien was er natuurlijk Marlowe’s poëtische grootheid. Het is de eerste figuur met een innerlijke complexiteit op een Renaissance-podium.

Deze Faust (de eerste op de planken) werd uit de Renaissance geboren, uit een naar autonomie strevend Titanendom. Ook in tegenstelling tot de oudere volksboeken (een te benijden, maar ook een te veroordelen Faust) riep deze Faust op tot het in vraag stellen en het kritisch bestuderen van het bestaande levensmodel.

Voor het eerst (en dit voor lange tijd) was Faust niet alleen een geleerde (die in een inleidende monoloog zijn beklag over het nutteloze van de wetenschap deed), en ook niet alleen iemand die in zijn mateloosheid aan een duivelspact ten onder ging, maar vooral iemand die als een extreme, doch legitieme poging tot zelfver- werkelijking erkend werd.

Waar Marlowe Faust echter nog ten onder liet ondergaan, daar zou Goethe de redding van Faust brengen.

Handschrift A

De proloog stelt dat het alleen (only) gaat over Faustus, en niet over oorlog, liefde of dappere daden (not war, not love, not audacious deeds). Het gaat over de jeugdjaren, rijpere jaren en tragische jaren (infancy, riper years, till swoln with .....

self-conceit). Het einde van de proloog kondigt de eerste scène van het eerste bedrijf aan. Dit eerste bedrijf begint met een monoloog van Faustus.[/i]

Graag Inloggen of een account aanmaken deelnemen aan het gesprek.

Tijd voor maken pagina: 0.425 seconden