II.Faust na Goethe
1.Gérard de Nerval. Vertaling van het eerste deel van de Faust van Goethe.
In tegenstelling tot Goethe’s drama was deze vertaling in proza !
La nuit
Dans une chambre à voûte élévée, étroite, gothique.
Faust, inquiet, est assis devant son pupitre.
Faust Philosophie, hélas ! jurisprudence, médicine, et toi aussi, triste théologie ! ... je vous ai donc étudiées à fond avec ardeur et patience : et maintenant me voici là, pauvre fou, tout aussi sage que devant. Je m’intitule, il est vrai, Maître, Docteur, et depuis dix ans, je promène ça et là mes élèves par le nez. - Et je vois bien que nous ne pouvons rien connaître ! ... Voilà ce qui me brûle le sang !
2.Christian Dietrich Grabbe, Nikolaus Lenau en Heinrich Heine.
Was, zoals sommigen beweerden, na Goethe geen Faust-verhaal meer mogelijk ? Of, was het niet minder dan heiligschennis, zoals anderen stelden ? Zulke overwegingen speelden inderdaad een rol bij deze drie auteurs, die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw aan een nieuwe Faust-tekst waagden. Alle drie hebben ze er in hun dagboeknotities uitvoerig over uitgeweid. Alle drie hebben ze Goethe’s versie als een blok aan hun been ervaren. En alle drie hebben ze uiteindelijk naar de traditie van het hellevuur teruggegrepen.
Na de klassieke periode (Weimarer Klassik) volgde een pragmatische, materialistische, realistische periode, waarin symboliek en allegorie niet meer gewenst waren. Het blijft een discussiepunt, of Grabbe, Lenau en Heine nu als een exponent van deze nieuwe tijd moeten beschouwd worden, of dat het toenemend scepticisme tegenover Goethe’s Faust door hun werken ontstaan, of toch minstens versterkt is.
In ieder geval verdween al vlug de opvatting, dat een Faust na Goethe onmogelijk was. Het nieuwe dogma luidde al snel een Faust tegen Goethe te schrijven (waarbij men zich vooral afzette tegen Goethe’s paradoxale breuk met de traditie).
In 1829 reeds schreef Grabbe een anonieme zelfrecensie bij zijn zopas beëindigde drama ‘Don Juan und Faust’. Hierin heette het :
1)Mozarts Don Juan und Goethes Faust - welche Kunstwerke ! Und wie kühn, nach diesen Meistern in beiden Stoffen wieder auf zutreten.
2)die Verschmelzung beider Sagen ist höchst genial ...
Zowel Don Juan als Faust vallen in dit drama een ridder-duivel ten offer. Ondanks hun onderscheiden herkomst (erotisch, intellektueel-wetenschappelijk) hebben ze een doel, waarbij ze elkaar beconcurreren : Donna Anna, de mooie en deugdzame dochter van de gouverneur.
Faust laat zich door de hem tegen zijn zin dienende duivel bijna tot een dierlijke sexualiteit reduceren, tot iemand die in zijn wellust over lijken gaat, en als dusdanig elk medelijden verliest.
Deze Faust is niet meer geïnteresseerd in het binnendringen in geheimen, noch in het beheersen van de zeldzaamste kunsten. Deze Faust wil, ten gevolge van buitensporige zelfverheerlijking en eigenliefde ‘alleen’ nog de liefde van een vrouw.
Het stuk kende geen succes.
Don Juan und Faust
Erster Akt, Szene 1
Der Gouverneur Genug, wer Ruhm und König liebt, kann ihnen
Nicht untreu werden, denn nichts Höheres
Gibts in der Welt. -
Und nun, sag an, wer war
Der Frevler, welcher hier den Lärm erhob,
Und, irr ich nicht, nach meiner Tochter schrie ?
Don Juan Wisst Ihr denn nicht, dass jetzt ein grosser Magus,
Gekommen aus Norddeutschlands Eiseswüsten,
In Roma hauset und die Luft verpestet ?
Im schwarzen Mantel, weissen Antlitzes,
Als hätte nie die Sonne es gerötet,
Schleicht er am Aventin, - vergebens mühn
Die Häscher sich, ihn zu ergreifen - Er
Entwische mit Geisterhülfe immerdar !
Der Gouverneur Ihr meint den Doktor Faust ?
Don Juan Dem Habicht ähnlich
Zieht er um Eure Tochter Zauberkreise, -
Er wars, der heute mit Beschwörungen
Sie locken wollte dort auf den Balkon, -
Doch Stahl und Männermut sind kräftger als
Magie. Mein Schwert wies ihm den Weg !
...
Erster Akt, Szene 2
Faust (sich erhebend vom Schreibtisch)
Unselge Nacht, willst du denn nimmer enden ? -
Weh mir, sie hat erst eben angefangen -
Noch schlugs kaum elf. Zurück zur Arbeit also. -
Zur Arbeit ! Zum Studieren ! Schmach und Jammer !
Tödlicher Durst, und nie gestillt ! Sandkorn
Zum Sandkorn sammeln, grenzenlose
Und immer grenslosre Wüsten um
Sich her zu bauen, und sodann darin
Sich lagern, schmachtend und verzweifelnd - Ha,
Ein Raubtier wird man, bloss um sich zu nähren !
In 1835 stelde Lenau in een brief, dat Faust gemeengoed was, en geen eigendom van Goethe. Niet lang daarna verscheen ‘Faust. Ein Gedicht’. De titel was wel een beetje misleidend. Eerder zou men het werk een versepos kunnen noemen (24 episoden, vijfvoetige jamben). Deze Faust was een exponent van de toenmalige ‘Weltschmerz’.
Vierentwintig etappes doorliep deze eenzame, deze twijfelaar, deze vaak teleurgestelde piekeraar. Een die toch Gods (die verborgen God, deus absconditus, de in zich gesloten God) gelijke wou zijn. Mephistopheles plan bestond erin, Faust zowel van zijn Schepper, als van de natuur (voorgesteld als tweede godheid) te scheiden. Hij stelde dat, om volledig mens te worden, men de moed moest hebben, door misdaad als een tegengod te fungeren (m.a.w. zonder scrupules over leven en dood beslissen). Faust verkocht zijn ziel, en tekende met zijn bloed. Moord en overspel, gekruid met zijn knagende geweten Mephistopheles, dreef hem uiteindelijk tot zelfmoord. Waarop, in navolging van Klinger Faust voorgehouden werd dat alleen deemoed, het tevreden zijn met de kleine dingen des levens, de mens redden kon. Net zoals reeds in het verhaal uit 1587 was dit weer een voorbeeld van hoe het niet moest. De eentonige vertwijfeling van Faust’s leven en dood was echter nieuw.
Faust …
Ich werde rasend, ich verschmachte,
Wenn länger ich das Weib betrachte ;
Und doch versagt mir der Entschluss,
Sie anzugehn mit meinem Gruss.
Mephistopheles Ein wunderlich Geschlecht fürwahr,
Die Brut vom ersten Sünderpaar !
Der mit der Höll’ es hat gewagt,
Vor einem Weiblein jetzt verzagt,
Das viel zwar hat an Leibeszierden,
Doch zehnmal mehr noch an Begierden.
(zu den Spielleuten)
Ihr lieben Leutchen, euer Bogen
Ist viel zu schläfrig noch gezogen !
Nach eurem Walzer mag sich drehen
Die sieche Lust auf lahmen Zehen,
Doch Jugend nicht voll Blut und Brand.
Reicht eine Geige mir zur Hand
‘s wird geben gleich ein andres Klingen,
Und in der Schenk’ ein andres Springen !
In 1847 ontstond in Parijs (in opdracht van het Koninklijk Theater in London) het libretto ‘Der Doktor Faust’ van Heinrich Heine. Het stuk werd niet opgevoerd, deels vanwege het succes van de Zweedse nachtegaal, deels vanwege de tegenwerking van de balletmeester, die het niet hoog ophad met de gevaarlijke nieuwlichterij : het libretto was immers voor het eerst door een dichter geschreven !
‘Armer Faust ! armer Hexenmeister ! so musstest du auf die Ehre verzichten, vor der grossen Victoria von England deine Schwarzkünste zu produzieren ! Wird es dir in deiner Heimat besser gehn ? (Heine, Heinrich, Der Doktor Faust, ein Tanzpoem, Einleitende Bemerkung)
Later is dit wel het uitgangspunt geworden van het ballet ‘Abraxas’ van Werner Egk.
De tekst, die oorspronkelijk in het Frans verscheen, en pas in 1851 in het Duits vertaald werd, droeg als ondertitel ‘Ein Tanzpoem nebst kuriosen Berichten über Teufel, Hexel und Dichtkunst’. De aan te tekst aansluitende verklaringen bieden een summier overzicht van de oudste aust-varianten, benevens wat uitleg over duivelspacten, en een afrekening met Goethe’s Faust.
Goethe, zo stelde Heine, is zonder voldoende motivatie van de traditie, waarbij Faust na een blitzcarrière zwaar ten val komt, afgeweken.
Hijzelf wou een verhaal schrijven, volgens de geest van de sage, en hij wou dat het als een op enkele bladzijden uitgevoerde correctie op Goethe’s ‘mächtige Tragödie’ zou beschouwd worden. Het doel van de tekst was een weergave op het podium zonder een enkel woord, in een grote choreografische configuratie. Wat Heine in zijn libretto schetste, was de oude geschiedenis, de weg op stelten dus, die met een gebroken nek eindigde. Wat hij, de geest van de sage getrouw, op het podium wilde brengen, was de oude geschiedenis in een nieuw kleedje, die echter tegelijkertijd naar de oorsprong van de sage teruggreep, naar de in de tijd van de heksenvervolgingen latente, of manifest aanwezige erotische component.
Wat had de vroege Faust-verhalen volgens hem vooral beïnvloed ? Het vrouwelijke als des duivels, de diep zittende mannelijke irritatie en angst voor het [slechts in de openbaarheid] ‘zwakke geslacht’ (wat pas door de psychoanalyse van de 20e eeuw zou beschreven worden), de ambivalentie tussen fascinatie en schuwheid ten opzichte van de vrouw. Daarom heette de duivel bij hem niet meer Mephistopheles, maar Mephistophela, die als danslerares Faust letterlijk in beweging bracht, om te dansen en te springen. Het ballet, ingedeeld in 5 bedrijven, bereikte zijn erotisch hoogtepunt in het derde bedrijf, waarbij Faust voor de orgiastische obsceniteiten van de heksensabbat vluchtte. Zijn weg eindigde daar, waar Goethe’s Faust eerst actief werd : bij een onbesproken meisje. Mephistophela gunde hem het stille geluk van een huwelijk niet : Faust behoorde tot de hel !!!
Dritter Akt.
…
Faust und die Herzogin stürzen einander in die Arme und ihre überschwellende Inbrunst offenbart sich in den verzücktesten Tänzen.
Mephistophela hat unterdessen ebenfalls einen erwarteten Gespons gefunden, einen dürren Junker in schwarzer, spanischer Manteltracht
und mit einer blutroten Hahnenfeder auf dem Barett ; doch während
Faust und die Herzogin die ganze Stufenleiter einer wahren Leiden schaft, einer wilden Liebe, durchtanzen, ist der Zweitanz der
Mephistophela und ihres Partners, als Gegensatz, nur der buhlerische
Ausdruck der Galanterie, der zärtlichen Lüge, der sich selbst persi flierenden Lüsternheit. Alle vier ergreifen endlich schwarze Fackeln, bringen in der oben erwähnten Weise dem Bocke ihre Huldigung, und schliessen sich zuletzt der Ronde an, womit die ganze vermischte Gesellschaft den Altar umwirbelt.