Na een snelle herlezing:
Ik moet even vooropstellen dat het verhaal verteld wordt vanuit Edo, je krijgt bijvoorbeeld geen duidelijk beeld over wie Bayya en Chandrini nu eigenlijk zijn en wat ze willen.
Het enige wat je zeker weet is hoe Edo overal op reageert, op een ongeïnteresseerde, lompe manier, zich nergens iets van aantrekkend, behalve van zichzelf.
De feiten over de twee Sri-lankanen zijn tegenstrijdig: ze geven zich uit als broer en zus, maar volgens Edo kunnen ze dat toch niet zijn, gezien het rondsluipen van Bayya en de geluiden die uit die kamer komen.
Of zij nu wel of niet te goeder trouw geld wil verdienen voor haar moeder en haar kinderen, dat weten we niet. Ik vind dat het er sterk op lijkt dat ze beiden bezig zijn Edo een poot uit te draaien. Of Bayya wist van de seksuele kant? Je komt het niet te weten, maar het zou me niet verbazen. Haar verstoppertje-spelerij moest Edo juist nieuwsgierig maken misschien? Of ze wachtte op haar kans. Ik krijg sterk de indruk dat Chandrini meer ijzers in het vuur had; Kooi bijvoorbeeld. Maar die was niet zozeer een sulletje zoals Edo, minder kwetsbaar.
In eerste instantie verleidt Chandrini Edo niet. Zij beschadigt zijn piano, doet zielig en Edo profiteert van de situatie. Pas later voert ze dat toneeltje op, waar hij om lacht.
Dat bedrog van Chandrani ten opzichte van Bayya, we weten niet wat het is. Het kan de seks met Edo geweest zijn, maar ook met Kooi. Het kan zelfs zijn dat die miskraam geen miskraam was..Ik denk niet positief over haar, dat merk je wel. (over niemand van de personages trouwens!) Komt dat omdat ik haar door Edo’s ogen zie? Ik weet het niet.
We interpreteren verschillend dus. Maar eigenlijk maakt dat voor de opzet van het boek niets uit. Het gaat om Edo, en over wat voor een kl..thommel dat is…Hij zegt het zelf!!
“ Was ik ook een klootzak? En zo ja, waarom? Was ik als zodanig geboren? Was dit de goede vraag om te stellen? Uiteindelijk besloot ik van wel, ik vond zelfs dat het gezond zou zijn als andere mensen, zoals Kooi en Baas, zich dat ook eens af zouden vragen. Zo raaskalde ik enige tijd in gedachten, en op een of andere manier kwam ik tot de dwingende conclusie dat het allemaal aan de maatschappij lag.”