Een van de beruchtste achterbuurten van Europa was het getto van Glasgow, de Gorbals. De herinnering aan dit slum der slums is nog altijd een zere plek op de Schotse ziel.
De Gorbals ontstonden eind vorige eeuw als pleisterplaats voor de vele, voornamelijk joodse emigranten die westwaarts vluchtten voor de onderdrukking en uitbuiting in het tsaristische Rusland en het Habsburgse rijk. De bannelingen troffen in het getto vooral antisemitisme en onderdrukking. De orde werd bewaard door de plaatselijke maffia. Werk zoeken betekende post vatten bij de fabriekspoort in de hoop dat iemand gewond afgevoerd zou worden. De ledematen van de kinderen waren vergroeid door ondervoeding en te zware arbeid.
De troosteloosheid bleef niet onopgemerkt. In de jaren dertig werd de Gorbals zelfs een favoriet gespreksonderwerp in met socialisme flirtende universitaire kringen in Cambridge en Oxford. Het proletariaat was hoogst interessant, vonden de studenten. Maar een schrijnender contrast dan tussen de Gorbals en Oxford was niet denkbaar, laat staan dat iemand van het ene uiterste naar het andere zou verhuizen.
Ralph Glasser overbrugde de kloof per fiets, zijn zuurverdiende overhemden en pyjama achterop gebonden. Rechtstreeks uit het getto maakte hij de onwaarschijnlijke sprong naar de kringen van de gegoede klasse. Alleen al deze bizarre levensloop rechtvaardigt een autobiografie. Glasser had er drie delen voor nodig. Growing up in the Gorbals (1986) beschrijft zijn jeugd in het getto, het tweede deel Gorbals Boy at Oxford (1988) gaat over zijn studietijd en Oxford in de oorlogsdagen, en hij heeft nu zijn drieluik afgesloten met Gorbals Voices, Siren Songs.
Voor het hele artikel
www.nrcboeken.nl/recensie/achterbuurt
Dettie