Onlangs las ik de biografie van deze schrijver, en zodoende weet ik dat een groot deel van zijn enige roman autobiografisch getint is. Hij heeft zijn eigen leven verwerkt in dat van Meaulnes. De ik-figuur, François, is de zoon van een onderwijzersechtpaar, bij wie Meaulnes in de kost komt. Ze zijn klasgenoten en worden vrienden.
Meaulnes is een avonturier, hij houdt er niet van om opgesloten te zitten in een dorp. Het verhaal speelt eind negentiende eeuw, openbaar vervoer ging met paard (en wagen). Op een dag verdwijnt Meaulnes. Zijn vriend weet dat hij er vandoor is met paard en wagen van een dorpeling. Maar ook hij wordt ongerust als het paard alleen terugkomt en de kar ook verlaten aangetroffen wordt.
Als Meaulnes dan toch terugkomt, vertelt hij een heel raar verhaal. Hij is in een of ander kasteel geweest, waar een feest gehouden werd. Er was een meisje, op wie hij onmiddellijk verliefd werd. Maar ze verdween, en Meaulnes heeft geen idee waar ze woont. Wie ze is. Hij weet niet eens waar hij zelf was. Samen met François gaat hij op onderzoek uit, maar het feit dat ze het anderen niet vertellen doet hen de das om.
Het boek gaat over het najagen van een droom. Omdat het zich afspeelt in totaal andere tijden dan die we nu kennen, is het een erg sprookjesachtig verhaal. Mooie beschrijvingen zitten er in, maar het verhaal kun je alleen waarderen als je het in de tijdsgeest weet te plaatsen.
De moderne lezer krijgt toch het gevoel dat deze hoofdpersonen erg dom zijn...