Alma met de vlassen haren
Stijn Streuvels
Alma, een dorpsmeisje ‘voor de wereld van effen op, mager en rilde, wit van haren, bleek van vel, met zieketierig voorkomen’, ‘loopend ongemerkt tusschen de dorpskinderen verloren’, peinst van jongs af veel over geestelijke zaken; als haar kornuitjes spelen zit zij liefst verdoken in haar hoekje in de kerk, waar zij vertrouwd raakt met de Heiligen en Engelen. Zekeren dag dat zij bij het kapelleke zit onder de linde, bezig met een kroontje van madeliefjes te vlechten, krijgt zij plotseling den aandrang om zich geheel aan God te geven. Ze zegt: Ik wil ons Heeren bloemke zijn. Dat was kort voor haar eerste communie. Evenals Horieneke, van wie Streuvels in zijn allereerste boekje (Lenteleven) nu een dertig jaar geleden zoo aandoenlijk vertelde (maar in dat Horieneke gelóófde hij met al de frischheid eener naieve ontvankelijkheid!), verwacht zij van die plechtigheid heel veel - maar als de groote gebeurtenis voorbij is gegaan, dan ontdekt zij met schrik, dat er niets aan haar heeft plaats gevonden van wat zij verwachtte: God en Jezus hebben tot haar niet gesproken.
Ze gaat dan met de landsche kinderen ‘mee te boere’ in haar slechte kleeren; ze hoort onder 't eentonig dagwerk haar vriendinnetjes fluisteren over dingen die zij niet begrijpt: ‘alle godsvrucht is er af’. En dan komt in Alma de wanhopige gedachte op: Heere God, moet ik nu worden als die anderen? Zij voelt zich verlaten, buiten alle gemeenschap.
Maar haar verlangen blijft; een jongen die haar met eerlijke bedoelingen wil naderen stoot zij af - tot op een keer, dat op het veld een kerel haar wil omhelzen, haar opeens een licht verschijnt zoo fel als de bliksem en zij een stem hoort zeggen: Mijn uitverkoren bloem! ‘Het was geen menschelijke stem met woorden; het licht zelf had haar den zin geopenbaard, doch zoo duidelijk, zoo hevig, dat het pijn deed’. (35) Zij herkent in de dingen weer Gods tegenwoordigheid, en in de dagen die volgen heeft zij gesprekken met God in dezen trant:
‘Heer, wat moet ik doen?’
‘De Geest is in u en zal u leiden; wees in alles gerust; de Engel waakt over u. Gij hebt mij uwe ziel aangeboden als een bloem; nu moet ge u bekwamen om op te bloeien in heiligheid, opdat ik die bloem plukken kan’...
Alma wil zich bekwamen, maar hoe? Van de kloosterzusters ontvangt zij vriendschap; zal zij in het klooster gaan? Maar zij voelt, dat het dat niet is: ook in 't klooster vindt zij niet die algeheele toewijding welke zij zoekt.
Er breekt, na een kermis, een besmettelijke ziekte in 't dorp uit, en nu ziet Alma haar weg. Zij gaat de besmette huizen binnen en verpleegt de kranken, tot ten laatste zij als offer valt van haar christelijken offerzin.
Bron:
www.dbnl.org/tekst/_gul001193101_01/_gul001193101_01_0198.php
Geïllustreerde papieromslag 232 pagina's Penteekeningen van Frans Nackaerts. Davidsfonds 1931