Een intrigerend verhaal, groot respect voor het historisch kader en een schitterende vertelstijl met heel veel liefde voor de taal zijn de wapens waarmee Benny Lindelauf elke boekenliefhebber klein krijgt.
Wie Negen open armen leest, waant zich zo in een Nederlands-Limburgse stad (waarschijnlijk Sittard) uit de laatste helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Met geschiedkundige fijnheid schetst de auteur het leven van gewone, eerder arme, volksmensen uit die tijd.
Dat Benny Lindelauf een vertelkunstenaar is, wordt in dit boek ook snel duidelijk. Het moet een familietrekje zijn, want op bladzijde acht citeert hij zijn eigen grootmoeder: “Jòng, ich maach mich doodrauke aan dees sigrèt es ut neet woar is.” (“Jongen, ik mag me doodroken aan deze sigaret als het niet waar is.”) Het is dan ook geen toeval dat hij in zijn boek een verhalenvertellende oma Mei opvoert. Benny Lindelauf heeft een bijzonder rijke woordenschat (een sigaarpersmachine die voorspoed moet brengen heet bijvoorbeeld ‘Het tegendeel van zorgen’) en kruidt zijn dialogen met authentieke dialectwoorden uit de streek. Zo zegt Oma Mei voortdurend dat het allemaal geen ulezeik is, spreekt ze haar kleindochters aan met leeveke en schelden de meisjes elkaar heerlijk uit voor sjiethoes, iepekriet, moelejan, laksbroor, peetsj, neetekroed en zaanjelaer.
Negen open armen is een bijzonder knap, met liefde geschreven boek. Het kan dan ook niet anders of het wordt met liefde gelezen…
Misschien is Benny Lindelauf met zijn pas derde boek wel op weg om een hele grote te worden.