Andreas Klein (alter ego van Hans Münstermann) onderzoekt het verleden van zijn ouders. Zijn moeder Marianne is Nederlands, zijn vader Joachim Duits en ze trouwen op 10 mei 1940. Als de bezetting een tijdje bezig is, wordt Joachim het leven in Nederland onmogelijk gemaakt: de Nederlander moeten weinig hebben van zo’n Duitser in hun straat. Hij gaat in Duitsland werken. Maar ook daar wordt hij niet gelukkig, want zijn gezin komt weliswaar twee keer over, maar vertrekt ook weer.
Andreas is op zoek naar de beweegreden van zijn moeder, om voor deze Duitse man te kiezen en naar wat zij er bij heeft gevoeld. Ze laat weinig los, maar toch wordt steeds een tipje van de sluier opgelicht. Zo blijkt dat Joachim wel degelijk een aanhanger van Hitler was, en de broer van Joachim, die in Nederland verblijft maar deel uitmaakt van het Duitse leger, speelt een geheimzinnige rol. Misschien is hij wel de echte vader van enkele kinderen van Marianne.
Zo blijft er van alles onduidelijk over het verleden en veel vragen worden niet beantwoord.
De structuur van het boek is origineel: Andreas is soms aanwezig bij de bruiloft van zijn ouders en brengt zelfs een keer een bezoek aan Hitler. Zo stapt hij steeds uit zijn eigen tijd, naar die van vroeger, de huwelijksdag en de bezettingsjaren.
Toch was er iets wat me steeds irriteerde: misschien omdat Andreas zo respectloos in het verleden van zijn moeder zit te peuteren, misschien omdat hij zijn eigen ikje zo centraal stelt. Ik had af en toe de neiging om te roepen dat hij moest ophouden met zijn gezanik.
Wel geeft het verhaal een beeld van alle verwarring en ellende die mensen, die niet voor massamoord in aanmerking kwamen, ook ondergingen in die jaren. Ook het alledaagse leven was niet meer zo alledaags, zo blijkt uit het boek. Ik had het te doen met Joachim: wat een pech, om Duitser te zijn in een tijd dat alle Duitsers grondig worden gehaat, en dat niet alleen tijdens de oorlog, maar ook nog lang daarna. Steeds loopt hij zijn geluk mis. Hij is eigenlijk de echte verliezer.