Uit alle macht probeer ik de gedachte te verdrijven dat mijn vrienden niet meer leven, maar tegelijkertijd vind ik het steeds moeilijker te geloven dat ze ooit nog terug zullen komen. In het clubhuis merk ik dat niemand de woorden ‘dood’, ‘verdronken’, of ‘verongelukt’ uitspreekt, maar er valt wel een veelzeggende stilte als we het hebben over waar ze zouden kunnen zijn. Soms loopt een van de ouders binnen, maar vanwege de journalisten beginnen ze het clubhuis steeds meer te mijden: voor je het weet staat er weer iemand met een opschrijfboekje voor je neus en wordt er gevraagd naar je gevoel of je gedachte of je wens.
Als ik het even niet meer houd en bijna begin te janken, pak ik het kompas en poets het op met mijn zakdoek en een beetje spuug. Met spuug? Steeds zie ik Brians van walging vertrokken gezicht voor me.
‘Ja vriend, met spuug,’ zeg ik dan hardop. ‘We doen allemaal wel eens iets wat de ander niet leuk vindt.’
‘Maar als hij terugkomt... Als Brian weer voor me staat…dan zal hij zien dat altijd goed gezorgd heb voor het kompas van zijn opa.
Het moet een indrukwekkend gezicht zijn, vier lijkwagens en een heleboel volgwagens met zwarte linten. Overal blijven mensen staan. Auto’s parkeren langs de kant om ons de ruimte te geven. Je voelt dat mensen hun adem inhouden, zich afvragen wat er aan de hand is, van wie de lichamen in de wagens zijn. Precies op het moment dat de boot van Texel in de have n van Den Helder aanmeert komen wij aan. Vanaf de parkeerplaats zien we hoe de Hollandse vlag en het vaandel van de rederij op het schip halfstok zakken. Tientallen scouts in Hollandse uniformen komen om ons heen staan. Een doodstille erewacht van ons naar de boot. Zeemeeuwen krijsen boven onze hoofden en golven klotsen tegen de aanlegsteiger. Voor de rest klinkt er ineens geen enkel geluid meer. Ik krijg het ijskoud.
Op een warme zomerdag brengt de veerboot ons van het Duitse vasteland langs Fohr naar het afgelegen Duitse Waddeneiland Amrum, waar John Weeden en Peter White werden gevonden. Het is duidelijk dat toerisme op dit eiland een belangrijke bron van inkomsten is. Voorheen leefden de eilanders vooral van zoutwinning, landbouw en visserij en walvisvaart, maar de vissershuisjes hebben plaatsgemaakt voor mooie rietgedekte vakantiewoningen en de straten zijn vol vakantiegangers.
Maurice was net een paar weken zestien jaar toen hij aan boord van de Wangle III stapte. Hij leerde voor technisch tekenaar. Maar zijn we helaas niet over hem te weten gekomen. Zelfs een oproep in de kranten van Mortlake voor meer informatie leverde verder geen gegevens op. Maurice was enig kind in een kleine familie, waarvan inmiddels mogelijk niemand meer in leven is. Anders dan in het Kompas staat was er, behalve Peter White, dus nog een enig kind onder de bemanningsleden van de Wangle III
We lopen terug naar het station en volgen de spoorlijn langs North Worple Way. We passeren de garage, de Montessorischool en de kerk van mary Magdalene. Ook komen we langs de Alder Road, waar tot 2000 het hoofdkwartier van de 1st Mortlake Sea Scouts gevestigd was.