Volgt een boterham, Bernatrien.
(in de Vlaamse spreektaal van mijn streek wil het zoiets zeggen als : deugnietige meid met persoonlijkheid )
Als ik de verschillende vertalingen zie, dan lijkt het inderdaad soms helemaal niet om hetzelfde boek te gaan. Wat een verschil in kwaliteit !
De zeven “Z’etten” of hoofdzonden zijn eigenlijk de zeven “P”’s van Peccato, zonde in het Italiaans, het staat respectievelijk voor Pretentieus, Pisnijdig, Prompttoornig, Passieveling, Potter, Pintelier, en Promiscuïteit.
Wat Dante’s tijdsaanduidingen betreft.
Hij geloofde zoals velen in de astrologie.
Wat wist men van de hemel ?
De ruimte voor wilde gissing was groter dan het astronomische heelal.
Maar men wist wel dat er een verband was tussen de maan en de getijden, en echter niet hoe dat causaal-fysisch in elkaar zat. Dan is het niet zo verwonderlijk dat men de andere hemellichamen ook een beïnvloedende aardse rol toebedeelt. Tenslotte was de aarde het centrum van alles - in functie waarvan alles stond.
En voor Dante en zijn tijdgenoten had de serene "sfeer"-volle sterrenhemel a fortiori een voorbeeldfunctie.
Dante heeft het blijkbaar ook graag over het fenomeen dat het op de ene plaats van de aardbol ochtend is en tegelijk op een andere plaats avond.
Het relativeert ook de dagindeling der aardsen. Dante staat ook al zo hoog op die Louteringsberg midden in de oceaan, en zo ver in zijn Commedia, met respectievelijk Jeruzalem en Firenze als tegenvoeter.
Ik denk dat dat zijn verbeelding prikkelde.
En. En misschien is de aarde zich ook reeds in de proto-humanistische geest van Dante aan het loswentelen en loswrikken uit haar vaste en centrale plaats in het heelal...
Misschien is het al een teken des "tijds".
( vers 20 : un'aguglia con penne d'oro, een arend met gouden veren )
In laatmiddeleeuwse dichtersdromen zijn dingen al vlug van goud of marmerwerk, onlichamelijk, en verheven, net zoals hedendaagse dichters meer in synthetische en fysiologische uitvoeringen dromen.
Het leven van de laatmiddeleeuwer was zo bladgoudloos, franjeloos, onmiddellijk, en hardlichamelijk. En hoezeer zoeken onze hedendaagse schrijvers niet vergeefs in rauwheid en brutaliteit een glimp van die authenticiteit terug ?
Maar van de andere kant : net als in een doordeweekse droom heeft in een goed gedicht alles betekenis.
Want de droom van het materiaal is altijd al reeds het materiaal van de droom.
Ze komen ons bombastisch over de dromen van die tijd.
Terwijl met onze dromen al vlug een sexy of toch bedrieglijk trendy vleugje meewiekt.
Voor het overige geen idee. Ik vind de Ganymedes (vers 23) uitleg me voldoende.
(En het goud van de pennen kan op de kleur slaan natuurlijk.)
Immer bereid, Jommilius