Nieuwe Tsjechische literatuur
‘Het einde van de punk in Helsinki’ van de Tsjechische schrijver Jaroslav Rudiš , eind vorig jaar verschenen bij Uitgeverij Nobelman, en prachtig vertaald door Edgar de Bruin, is een opmerkelijke roman. Hij gaat, zoals de titel al aangeeft, over een groep oud-punkers rond het café Helsinki in (waarschijnlijk) Leipzig. Maar een deel van de roman in de vorm van een dagboek dat in de tekst is vervlochten, speelt zich af eind jaren tachtig in wat nu Tsjechië heet.
Punk onder het communistisch regime Husák was toen een verzetsdaad en voor de punkers daar en toen waren de Sex Pistols en de Duitse groep Die Toten Hosen de grote voorbeelden. Maar ‘Het einde van de punk in Helsinki’, de eerste roman van Rudis die in het Nederlands is vertaald, gaat vooral ook over (het doorbreken van) grenzen. Grenzen tussen de toenmalige DDR en Tsjecho-Slowakije, grenzen tussen generaties, grenzen tussen het Oostblok en het ‘vrije’ westen, terwijl op de achtergrond de grensoverschrijdende Tsjernobyl-ramp ook zijn invloed doet gelden. De grenzen worden ook uitgedrukt op het niveau van de taal: het dagboek van de Tsjechische punkster steekt qua idioom sterk af tegen de tekst van de verteller. Omdat de verschillende tekstsoorten ook in grafisch opzicht van elkaar worden onderscheiden, wordt dit aspect nog een extra benadrukt.
Maar ook de tijd van na de ‘Wende’ heeft zijn eigen problematiek, waar een nieuwe generatie, zoals Eva, de dochter van café-eigenaar Ole en haar vrienden, zich verzet tegen megalomane stadsprojecten en de ontwikkelaars die erachter zitten. Kortom, ‘punk’ is van alle tijden en van alle plaatsen. Toen Jaroslav Rudiš na afloop van de presentatie van de roman mijn exemplaar signeerde, streepte hij op het titelblad ‘Helsinki’ door en schreef er ‘Groningen’ voor in de plaats. Punk is overal.
<t></t>