HET FORTUIN VAN NEPTUNUSkHet fortuin van Neptunus
Julian Sancton

In de 16e en 17e eeuw voer ieder jaar een konvooi van schepen, de zilvervloot genoemd, met goud, zilver en andere kostbaarheden uit de Spaanse koloniën naar Spanje. Een van de routes die gevolgd werd leidde naar Panama, waar de schepen volgeladen werden. Dan ging de reis naar Cartagena (Bolivia) om vandaar uit naar Spanje terug te varen.
Schepen vol kostbaarheden, natuurlijk trok dat piraten aan. Het was een gevaarlijke reis.

Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701–1713) kwam het gevaar van Engeland. Admiraal Charles Wager viel de Zilvervloot aan ter hoogte van Cartagena. Het galjoenschip Don José, in de vaart genomen in 1696, was een van de schepen, die meevoeren als bescherming van de vloot.
Nadat er brand was uitgebroken ging zij ten onder met vrijwel alle bemanningsleden en de zeer kostbare lading.
Naar andere schepen werd in de eeuwen erna al of niet succesvol gedoken, maar de San José lag te diep. Haar verhaal groeide uit tot een legende.
In het eerste deel lezen we over deze gebeurtenissen waarbij de zeeslag die gewoed moet hebben zeer spannend wordt verteld en leest als een trein.

Het tweede deel is een biografie - iets minder spannend qua stijl - van Roger Dooley, de man die de locatie van het schip wist te vinden, maar die zoveel tegenwerkingen ondervond dat het schip tot op heden niet geborgen is. Wel gevonden dus, in 2015.
Dooley, geboren in New Yersey, bracht zijn jonge jaren door op Cuba, waar hij een fervent diepzeeduiker werd. Zijn hobby werd zijn beroep: maritiem archeoloog. Als hij bij toeval in de archieven stuit op het verhaal van de Don José is hij verkocht. De zoektocht zal hem zijn verdere leven bezighouden.
In het derde deel geeft Sancton een beknopt overzicht van schattenjagers, om dan in het vierde deel dieper in te gaan op de zoektocht van Dooley. Over de tegenwerking die hij ondervond, over de belangrijke mensen die hem wél steunden, over de vele anderen die te weten kwamen waar hij mee bezig was, en wél schatjagers waren. Natuurlijk kostte zijn eigen zoektocht ook veel geld, hij kon het niet alleen.
Duidelijk wordt in dit verhaal dat het Dooley niet om de schat te doen was. Hij wilde erkenning als degene die het wrak gevonden had, als historicus.

‘Hij instrueerde de technici om de camera naar links, naar rechts, naar beneden, naar voren of naar achteren te richten. De lens gleed tussen de vissen en schaaldieren door en kwam soms verleidelijk dicht bij voorwerpen die tijdens de zonsondergang van 8 juni 1708 voor het laatst het daglicht hadden gezien. De camera volgde het schip in de lengte en de breedte, zoals Casa Alegre ooit ook over het dek had gelopen (-). De contouren van het schip waren duidelijk te onderscheiden op de zeebodem, wat erop wees dat het hout niet volledig was vergaan. En eindelijk zag Dooley van dichtbij en in kleur.’


Een hele kluif met veel namen en feiten, een waargebeurd verhaal, dat overigens nog niet uit is. De Don José ligt nog diep in de oceaan. En de strijd om de schatten is nog niet voorbij. Als je weet dat er misschien wel 70 miljoen dollar aan kostbaarheden ligt, begrijp je dat wel.
Julian Sancton is in de boeken gedoken en heeft uitvoerig gesproken met Dooley, die nog steeds hoopt op erkenning. -

Julian Sancton is hoofdredacteur van het tijdschrift Departures, waar hij schrijft over cultuur en reizen. Zijn artikelen verschenen onder meer in Vanity Fair, Esquire, The New Yorker, Wired en Playboy. Hij heeft verslag gedaan vanaf elk continent, waaronder Antarctica, dat hij voor het eerst bezocht toen hij onderzoek deed voor Waanzin aan het einde van de aarde.

ISBN 9789048867493| Paperback | 432 pagina's | Uitgeverij Hollands Diep| januari 2026 | Vertaald uit het Engels door Frans Reusink

© Marjo, 22 april 2026

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER