Boekenarchief R-S

Thomas Rosenboom

http://www.thomasrosenboom.nl

Literatuurgescheidenis.nl de twintigste/eenentwintigste eeuw teksten bespreekt Publieke werken

 

Zoete mond
Thomas Rosenboom


Bijna zeshonderd pagina's dik is dit boek. Het vertelt het verhaal van twee mannen, twee heel verschillende mannen. Omdat Rosenboom hun verhalen om en om vertelt, weet je als lezer dat ze iets met elkaar te maken hebben, maar pas ergens halverwege besef je dat hun levens min of meer parallel blijken te lopen. Het komt tot een korte aanraking (deel twee) en dan gaan de evenwijdige lijnen weer uiteen (deel drie).


Rebert leren we kennen na zijn middelbare schooltijd -bij Rosenboom geen psycho-analyse, geen geneuzel over hoe het allemaal zo heeft kunnen worden- hij gaat landbouwkunde studeren in Wageningen. Hij blijkt de enige te zijn die iedere dag heen en weer treint vanuit Arnhem, waar hij een kamer huurt. Waarom niet in Wageningen dan? Maar ja, dat kan het verhaal niet lopen zoals het nu lopen zal. Nu gaat het echte studentenleven aan hem voorbij: hij moet de trein halen. Hij geraakt in een isolement. Hij heeft alleen een kat.
Dat beest blijkt de opening naar het leven dat hem boeit, hij laat de huidige studie vallen en gaat dierenartsenij studeren in Utrecht. Hij blijft sporen, en blijft alleen. Zijn studie en het werk dat hij in zijn vakanties bij de dierenarts doet maakt zijn leven aangenaam vol. Hij kan er niet eens bij stil staan dat hij geen vrienden, laat staan vriendinnen heeft.
Maar Rosenboom is hem goed gezind: bij de behandeltafel van de dierenartspraktijk zal hij de liefde van zijn leven ontmoeten, Tineke. Zijn vrouw heeft veel vrienden, die automatisch ook de zijne worden. Denkt hij. Maar als Tineke door een auto-ongeluk om het leven komt, samen met haar vriendin en diens dochtertje, blijkt hij weer helemaal alleen te staan. Hij valt in een gat, waar hij slechts met moeite uit weet te krabbelen. Naast de versterkte wijn, lijkt zijn enige houvast zijn beroep, maar ook daar gaat het mis. Hij besluit te verhuizen, een nieuw leven beginnen, alles achterlaten. Hij heeft toevallig geld genoeg om niet te hoeven werken. Hij zal nooit meer echt dierenarts zijn.
Hij verhuist naar Angelen. Daar komen we zijn tegenspeler tegen, die we al lezend in de tussentijd ook gevolgd hebben: Jan de Loper, een excentriekeling, die voor de oorlog veel succes had met zijn bizarre gedrag. Hij had geen zin om het bedrijf van zijn ouders over te nemen en vertrok naar Nederlands-Indië, waar hij ging wandelen over de eilanden, met een inlander als gezelschap. Ook hij heeft geld, ook hij is alleen. Die eenzaamheid overvalt hem na de oorlog, als de mensen niet meer lachen om zijn grappen. Nieuwe uitvindingen, vooral de komst van de televisie, winnen het van zijn potsierlijkheid, hij raakt in de vergetelheid.
De komst van een dierenarts maakt nieuwe hoop in hem wakker: eindelijk iemand die zal begrijpen wat hij van het even wil. Maar de dierenarts wil niets van dat 'zonderling heertje' weten, gaat niet in op zijn jolig gebrachte uitnodigingen.
Wat is het wat hen zoals in het begin gezegd, toch bij elkaar brengen zal? 


Vermeldenswaard is nog dat Rebert in Angelen een korte hype zal veroorzaken: door zijn toedoen gaan kinderen lopen met hun dieren, met konijnen vooral, en een enkele kip. Ik verbaasde me erover dat er geen sprake is van honden of katten, maar omdat de schrijver verzint dat alle dieren in een zandbak bij elkaar worden 'uitgelaten' kan dat natuurlijk niet. Zo heb ik het hele boek door duidelijk de schrijver in beeld: het boek gaat niet uit zichzelf leven.
Dit boek is een echte 'Rosenboom' en toch ook weer niet.
Waar de lezer hem herkent, dat zijn de dwalingen, de uiteenzettingen over onderwerpen die niets of slecht terzijde te maken hebben met het verhaal. Rebert bedenkt een systeem om energie op te wekken, maar doet er niets mee.  Maar er is ook een ellenlang hoofdstuk waarin de dierenarts met zijn vriend het IJsselmeer over zeilt, een paar uren waarin tot in alle details vertelt wordt hoe zij samen de boot en de golven bedwingen, uren waarin hun vriendschap groeit. Tegelijk weet de lezer dat er iets moet gebeuren, maar
weet niet hoe en wat. Als een thrillerschrijver werkt Rosenboom hier met cliffhangers en een spanningsboog! Het is jammer dat hij dat niet volhoudt, het komt de leesbaarheid ten goede, maar aan de andere kant zou het niet bij het verhaal gepast hebben.
De figuur Jan de Loper is gebaseerd op Kees de Tippelaar. Ook daar kennen we Rosenboom weer. Zoals ook de witte walvis waarmee het boek opent en eindigt werkelijk de Rijn is opgezwommen in 1966. Wit is een belangrijke kleur in het boek, waar ik eigenlijk eerder zwart zou verwachten. Ik vind het nogal een somber boek. Dat wordt versterkt door de bekende archaïsche taal, maar zit ook in het verhaal dat verteld wordt. Het gaat allemaal niet zo rooskleurig met de hoofdpersonen, ze kabbelen het leven door, en komen nergens. En daar is het boek geen ' echte Rosenboom' : zijn de figuren in andere boeken fanatiekelingen, dat zijn ze hier niet. Zelf zegt hij dan ook desgevraagd dat zijn boek rustiger is, minder gedreven, anders. Of het een kentering is in zijn schrijverschap, dat zegt hij nog niet te weten.


ISBN 9789021437170 Paperback 549 pagina's | Em. Querido's Uitgeverij | augustus 2009

© Marjo, februari 2010

Lees de reacties op het Leestafelforum en/of reageerr, klik HIER

 

Zoete mond
Thomas Rosenboom


Het hoofdmotief in Zoete mond vormt de rol van dieren in een mensenleven. Dieren komen in het hele boek voor en zijn steeds een belangrijke scharnier in het leven van hoofdpersonage Rebert van Buyten. Als hij op kamers woont in Arnhem laat zijn huisgenoot zijn kat bij Rebert achter. Met het beest heeft hij een haat/liefde-verhouding en hij komt erdoor in contact met de dierenarts. Dat contact mondt uit in de beslissing om zijn studie landbouwkunde te staken en diergeneeskunde te gaan studeren.


Rebert van Buyten is eenzaam en hoort er nooit helemaal bij. Als hij in Wageningen studeert, woont hij in Arnhem bij een oom die kamers verhuurt. Hij woont dus niet ‘echt’ op kamers en bovendien is hij niet in de gelegenheid om deel te nemen aan het studentenleven. Zijn omgang met zijn nieuwe huisgenoot Marc is niet heel vriendschappelijk. Weliswaar ook niet vijandig, maar Marc leidt een heel eigen leven. Hij studeert mode en trekt vooral op met zijn medestudenten. Toch blijft Rebert geïnteresseerd in Marc, die homoseksueel is, maar ja, dat hadden niet-homoseksuelen nog niet door in de jaren zestig, ook al lag het er nog zo dik bovenop. Via Marc hoopt hij in contact te komen met een meisje, een balletdanseres bijvoorbeeld, maar dat lukt niet.


Als Rebert in Utrecht studeert, blijft hij in Arnhem wonen. En daardoor blijft hij in een isolement. Toch biedt de studie diergeneeskunde enige lichtpuntjes. Als hij zijn kandidaats heeft gehaald, kan hij als assistent bij de Arnhemse dierenarts werken en doordat hij dierenarts wordt, en enig aanzien verwerft,  vindt hij eindelijk een meisje met wie hij zelfs trouwt.
Maar helaas is zijn geluk, en het gevoel toch een beetje bij de wereld te horen, van korte duur: hij verliest zijn vrouw vroeg. Uit verdriet verhuist hij naar het dorp Angelen, waar hij wil wonen zonder ooit nog zijn beroep uit te oefenen. Door een incident met een hond op straat komt het daar toch van. Veel kinderen uit Angelen bezoeken hem geregeld na schooltijd met hun doorgaans kerngezonde konijn of schildpad. Daardoor wordt hij een beroemdheid in Angelen, waar verder niet zo gek veel gebeurt. Hij komt in conflict met de andere plaatselijke beroemdheid, Jan de Loper. Die dankt zijn roem voornamelijk aan een serie verschrikkelijk flauwe grappen, die tientallen jaren geleden misschien leuk waren, maar nu alleen nog maar ergernis opwekken. Bij Rebert tenminste, en zijn afkeer wordt zo groot, dat hij op een verschrikkelijke manier wraak neemt op Jan de Loper. Daar krijgt hij spijt van, want de gevolgen van zijn daad zijn nogal verstrekkend. Weer speelt in die ommekeer in zijn leven een dier een rol, een witte walvis in de Rijn namelijk. Hij kiest voor een manier van boetedoening die voor hem heel, heel zwaar is. En zo zorgt Rosenboom voor een prachtig slot, waarin alles voor Rebert, en ook voor Jan de Loper, toch min of meer goed afloopt.


Voor de Rosenboomkenners is de eenzame man die tegen zijn wil overal buiten staat wel bekend. Anders in dit boek is dat hij niet alleen door eigen toedoen mislukt in zijn streven. Gebeurtenissen van buiten hebben daar ook invloed op. Bovendien is Rebert op sommige momenten best sympathiek, wat je van personages in vorige boeken van Rosenboom niet direct kunt zeggen.
Het wel en wee van Rebert van Buyten komt zo goed naar voren in het verhaal, dat het moeilijk is om het boek weg te leggen. Je wilt weten hoe het verder gaat. Rosenboom gebruikt, zoals eerder ook wel, een archaïsche taal. Bijvoorbeeld: hij zag er glunder uit. Dat taalgebruik stoort niet, maar past juist in het verhaal dat zich voor het belangrijkste deel midden in de jaren zestig afspeelt.  De lezer kan niet anders dan een afkeer krijgen van Jan de Loper, net als Rebert, en dat verandert in mededogen, als Rebert enige compassie gaat voelen. Om die emotie precies op het goede moment bij de lezer op te wekken, moet je goed kunnen schrijven. Dat kan Rosenboom.


Dit boek is echt een boek voor bij kerstboom en centrale verwarming, als je veel tijd hebt om te lezen. Je wilt het namelijk niet weg moeten leggen om wat anders te gaan doen.


ISBN 9789021437163 Hardcover 546 pagina's | Em. Querido's Uitgeverij | augustus 2009

PetraO., december 2009

Lees de reacties op het leestafelforum en/of reageer, klik HIER

 

Denkend aan Holland



Half februari 2005 hield Thomas Rosenboom de jaarlijkse Kellendonklezing van de Radboud Universiteit Nijmegen, waarin hij het luidruchtige gedrag van ons volkje op de hak neemt. Zijn betoog verscheen onlangs in boekvorm onder de titel Denkend aan Holland.


Het boek begint met het gedicht van Marsman:
Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan;
[...]


Rosenboom stelt dat dit Holland niet meer bestaat, cynisch maakt hij er de volgende regels van:
"Denkend aan Holland zie ik groepen jongeren breed voor me op de stoepen staan."


Rosenboom laat zien hoe het mis heeft kunnen gaan in Nederland.
Vroeger werd tegen kinderen gezegd: "De volwassenen zijn aan het praten, daar moeten jullie je niet in mengen." Kinderen moesten mee naar de kerk en leerden zo een uur lang stil te zijn. Een oefening in geduld volgens Rosenboom. Kinderen van nu kennen geen geduld meer, kunnen alleen maar schreeuwen en willen alles NU.


Hij vergelijkt Nederland met het buitenland.
In het buitenland fluistert men nog in bijv. een restaurant om anderen niet tot last te zijn. Er wordt gelachen in plaats van gebruld.
In het buitenland kunnen kinderen ook nog mee naar een museum, die beginnen niet meteen rond te hollen en te roepen en schreeuwen.
Maar dan de Nederlander:
"Hij denkt dat hij overal recht op heeft en dat alles om hem draait.
Bovendien is hij ongeremd en verwacht dat andere mensen hem geweldig vinden. Het kan niet missen: we hebben het hier over de Nederlander.
Tussen de buitenlanders, die over het algemeen veel rustiger zijn, pik je hem er direct uit. En dat is jammer voor de Nederlander."


Het is de schuld van de opvoeding, kinderen wordt geen rem meer opgelegd.
In het buitenland zag hij een man aan komen rijden op een brommertje met een kind voorop. De man ziet een kennis, stopt, en maakt een praatje. Het kind bekijkt de kilometerteller, legt zijn handen op het stuur en zegt zacht broem, broem en rijdt denkbeeldig brommer.
Maar nu in Nederland... het kind begint te jengelen, vraagt constant de aandacht en krijgt deze ook! Ach ja, hij heeft al echt een eigen willetje hè, wordt er dan gezegd.
Voor het kind wordt in winkels ballenbakken en/of kinderopvang gecreëerd, vakanties staan in het teken van het kind. Het kind heeft het voor het zeggen niet de ouders. Er is geen rem meer met alle gevolgen van dien...


Deze ongeremdheid werkt door tot in de volwassenheid:
"Denk maar aan de joelende en hossende voetbalsupporters. Om voetbal gaat het daarbij allang niet meer. De inhoud van het feest is onbelangrijk geworden, die wordt simpelweg overschreeuwd met het eendimensionale "olé, olé, olé, olé"."
"Wie springt en schreeuwt uit zich niet, maar kan zich juist niet uiten, die voelt niets meer, alleen maar zijn eigen opwinding."

Als je niet meedoet kan het 'feest' zo omslaan in agressie. Huisartsen kunnen een klap krijgen als ze die pil niet voorschrijven enz.


Kortom, Rosenboom stelt dat mensen weer ingeperkt/afgremd moeten worden. Kinderen moeten zich weer leren beheersen en de ouders moeten niet meer alles toestaan onder het mom van, een kind moet zich ten alle tijden kunnen uiten.
"Het is te vergelijken met de tango dansen. Dan mag je heel veel dingen niet: hossen, of met je armen wieken. Maar vanuit die beperking bereik je een veel grotere mate van expressie dan wanneer je zogenaamd 'vrij' danst op van die stampmuziek."


Uitgever: Querido  37 bladzijden ISBN 90-2147-624-x

© Dettie, september 2005

Lees de reacties op het Leestafelforum en/of reageer, klik HIER


 

Publieke werken



Vorige week heb ik dit boek met mijn IRL leesgroep gelezen. In één woord prachtig, tenminste dat vond ik. Het speelt zich af in 1888, heel precies, dat heeft te maken met bepaalde ware gebeurtenissen. Toch is dit een roman en op deze gebeurtenissen na geheel verzonnen.

Het boek begint als de familie Bennemin, die een grote rol in het boek speelt, moet verhuizen naar een nieuw stuk veenland. Dit speelt zich ongeveer af in 1840-1850. Het land waar zij nu turf steken is bijna uitgeput. Zij zorgen dat ze ‘s avonds laat op de nieuwe plek aankomen en bouwen een huis want zij moeten ‘s morgens “onder rook en vuur” zijn zonder dat zij betrapt worden, anders moeten zij betalen voor hun plek.

Hoofdpersonen
De twee hoofdpersonen zijn Walter Vedder, vioolbouwer te Amsterdam en Christof Anijs, apotheker in Hoogeveen. Het zijn neven. De structuur van het verhaal is helder. Elk ‘krijgt’ steeds een hoofdstuk. Het perspectief wisselt dus elk hoofdstuk.
Het taalgebruik is schitterend en past zo goed bij het verhaal. Zijn vorige roman “Gewassen vlees” heb ik nooit gelezen dus ik weet niet of hij het daar ook gebruikt.

Hoogeveen
In Hoogeveen staat een mooie apotheek, (hij heeft ook echt bestaan en de apotheker heette Radijs.) geëxploiteerd door Anijs die echter geen academische opleiding heeft maar een diploma. Dan komt er een tweede apotheek bij in Hoogenveen en deze apotheker heeft wel een academische opleiding, de bul hangt aan de muur, Anijs voelt zich bedreigd. Hij wordt als het ware ingehaald door de nieuwe tijd.

Amsterdam
Zijn neef Vedder, de vioolbouwer, die eerst kastenmaker of schijnwerker was, wordt ook geconfronteerd met de nieuwe tijd. Op de plek waar zijn huis staat gaat een groot hotel gebouwd worden. Tegenover het Centraal Station moet het Grand Hotel Victoria komen te staan. Hij krijgt een aanbod van twintigduizend gulden, wil daarover onderhandelen en overspeelt zijn hand. Hij vraagt vijftigduizend gulden, en houdt daar tijdens de hele onderhandelingsperiode aan vast. (Ook voor zijn oudere buren, die hem een volmacht tot onderhandelen geven.) Zo komen Vedder en de maatschappij “Hotel Victoria” natuurlijk nooit tot elkaar. De bouw van het hotel gaat dan ook door, ook al zijn zij niet tot overeenstemming gekomen.

Venstervrijen
Het is van het begin af duidelijk dat dit op een verschrikkelijke manier mis moet gaan maar onderweg heb je zoveel plezier. Prachtige beschrijvingen van de gebruiken in het veen, wat tot de ondergang is gedoemd. Echte gruwelijkheden, de woorden ‘venstervrijen’ en ‘kolden-vrijer’ krijgen een betekenis die je niet snel zult vergeten. En dan het gekonkel in een gemeente als Hoogeveen, waar rangen en standen verstikkend zijn. Alles volgens de regels, die in de nieuwe tijd hun kracht verliezen. En een prachtig beeld van de groei en bloei van de stad Amsterdam, die als je het een beetje kent echt heel erg leuk is om te lezen. De plaatsen die nog steeds bestaan, het idee dat het Concertgebouw toen nog buiten de stad lag.

Allemaal lezen
Het is een dik boek maar volgens mij staat er geen letter te veel in. De karakters van de twee hoofdpersonen worden mooi uitgewerkt, het is alsof je ze kent, ze zijn zo menselijk. Je kunt niet anders dan symphatie voor hen voelen. Zij willen grote daden verrichten. Goed doen, goed zijn. Op een vreemde manier lukt dat ook nog, maar eigenlijk per ongeluk. Ook de anderen personages komen goed uit de verf en de verhaallijnen, er zijn er behoorlijk wat worden allemaal zo mooi bij elkaar gebracht. Dit is een boek dat iedereen zou moeten lezen.

Kijken
Als je in Amsterdam bent moet je maar eens gaan kijken. Tegenover het Centraal Station staat een groot wit hotel en in de gevel zitten twee huisjes er in gebouwd. Een laag en breed, de ander smal en hoog. In de een zit een souvenierwinkel. De oplossing is schitterend. Als je dit boek gelezen hebt kijk je met andere ogen naar deze twee huisjes. Ik hoop dat het voor de echte eigenaren een beetje beter is afgelopen, je vraagt je af…..

ISBN 9021479788 Ingenaaid, 488 pagina's Verschenen: november 2001 Querido

© Lizzy, september 2002

Lees de reacties op het Leestafelforum en/of reageer, klik HIER

 

Publieke werken


Publieke Werken beviel goed.


Neef Vledder in Amsterdam, tegenover het Centraal Sation woont hij op de plaats waar het Victoriahotel gebouwd gaat worden, hij krijgt een bod op zijn huis...en neef Anijs in Hoogeveen, die boven zijn stand getrouwd is en een apotheek heeft, maar zich bedreigd voelt door de komst van een nieuwe, veel beter opgeleide apotheker, en die de aansluiting mist bij de notabelen, maar hoog in aanzien staat bij de arme sloebers in het veen. En nog een derde neef, een duister figuur, die bijna steels uit Amerika overkomt en weer verdwijnt...


Het wisselen van de verhaallijnen werkt altijd goed, geeft toch een soort cliffhanger-idee. In het middengedeelte vertraagt de boel, maar als je dan even doorbijt, wordt het laatste stuk ongemeen spannend.. Je weet dat die twee neven dingen bekokstoven die niet kunnen, je weet dat immers die huisjes daar in Amsterdam er nog steeds staan dus niet verkocht zijn, en toch..en toch..hoe loopt het af??
Jammer dat er dingen blijven hangen.
Pleegzoon Theo speelt een raar spelletje, je komt er het fijne niet van aan de weet. De viool waar zogenaamd de ruis in gevonden moest worden? Hoe zit dat?
Ook zou ik graag meer geweten hebben "van de andere kant", hoe de arme sloebers dachten over al dat gekonkel, hoe de hotelbouwer dacht over die koppige vioolbouwer. De onderhandelingen komen eigenlijk maar van één kant, alleen Vledder is aan het woord, wat denkt de tegenpartij?? En zijn er opmerkingen genoeg, maar: het was de moeite waard om door de soms archaïsche taal heen te bijten, die alleen maar vervelend was in het tragere stuk.


© Marjo