 |
|
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Saartje Tadema
Als hun moeder, nog geen jaar na hun vader, overlijdt, worden de drie kinderen Tadema plotsklaps volle wezen. Hoewel er aanvankelijk
nog twijfels bestaan over het poorter-schap van de ouders worden ze tot hun geluk opgenomen in het Burgerweeshuis van Amsterdam.
Tot hun geluk ja, want dit weeshuis stond, hoewel het geen prettig oord was, bekend als het beste weeshuis van Amsterdam.
Voor Saartje is het echter een ramp. Haar kleine broertje is nog te jong voor het weeshuis, en moet verplicht naar een minnemoei
die het kind zal verzorgen tot het vier jaar is. Saartje, zeven jaar oud, wordt opgenomen in het kinderhuis, terwijl haar
oudere broer Dirk geplaatst wordt in het jongenshuis. Saartje is een zorgzaam, lief, maar vooral nieuwsgierig meisje en dat
wordt nu juist niet op prijs gesteld door de moeders en vaders, de regenten en de regentessen. Haar twijfel aan de dingen,
haar leergierigheid en haar commentaar op de wereld om zich heen, worden door de volwassenen om haar heen onnatuurlijk gevonden
voor een meisje en al helemaal voor een arm weesmeisje. Dankbaarheid, nederigheid en gehoorzaamheid zijn de belangrijkste
deugden die ze nodig heeft zodat ze na haar opleiding een goed dienstje kan verwerven bij één van de rijke families
aan de
Amsterdamse grachten. Die zien de goed opgeleide en goed gedrilde dienstmeisjes graag komen.
Saartje raakt steeds verder verwijderd van Dirk, die zich prima thuisvoelt en een goede opleiding tot timmerman krijgt. Als
Kobbetje op zijn vierde in het weeshuis verschijnt, kent hij Saartje helemaal niet meer. De andere meisjes vinden de weerspannigheid
en de opstandigheid, die haar nog al eens in moeilijkheden brengen, maar vreemd en zoeken niet echt contact met haar. Kortom,
Saartje is behoorlijk alleen. Alleen Geesje, een ouder meisje die vaak toezicht moet houden op de kinderen, wordt een echte
vriendin van Saartje. Omdat de leiding niet goed weet wat ze met de wilde Saartje aan moet wordt ze al vroeg overgeplaatst
naar het meisjeshuis.
Als ze zeventien is heeft ze schoon genoeg van het weeshuis en op een Zondagse wandeling door de stad gaat ze naar het IJ
om daar te dromen van alle landen die zij nooit zal zien en van de avonturen die zij niet zal meemaken. Heel ongewoon voor
een weesmeisje, neemt ze het initiatief om bij de Herberg-op-het-IJ te vragen of ze niet een baantje voor haar hebben. Na
enig twijfelen en na aandringen van zijn vrouw neemt de herbergier haar aan. Ze krijgt toestemming van het weeshuis, waar
men blij is dat ze het lastige, trotse meisje kwijt zijn, en neemt haar intrek in de herberg. Daar leert ze Auke kennen, de
grote, blonde Friese houthandelaar uit Harlingen. Hierdoor krijgt haar leven een ander perspectief...
In tegenstelling tot veel andere boeken van Thea Beckman is hier geen sprake van spannende gebeurtenissen en woeste avonturen;
eerlijk gezegd kabbelt het verhaal een beetje voort. Het geeft echter een prachtig beeld van het Amsterdam van het begin van
de 18de eeuw én van het leven in het Burgerweeshuis, dat, naar ik vermoed helemaal niet slecht was voor die tijd. Extra
leuk
wordt het verhaal door het feit dat het weeshuis gevestigd was in het pand waarin nu het Historisch Museum zit en dus door
iedereen gewoon bekeken kan worden. Achter in het boek staat ook een uitgebreide plattegrond waarop de genoemde plekken terug
te vinden zijn.
Een heerlijk boek!
Hardcover | 212 Pagina's | Uitgeverij Lemniscaat | 2005
ISBN: 9056376918 © janna maart 2007
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Het wonder van Frieswijck
Het verhaal speelt zich af in 1470.
Alijt Kuinretorfs woont samen met haar ouders Hendrik en Mette en zus Agnes in Kampen. Haar vader is een rijke reder.
Als op een dag gaat Alijt wandelen met haar hond Tieske en wordt ze gepest door Kootje van den Vene, een rederszoon. Tieske
begint de grommen en als Kootje door blijft gaan bijt hij in zijn arm.
Tieske (de hond dus) moet voor het gerecht komen. Normaalgesproken zou hij doodgemaakt worden maar omdat Alijt vertelt dat
het Kootjes eigen schuld was krijgt hij alleen een straf. De hond moet een bedvaart maken voor het eind van de zomer. Na
een hevige storm vaart er een zwaar beschadigd Portugees schip de haven van Kampen binnen. Van boort komen de kapitein en
zijn zwart slaaf Danga. Danga zit aan een riem vast. Iedereen in Kampen is bang voor de donkere jongen, ze denken dat hij
een zwarte duivel is.
De vader van Alijt laat de kapitein en Danga in zijn huis logeren totdat het schip gemaakt is. Alijt ziet dat Danga nog maar
een jongen is en heeft erge medelijden met hem. De kapitein heeft tijdens de storm aan Maria beloofd dat hij een bedevaart
zou maken als ze er heelhuids uit zouden komen. Dat komt mooi uit! De kapitein, Danga, Alijt, Agnes en Aagje, de meid, vertrekken
naarde Heilige Boom in Frieswijck. In de Heilige Boom staat een beeldje van Maria.
De kapitein bidt en Alijt weet niet zo goed wat ze moet doen en loopt met Tieske maar zeven keer om de boom in de hoop dat
dat genoeg is.
En dan gebeurt het wonder... Danga's ketting is los! en het sleuteltje ligt op Maria's voeten! Danga is vrij! Het was de wil
van Maria... Een aardig verhaaltje maar
Thea Beckman heeft veel betere verhalen geschreven. Misschien omdat het het kinderboekenweekgeschenk 1991 was en ze zich
aan
een bepaald aantal pagina's moest houden? Het is leuk het gelezen te hebben maar het verhaal was deze keer wel érg
voorspelbaar.
De herkomst van het beeld van O.L. Vrouw van Frieswijk is niet meer te achterhalen. Het
dateert uit circa 1500 en is ongeveer 40 centimeter hoog. Het beeld stelt een staande Maria voor. In haar rechterarm houdt
zij het kindje Jezus vast dat een druiventros in zijn handen heeft; van het kind ontbreken het linker onderbeen en de rechtervoet.
Het eikenhouten beeld was oorspronkelijk gepolychromeerd. Maria droeg een rode mantel en een goud gekleurd kroontje terwijl
het front wit was.
Lees verder klik
Hier (Alijt heeft, net als de rest, echt bestaan. Ze trouwde met Jacob Johansz de Lege maar bleef haar meisjesnaam houden.
Ze kreeg acht kinderen en werd de stammoeder van een bekend Kampens geslacht: Kuinretorfs de Lege.) Aantal blz.
120
Illustrator:
Jan Wesseling
ISBN:
90-5637-640-3
Uitgever:
Lemniscaat
uitgavejaar
2004
Vertaler uit…:
Leeftijd:
+ 11
© Dettie maart
2007 |
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
De stomme van Kampen
Hendrick Avercamp is de oudste zoon van Beatrix en Barend Avercamp. Het is een welgesteld
gezin, want Barend is de stadsapotheker van Kampen. Rond Hendricks derde jaar ontdekt de apotheker dat zijn zoon doof is.
In de zestiende eeuw betekent dat dat je niet meetelt in de maatschappij, want je kunt niets horen, je kunt niet praten, laat
staan dat men je iets kan leren.
Zijn vrouw vermoedde dit al een tijd. Barend is diep teleurgesteld, want Hendrick zal nooit naar school gaan en dus nooit
de familietraditie kunnen voortzetten. Maar Beatrix is vastberaden en zweert dat Hendrick de wereld nog eens versteld zal
doen staan.
Omdat Beatrix niet wil dat haar zoon geen vak zal kunnen leren, leert ze hem lezen en schrijver. Ze heeft daarvoor een
eigen methode ontwikkeld. Hendrick is erg leergierig en snel van begrip. Hij heeft enorm plezier in het schrijven. Langzamerhand
ontdekt Hendrick dat hij anders is. Waarom happen mensen steeds in de lucht tegen elkaar? Als Beatrix vergeet inkt en ganzenveer
op te ruimen tekent Hendrick zijn familie met de namen eronder. Het blijkt bovendien dat Hendrick tekentalent heeft. Als de
IJssel tijdens een strenge winter dichtvriest is hij niet weg te slaan van het ijs. Gefascineerd kijkt hij naar de mooi aangeklede
mensen en de vrolijkheid. 's Avonds thuis probeert hij die schaatsers te tekenen.
Ook tekent hij de happende mensen. Zijn moeder kan hem duidelijk
maken dat zij praten en dat Hendrick dat niet kan. Op straat schelden en lachen mensen hem uit maar hij lacht de mensen
vriendelijk toe, hij hoort het immers niet. .
Als Hendick oud genoeg is om een vak te leren vraagt zijn moeder overal aan
leermeesters of haar zoon in de leer mag. Maar niemand wil hem hebben omdat hij doofstom is.
Als Beatrix en haar zoon weer op zoek gaan naar een goede leermeester voor Hendrick, komen ze op straat een tekenaar tegen.
Hendrick ziet hoe deze man een portret tekent en is er diep van onder de indruk. Matteus Klaasz uit IJsselmuiden, met de bijnaam
Kladde, vertelt dat hij wel een leerjongen kan gebruiken. Kladde beseft dat Hendrick talent heeft en leert hem zoveel in zin
vermogen ligt.
Kladde is geen verdienstelijk schilder, maar hij kent de techniek en leert Hendrick de basisbeginselen. Maar dan breekt
de pest uit. Hendricks vader en broer overlijden eraan maar ook Kladde. Kladde heeft Hendrick geld nagelaten en als Hendricks
oom Samuel vraagt of hij iets voor het gezin kan doen besluit Beatrix dat Hendrick verder met leren in Amsterdam.
Daar aangekomen krijgt Hendrick les van David Vinckboons die schildert in de Vlaamse schildertraditie. Dankzij de erfenis
kan Hendrick de lessen betalen. Langzamerhand leert
Hendrick alles wat hij weten moet en behaalt de meestertitel.
Hendrick kan niet wennen aan de stad en keert terug naar Kampen waar hij tot zijn dood (1643) zal blijven wonen. Hendrick
wordt vooral bekend door zijn winterlandschappen. Een prachtig verhaal zoals je van Thea Beckman gewend bent. Duidelijk
wordt hoe moeilijk het in die tijd was als je een handicap had. De belevingswereld van iemand die doof is wordt goed duidelijk
gemaakt. Zij beschrijft hoe Hendrick zich ondanks zijn handicap weet te ontwikkelen tot een bekend schilder, wiens winterlandschappen
nu in musea over de hele wereld hangen.
Hardcover | 176 Pagina's | Uitgeverij Lemniscaat
ISBN10: 905637690X | ISBN13: 9789056376901
© Bernadet Klik op de afbeelding van het boek om schilderijen van Hendrick Avercamp te bekijken. Op het ronde schilderij
staat Kladde afgebeeld (met hond)
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Geef me de ruimte
Dat Thea Beckman schrijven kan bewijst dit boek opnieuw
Het verhaal speelt zich af omstreeks 1350 tijdens de honderdjarige oorlog tussen de Engelsen en de Fransen
Marije Wartelsdochter woonachtig in het Belgische Brugge moet trouwen met Jan van Gouwe. Ze wil dit absoluut niet en vlucht
weg op het paard van haar vader, verkleed als jongen. Ze vlucht naar Frankrijk richting Bretagne, het land van Tristan
en Isolde. Ze vermijdt mensen en zoekt eten op het land. Onderweg ziet Marije een Engels leger met Franse gevangenen en
uit angst vlucht ze het bos bij Crecy in, overlag liggen er lijken ten gevolge van een veldslag. In het bos verstopt ze
zich in een hut, in deze treft ze de gewonde troubadour Berton de Fleur aan. Hij ontdekt dat ze een meisje is en vanaf die
tijd noemt ze zichzelf Marie-Claire. . Na een tijdje worden ze gevonden door monniken die hen meenemen naar hun klooster.
In dit klooster ontmoeten ze Jean D’Ailly, dit is een zanger die van edele afkomst is. Ze besluiten om met zijn drieen
verder te trekken en her en der op te treden. Berton en Marie Claire worden elkaars grote liefde.
Ondertussen maken we kennis met Matthis. Hij is acht jaar en woont in Amiens waar iedereen angstig is voor de pest die door
Frankrijk waart. De bewoners denken dat de joden de pest verspreiden en velen worden daarom vermoord. Maar evengoed breekt
ook de pest uit in Amiens en Matthis verlies zijn ouders en zusjes.
(In deze tijd van ellende ziet Matthis een prachtige geklede ridder en vanaf die tijd is zijn droom ook zo'n ridder te worden).
Matthis vlucht de stad uit en wordt gevonden door Marie-Claire. Matthis blijkt een prachtige stem te hebben en vanaf die
tijd reist en zingt hij met de andere drie mee.
Ze vertrekken naar Parijs en blijven daar een half jaar. Ze verdienen veel geld, alleen wil Marie-Claire nog steeds naar
Bretagne. Jeans stem gaat namelijk achteruit en de zeelucht zou hem goed doen. Onderweg naar Bretagne ontmoeten ze Bertrand
du Guesclin, een boer met een klein leger die constant de Engelse troepen in Frankrijk aanvalt. Hij wordt gevreesd én
bewonderd
door de Engelsen.
Ze sluiten vriendschap en blijven een tijdje bij Bertrand en zijn leger. Hierdoor zien ze hoe veel krijgskundig inzicht Bertrand
heeft als er weer gevechten uitbreken.
Jean verzwakt steeds meer en ze trekken naar Melle het geboortedorp van Berton, waar Jean overlijdt.
Matthis is inmiddels dertien jaar geworden en heeft de baard in de keel. Nu hij niet meer kan zingen wil hij ridder worden
en gaat naar Betrand om te leren vechten, hoezeer Marie-Claire daar ook op tegen is.
Berton en Marie-Claire besluiten om er weer op uit te trekken met hun huifkar. Ze gaan op zoek naar Matthis en Bertrand en
na vele hindernissen vinden ze die. Ze treden ook weer op en prins Charles, de
zoon van koning Jean, is zo gecharmeerd van vooral Marie-Claire dat hij hen verzoekt met hem mee te reizen. Bij het gezelschap
van de koning is ook de nar Moro, die hen vertelt dat er een complot tegen de koning en zijn zoon gesmeed wordt door Karel
van Navarra.
Berton en Marie-Claire weten dit complot te verhinderen door koning Jean te waarschuwen. Deze neemt onmiddellijk maatregelen
en uiteindelijk worden vele edelen onthoofd zonder enige vorm van rechtspraak, Karel van Navarra wordt gevangen gezet.
Ondertussen helpt Bertrand ridders in nood en het volk van Frankrijk en strijdt tegen de Engelsen. Hij krijgt echter geen
erkenning van de aristocratie omdat hij 'maar' boer is.
Engeland bezit Bordeaux en Normandie en Bretrange worden steeds meer Engelsgezind zeker na de onthoofdingen van de edelen.
Koning Jean brengt een enorm leger op de been om eindelijk de prins van Wales te verslaan. De prins van Wales verslaat ieder
Frans leger die hij tegenkomt en vernield elke plaats waar hij doorheen trekt. Door een toevallige gebeurtenis worden Moro,
Berton en Marie-Claire gevangen genomen door de Engelsen. Uiteindelijk lukt het het Franse leger om de Engelsen in een
hoek
te drijven, het ziet er naar uit dat de Fransen eindelijk zullen winnen. Maar het Engelse leger is veel gedisciplineerder
en
daardoor winnen ze de belangrijke slag bij Poitiers.
Berton en Marie-Claire wisten daarvoor te ontvluchten en waarschuwden koning Jean dat de Engelsen een list hadden verzonnen.
Koning Jean wilde echter niet luisteren omdat Berton zijn erewoord tegen de Engelsen verbroken had. Dit erewoord hield de
belofte in niet te vluchten.
De koning wordt gevangen genomen en Berton en Marie-Claire keren terug naar Melle.
Matthis sluit zich opnieuw aan bij Bertrand du Gueslin Een spannend verhaal waarbij je veel leert over de verloop van de
honderd-jarige oorlog. Hardcover | Uitgeverij Lemniscaat | 2005
ISBN: 906069273X
© Bernadet
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
| Hasse Simonsdochter
Holland rond 1450-1482.
Hasse Simonsdochter is de dochter van een mandenvlechter in Kampen. Hasse is anders dan de andere kinderen in het gezin,
opstandig, brutaal, wild en mensen denken dat zij een elfenkind is . Dit houdt volgens de verhalen in dat zij als kind door
de elfen is verwisseld. Als zij maar slecht behandeld wordt zullen de elfen dit niet aan kunnen zien en haar terughalen. Vanaf
die tijd wordt zij vreselijk behandeld.
Hasse is daardoor het liefste in de buitenlucht. Zij bouwt een hut in de rietlanden en schiet haar eten met pijl en boog.
Als ze op een dag door de rietlanden dwaalt wordt ze lastiggevallen door drie veedrijvers. Een passerende ruiter komt haar
te hulp en doodt een van haar belagers. De andere twee weten te ontvluchten.
Als Hasse later weer eens thuis is hoort ze dat de ruiter, Jan van Schaffelaar, onthoofd wordt voor de moord op een van de
veedrijvers. Zij haast zich naar de plek van executie en verbidt Jan. Dit houdt in dat ze onmiddellijk met hem moet trouwen
en zij beiden uit de streek verbannen worden. Zo redt zij Jan's leven.
Samen gaan ze naar Zutphen waar Jan aanvoeder blijkt te zijn van een groep huurlingen. Na een paar dagen moet Jan weg en laat
Hasse in het huisje dat Jan voor haar heeft gehuurd achter. Hasse mist jan vreselijk en koopt een hondje dat ze Tieske noemt
en trekt samen met hem de bossen in. Als zij aan het eind van de zomer terugkomt in Zutphen wordt haar verteld dat Jan dood
is.
Onmiddellijk verlaat ze Zutphen en gaat naar de plek waaraan ze goede herinneringen heeft, daar bracht ze haar eerste nacht
met Jan door.
Jan is echter niet dood en gaat Hasse achterna, uiteindelijk vinden ze elkaar weer.
Jan en Hasse betrekken samen met een paar andere huurlingen een boerderij vanwaar zij (met Hasse) veel strooptochten ondernemen,
ze vallen alles en iedereen aan om aan geld en eten te komen.
Ondertussen is Gerrit met zijn oom naar Zutphen (een beroemd klokkengieter) vertrokken om daar nieuwe kerkklokken te maken.
Onderweg worden zij overvallen door de bende van Van Schaffelaar.
Zij worden daar een tijdeje vasgehouden en in die tijd wordt Gerrit verliefd op Hasse.
De bende van Van Schaffelaar wordt weer ingehuurd en gaat in de buurt van Barneveld wonen. Hasse bevalt hier van een dochtertje.
De bende is nietsontziend en de Barnevelders gaan gebukt onder hun tirannie.
Samen met soldaten van de steden Amersfoort en Nijkerk wordt er een leger gevormd en ze vallen de bende aan. Uiteindelijk
vlucht de bende met Hasse de toren en de kerk van Barneveld in. Wat de bende niet wist is dat het leger kanonnen had en ze
beseffen dat zij niet levend uit de kerk zullen komen. De mannen op de toren verzoeken om een onderhoud, en bieden aan zich
over te geven, maar het leger van Amersfoort gaat hier niet op in. Zij willen Jan van Schaffelaar! De bende weigert echter
Jan uit te leveren. Waarop Jan van Schaffelaar onder de woorden : "Lieve gezellen, ik moet toch eenmaal sterven, ik wil u
geen moeilijkheden bezorgen." boven op de toren ging staan, zijn handen in zijn zij zette en naar beneden sprong. Hij overleefde
zijn val maar werd door zijn vijanden gedood. Hasse smeekte Jan het niet te doen maar Jan wilde Hasse's leven sparen
zodat zij voor hun dochtertje kan zorgen.
Hasse gaat met haar kind terug naar Kampen waar ze de klokkengieter Gerrit weer ontmoet.
Leeftijd: 12+
Uitgever: Lemniscaat
Verschenen: 1983
ISBN: 9060695402
Bernadet
Meer over Thea Beckman, klik op de afbeelding
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Het geheim van Rotterdam
Het is 6 januari 1473, Driekoningen dus, als Truitje stilstaat bij een rommelig hoopje doeken op een hoek van de straat. Als
ze de hoop vodden onderzoekt vindt ze niet, zoals ze verwacht, een nest jonge hondjes, maar een vieze, kerngezonde, pasgeboren
baby. Voor Truitje en meester-kuiper Jan Blasius komt dit kind als een godsgeschenk, ze hebben net hun eigen baby moeten begraven
en zijn nog erg verdrietig. Als niemand in de buurt iets weet over een te vondeling gelegde jongen besluiten ze hem op te
nemen in hun huishouden. Ze noemen hem Caspar, naar een van de drie koningen, op wiens dag hij gevonden is. Hij groeit voorspoedig
op en wordt een echte Rotterdamse kwajongen. Als enkele jaren later Truitje en Jan toch nog een eigen kind krijgen, dochtertje
Eva, verandert dat niets aan hun gevoelens voor Caspar.
Op zijn tiende ontmoet hij op straat Grietje, die belaagd wordt door vier Delfshavense jongens die proberen haar eiermandje
af te pakken. Zij vindt hem geweldig en ze wordt helemaal enthousiast als ze zijn naam hoort, lijkt het nauwelijks te kunnen
geloven en vraagt hem wel drie keer of hij echt Caspar heet. Hij begeleidt haar naar huis waar hij haar vader, de chirurgijn
Melchior van Capelle, zijn vrouw Hanna en de gezel Balthasar leert kennen. Groot is zijn verbazing als ook zij zeer in hem
geïnteresseerd zijn en Grietjes vader hem zelfs aanbiedt hem Latijn te leren op zijn vrije zondagmiddagen. Jan Blasius
heeft
grote moeite met het idee van een geleerde zoon; een leerling-kuiper heeft toch niets aan Latijn? Truitje haalt hem echter
over en hij stemt uiteindelijk toe op voorwaarde dat Caspar over niet al te lange tijd gewoon als leerling-kuiper in de werkplaats
komt.
Als Caspar naar het huis met de groene luiken gaat voor zijn eerste les kan hij niet vermoeden hoe de ontmoeting met Grietje
zijn leven zal veranderen. Melchior en Balthasar blijken zich nog met heel andere dingen bezig te houden dan met het chirurgijnswerk
en er blijkt in het chirurgijnshuis meer ruimte te zijn dan de buitenkant laat zien...
Het boek volgt Caspar gedurende de jaren daarna waarin hij leerling-kuiper wordt, op de zondagen Latijn en andere zaken leert
en zich, net als de andere inwoners van Rotterdam, probeert staande te houden als de politieke ontwikkelingen het leven van
de poorters zwaar maakt. In het grote huis van Melchior weet hij het geheime werk een andere richting te geven, een richting
die het leven van iedereen in Rotterdam zal veranderen...
Helaas leiden de werkzaamheden in het huis van de chirurgijn wel tot een breuk met zijn vader en diens gezin en zelfs tot
Caspars arrestatie en opsluiting in een cel. Als hij daar wacht op ondervraging door de inquisitie staat Melchior klaar om
hem uit deze netelige positie te redden. Toch scheiden hun wegen ...
Een mooi, boeiend en vooral interessant verhaal! Leuk om eens een historisch jeugdboek te lezen dat in Rotterdam speelt; iik
realiseerde me tijdens het lezen dat het oude Rotterdam voor mij een volkomen onbekende stad is. Ook de historische gebeurtenissen
zijn nieuw voor mij.
De psychologische ontwikkeling van de hoofdfiguur, de vondeling Caspar, is goed uitgewerkt, misschien wel beter dan in veel
andere boeken van Thea Beckman. Het moeilijke en treurige besluit dat Caspar aan het eind van het boek neemt, móet
nemen eigenlijk,
komt heel logisch uit die ontwikkeling voort.
Volgens mij is dit een wat onbekendere “Thea Beckman”, maar daarom zeker niet minder!
Uitgeverij Lemniscaat
Dertiende druk, 2002
212 bladzijden
ISBN 90 6069 775 8 © janna maart 2007
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
De gouden dolk
Jiri Rambor woont rustig met zijn familie in een dorp in Bourgondië en werkt in de smederij van zijn vader. Dan wordt
bekend
dat Bernard van Clairvaux met Pasen in Vézelay zal preken en namens de paus een oproep zal doen tot een nieuwe kruistocht.
In het dorp heerst grote opwinding want de onlangs overleden grootvader Rambor is lang geleden ook op kruistocht geweest en
heeft daar spannende verhalen over verteld. Vooral het verhaal over de gouden dolk, die nu in handen is van de heerser van
Aleppo Nour-ed-Din, heeft diepe indruk gemaakt op Jiri. Met een aantal familieleden gaan ze dan ook op weg om de beroemde
abt te horen preken. In Vézelay voorspelt een genezeres met voorspellende gaven, vrouw Cantal, Jiri de toekomst:
ze ziet hem
in een stad met hoge torens en gouden koepels én ze ziet hem met een prachtige gouden dolk in zijn handen. Dé
gouden dolk,
weet Jiri onmiddellijk. Als hij later door de heer van hun dorp aangewezen wordt voor de kruistocht gaat hij dan ook graag
mee. Samen met zijn neef vertrekt hij richting het oosten; ook zijn broer Aycan wil vreselijk graag mee, maar moet achterblijven
om in de smidse te helpen. Jiri komt er later pas achter dat hij van huis weggelopen is en zich bij de pelgrims aangesloten
heeft.
Kou, hitte, ziekte, honger en dorst worden veel kruisvaarders fataal, tienduizenden sterven op weg naar Palestina. Jiri en
zijn neef Arnold komen wél veilig aan in Antiochie, evenals Oda, een dienstmeisje van de koningin dat hij onderweg
heeft leren
kennen en op wie hij hevig verliefd is. Aycan heeft de kruisvaarders in Turkije verlaten om zich aan te sluiten bij de moslims,
een feit waarover Jiri zich vreselijk schaamt. Het avontuur gaat door: Jiri en Arnold trekken met het leger mee naar Jeruzalem
en van daaruit naar Damascus, waar ze gevangen genomen worden. Ze worden verhandeld en komen als slaaf in het legerkamp van
Nour-ed-Din terecht. Aycan blijkt inmiddels een geliefde dienaar van de heerser te zijn en hoewel hij vroeger niet goed met
Jiri kon opschieten koopt hij de mannen toch vrij. Als Jiri voor de machtige man staat en de gouden dolk aan diens gordel
ziet hangen, begrijpt hij dat de vrouw in Vézelay het bij het verkeerde eind had, nooit zal hij die dolk in handen
krijgen.
Na talloze ontberingen komen de mannen terug in hun dorp. Al snel vinden ze het te stil, te rustig, te gewoon. Ze kunnen er
na al die jaren niet meer wennen. Daarbij is het meisje van Arnold aan iemand anders uitgehuwelijkt en verlangt Jiri naar
Oda.. Als ze dan ook door een gouden dolk de kans krijgen hun leven een andere wending te geven, vertrekken ze naar
Parijs.
Een heerlijk boek waarin Thea Beckman heel goed beschrijft wat een hel zo’n kruistocht eigenlijk was en hoe weinig de
idealen van velen voorstelden. Ik heb alleen één hele grote maar en dat is het laatste hoofdstuk: een slappe
oplossing voor
het raadsel van de gouden dolk, onwaarschijnlijk, niet goed gevonden. Jammer!
Hardcover | Uitgeverij Lemniscaat
ISBN10: 9060695186 | ISBN13: 9789060695180
Leeftijd 12 + © janna2
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Kruistocht in spijkerbroek
Dolf Wega is op een dag bij Dr. Simiak, deze laat hem de tijdmachine zien die hij heeft uigevonden. Dr. Simiak flitst dieren
over maar betreurt het dat zij niets kunnen vertellen. Dolf, een nieuwsgierig kind en gek op geschiedenis, biedt aan hem te
laten gaan naar de Middeleeuwen. Dr. Simiak en zijn assistant Dr. Kneveltoer wijgeren aanvankelijk maar Dolf weet hen over
te halen. Maar de berekeningen van de heren zijn echter fout en Dolf belandt in Keulen in plaats van Frankrijk, het is het
jaar 1212. Dolf zou precies 4 uur na zijn aankomst weer teruggeflitst worden, maar dan moest hij op precies dezelfde plek
staan als waar hij aangekomen was.
Dolf markeert de plek en loopt rond, op een weggetje ontmoet hij Leonardo Fiboncci. Hij raakt zo aan de praat (in Diets) dat
hij de tijd bijna vergeet. Hij heeft nog maar 10 minuten! Hij rent terug naar de plek maar belandt tussen een ernorme groep
zingende kinderen. Dolf worstelt zich door de kinderen heen maar haalt het niet, hij ziet een jongen vlak voor zijn ogen verdwijnen,
die is in zijn plaats teruggeflits. Omdat de tijdmachine maar 1 maal in de zoveel maanden kan werken (de bedrading brandt
door bij het terugflitsen) beseft Dolf dat hij verloren is. Hij weet niet wanneer de machine weer klaar is en hoe laat hij
eventueel teruggeflitst wordt. Hij zal moeten blijven!
Hij besluit mee te trekken met de duizenden kinderen die op kruistocht zijn naar Jeruzalem om daar de Turken te verjagen.
Leonardo gaat ook mee. De groep wordt geleid door Nicolaas, die via visioenen de heilige opdracht heef gekregen om met een
grote groep kinderen op kruistocht naar Jeruzalem te gaan, en twee monniken Dom Johannis en Dom Anselmus. De kinderen zullen
naar Genua lopen waar Nicolaas de zee zal splijten zodat ze rechtstreeks naar Jeruzalem kunnen lopen. Alle kinderen geloven
hier heilig in.
Dolf merkt al gauw dat er iets niet klopt. De monniken jagen de kinderen op en kijken niet naar ze om. Vele kinderen sterven
langs de weg van uitputting of honger.
Dolf trotseert de monniken en Nicolaas en zorgt ervoor dat de kinderen het beter krijgen. De kinderen zien in Dolf een leider
en dit zint vooral Anselmus niets. Anselmus verzint allerlei listen om Dolf weg te krijgen, wat hem maar niet lukt.
De weg naar Genua is lang en vol gevaren, ze trotseren stormen, ravijnen, overstromingen, honger, ziekte, geweld, wreedheid,
bijgeloof en... de leiders. Zijn zij wel die zij beweren te zijn? De kinderengroep bestaat uit weeskinderen, kinderen uit
het tuchthuis of waren slaven. Zij zijn nu wat waard, elk kind heeft zijn eigen kwaliteit, en ze zijn er trots op. Dolf maakt
daar dankaar gebruik van. Alles loopt op rolletjes.
Na de lange, barre tocht komen de kinderen in Genua aan. Vol verwachting wachten de kinderen op het wonder..... zal dit ook
gebeuren?
Ondertussen is Dr.Simiak druk bezig om Dolf weer terug te kunnen flitsen, zal hem dat lukken en wil Dolf dat wel na al die
jaren?
Mijn mening
Een prachtig boek, het verhaal is spannend en erg mooi verteld. Alles is erg geloofwaardig gebracht. Dolf die veel gereisd
heeft met zijn ouders, verbaast zich over de prachtige natuur en de stilte, geen geraas van auto's en vliegtuigen, glasheldere
meertjes en beken, véél vogels die in zijn tijd nauwelijks meer voorkomen. Wat je wel even doet nadenken... Door
zijn (school)kennis
wordt hij als een zeer geleerde jongen gezien en dat is soms grappig. Maar wat vooral indruk maakt is de enorme onderlinge
verbondenheid en bereidheid elkaar te helpen.
Lezen dit boek!
In de uitvoering als op de afbeelding:
Uitgever Lemniscaat, Uitgeverij ISBN 9056375172 Verschijningsdatum 4/2004 (1e dr.: 1973) Bindwijze Paperback Aantal pagina's
133 blz. Genre Fictie van 10 t/m 12 jaar
© Bernadet
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
Kruistocht in spijkerbroek
Wat me tegenhield weet ik niet, maar het boek heeft me nooit getrokken..om
de een of andere reden bleef het maar liggen in de kast. Was het het woord
'kruistocht'?, of stond de omslag me niet aan?
Dolf is een jongen van 15, die twee geleerden ervan overtuigt dat het geen kwaad kan hem in een tijdmachine te plaatsen en
zo terug te flitsen tot in de Middeleeuwen. Hij heeft de bedoeling om in Frankrijk een riddertoernooi te gaan bekijken, maar
door een foutje komt in in Duitsland terecht, midden in een Kinderkruistocht. Door een tweede foutje is hij niet op tijd
op de afgesproken plek om teruggeflitst te worden, en hij besluit om dan maar mee te gaan met de kinderen. Dat zijn er zo'n
achtduizend, onder leiding van twee monniken, kinderen van zijn leeftijd, maar vooral heel veel jongere.
Het verbijsterd hem: steeds vallen kinderen langs de weg neer, uitgeput,
ziek, of erger, en niemand bekommert zich erom. De kinderen zijn veelal
haveloos gekleed, lopen op blote voeten, en toch gaan ze maar door. Al gauw werpt Dolf zich op om de kinderkaravaan beter
te organiseren, wat hem met zijn moderne kennis van zaken heel goed lukt. De monniken vinden het maar niks, maar zien toch
dat er zo meer kinderen overblijven, en laten het toe.
Het doel is Jerusalem, de heilige stad bevrijden van de Saracenen. De
kinderen zijn er van overtuigd dat die hen maar hoeven aan zien komen, en ze zullen vluchten..tenslotte hebben zij een heilige
missie. Hun leider
Nicolaas, een eenvoudig herdersjongen, heeft een visioen gehad, en omdat er ook kinderen van edelen in de karavaan zijn geloven
de kinderen absoluut dat zij zullen slagen. De tocht gaat naar Genua, waar Nicolaas maar hoeft te bevelen
en de zee zal opensplijten om hen doortocht te verlenen naar Jerusalem.
Dolf verbaast zich: Genua? Dat ligt helemaal niet op de juiste route! En hoe moeten die kinderen de bergen over? Ze hebben
niet eens warme kleren, en goede schoenen..nog steeds vallen iedere dag kinderen weg. Maar er komen er ook bij..
Dolf verbaast zich ook over het vaste geloof in God, en hun vertrouwen in de
monniken. Als hij openlijk blijk geeft van zijn wantrouwen wordt hij
aangezien als ketter. Er komt zelfs een proces!
Ze bereiken Genua..krijgt Dolf gelijk?
Dit boek is zeer de moeite waard, vanaf de eerste bladzijde was ik geboeid.
Ok, het begin (en het eind) is onwaarschijnlijk, ik bedoel dat twee
volwassenen zomaar een kind zijn zin geven en een gevaarlijk experiment
uitvoeren?? Dat kan alleen in een jeugdboek denk ik.
En er zit een saai stuk in, met veel opsommingen, beschrijvingen, waardoor ik begreep wat mijn zoon bedoelde: hij had het
boek nooit uitgelezen omdat er niets gebeurde.
Ik zag dat anders: al die dingen waar een 20ste-eeuws kind op stuit als hij
onverwacht in de Middeleeuwen leeft, dat boeide mij. Dat heeft Beckman heel geloofwaardig neergezet, dunkt mij. Het geheel
is een spannend verhaal, ik wacht nu op de verfilming...
© Marjo
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
Hasse Simonsdochter
Twee historische feiten: Jan van Schaffelaar sprong van een toren in
Barneveld, en op een plaquette staat de tekst "Hasse, vrouw van Gert de
klokkengieter", in Oudnederlands overigens.
Rondom deze gegevens heeft Thea Beckman een spannend verhaal geschreven, dat
speelt in de tijd van de Hoekse en Kabeljauwse twisten.
Hasse is een vrijgevochten jongedame, wonend in de rietlanden nabij Kampen.
Als ze uitgehuwelijkt dreigt te worden, loopt ze weg, naar de stad. Daar
arriveert ze net op het moment dat er een volksoploop is, Er gaat een man
terecht gesteld worden..als ze naam van de misdadiger hoort, Jan van
Schaffelaar, beseft ze dat ze de man kent. Hij heeft haar nog niet zo lang
geleden gered uit de klauwen van een stelletje onverlaten, en daarbij een
ervan gedood. Kan ze hem nu op haar beurt redden? Zal iemand haar geloven
als ze de ware toedracht van de
'moord' vertelt? Ze denkt van niet, maar bedenkt zich dan dat er een andere
uitweg is: Als een misdadiger terechtgesteld gaat worden kan men hem
'verbidden'. Opeisen. En net op tijd roept ze: "ik verbid hem"..
Nu moeten ze wel meteen voor het oog van al dat volk in de echt verbonden
worden, en of dat goed zal gaan, weten ze geen van tweeën.
Ze gaat met hem mee naar Zutphen, en als Jan, die huursoldaat is, in
opdracht van de hertog van Gelre, naar Doornik moet, blijft ze alleen achter
in Zutphen. Maar het leven in de stad bevalt haar niet, en samen met Tieske,
de hond, trekt ze de bossen in, waar ze zich prima in leven weet te houden. Jan komt terug, en moet de nodige moeite doen
om zijn vrouw terug te vinden.
Jan van Schaffelaar is nu gehuurd om de geldtransporten die naar de hertog
van Bourgondië gaan te onderscheppen met zijn troep woeste ruiters. Hasse
sluit zich erbij aan, in manskleren en als volleerd boogschutter dwingt ze
respect af bij de mannen.
Maar natuurlijk worden de activiteiten van de roversbende met lede ogen
aangezien door de steden..en als dan de Dominicaan Egidius kans ziet om de
haat die hij ten opzichte van Hasse voelt (godslasterlijk: een vrouw in
manskleren, met nog een grote mond ook) worden Jan en zijn mensen gedwongen
zich terug te trekken in de toren van Barneveld.
Na Jans dood trekt Hasse zich terug met hun dochtertje, maar ze zal een
nieuw geluk vinden.
Thea Beckman heeft een mooi verhaal geschreven, maar behalve enkele
historische feiten is het natuurlijk fictie. Wie weet zou het zo gebeurd
kunnen zijn. Maar of de manier van leven in die tijd echt zo was, dat weten
we niet. De uitbuiterij van de boeren, het aanzien van adel en
geestelijkheid, dat zal wel zo geweest zijn, maar was Kampen inderdaad een
schonere stad dan andere steden? Jammer dat die Hoekse en Kabeljauwse
twisten zo ingewikkeld waren, ik had er graag een beter en begrijpelijker
overzicht van gekregen.
Niettemin, een mooi boek.. Leeftijd: 12+ Uitgever: Lemniscaat Verschenen: 1983 ISBN: 9060695402
© Marjo
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
De stomme van Kampen
Thea Beckman vertelt ons een verhaal over de schilder Hendrick Avercamp, die
leefde van 1585 tot 1634, in Kampen. Het is bekend dat hij doof was en niet
kon praten, en Beckman heeft daar een mooi verhaal van gemaakt.
Ze zal ongetwijfeld onderzoek gedaan hebben naar hoe mensen leefden in die
tijd, maar de manier waarop ze het vertelt komt op mij belerend over.
Het verhaal:
Vader Avercamp is apotheker in Kampen, zijn vrouw helpt hem met de
kruidentuin en met het klaarmaken van recepten. Hendrick is de eerste zoon
die geboren wordt. Er volgen nog vijf jongens en twee meisjes. Eén meisje is
te zwak om te overleven.
In die tijd waren er geen hulpmiddelen om een doofstom kind te leren
liplezen, of op een andere manier te laten communiceren. Ze moesten maar
zien hoe ze aan de kost kwamen. Zeker in zo'n groot gezin was daar geen tijd
voor!
Moeder Avercamp vindt dat ze aan haar eer verplicht is hem toch een en
ander te leren. Ze weet dat hij niet dom is, en inderdaad: ze leert hem
lezen en schrijven. Maar de beleving van zijn omgeving is voor een doofstom
kind heel anders, erg moeilijk. Na veel mislukte pogingen bij allerlei
leermeesters vind ze een plaats voor hem bij de schilder Kladde. Die ziet
zijn tekeningen en zijn talent. Hij doet erg zijn best om hem naar Amsterdam
te krijgen, want zelf is hij, Kladde, maar een schilder van niks.
In 1601 breekt de pest uit, Kladde sterft, en met hem vele anderen. Ook in
Hendricks familie sterven mensen, onder andere zijn vader. Zijn oom die in
Amsterdam woont biedt dan aan om Hendrick te huisvesten, zodat hij in die
stad verder kan leren. En zo geschiedt het..
Hendrick Avercamp wordt een bekend en succesvol schilder van Hollandse
landschappen. Hij heeft een voorkeur voor schaatstaferelen en
winterlandschappen.
Beckman zegt ergens dat dove mensen niet kunnen denken omdat ze geen woorden
hebben. Dat lijkt me onzin. Ze denken in beelden! Maar misschien was dat nog
niet bekend in 1992, toen ze het boek schreef. Als je wat meer wil weten
over de zestiende eeuw is dit een boek waar je veel aan hebt. Maar de
schrijfster wil het allemaal erg graag vertellen. Ze laat de personages
steeds lange verhalen ophangen tegen de dove Hendrick, terwijl ze weten-
want dat zeggen ze- dat hij het toch niet hoort. Dat is een beetje raar.
Waarom laat ze het hen dan niet opschrijven? Niet iedereen zal hebben kunnen
schrijven, maar een aantal toch wel, Hendrick verkeerde in de betere
kringen. Toen ik eenmaal aan het belerende toontje gewend was, las het als
een trein. Toch zijn de boeken van de modernere (speelsere?) Simone van der
Vlugt prettiger om te lezen, vooral voor de jeugd. Klein beetje gedateerd
dus, heel klein beetje..
© Marjo
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
|