Boekenarchief M

Jan van Mersbergen

http://www.janvanmersbergen.nl

 

De onverwachte rijkdom van Altena
Jan van Mersbergen


’Er staat een Chinees voor de cafetaria.’

Die zin, uitgesproken door haar zoon, spreekt tot de verbeelding van Marlies. Ze is dol op taal, en zal haar verhaal doorspekken met cryptogramvraagstukken. Maar dit is geen puzzel uit de krant of een boekje, het is het echte leven.


Daarmee is het begonnen, bedenkt Marlies, als ze geruime tijd na alle gebeurtenissen met haar echtgenoot Frank en hun zoon Willem hoog in de bergen van Grenoble zit. Die vreemde man, in een dorp waar nooit iets gebeurt. Een man met een briefje in de hand. En Frank die nieuwsgierig is maar ook zijn hulp aan wil bieden.
De man geeft Frank het briefje. Rochat staat er op, en een adres. Maar Frank wist nog helemaal niet dat die man overleden was. Maar daarvoor is de vreemdeling in het dorp, de vreemdeling die helemaal geen Chinees is, maar een Japanner. Met de naam Murakami. Hij geeft Frank een vreemde boodschap: ‘verspeelde vis wordt steeds vetter’.


‘Rochat, die heb ik echt jaren niet gezien, en Frankie ook niet. Dat was mijn eerste gedachte toen hij me later die dag over die Chinees en over Rochat vertelde. Misschien kon hij de deur van zijn sjieke huis niet meer uit. Misschien was hij al jaren ziek, je weet niet wat ouderdom soms brengt. Mijn tweede gedachte ging verder terug in de tijd en is simpeler: Rochat, de man die ons de zomer afpakte. Midden in onze jeugd, onze glory days. Op mijn vijftiende waren die er nog: de zomer aan de Put, de zandafgraving in onze polder die vol water liep en een prachtig meer werd. Op m’n zestiende was dat allemaal in één klap weg, door die oude Rochat.’


Vanaf dat moment was het dorp een idylle kwijt. Het gebied werd ineens omheind en bewaakt. Met Rochat viel niet te praten, en hij werd een paria in zijn eigen woonst. Wel een rijke paria…


Rochat had een dochter, Eveline, een bekend schrijfster. Ooit had ze een relatie met Frank en was ze bevriend met Marlies. En Marlies besluit naar de begrafenis te gaan. Frank geeft toe. Hij gaat mee. Ook Willem gaat mee. Hij is aan zijn benen gehandicapt – een behandeling wordt niet vergoed en is dus te duur - en daardoor vond de schooldirecteur het ‘te lastig’ om hem op school te onderwijzen. Dat doet Marlies dus thuis.


Eveline benadert hen: of Frank de Japanner de Put wil laten zien? Wat zit er achter als zij weer snel uit het dorp vertrekt en Frank de sleutel van de Put toevertrouwt en hem vraagt het terrein te beheren? Is het vanwege het verleden? Of omdat Frank ‘in vijvers zit’?

En dan verandert diezelfde Put hun hele wereld. Hoe gaan ze om met hun geheim? Houden ze het voor zichzelf of laten ze het hele dorp er in delen?


De roman speelt zich af rondom de Put in Almkerk, waar Jan als opgroeiende tiener graag vertoefde.
Het is een sprookjesachtig verhaal waarin actuele problemen aangekaart worden. De overheersende macht van een landeigenaar. Het probleem van Willem. En natuurlijk de gevolgen van het geheim, ‘de onverwachte rijkdom’.


Van Mersbergen is geen schrijver die zich bedient van gezwollen taal. Recht toe recht aan vertelt hij een op het oog eenvoudig verhaal, dat de lezer toch wel aan het denken zet. Ook tekent hij het dorpsleven, van dertig jaar geleden, en nu.


Mooi in al zijn eenvoud.

ISBN 9789059368408 | Paperback | 320 pagina's | Uitgeverij Cossee | april 2019

© Marjo, 7 april 2019

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe grasbijter
Jan van Mersbergen


‘Jij hebt een goede plek hier, zei John na een tijdje.
Ja.
Echt goed.
Ik klaag niet, zei hij en hij nam een grote slok. De schapen liepen loom voorbij het hek van de moestuin, voorbij de vierkante paal. Boven de fruitbomen vlogen zwaluwen, heel hoog. De haan liet weten dat hij er was en dat hij de baas was. Dat waren de geluiden en bewegingen van het land. Zo kende hij zijn land. Je kon een appel van de boom horen vallen.’


Francis woont alleen op een boerderij die ooit van zijn ouders was. Toen het minder goed ging, zijn zij geëmigreerd, Francis bleef achter. Met een paar schapen, een paar kippen en de hond. En de ganzen duiken ook ineens weer op. De dieren zijn al het gezelschap dat hij heeft. Hij praat er tegen, zorgt voor ze, maar ze vormen geen bron van inkomsten. Voor de boterham werkt hij bij een fruitbedrijf, een stuk verderop.
Francis laat het leven aan zich voorbijgaan. Hij ziet wel. Maakt zich niet druk. Die telefoontjes uit Nieuw-Zeeland doen hem ook niet veel, hij laat rustig de telefoon rinkelen. Eigenlijk krijgen we geen hoogte van hem. Wie is hij, wat wil hij van het leven?
Even komt er een rimpeling in zijn saaie bestaan, als iemand vraagt of hij zijn piano zelf gebruikt. Zo niet, dan weet hij iemand die hem graag hebben wil. En zo komt Cecile in zijn leven. Eigenlijk kende hij haar al, ze zaten bij elkaar in de klas. Dus heeft hij een foto. Hij onderneemt actie, gaat naar een concert van de jongedame, en al lijkt hij stoïcijns: er broeit iets. Is hij verliefd?


Het is een verhaal vol sfeer, maar zonder uitleg. De lezer moet raden wat er in de hoofdpersoon omgaat, hoe hij tot zijn daden komt. Eigenlijk is de enige daad die echt geheel duidelijk uit de doeken gedaan wordt, die wanneer hij een oprit stenig en kuilig maakt omdat hij er eerder een vrijend stelletje betrapte. Maar ook hier: is het alleen dat het gebrek aan decorum hem stoort? Vind hij dat ze hem storen zijn gezapige leventje? Of is hij stiekem jaloers? Is het de aanzet tot een andere daad, die de optelsom is van bepaalde gebeurtenissen?


In  een terughoudende vertelstijl laat Van Mersbergen de spanning toenemen.
‘De grasbijter’ was zijn debuut, waarin de stijl van de toekomstige boeken al duidelijk is als ook de gave om fraaie zinnen te formuleren.


‘Toen hij in de spiegel keek zag hij dat hij het was die op deze ochtend door het huis liep.’

‘Hij keek naar de koeien, naar hun bewegende kaken, naar de kleuren en de bewegingen om hem heen, en zijn wereld was zo groot als dit weiland, ook al zou hij willen dat zij veel en veel groter was.' 


Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971) is een Nederlandse romanschrijver. Hij studeerde HBO Cultuur en Beleid en Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte onder andere als stratenmaker, als opperman in de bouw, als proefdierverzorger, als postbode, maar voornamelijk in het theater; als producent, productieleider, decorbouwer, fondsenwerver en administrateur. Sinds 2000 houdt hij zich serieus bezig met schrijven.

ISBN 9789059363564 | hardcover |192 pagina's | Uitgeverij Cossee| maart 2012

© Marjo, 10 juni 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altDe laatste ontsnapping
Jan van Mersbergen


‘Ze glimlacht, kijkt naar Deedee en naar hem en zegt: jullie moeten vader en zoon zijn.
Hij zegt: sinds kort wel ja.’


De ik-verteller van het verhaal, vader van een tienjarige zoon en jonger dochtertje - dat in het verhaal verder geen rol speelt -  verliest zijn baan en heeft zodoende meer tijd om zich te bemoeien met het leven van zijn zoon. Ruben doet aan karate, waar hij iedere woensdag met zijn vriendje Deedee naar toe gaat. Deedee is de enige zoon van een alleenstaande moeder. Als de ik-verteller hem leert hoe hij met een moderne telefoon om moet gaan, ontdekt hij het telefoonnummer van zijn vader, wiens naam hij kent, en hij belt. ‘Jij bent mijn vader’, zegt hij tegen de man die ronduit verbijsterd is. Bij een tweede telefoontje vraagt hij Ivan te komen kijken naar de karateles. Zo leren de ik-verteller en Ivan elkaar kennen, tezelfdertijd als Ivan zijn zoon leert kennen.


Ivan, die uit een van de Balkanlanden gevlucht is om te voorkomen dat hij moest gaan vechten, verdient de kost met een Houdini-act in een obscure bar in Amsterdam. Vanwege deze act wordt hij gevraagd om naar Zuid-Frankrijk te komen, en Deedee weet het zo te regelen dat ze met zijn vieren er heen vliegen. Twee vaders en twee zoons.
Er werd al naar verwezen: er was iets in het verleden van Ivan, er was een broer, achtergebleven bij de ouders. Deedee lijkt sprekend op dat broertje, en maakt zo bij Ivan allerlei gevoelens en herinneringen wakker, die de aanzet vormen tot een ontknoping vol dramatiek.
Dat heeft ook invloed op de ik-verteller, en natuurlijk op de jongens.


Jan van Mersbergen schrijft prachtige gevoelvolle verhalen, waarbij de lezer niet met overbodige details vermoeid wordt. Zoals in eerdere romans speelt het uitgaansleven een grote rol, er wordt veel gedronken. Ergens in Amsterdam gaan de mannen van kroeg tot kroeg, de drank staat voor de melancholie, een heimwee naar iets wat onherroepelijk voorbij is. Beide mannen staan voor een nieuwe periode in hun leven, een tijd die nog niet ingevuld kan worden, omdat ze eerst hun herinneringen moeten verwerken.
Ivan dacht er mee afgerekend te hebben, hij stelt zich op als een harde, zelfverzekerde man. Het korte telefoontje haalt hem compleet onderuit.
En door om te gaan met deze vreemde man leert de ik-verteller ook nieuwe wegen kennen.
Als je geneigd bent mooie zinnen en rake typeringen te noteren, dan ben je bij Jan van Mersbergen druk: al vanaf de eerste bladzijde.


‘Als je overal voor wegloopt, ben je altijd vrij’

‘Ik ken niemand die zoveel heeft als jij. Een zoon, een dichter, een vrouw. Familie? Leven je ouders nog?
Ja.
Je hebt alles, zei hij. Het enige wat je moet doen is focussen. Jij hebt alles, maar je bent verliefd op je hypotheek.’


Gewoon maar genieten dus, zou ik zeggen: genieten van een prachtig verhaal. En vergeet niet te letten op de titels van de hoofdstukken!


ISBN 9789059364691 | Paperback | 208 pagina's | Uitgeverij Cossee | februari 2014

© Marjo, 2 januari 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 

altNaar de overkant van de nacht
Jan van Mersbergen


Ga met de hoofdpersoon Ralf mee en laat je onderdompelen in het feestgedruis van de Venlose Vastelaovend. Dein mee op de muziek, accepteer die bekers bier, gooi die flesjes Flügel achterover, dans, swing en maak contact, kijk om je heen, laat je meesleuren. En geniet.
Duizelingwekkend, onontkoombaar, verslavend, maar vooral verwarrend helder is het verhaal van een bijna-dertiger die zich laat gaan op die speciale carnavalsavond, terwijl hij de beslissing neemt die zijn verdere leven zal bepalen.
Ralf was een schipperskind dat zijn ouders op hun schip achterlaat.  Dat doet hij vrij rücksichtslos, hij belt niet terug.


‘Met mij. Bel maar een keer terug.’


Hij gaat aan wal wonen bij zijn oom. Hij doet een paar jaar het gymnasium, maar gaat dan werken als bouwvakker. Als hij na 27 jaar een meisje ontmoet in de supermarkt en haar herkent als dat kind dat hij op een wrede manier afwees als jochie van elf, ziet hij een manier om de nare bijsmaak van dat voorval weg te werken: hij gaat een kop koffie met haar drinken. Sara heeft intussen een relatie achter de rug waaruit ze vier kinderen heeft. De man is verdwenen.
Is het aanvankelijk medelijden, deze ontmoeting leidt er toe dat Ralf bij haar intrekt en haar helpt met de opvoeding van de kinderen: Maybelle van elf, een uit de kluiten gewassen onzekere tiener; Alvin, drie jaar jonger en verslingerd aan kraanwagens. Maar vooral de tweeling Helen en Nettie, die doordat ze doof en blind zijn een enorme last zijn voor een alleenstaande moeder.
Het kostte Ralf moeite om zich los te maken voor deze Vastelaovend. Kan hij Sara wel alleen laten? Als veerman ‘vermomd’ kost het wegschuiven van schuldgevoelens hem steeds minder moeite naarmate hij braaf ieder achterovergeslagen pilsje aankruist op het notitieblokje om zijn nek. Hij laat zich gaan.
Drank, muziek en seks zijn niet de enige bezigheden. Er is vooral de gemakkelijke omgang met andere carnavalsvierders. Niemand is wie hij of zij is, en tegelijk is iedereen zichzelf.
Ralf ontdekt zijn eigen bestemming aan de overkant van de nacht. Hij is als vanzelf bij Sara en de kinderen betrokken geraakt, moet hij niet voor zichzelf kiezen?


Kun je een volmaakt boek schrijven? Jan van Mersbergen komt toch wel in de buurt. De manier waarop ook de stijl en de taal verandert in de beschrijving van die Vastelaovend is verbijsterend. Misschien moet je even wennen, maar je ontkomt er niet aan: stort je in het gedruis, en ontdek wie je bent. Je hoeft niets met carnaval te hebben om dit boek ten volle te kunnen waarderen.
Komaan, stort je in dit boek, laat het over je heen denderen. Tot de overkant van de nacht.


'Eerst was ik een Veerman, nu ben ik een Kraanvogel en sta bij deze mannen en de Capitano gebaart: kom mee vogel. Naar de warme tent waar dauwdruppels aan het zeildoek bungelen. Hij schiet achter me langs. Een snaar bungelt los aan de gitaarhals. Ik volg hem. Hij steekt zijn handen in de lucht. De andere Maxicanen schudden me de hand. Ze stellen zich allemaal voor als Pedro. Ik krijg een beker bier van de lange Pedro die in Uganda de kraanvogels zag dansen. De Capitano roept tegen me: Gaan, gaan, gaan. Ik hoor een orgel of een accordeon, of misschien is het een doedelzak. Een lied dat ik niet ken. De noten volgen elkaar traag op. Mannenstemmen en een trommel. De Maxicanen staan in een kring en houden hun bierglazen in de lucht en zingen. De trommel roffelt harder en dan ontploft de tent. De mannen springen en schreeuwen. Een Geel-rooie wordt vastgepakt, krijgt een arm om zijn hals geklemd en doet mee met de groep. Een blond meisje heeft haar hoed op een Maxicaanse kop gezet en danst met de grootste Maxicaan. Zijn gitaar bonkt tegen zijn rug, de kop van de hals tikt tegen de metalen stang van de tent. Het blonde meisje kust hem op zijn mond. Ook ik word gegrepen en in de groep gezet en een moment sta ik stil, adem een keer stevig in en als ik de ijle lucht uitblaas en mijn longen leeg zijn laat ik mijn kraanvogelpoten gaan op de muziek.'


ISBN 9789059363281 | Paperback | 176 pagina's | Cossee | oktober 2011

© Marjo 27 februari 2012

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER