Weg
Na tien jaar komt het tweede boek van Minke Douwesz uit. Uiterlijk zijn er veel overeenkomsten: ook een kort-maar-krachtige titel. Het gebruikte papier is wederom van dat zachte dunne papier, en het is ook een lijvige roman: 577 pagina's. Verder, al doet het helemaal niets ter zake, is het hoofdpersonage opnieuw een lesbienne, niet dezelfde persoon overigens. Het verhaal gaat deze keer niet over het aangaan van een nieuwe relatie, maar over het einde daarvan...
Edith is een bijna veertigjarige gynaecoloog. Naast haar werk is ze bezig een proefschrift te schrijven over anorexia nervosa en het verband met seksualiteit.
Het valt allemaal niet mee, en dan heeft ze ook nog een boerderijtje buiten de stad dat aandacht vereist, waar ze zo'n zeven jaar samenwoont met Norma, ooit lerares, nu afgekeurd. Ook de teckel Lodewijk en de twee poezen, plus buiten twee ezels, vereisen aandacht.
Al een tijdje gaat het niet goed meer tussen haar en Norma, en ineens is ze het beu: ze maakt het uit en omdat het huis haar eigendom is, vraagt ze Norma te verhuizen. Dan begint het gedonder: Norma wil niet weg, ze wil niet accepteren dat het voorbij is, en Edith kan die problemen er eigenlijk allemaal niet bijhebben. Een soort koude oorlog volgt, waarbij Norma zo haatdragend wordt dat Edith zich niet meer veilig voelt in haar eigen huis. Maar dat moet ze niet accepteren, vindt ze. Ze wordt heen en weer geslingerd: kan ze haar ex-partner zomaar zonder cent op straat zetten na al die jaren? Ze heeft in beter tijden inderdaad gesproken over een huwelijk, zoals Norma haar aan de voeten werpt. Mag ze een nieuw leven voor zichzelf opeisen ten koste van een ander? De liefde is immers echt over en uit.
De tijd waarin zich dit alles afspeelt is door het opnemen van de moord op Pim Fortuyn, met daaropvolgend de verkiezingen, terug te brengen tot de maanden tussen april en juli 2002. Als Douwesz deze achtergrond meer uitgewerkt had, dan had dat belangrijk kunnen zijn, maar daar heeft ze niet voor gekozen. Het gaat vooral om de moeilijkheid van het beëindigen van een relatie, over het onvermogen van vroegere geliefden om er een fatsoenlijk eind aan te maken.
Er zit een dreiging in het boek die niet waargemaakt wordt. Als bijvoorbeeld Norma zich in een telefoongesprek hatelijk opstelt en Edith de hoorn erop gooit, schrik je net als Edith zelf op als even later weer de stilte verbroken wordt door telefoongerinkel. Maar het boek is geen thriller, en dus is het gewoon een onschuldige derde die belt.
Zulke situaties zijn er vaker: Als Norma weer akelige opmerkingen heeft gemaakt, maakt Edith zich zorgen om de grote hoeveelheid spaargeld die op een gezamenlijke rekening staat, en ze haalt een formulier bij de bank, maar vervolgens gebeurt daar niets meer mee. Ook de brand bij de buren: is dat wel zuivere koffie? En die lekke banden?
Maar zoals gezegd: het zijn losse eindjes, het doet er niet toe. Maar wat dan weer wel uitgesponnen wordt is het onderwerp van haar proefschrift, en dat blijft eveneens hangen. Daar stelt Minke Douwesz wat teleur: dit had ofwel uitgebreider gemogen, of juist minder.
Ik heb genoten van de vele uren die ik met dit boek heb doorgebracht - de sfeer is ondanks het onderwerp gezellig huiselijk - maar het evenaart niet haar eersteling.
Toch hoeven we hopelijk niet weer tien jaar te wachten...
ISBN 9789028241152 Paperback 577 pagina's | Oorschot B.V. | april 2009
© Marjo, mei 2009
Lees de reacties op het forum, klik HIER
Drie trieste tijgers
Volgens de achterflap:
Drie trieste tijgers is het magnum opus van Guillermo Cabrera Infante, de Cubaan die na de coup van Fidel Castro zijn vaderland verliet en zich in Engeland vestigde. Volgens een autobiografische notitie ontdekte hij pas na zijn vertrek uit Cuba een aantal van zijn liefdes, zijn obsessies, zijn thema’s: Havana, het Engels, de literatuur, het dialect van zijn stad, de vrouwen van Havana, de matinees in de bioscoop, total music, autoritjes en “ook de nostalgie en de nacht”.
De nacht vervult de hoofdrol in deze roman, die zich afspeelt aan de vooravond van de Cubaanse revolutie, toen Amerikaanse toeristen het nachtleven van Havana nog beheersten. Alle verhaalde nachten smelten samen in één enkele, lange nacht van het boek, waarin het uiteindelijk, langzaam en onthullend licht wordt.
De helden van het boek zijn de nostalgie, de literatuur, de stad, de muziek en de nacht, en af en toe, die hedendaagse kunstvorm die dit alles in zich lijkt te verenigen: de film. De enige schurk is het verraad, niet het menselijke – begrepen en verheven –delict, maar die fatale literatuurschennis genaamd vertalen, en het boek besluit in feite met een dubbel dantesk sleutelwoord: het woord tradittori, geschreven tijdens het slapen.
Mijn mening:
Waarschijnlijk het moeilijkste boek dat ik ooit gelezen heb, of in ieder geval het minst begrijpbare.
Er zijn zoveel verhaallijnen dat je de draad gauw kwijt raak. Sommige stoppen ergens in het niets, andere – op het eerste zich minder belangrijke – nemen dan de bovenhand. Uiterst verwarrend.
Het hoofdthema zijn de nachten in Cuba en dat zul je geweten hebben. Enkele vrienden zuipen hele nachten en gaan dan ellenlange discussies aan over literatuur, getallen, filosofie, film, muziek, eten en meisjes. Ik had steeds de indruk dat ze zich doodverveelden en daarom die zinloze, hoogdravende, op niets uitkomende discussies hadden. Hele bladzijden met onzin, het hele boek door.
Om een voorbeeld te geven: een van de vrienden vond dat een boek een samenraapsel van woorden is die elk op zijn eigen manier interpreteert. Er zou volgens hem een boek moeten geschreven worden met daarin een handleiding hoe je het boek moet lezen. bv. Je moest elk derde woord van een zin lezen of elk woord beginnende met een bepaald letter en zo het boek uitlezen. Of de woorden waren onbestaande woorden waarbij je door de handleiding de betekenis kon ontraffelen. Hele discussie hadden ze daarover.
Een tweede voorbeeld: urenlang hadden ze het over Bach, naar aanleiding van een muziekstuk die op dat moment op de radio is, terwijl je in de auto rijdt. De muziek van Bach was geschreven in een tijd dat auto’s nog niet bestonden. Dus de muziek van Bach was geschreven om in kastelen enz uitgevoerd te worden. Wat zou Bach ervan denken als hij moest weten dat zijn muziek aan 80 km/uur beluisterd werd. Urenlang houdt men de discussie vol met talloze uitwijdingen om dan tot de conclusie te komen dat de compositie waar men naar geluisterd heeft toen de discussie begon een werk is van Handel.
Er komen in het boek ook nog andere verhalen voor. Een ervan is van een Amerikaans stel dat op bezoek is in Havanna. Om het verhaal kort te maken: het stel gaat ergens op bezoek en de heer vergeet zijn wandelstok die hij aan een kraampje op de markt gekocht heeft. Grote ontsteltenis, zijn stok is gestolen. Hij ziet de “dief”, er vormt zich een mensenmassa, de politie komt erbij, enz. Hij neemt de stok van de vreemdeling. Als hij op zijn hotel komt ziet hij zijn stok liggen. Dat verhaal komt 4 keer, telkens een beetje anders in het boek voor. Een keer vertelt door de man en “gecorrigeert” door zijn vrouw, een keer vertelt door de vrouw en dan nog een keer opnieuw. Ik begreep de functie hiervan helemaal niet. Vond het zelfs irriterend.
Een ander is de moord op Trotski. Het enige verhaal waar ik van genoten heb. Iemand word vermoord. Aan de hand van een krantenartikel, het verhaal van de moordenaar, het verhaal van de vermoordde en dan nog enkel verhalen kom je te weten wat er gebeurd is, hoe het gebeurd is, wat de aanleiding daartoe was….. Volgens mij het enige afgewerkte verhaal. Het enige wat mij verveelde in dat verhaal waren de ellenlange zinnen met al even lange beschrijvingen. Bijvoorbeeld: “Op het bovenste bordes ter linkerzijde trof hij een harnas uit de Quattrocento aan, compleet met vizier, halsstuk, armstuk, borstkuras, schootstuk, bovenbeenstuk, kniestuk, scheenstuk, onderbeenstuk, beukelaar (of lang schild), maliënkolder en hellebaard met dubbel Toledaans blad op een eigen schacht.”
Voor mij volstond het te weten dat er daar een harnas stond. Ik had er totaal geen behoefte aan om van alles elk onderdeel te weten.
Al met al vond ik het een absurd boek.
Het enige dat ik hierbij nog wil meegeven is dat het boek blijkbaar ook verfilmd is. Of er zijn toch stukken van in gebruikt want hier wordt er wel ergens naartoe gewerkt. nl. de coup van Fidel Castro. De film heet: Lost City.
2002, 447 pag., Uitg. Ambo|Anthos Amsterdam, ISBN 9026317212
Vertaling: Fred de Vries en Tessa Zeiler.
© Inge, september 2006
Lees de reacties op het forum, klik hier