Korte inhoud: Meer dan twintig jaar duurde het voordat Héctor Abad de moed vond om dit boek te schrijven, dat gaat over de moord op zijn vader door de paramilitairen in 1987. Het resultaat is een louterende roman over een man die vocht tegen onderdrukking en ongelijke rechten en dat moest bekopen met zes kogels in zijn hoofd, in koelen bloede afgevuurd door een sluipschutter.
Daarnaast is het boek een relaas van de hechte en intieme relatie tussen vader en zoon, en een portret van een jongeman die opgroeit in een gewelddadige samenleving. Abad schetst een kleurrijk beeld van twee Colombiaanse families die in politiek en religieus opzicht volkomen tegengesteld zijn – van verstokte atheïsten tot diepgelovigen, van uiterst rechts tot maoïstisch links, van Opus Dei tot bevrijdingstheologie.
Een uniek relaas van de recente tumultueuze geschiedenis van Colombia, en van het voortdurende gevecht dat wordt gevoerd om het tij te keren, vrede te stichten en het vaandel van het humanisme hoog te houden.
Ondanks sommige stukken, die wel erg veel namen van personen en instellingen bevatten en veel politiek en religie, heb ik dit boek toch met interesse uitgelezen. Deze auteur weet zijn woorden zorgvuldig te kiezen en legt helder uit. De zeer sterke, intieme band die hij met zijn vader had, wekte tijdens de beschrijving van zijn jeugd op een gegeven moment wel enige gêne op, maar misschien is onze nuchtere noordelijke kijk daar debet aan.
Ik vind dit boek eigenlijk non-fictie, maar aangezien de bibliotheken het onder fictie indelen, hou ik dat maar aan.