Erik Vlaminck

literatuurWolven huilen



Op maandag 19 november 1989 sterft Maria Josephina van Riel. Zij is de grootmoeder van de verteller. Op een lijst met mensen die een doodsbericht moesten ontvangen staat een vreemde naam. Dus geen familie, denkt de verteller. De man heet Fons Huybrechts en hij woont in Canada.
Na een maand of vier komt er een antwoord uit Canada, van Liza, de vrouw die samen met Fons een eenzaam leven blijkt te leiden. Die brief is de aanleiding tot een reconstructie van het leven van Fons, waarvoor de verteller naar Canada reist. Eerst heeft hij de broer van zijn grootmoeder gevraagd wie die Fons is. Hij blijkt een halfbroer te zijn, het zwarte schaap van de familie, over wie gezwegen moet worden.

'Huybrechts deugt niet. Huybrechts heeft nooit gedeugd. Dat is geen Van Riel.'
'En waarom zit hij in Canada?'
'Omdat ze dat oorlogscrapuul hier anders de kogel gegeven hadden.'


Daar begint het verhaal over een 'doorduwer zonder op- of omkijken'. Een harde werker, dat wel, maar ethische normen waren hem vreemd. Handelen met de vijand, waarom dus niet? Maar zijn omgeving wist wel waarom niet. Het was het begin: als hij ook nog opgeroepen wordt om te werk gesteld te worden
in Duitsland duikt hij onder. Bij de vader van Liza, een caféhouder.
Smokkel, zwarthandel en nog meer duistere praktijken leidden er toe dat Fons voor de krijgsraad moest verschijnen. Na een gevangenisstraf bleek er geen leven meer mogelijk te zijn in België en hij vertrok. Met Liza. Fons denkt er veilig te zijn voor zijn familie die hem niet meer wil kennen. En dan komt die onbekende kleinzoon daar zomaar binnenstappen.

Het boek, 152 pagina's, vertelt een familiegeschiedenis, niet meer dan dat. Steeds is er de terugblik, vanuit het onherbergzame Canada. Een mens is zoals hij is, dat is duidelijk. Voor Fons was het leven altijd moeilijk, Liza had evenmin veel keus. Twee zwarte schapen in een ondergesneeuwd, wit Canada, die nooit los zijn
gekomen van hun verleden. Eenzaam en verbitterd slijten zij hun dagen. Dit boek blijkt het tweede te zijn in een biografische cyclus.


Isbn 9789028416598 Paperback 152 pagina's | Wereldbibliotheek | april 1994

© Marjo, februari 2009

Lees de reacties op het forum, klik HIER

 

Suikerspin

Een kroniek over vier generaties kermisexploitanten -forain in het Vlaams.
Eind negentiende eeuw werd Jean-Baptist Van Hooylandt op twaalfjarige leeftijd door zijn ouders voor drie frankstukken verkocht aan een kermisreiziger, waarbij gezegd werd dat ze hem niet terug hoefden te brengen. De jongen leert al snel hoe het kermisleven in elkaar steekt, en liegen en bedriegen onder het mom van vermaak voor de dommen, kan hij zelf ook snel. Hij misbruikt er later zelfs zijn eigen gehandicapte broer voor. En dan loopt hij tegen een Siamese tweeling aan. De twee zusjes, Josephine en Anastasie, geboren in 1893, in Noord-Frankrijk, vormen de kern van het verhaal. Hun moeder is in het kraambed gestorven, en ze zijn ondergebracht in een verzorgingshuis. Er wordt nogal met hen heen en weer gesleept tot ze in handen van Jean-Baptist komen, die hen als rariteit ten toon gaat stellen.
Dit heeft een dramatische afloop, maar hoe dat allemaal precies zit, wordt bewaard tot het einde van het boek. De zoon van Jean-Baptist is Albert van Hooylandt. Hij zal de kermissen afgaan met een carrousel, grotendeels zelfgemaakt. Diens zoon is Arthur, ook nog rondreizend forain, in slechtere tijden.
Hier is hij aan het woord:
" Vroeger kroop een kleine achter het stuur van de autobus en dan werd hij voor vijf minuten buschauffeur. Hij maakte met dikke lippen bromgeluiden gelijk een motor en hij rommelde en schakelde met een vitessepook en hij manoeuvreerde gelijk een echte. Nu zit zo'n kleine gelijk een kanarievogel te koekeloeren en ongeduldig te wachten op het einde van de rit.
De kleine mannen van tegenwoordig zijn zelfs niet eens meer content als ze de floche kunnen trekken en dus een gratis rit krijgen. Ze laten het ding zwieren boven hun kop en ze kijken er eens naar als naar een vuile dweil. Hun fantasie is finaal naar de kloten. En alle geluk erbij."

De vierde generatie is Tony Van Hooylandt, die de kermis laat liggen voor wat het is, en leraar is geworden. Hij maakt zich zorgen om zijn vader, die vreemd doet sinds zijn carrouselfiguren gestolen zijn.
Er zijn nog veel meer verwikkelingen, veelal draaiend om vrouwen. Maar de enige vrouw die aan het woord komt is Josephine, de geletterde helft van de tweeling. Haar zus kan niet spreken, en nauwelijks begrijpen.
Vlaminck laat het verhaal steeds verspringen, van persoon tot persoon, van tijd naar tijd. Ook haalt hij er soms achtergrondinformatie bij, uit archieven, als zouden de feiten verifieerbaar zijn. Zelf speelt hij een rol in het verhaal als schrijver die het verhaal van de Van Hooylandts wil opschrijven. Het brengt er een extra spanning in, terwijl het lijkt op een geschiedschrijving.
Het geheel, alhoewel misschien opgeroepen door bepaalde feiten, blijft fictie. Leuke, sappige fictie, maar ook een hoop ellende die allemaal nog best waar had kunnen zijn. De humor, de ironie is prachtig:


"Op ijs van één dag begint ge niet te lopen, daar zou zelfs Jezus Christus niet aan begonnen zijn en die wist nochtans de paaltjes staan die niet boven water uitkwamen."
"Ze staan zonder ophouden te kwebbelen in hun gsm.
Het is met een normaal verstand niet te bevatten wat en waarover er zo veel gezegd kan worden. En als ze dan al eens stilvallen met giechelend en gesticulerend staan kwebbelen in die gsm, dan gapen ze versteend naar het venstertje op dat apparaat alsof daar grootgeschapen negers of andere wereldwonderen te zien zijn."


Ik kende Vlaminck niet, maar daar zou wel eens verandering in kunnen komen.


Paperback 286 pagina's | Wereldbibliotheek | augustus 2008 ISBN 9789028422629

© Marjo, januari 2009

Lees de reacties op het forum klik HIER

 

De portrettentrekker
Erik Vlaminck


Het boek begint met een citaat van Jeroen Brouwers:


'Wij krijgen onze naam van een stoet van doden die de voorbije eeuwen hebben gevuld met het verwekken van de ene stamhouder na de andere, - en die tenslotte allemaal, na hun naam te hebben ingeleverd, in de zwarte spiegel zijn verdwenen.'


Wat volgt is een deel van een familiegeschiedenis, en de hoofdpersonen heten Vlaminck. Autobiografisch dus, voor een deel dan. Want behalve de jongen Erik, die anekdotes uit zijn jeugd (1974) vertelt, komen er ook een opa, Henri, en een oudtante, Virginie, aan het woord.
Virginie vertelt haar verhaal in 1977. Zij zit dan in een verzorgingshuis, daarheen gebracht door neef Georges. Virginie is boos en enigszins verward,
omdat ze haar omgeving niet kent, en ze is haar papieren kwijt en erger nog, haar fotoalbum. Tekenend voor het tehuis is natuurlijk dat de verzorgers haar niet begrijpen en haar behandelen als een demente vrouw. De enige die een beetje begrip toont is een vrouw 'die steeds zegt dat ze dokter is' maar ook zegt  'noem mij maar Margot'. Prachtig wordt hier het generatieverschil geschetst. Want voor de oude vrouw is Margot dan dus geen dokter. Vrouwen die met een luchtballon willen vliegen, die zijn geen dokter. Maar als de neef het album brengt is Margot degene die met haar de eigengemaakte foto´s (portrettentrekker) bekijkt en naar haar wil luisteren als ze lijken uit de kast haalt.
Verhalen over een bepaald niet rustig verleden. Een gezin met veertien kinderen, waarvan een aantal op jonge leeftijd stierf, en niet na een
'gewoon´ ziekbed. Ook Henri, haar broer, komt vaak aan het woord. Hij heeft twee wereldoorlogen meegemaakt, veel ontberingen gehad. En hij heeft zich voorgenomen zeker geen veertien kinderen op de wereld te zetten, na wat hij thuis gezien heeft. En - denkt Virginie - hij heeft niet eens alles gezien.


Dat Vlaminck kan schrijven wist ik al, en ook van dit boek heb ik genoten. Zijn stijl van vertellen, met dialogen en herhalingen van bepaalde zinsneden, of bijvoorbeeld steeds dat versje dat in variaties terugkomt; de vele gezegdes en uitdrukkingen en de vlamismen, ze maken het verhaal van een Vlaamse familie mooi. Het is geen doorsneefamilie, wat daar gebeurt komt niet overal voor en tegelijk zijn het zulke gewone mensen. Vlaminck laat steeds andere mensen vertellen, voor Virginie en Henri, maar ook anderen, en daardoor springt hij steeds heen en weer in de tijd. Soms worden dingen die hij eerder verteld heeft pas duidelijk als een ander zijn kant van het verhaal laat horen.


' Een warme hand op haar voorhoofd.
Wilt ge dat we u aankleden om naar de kerk te gaan?'
' Aankleden wel. Naar de kerk gaan niet.'
' Ja, maar dan gaan we daar geen tijd in steken.'
En de deur was weer gesloten.'



' Kunt ge niet even stoppen?'
Vraagt Henri.
' Er zijn hier nergens bomen,' zegt vader.
' Maar er is in de verste verte ook geen mens te bekennen.'
Volwassenen zeggen vaak rare dingen.


'Kunt gij mij een natte doek geven,. Marie?'

' Waarvoor moet die dienen?'
' Ik zou de zitplank van het kabinet eens willen afwassen. Ik ben zo
difficile als ik naar de koer moet gaan.'


Ik zou zoveel willen citeren, het is een prachtboek. Lezen dus.


Isbn 9028418040 Paperback 175 pagina's | Wereldbibliotheek | april 1998

© Marjo, juni 2010

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER