Zwavelzuur
Eerst maar even de flaptekst:
"In de veertiende roman van Nothomb is een concentratiekamp de setting van een realityprogramma. De slachtoffers worden door de programmamakers van de straat geplukt, de kapo's zorgvuldig geselecteerd op brutaliteit en meedogenloosheid. De twee hoofdpersonages in het programma zijn elkaars tegenpolen: Zdena, een lelijk meisje uit een lager milieu, heeft geen vrienden en krijgt in haar leven geen kansen; ze wordt als de meest opvallende kapo door de camera's op de voet gevolgd. Pannonique is een 'engel', een mooi meije, welopgevoed intelligent. Als gevangene wordt ze het mikpunt van de spot, de haat en de liefde van Zdena. Het publiek krijgt er niet genoeg van, want de relatie tussen deze twee meisjes, die elkaar anders nooit ontmoet zouden hebben, wordt een bepalende factor in het succes van deze realityshow."
Onvoorstelbaar is de fantasie van Nothomb, maar tegelijk zet ze de mens hier neer zoals hij is. Het is afschuwelijk als idee.
De valsheid van Zdena richt zich speciaal op het mooie meisje, vooral omdat ze onaanraakbaar lijkt. Ze weigert bijvoorbeeld halsstarrig om haar echte naam bekend te maken. Alle gevangenen hebben een nummer, zij heet CKZ 114. Extra slaag, of omkoperijen, CKZ 114 houdt haar mond. Tot de kapo's een vriendin van haar kiezen om aan het eind van de dag terecht te stellen (selecties, moord, ook dat hoort er allemaal bij). CKZ 114 grijpt de hand van haar vriendin en roept "Ik heet Pannonique"..
Natuurlijk is Zdena hier niet lang tevreden mee, ze wil meer, maar begrijpt zichzelf niet.
"Zoals alle mislukkelingen keek ze (=Zdena) neer op mensen die goed waren in dingen waar ze zelf niets van terecht bracht. Wat waren het toch een praatjesmakers, zoals ze hen steevast noemde, een stelletje tuig! Hoe was het mogelijk dat Pannonique zich liet inpakken door hun gezwam, hun slaapverwekkende gewauwel? Dat een gesprek ook ergens over kon gaan, kwam niet in haar op. Kletsmeiers had ze in haar jeugd al meegemaakt, ze had de holle woorden van hun alternerende monologen aangehoord -haar hoefden ze niets meer wijs te maken."
"Ik ben leeg, dacht ze.
Pannonique en EPJ 137 waren geen lege mensen, dat zag je zo. Het was ontzettend pijnlijk voor de kapo om dat verschil, die kloof tussen haar en hen te ontdekken. Ze troostte zich met de gedachte dat de andere kapo's, de organisatoren, de kijkers en vele gevangenen ook leeg waren. Gek was dat: er waren meer lege mensen dan mensen met inhoud. Hoe kwam dat?"
Walgelijk, maar fascinerend boek.
Hardcover | 167 Pagina's | De Bezige Bij | 2006 ISBN: 9076682356
© Marjo
Lees de reacties, klik hier!
De hongerheldin
Niet het beste van Nothomb, (vind ik) maar toch goed genoeg voor een paar uurtjes leesplezier.
Het boek begint met een heel verhaal over een of ander eiland in Oceanië, over een volk dat zodanige overvloed heeft dat ze het begrip honger niet kennen.
Als lezer ben je helemaal de weg kwijt, wat is dit??
En dan zegt Nothomb, dat ze een specialiste in honger is. Altijd heeft ze honger geleden. Niet honger in de zin van gebrek aan eten hebben, honger naar van alles en nog wat. Een verlangen, zo zegt ze het ook: "Honger is willen."
En dan volgen de verhalen over haar bizarre leven in Japan, China, New York, Bangladesh, die allemaal boeiend zijn. De contrasten zijn enorm natuurlijk, en steeds weer moet Amélie zich weer aanpassen. Na in New York de beest te hebben uitgehangen (een tien-jarig meisje verslaafd aan alcohol!) wordt ze in Bangladesh kontinu geconfronteerd met stervende mensen. Zo vreselijk vindt ze het dat ze niet meer van haar kamer af wil komen, ze leest de hele dag.
"Op een avond kreeg ik een openbaring. Onderuitgezakt op de canapé zat ik een novelle van Colette te lezen met als titel La cire verte. De inhoud had weinig om het lijf: een meisje van dertien zat brieven te verzegelen. Toch boeide het verhaal me, al had ik niet kunnen zeggen waarom. Bij een willekeurige zin die nauwelijks iets nieuws toevoegde, gebeurde er iets ongelofelijks: een prikkeling schoot door mijn ruggegraat, de haartjes op mijn huid gingen recht overeind staan en hoewel het achtendertig graden warm was, kreeg ik kippevel. Stomverbaasd las ik de volzin die deze reactie had opgeroepen nog eens over, om na te gaan waar het hem in zat. Maar er was alleen sprake van gesmolten zegelwas, zijn textuur, zijn geur: niets bijzonders dus. Waar kwam die overweldigende emotie dan vandaan? Ten slotte wist ik het antwoord. Die zin was mooi: wat ik had ervaren, was schoonheid."
Dan zegt ze: "lezen zou voortaan een groot deel van mijn tijd in beslag nemen, het zou een zoektocht worden naar die onverklaarbare schoonheid."
Amélie vergelijkt zich met Bangladesh: Terwijl Bangladesh gebukt ging onder een militaire dictatuur, wordt zij geregeerd door haar lichaam. Ze pubert, ze wordt verliefd, en dat overkomt haar zomaar. Ze wil dat niet... en eet niet meer. Ze wordt zwaar anorectisch (maar is ze ook ziek?) tot ze op een nacht "haar levensgeesten voelt wijken" en ze weer gaat eten.
Als het gezin Nothomb teruggaat naar België is Amélie 17. Ze begint te schrijven...
En die boeken zijn prettig genoeg om in weg te duiken...
Oorspronkelijke titel: Biographie de la faim Vertaler: Marijke Arijs
ISBN 9076682305 Gebonden, 206 pagina's Verschenen: februari 2005 De Bezige Bij
© Marjo
Reageren? Klik hier!
Vuurwerk en ventilators
Dit boek gaat over de drie jaren die Amélie Nothomb doorbracht in China, van haar vijfde tot haar achtste. In het begin van de jaren zeventig werd het gezin, tegen hun zin, overgeplaatst naar Peking, de stad waar de air-conditioning niet werkten, maar de ventilators volop draaiden.
"geen land verblindt meer dan China: de mensen die ervan terugkeren hebben het uitsluitend over de vele prachtige dingen die ze gezien hebben. Geheel te goeder trouw zijn ze geneigd in alle talen te zwijgen over de daar om zich heen grijpende lelijkheid, die hun toch niet ontgaan kan zijn. Dat is merkwaardig. China is als de bedreven courtisane die erin slaagt haar talloze lichamelijke gebreken, zonder ze te verbergen, te doen vergeten en al haar minaars het hoofd op hol te brengen."
Amélie vindt het er vreselijk na Japan, maar met de andere kinderen die zich in hun "getto" bevinden maken ze er het beste van. Ze voeren oorlog: "breng een bende kinderen van verschillende nationaliteiten samen in een beperkte, afgesloten en gebetoneerde ruimte. Laat ze, zonder toezicht, hun gang gaan. Alleen een naïeveling kan denken dat die kinderen elkaar hun vriendschappelijke hand zullen reiken."
De kinderen vormen twee partijen, die elkaar op school en na school heel serieus belagen. Als een vijand gevangen wordt, wordt hij gemarteld: niet met wapens, maar kinderen kunnen blijkbaar heel gemeen zijn. Zolang de volwassenen dachten dat kinderen de strijd tegen het Communisme naspeelden lieten ze hen hun gang gaan. (opm: heel vreemd vond ik dat, zeker als ik las hoe gevangen vijanden behandeld werden).
Amélie wordt voor het eerst verliefd: op een beeldschoon Italiaans meisje, dat haar volkomen negeert. "Ik doe alles wat je maar wilt" zegt Amélie tegen de mooie Elena. En Elena vraagt haar twintig rondjes te rennen om het schoolplein, wetend dat Amélie last heeft van astma. De twintig rondjes worden er veertig, zestig en nog laat Elena haar niet stoppen. Totdat Amélie het bewustzijn verliest.
Als Amélie alles opbiecht aan haar moeder vertelt deze haar dat mooie mensen heel gemeen kunnen zijn en dat het het beste is als ze haar volledig negeert. En Amélie ontdekt dat de Liefde hetzelfde is als lijden en oorlog...
Weer een fascinerend boek van deze Waalse schrijfster. Hoewel ik mijn twijfels heb bij wat ze de kinderen laat beleven en voelen- kan een kind van zeven echt verliefd worden en op deze manier daarmee omgaan?- verstoort dat allerminst het leesplezier.
1994 Uitgeverij Manteau 130 pagina's ISBN: 90-223-1327-1
© Marjo
Geen afbeelding van het boek te vinden
Reageren? Klik hier!
Antichrista
Blanche, zestien jaar oud, gaat studeren. Politicologie. Op de universiteit verwacht ze geen vrienden te maken, ze heeft immers nog nooit vrienden gehad. Ze denkt zelf dat dat komt doordat ze de lat hoog legt: ze wil alleen maar bevriend zijn met iemand die haar om haar zelf wil, wie ze ook is, wat ze ook is.
Des te meer verrast het haar als ze een glimlach opvangt van dat ene populaire meisje! Zou het echt zijn? Zou dat meisje haar bedoelen? Aan het eind van de dag wordt ze geroepen, en als ze zich verbouwereerd omdraait, staat daar datzelfde meisje. Die meldt dat ze Christa heet en net zestien is. En dat is het begin van een relatie, waarvan Blanche zich verbeeldt dat het wel kan uitgroeien tot een vriendschap..ze hebben meer en meer contact, en als Christa vertelt dat ze iedere dinsdag 's morgens om vier uur op moet staan om op tijd te zijn voor het eerste college, biedt ze haar aan om dan van maandag op dinsdag bij haar te komen slapen.
"Christa had gezegd dat mijn kamer nergens naar leek. Dat was waar: daarom voelde ik me er ook zo goed thuis."
Hoe weinig vermoeden heeft ze dat ze al snel spijt zal krijgen van deze uitnodiging. Christa blijkt alleen maar uit te zijn op het uitbuiten van iedereen die op haar pad komt. Eerst Blanche, dan haar ouders, en als Blanche zich eindelijk teweer durft te stellen, jut ze de hele universiteit op: Blanche wordt nu niet alleen maar genegeerd, men verjaagt haar, en ze wordt uitgescholden.
Maar Blanche laat zich niet kennen. Of toch?
Ik ken Nothomb als een vertelster van vrij bizarre verhalen. Dit boek is niet in die categorie onder te brengen. Apart, maar eigenlijk heel geloofwaardig. Ieder boek van Nothomb is zeer de moeite waard.
"Eigenlijk gedroeg ze zich in mijn gezelschap als een echtgenote die zich na een lang huwelijk niet meer geneert om in het bijzijn van haar man in een groezelige ochtendjas rond te lopen, met krulspelden en een zuur gezicht, terwijl ze haar fraaie krullen, flatteuze kleren en verleidelijke blikken voor een ander bewaart."
Paperback | 129 Pagina's | De Bezige Bij | 2004 ISBN 9076682240
© Marjo, december 2006
Reageren? Klik hier!
Met angst en beven
Amélie Nothomb beschrijft in dit boekje met nog geen 130 pagina's haar terugkeer in Japan. Ze is er als kind opgegroeid (zie "Gods ingewanden") en had daar een grote liefde voor het Japanse overgehouden. Of die liefde na het jaar dat ze in dit boek beschreef verdwenen was, weet ik niet.
Ik heb genoten van dit boek, zelfs hardop grinnikend, en dat doe ik niet snel. Nothomb geeft een hilarische beschrijving van haar werk op een Japans kantoor, waar ze als westerse aangenomen is vanwege haar kennis van het Japans. Dat staat tenminste op de flap, maar het blijkt niet uit de activiteiten die ze op het kantoor ontplooit. Haar wordt zelfs verboden om Japans te spreken en te verstaan!
Ze weet niet precies wat haar werkzaamheden zijn, niemand vertelt het haar, dus ze gaat maar koffie en thee rondbrengen, leert nutteloze feiten en probeert intussen nederig te zijn. Want dat is, ontdekt ze, heel belangrijk..
Als meneer Tenshi haar vraagt om een rapport te maken over vetvrije boter die in België gemaakt wordt, doet ze dat op voortreffelijke wijze..maar zowel zij als Tenshi worden op het matje geroepen bij de baas: (verklaart meteen de Nederlandse titel)
"Ik dacht te weten wat een donderpreek was. Uit wat ik te verduren kreeg, bleek mijn volstrekte onwetendheid. Meneer Tenshi en ik kregen een oorverdovend gebulder te horen. Ik vraag me nog steeds af wat het ergste was, de vorm of de inhoud.
De inhoud was buitengewoon beledigend. Mijn lotgenoot en ik werden uitgemaakt voor rotte vis: we waren verraders, nulliteiten, onderkruipers, gluiperds en individualisten- de ultieme belediging. De vorm verklaarde een heleboel aspecten van de Japanse geschiedenis. Om een einde te maken aan dat afschuwelijke gebrul was ik tot de gruwelijkste dingen in staat geweest. Manstjoerije binnenvallen, duizenden Chinezen over de kling jagen, zelfmoord plegen in naam van de keizer, me met mijn vliegtuig op een Amerikaans pantserschip storten en misschien zelfs voor twee Yumimoto-bedrijven werken."
Verderop in het boek probeert Amélie haar directe baas, de beeldschone Fubuki, te troosten nadat deze een zelfde soort donderpreek heeft moeten ondergaan. Maar dat ze Fubuki heeft zien huilen blijkt de ultieme vernedering, en Fubuki neemt wraak: Amélie wordt te werk gesteld op de toiletten. Zonder dat ze Fubuki iets kwalijk neemt, zit ze de rest van de tijd van haar jaarcontract uit als wc-juffrouw...
Over de Japanse vrouw schrijft Nothomb onder andere: " Als Japanse vrouwen bewondering verdienen - en dat verdienen ze- is het omdat ze geen zelfmoord plegen. Van hun prilste jeugd af spant alles samen om hun dromen kapot te maken. Ze gieten het hen met de paplepel in "als je op je 25e nog niet getrouwd bent, heb je een goede reden om je te schamen. "als je lacht, ben je ongemanierd" "als je gezicht enige emotie verraadt, ben je ordinair" "als je durft te suggereren dat je ook maar één haartje op je lichaam hebt, dan ben je obsceen" "als een jongen je in het openbaar zoent, ben je een snol" "als je geniet van je eten, ben je een varken" "als je graag slaapt ben je een luie koe" en ga zo maar door. Die vermaningen zouden louter anecdotisch moeten zijn, als ze de geest niet ondermijnden."
"sabotage is voor een Japanner een bijzonder ernstig vergrijp, dat zo verfoeilijk is dat ze er het Franse woord voor gebruiken, want je moet al een buitenlander zijn om zo'n gemene rotstreek te bedenken."
Amélie is vrouw, en ze is een buitenlandse, geen wonder dat ze haar contract bij die Japanse firma niet verlengd heeft, en teruggekeerd is naar België. Om haar fantastische boeken te schrijven...
Oorspronkelijke titel: Stupeur et tremblements Vertaler: Marijke Arijs Uitgever Bezige Bij, De ISBN 9076682313 Verschijningsdatum 2/2005 Bindwijze Paperback Aantal pagina's 130 blz.
© Marjo
Voor meer informatie over Amélie Nothomb, klik op de afbeelding
Reageren? Klik hier!
Gods ingewanden
Het is een vrij dun boek, dat vlot weg leest. Ik weet niet in hoeverre ik alles serieus moet nemen, het is haast surrealistisch, maar met veel humor.
Het is autobiografisch, over de eerste drie jaren van Nothomb's leven in Japan.
Een kind van twee voelt zich God, doet en zegt niets, ligt daar maar en heeft goddelijke gedachten. Om onduidelijke redenen volgt dan een periode van gillen, maar ze maakt geen kontact met de ouders, of andere mensen om haar heen. Dat God een meisje is, dat ontdekken we pas als oma overkomt uit België: ze gaat eindelijk een normaal kind worden. Nou ja normaal...
Eigenlijk wil ik verder niet te veel zeggen, het is een eigenaardig maar boeiend verhaal. Prachtig dat verhaal over de karpers, waaruit het volkomen onbegrip duidelijk wordt dat tussen een klein kind en zijn ouders kanbestaan. Mooi ook de observaties over de betekenis van taal. Smaakt naar meer, deze Nothomb.
ISBN 9076682097 Ingenaaid, 138 pagina's Verschenen: maart 2001 Gewicht: 175 gram Formaat: 201 x 126 x 13 mm De Bezige Bij
© Marjo
Reageren? Klik hier!
De winterreis
Amélie Nothomb
Een kleine boekje, geschreven - zo wil de schrijfster ons doen geloven- door een veertiger die van plan is om het vliegtuig waar hij dadelijk in zal stappen op te blazen. Hij is erg vroeg gearriveerd op het vliegveld, en heeft de tijd om zijn zonden te overdenken. Leuke vraag voor de lezer: De man gaat dus ook zelfmoord plegen en neemt zijn schriftje mee het vliegtuig in, hoe kan het dan dat wij dit lezen? Allerlei vragen komen op je af, en de antwoorden laat ik over aan Nothomb.
Wat ik wel kan vertellen is hoe de man tot zijn daad komt. Het begint al bij zijn geboorte: zijn ouders noemen hem Zoïlus, naar een sofist die criticaster was van de Odyssee, en die in zijn tijd en nog later uitgekotst werd.
'Kort gezegd, Zoïlus was een onmogelijke, bespottelijke idioot. Vandaar dat niemand zijn kind ooit die bespottelijk klinkende voornaam heeft gegeven. Behalve mijn ouders natuurlijk.'
Het heeft grote invloed op het leven van de jongen. Hij doet zelfs een poging om zelf Homerus te gaan vertalen, om te kunnen vaststellen of zijn naamgenoot al of niet die idioot was waarvoor hij versleten werd. Tot de dag dat hij een vrouw ontmoet met eveneens een onmogelijke naam: Astrolabe heet ze. Ook haar leven is bizar; ze besteedt al haar tijd aan het verzorgen van een wat debiele vrouw, die evenwel prachtige boeken kan
schrijven. Nou ja, dicteren. Zij leven met z'n tweeën in een ijskoud huis, weigeren de aangeboden warmte van de man. De letterlijke warmte van een kacheltje, maar ook de figuurlijke warmte van een liefdesrelatie.
Zoïlus moet - zelfs na een noodgreep- concluderen dat hij zijn aanbedene nooit gescheiden zal zien van die ander. Het verlamt hem...
Bepaald geen vrolijk boek, van de humor zoals in haar 'Japan-boeken' geen sprake, maar niettemin een boeiend boek. Wel veel symboliek, veel dubbele bodems, die het verhaal prettiger leesbaar maken, ondanks het zwartgallige verhaal.
'Bovendien stelde ik het op prijs dat er geen foto van de auteur op het omslag stond, in deze tijd waarin het smoelwerk van de schrijver steeds vaker breeduit op het kaft prijkt. '
'Toen ik op een dag een hele reeks complimenten had gedebiteerd over een van haar alinea's, deed ze haar ogen dicht.
'Wat is dat voor een rare reactie?'vroeg ik.
'Ik nestel me in je woorden,' antwoordde ze.
ISBN 978 90 854221 6 7 paperback 149 pagina's | Meulenhoff/Manteau | november 2009
'Le voyage d'hiver' Vertaald door Marijke Arijs
© Marjo, mei 2010
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER