 |
|
|
 |
|
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
DE SCHATZOEKER
Als ik 's avonds de gordijnen sluit en mijn vrouw
knoopt haar ogen dicht dan is het niet de dood
die mij nabij wil zijn, noch de slaap die vat
na vat betrekt uit het stomme water van mijn mond;
nee, het is de hond die in mijn voeten
al jaren een schat vermoedt.
Zelf ben ik, vrees ik, niet anders.
Ook ik zoek de onuitputtelijke bron.
Ik ben opblijver, zittend op de bank.
Ik ben een hondse herhaling met tenen.
© Martijn Benders
Uit: Karavanserai
Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2008
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
DIEPZEEGEDICHT
De zee ligt op haar rug tegen de sterren te blaffen.
In haar diepte die geen spiegels kent
trekt een fakkeltocht van vissen langs
oogloze meutes van eenlingen en amoebes.
In dit stokerig donker
heeft de lelijke luchtwortel van de logica
nooit een bodem kunnen vinden
omdat echo's hem verslonden voor
hij het water bezenuwen kon.
De zon is er een vreemde groente.
Dromen kennen geen begin of einde.
Op de vertroebelde trapezes van de rotsen
gymt alleen wier. Hier komen klaagzangen,
onbezorgde brieven, zelfmoordenaars
en verweesde ogen samen in een stokoude
rite van wrakkenmuziek.
En als je goed luistert
hoor je de tijd zelf traag snikken;
op de bodem, die nooit iemand waarnam,
foto's die de duvel van onze dromen nam. © Martijn Benders
Uit: Karavanserai
Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2008
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|
|
|