Boekenarchief M

De verdronkene


“Als ons kat een koe was, dan kon je ze melken onder de stoof”. Deze oeroude Vlaamse wijsheid die al generaties lang meegaat en in onnoemelijk veel varianten telkens weer opduikt, kwam meteen bij me op, al na de eerste hoofdstukken van dit boek. Op een veel minder sappige en ludieke manier weliswaar, want dit boek ademt het Noodlot, is er helemaal van doordrongen. Als het, zoals Herman Van Veen ook al zingt, nu eens “net even anders was gegaan”, dan…


De rode draad doorheen dit boek, dat heden en verleden kunstig dooreen weeft, is de band tussen de zussen Lydia (getrouwd met Sjoerd en moeder van een dochtertje) en Armanda, een band die steeds sterker naar voren komt omdat het uiteindelijk Armanda is die voor twee zal moeten tellen. Alles begint als Armanda, de jongste van de twee, haar zus weet te overtuigen om in haar plaats naar het verjaardagsfeest van haar petekind in Zierikzee te gaan en dus even van rol te wisselen: Lydia wordt Armanda en Armanda wordt Lydia, die door Sjoerd mee naar een feest genomen wordt. Beide zussen hebben er schik in en hebben tegelijkertijd geen flauw vermoeden dat die ene beslissing, die ene gedaanteverwisseling er een is “voor altijd”. Want we schrijven de laatste dagen van januari 1953, synoniem voor de grootste natuurramp die Nederland ooit trof, de Grote Watersnood, de dijkbreuken, de zee die gulzig het land opslokte en meer dan achthonderd mensen genadeloos de dood insleurde.


Ik denk dat dat een van de sterkste punten van het boek is: als lezer weten we precies wat dit inhoudt, we hebben het allemaal geleerd in de geschiedenis- of aardrijkskundelessen, we weten wat er gebeurd is en welke factoren de oorzaak vormden. En het is precies die voorkennis die je mee het boek in sleurt. Je bekijkt het afwisselend door de ogen van Armanda, voor wie de tijd vooruitgaat, in het begin traag, maar die je langzaam oud ziet worden, en door de ogen van Lydia, voor wie die twee dagen een eeuwig nu-moment zijn, opgeslokt als ze wordt, letterlijk dan, door de omvang van de ramp, van het natuurgeweld. En je wéét wat er gaat gebeuren, je kan haast niets anders uitbrengen, na de eerste pagina al dan, “o nee”. Het is precies waar De Moor op doelt, want ze laat er van in het begin een twijfel over bestaan, met constructies als “Als iemand tegen haar had gezegd dat ze, met Nadja stevig in haar armen, alles nog maar eens goed moest bekijken omdat haar afscheid een afscheid voorgoed was, had ze in haar binnenste wel geweten dat zoiets mogelijk is, altijd, in het leven, maar had ze het niet geloofd.”
Lydia beleeft het allemaal heel precies, heel feitelijk, alsof ze weet dat wat ze allemaal ziet, denkt en beleeft, van het opperste belang is, dat ze de geschiedenisboeken in zal gaan, niet als concreet persoon, maar als een van de vele slachtoffers.
Armanda daarentegen zien we als lezer een voortdurende strijd in haar hoofd uitvechten. Zonder dat het ooit wordt uitgesproken, is er een schuldgevoel aanwezig, en als een soort van boete ondergaat ze de straf van de eeuwige rolverwisseling. Niet omdat de buitenwereld haar als Lydia ziet, ook al trouwt ze op den duur dan wel met Sjoerd, maar omdat zij zelf het gevoel heeft Lydia’s leven te leven, misschien wel te moeten leven.
Pas helemaal op het einde van het boek keert er een soort van rust terug, alsof iemand in een laatste beweging pas de golven gladstrijkt. Het is een innerlijke monoloog van de oude Armanda, een monoloog die eigenlijk een dialoog is. Een gesprek met haar zus waarin feiten en herinneringen aan elkaar worden geregen, de laatste leemtes in het verhaal worden opgehelderd (zo komen we hier ook de diepere reden van Armanda’s voorstel tot rolverwisseling te weten). Het einde is, naar mijn gevoel, het enige rustpunt in het boek, een boek dat de lezer opjaagt en meesleept, net zoals de golven dat ooit deden…


Uitgever Contact ISBN 9025425038 Verschijningsdatum 4/2005 Bindwijze Paperback Aantal pagina's 334 blz.

© Elvira, 29 december 2005

Lees de reacties op het forum en/of reageer klik HIER