Volgens de kranten was deze zomer vergelijkbaar met die van 1947..dat het
erg heet was, vermeldt het boek inderdaad, maar het boek speelt in de
winter.
Het is in de winter van 46/47 erg koud, wekenlang zijn de grachten in
Amsterdam bevroren, en veel mensen hebben het moeilijk. Veel is op de bon,
en verder hebben ze geen geld om iets extra's te doen. De tienjarige Thomas
en zijn vader wonen samen in een bovenwoning, in omstandigheden die wij,
verwend als we zijn, ons niet kunnen voorstellen. Geen verwarming, geen warm
water, überhaupt geen luxe. De vader van Thomas heeft moeite met werk
vinden, en opvoeden is ook al niet zijn sterkste punt. Af en toe logeert
Thomas bij tante Fie, maar echt leuk vindt hij dat niet.
"Ik wil mijn verhaal vertellen- het verhaal van Zwaan en mij en van Bet en
mij en van de kou en het winterijs in Amsterdam en van de dooi die aan alles
een einde maakte.
Hoe begin je een verhaal? En aan wie kun je het kwijt?"
Zwaan, alias Piem, Piet of Sonny, komt in de klas bij Thomas. Hij ziet er
anders uit, en gedraagt zich ook anders. Dat intrigeert Thomas, en hij zoekt
contact. Ze worden vrienden. Piem heeft geheimen, maar als hij het niet wil
vertellen dan hoeft Thomas het niet te weten. Piem is ook tien jaar, maar
hij lijkt veel ouder en wijzer, terwijl Thomas een onschuldige jongen is.
"weet je, zei hij, "dat dit vroeger het Joods lyceum was?"
"nee", zei ik.
"Na de oorlog hebben ze het gebouw ingepikt."
"Waarom?" vroeg ik.
"Het stond leeg. Weet je nergens van, Tommie?"
"Mijn vader noemt me Thomas." zei ik.
Door de ogen van het naïeve onwetende straatjochie ontdekken we langzaam de
achtergrond van Piem, en van Bet zijn nichtje van dertien. Piem woont bij
Bet en haar moeder, en Thomas is gefascineerd door het anders zijn van dat
gezin. Hij komt er graag. Logeert er ook, als tante Fie op een dag haar
enkel kneust. Het straatschoffie verandert langzaam in een bijna-keurige
jongen onder invloed van Piem en Bet, op wie hij smoor is.
Het moet toch niet makkelijk zijn om je als volwassene in de wereld van een
kind te verplaatsen, maar Van Gestel zet een heel geloofwaardig beeld neer.
Het is een aangrijpend verhaal, prachtig ingetogen verteld.
"Wat is genade? Iets katholieks, hè? Ik ben niet katholiek-ben jij
katholiek?"
"Ik ben godverdomme niets" zei ik hard. "Mijn vader en ik zijn helemaal
niets. En niets, zegt-ie, is beter dan iets. Want de nietsers hebben geen
hekel aan de ietsers, terwijl de ietsers enorm de schurft hebben aan de
nietsers."
Paperback 250 Pagina's Leeftijd: 9-12
Uitgever: De Fontein
Verschenen: 2001
ISBN: 902611740X
Bekroning:
Woutertje Pieterse Prijs
Griffels (Gouden Griffel)
Nienke van Hichtumprijs
© Marjo
Voor meer informatie over Peter van Gestel en zijn werk, klik op de afbeelding van het boek